-A +A

Prijsbewimpeling en ondeelbare gehoudenheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 22/09/2016
A.R.: 
115/2016

Artikel 203, eerste lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het toelaat dat het ontdoken recht ondeelbaar verschuldigd is door de partijen bij een verkoopakte die niet hebben deelgenomen aan de bewimpeling van een deel van de verkoopprijs of daarvan geen kennis hadden.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 115/2016

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 22 april 2015 (…) heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 203, eerste lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, in zoverre het bepaalt dat het ontdoken recht ondeelbaar verschuldigd is door alle partijen bij de akte, met inbegrip van die waarvoor niet kan worden aangetoond dat zij hebben deelgenomen aan de bewimpeling van een deel van de verkoopprijs, of nog, daarvan kennis hadden, art. 10, 11 en 172 van de Gw. al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 EVRM?”

...

In rechte

...

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op art. 203, eerste lid van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna: het Wetboek der registratierechten), dat bepaalt: “In geval van bewimpeling aangaande prijs en lasten of overeengekomen waarde, is elke der contracterende partijen een boete verschuldigd gelijk aan het ontdoken recht. Dit recht is ondeelbaar door alle partijen verschuldigd”.

B.2.1. Aan het Hof wordt gevraagd of die bepaling verenigbaar is met art. 10, 11 en 172 Gw., gelezen in samenhang met art. 6 EVRM, in zoverre zij bepaalt dat het ontdoken recht ondeelbaar verschuldigd is door alle partijen bij de akte van verkoop van een onroerend goed, ook door de partijen voor wie niet kan worden aangetoond dat zij aan de bewimpeling van de prijs hebben deelgenomen of dat zij daarvan kennis hadden.

B.2.2. Uit de prejudiciële vraag blijkt dat zij uitsluitend het solidariteitsmechanisme beoogt voor de verschuldigdheid van het ontdoken recht, met uitsluiting van de geldboete die dezelfde bepaling ten laste legt van de contracterende partijen.

B.3. Art. 203, eerste lid van het Wetboek der registratierechten vindt zijn oorsprong in art. 34 van de wet van 11 oktober 1919 brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten, en wijzigende de artikelen 742, 753 en 755 van het Burgerlijk Wetboek.

Dat artikel bepaalde:

“Elke bewimpeling van den prijs van een verkoop van roerende of onroerende goederen of van het opleggeld bij eene ruiling is strafbaar, voor den verkooper, den aankooper en elk der ruilende partijen persoonlijk, met eene boete gelijk aan tweemaal de ontdoken rechten. Bovendien, zijn de overtreders hoofdelijk gehouden tot betaling van de eischbare aanvullende rechten, behoudens, zoo daartoe gronden zijn, hun verhaal op elkander, voor deze rechten alleen.

[...]”

De voormelde wet werd met name aangenomen om fiscale fraude te bestrijden. In verband met de bewimpeling van de prijs bij de verkoop, staat in de memorie van toelichting van het voormelde art. 34 (art. 35 van het ontwerp) te lezen:

“In den stand onzer fiscale wetgeving ontsnapt een aanzienlijk gedeelte der belastbare stof aan de belasting gevestigd op de overdrachten, onder een bezwarenden titel, van roerende en onroerende goederen.

“Men weet dat alle verkoop van roerende of onroerende goederen onderworpen is aan een evenredig recht van overgang dat wordt berekend op den overeengekomen prijs onder bijvoeging der lasten. Teneinde het bedrag van het recht te verminderen, vermelden de overeenkomenden in de akte, in stede van den werkelijken prijs, slechts een gedeelte daarvan, alleen dat gedeelte wordt door de belasting getroffen. Het overige maakt het voorwerp uit van een tegenbrief of wordt geregeld bij onmiddellijke betaling ‘t zij in geldspeciën, ‘t zij in enkele- of orderbriefjes door den aankooper onderschreven; maar alleszins ontsnapt dit overschot aan belasting.

“De bewimpelingen van prijzen komen zeer dikwijls voor en zijn uit dien hoofde zeer nadeelig aan de openbare financiën.

[...]

“Men mag dus zeggen dat thans, ter onderwerpelijke zake, de rechten van de schatkist geenzins zijn gevrijwaard.

“Het Beheer behoort te worden gemachtigd de bewimpelingen van prijzen of van ruilingtoeslagen te doen blijken door al de bewijsmiddelen aangenomen op gebied van het gemeen recht, met uitzondering nochtans van den eed, en zeer strenge straffen dienen voorzien te worden. Dit is het doel van artikel 35” (Parl.St. Kamer 1918-19, nr. 109, p. 18-19).

De hoofdelijkheid van de verschuldigdheid van de registratierechten werd aldus, volgens de bewoordingen van dat artikel, ten laste gelegd van de “overtreders”.

Bij de codificatie van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, bij het KB nr. 64 van 30 november 1939, is de formulering van die bepaling, die voortaan “elk der contracterende partijen” beoogt, zonder onderscheid naargelang zij al dan niet schuldig zijn aan de bewimpeling, op geen enkele wijze verantwoord. Tot de opheffing ervan bij art. 64 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen heeft art. 205 van hetzelfde Wetboek, dat verwees naar art. 203, eerste lid, daarentegen het woord “overtreder” behouden.

Uit al die elementen vloeit voort dat de bepaling twee verschillende categorieën van personen identiek behandelt: de partijen bij een verkoop van een onroerend goed die de prijs van de verkoop bewust hebben bewimpeld en die in die zin strafrechtelijk zijn veroordeeld, en diegenen die, zoals in het voor de verwijzende rechter hangende geschil, de verkoopakte mogelijk hebben ondertekend zonder kennis te hebben van die bewimpeling en die in die zin niet zijn vervolgd, noch berecht door een strafgerecht.

B.4. Zoals het Hof eraan heeft herinnerd in zijn arrest nr. 85/2014 van 22 mei 2014 heeft het bij zijn arresten nrs. 105/2009, 117/2009 en 159/2009 geoordeeld:

“[Het Hof van Cassatie merkt] de hoofdelijke gehoudenheid inzake belastingen [aan] als een “civielrechtelijke sanctie [die] van rechtswege geldt” (Cass. 20 juni 1995, Arr.Cass. 1995, nr. 312) of als “een herstelmaatregel die [...] van rechtswege werkt” (Cass. 21 oktober 2008, P.08.0535.N) en die “gelijkaardig is aan de hoofdelijke gehoudenheid tot teruggave ten aanzien van alle wegens een zelfde misdrijf veroordeelde personen bepaald in artikel 50 van het Strafwetboek” (Cass. 15 oktober 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 540; Cass. 21 oktober 2008, P.08.0535.N), dat bepaalt:

“Alle wegens een zelfde misdrijf veroordeelde personen zijn hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding.

“Zij zijn hoofdelijk gehouden tot de kosten, wanneer zij door een zelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld.

“Nochtans kan de rechter alle veroordeelden of enige van hen vrijstellen van de hoofdelijkheid, mits hij de redenen van die vrijstelling opgeeft en het door ieder persoonlijk te dragen aandeel in de kosten bepaalt.

“Personen, door onderscheidene vonnissen of arresten veroordeeld, zijn alleen wegens daden van vervolging, die hun gemeen zijn, hoofdelijk gehouden tot de kosten.”

“Het Hof van Cassatie oordeelde dat de hoofdelijkheid van rechtswege werkt en niet door de strafrechter moet worden uitgesproken (Cass. 15 oktober 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 540). Nog volgens het Hof van Cassatie is de hoofdelijkheid een door de wet zelf aan de strafrechtelijke veroordeling verbonden burgerlijk gevolg en bestaat zij, ook al heeft de strafrechter niet uitdrukkelijk vastgesteld dat de veroordeelde hoofdelijk gehouden was tot betaling van de ontdoken belasting (Cass. 11 oktober 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 375).

“De administratie kan derhalve niet enkel tegen de belastingplichtige optreden maar ook een dwangbevel uitvaardigen tegen eenieder die is veroordeeld als mededader of medeplichtige.”

B.5. Bij zijn arresten nrs. 85/2014, 105/2009, 117/2009 en 159/2009 heeft het Hof geantwoord op prejudiciële vragen in verband met de hoofdelijke gehoudenheid ten laste van de mededaders of medeplichtigen die zijn veroordeeld voor feiten van belastingontduiking, waarbij het heeft geoordeeld dat die hoofdelijkheid “dient ter compensatie van de schade die voor de Schatkist is ontstaan door de fout waaraan de mededaders en medeplichtigen deelachtig zijn”.

B.6. Het Hof heeft in de voormelde arresten geoordeeld dat de hoofdelijke gehoudenheid geen dubbele straf vormde, omdat de hoofdelijkheid die met name wordt opgelegd bij art. 73sexies BTW-Wetboek waarover het werd ondervraagd, “een door de wet zelf aan de strafrechtelijke veroordeling verbonden burgerlijk gevolg” is.

In tegenstelling tot de voormelde bepaling of art. 207quater van het Wetboek der registratierechten, die de hoofdelijkheid van de verschuldigdheid van de ontdoken belasting beperken tot de als dader of medeplichtige van een inbreuk op een van die Wetboeken veroordeelde persoon, behandelt het in het geding zijnde art. 203, eerste lid, zonder redelijke verantwoording en op identieke wijze twee categorieën van personen die wezenlijk verschillend zijn, waarbij de eerste categorie niet is vervolgd, noch veroordeeld wegens een strafrechtelijk misdrijf, en de tweede wel. Hiermee raakt de in het geding zijnde bepaling een categorie van personen die, per hypothese, het slachtoffer is geweest van de frauduleuze gedraging van de andere categorie van personen, waarbij de in het geding zijnde bepaling haar hoofdelijk aansprakelijk stelt voor een schuld waarvan zij niet kan worden vrijgesteld, zelfs indien zij, als burgerlijke partij, de erkenning heeft kunnen verkrijgen van de schade die zij heeft geleden door de aangetoonde strafrechtelijke fout.

B.7. De in het geding zijnde bepaling hoeft niet te worden getoetst aan art. 10, 11 en 172 Gw., gelezen in samenhang met art. 6 EVRM, daar die toetsing niet kan leiden tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Noot: 

De wettelijke bepaling waarover het grondwettelijk Hof uitspraak deed (art. 203, eerste lid van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten), is niet van toepassing in Vlaanderen, doch enkel in het Waalse Gewest. Evenwel geldt in Vlaanderen een gelijklopende wettelijk bepaling (in art. 3.18.0.0.14 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit).

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/02/2017 - 11:57
Laatst aangepast op: ma, 13/02/2017 - 11:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.