-A +A

Preferentiële toewijzing een taak van de notaris

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Mechelen
Datum van de uitspraak: 
din, 09/01/1996

Volkomen ten onrechte stellen de boedelnotarissen in hun advies dat het niet tot de taak van de boedelnotaris behoort zich over de vraag tot preferentiële toewijzing uit te spreken.

Integendeel, volkomen in de logica van de procedure van gerechtelijke verdeling dient deze vraag eerst door de boedelnotaris onderzocht en beslecht te worden, zowel wat betreft de waarde van de goederen als wat betreft het principe van de toewijzing, en zal deze eventueel nadien, samen met de andere betwistingen, ter gelegenheid van het vonnis van homologatie door de rechtbank behandeld worden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
97
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De W. t/ De W.

1. De thans aanhangig gemaakte betwisting betreft uitsluitend de vraag of het feit dat de in de gezinswoning aanwezige huisraad reeds verdeeld is tussen partijen, een beletsel vormt voor de door verweerster, overeenkomstig artikelen 1446 en 1447 van het Burgerlijk Wetboek, gevraagde preferentiële toewijzing van deze gezinswoning.

2. Volkomen ten onrechte stellen de boedelnotarissen in hun advies dat het niet tot de taak van de boedelnotaris behoort zich over de vraag tot preferentiële toewijzing uit te spreken.

3. Integendeel, volkomen in de logica van de procedure van gerechtelijke verdeling dient deze vraag eerst door de boedelnotaris onderzocht en beslecht te worden, zowel wat betreft de waarde van de goederen (zie o.m. Brussel, 24 maart 1987, Rev. Not. B., 1991, 296 + goedkeurende noot De Page, Ph., nr. 3) als wat betreft het principe van de toewijzing, en zal deze eventueel nadien, samen met de andere betwistingen, ter gelegenheid van het vonnis van homologatie door de rechtbank behandeld worden.

Zie dienaangaande o.m. Sluyts, Ch., «Notariële en Procesrechtelijke aspecten van de Vereffening-Verdeling» in De Vereffening-Verdeling van het Huwelijksvermogen, Maklu, Antwerpen, 1993, p. 174 nr. 278, waar terecht gesteld wordt: «Meestal zal de vraag tot toebedeling van één van deze eigendommen en hun inhoud, door de partij geformuleerd worden bij de opstelling van het proces-verbaal van opening van werkzaamheden. De notaris zal in zijn staat van vereffening hieromtrent stelling moeten nemen en deze stellingname moeten verantwoorden op dezelfde wijze als de rechtbank het zou doen. De rechtbank zal dan, wanneer de staat van vereffening haar wordt overgemaakt, moeten oordelen of zij de redenering van de notaris al dan niet volgt» (cursivering door de rechtbank).

4. Het feit dat in artikel 1447 B.W. uitdrukkelijk gesteld wordt dat «De rechtbank beslist ...» doet hieraan geen afbreuk.

Dit geldt immers voor alle geschillen die zich voordoen in het kader van een gerechtelijke verdeling. Artikel 1209 Ger. W. bepaalt immers dat de rechtbank beslist over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot bij het vonnis van homologatie. Indien deze niet opgeworpen worden of de rechtbank deze niet onmiddellijk behandelt, dient de boedelnotaris dienaangaande eveneens stelling te nemen in zijn staat van vereffening en eventueel in zijn advies bij het proces-verbaal van zwarigheden. Uiteindelijk zal de rechtbank dan toch het laatste woord hebben.

5. In dit verband kan eveneens verwezen worden naar de argumentatie van prof. Pintens i.v.m. de mogelijke toepassing van artikel 1278, derde lid, Ger.W., waarin eveneens gesteld wordt dat het de rechtbank is die de beslissing dienaangaande neemt. Zie Pintens, W., «De ontbinding van het Huwelijksvermogensstelsel» in De Vereffening-Verdeling van het Huwelijksvermogen», Maklu, Antwerpen, 1993, p. 18, nr. 28) die terecht stelt: «Sommige auteurs zijn van mening dat het beoordelen van de uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak en het rekening houden met de billijkheid een te delicate zaak is voor de notaris die deze opdracht aan de rechtbank dient over te laten. Deze stelling houdt onvoldoende rekening met de bijzondere plaats die de notaris sedert de invoering Ger.W. in de procedure-verdeling inneemt. De notaris kan als eerste rechter van de zaak niet volstaan met een opname van de standpunten en de beweringen van de partijen. Hij moet als eerste rechter zelf stelling kiezen en een echt voorstel van vereffening opmaken. De notaris neemt als het ware de plaats van de rechter in en dient zoals de rechter bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen beslissingen te nemen. Er is geen reden om van deze redenering af te wijken bij de toepassing van artikel 1278, derde lid, Ger.W. Ook in dit raam is de notaris door zijn vertrouwdheid met de toepassing van het huwelijksvermogensrecht uitstekend geplaatst om de uitzonderlijke omstandigheden af te wegen, te toetsen aan het gemene recht en een billijke oplossing uit te werken. De oplossing van de notaris bindt de partijen niet. Door hun weigering het voorstel van de notaris te bekrachtigen krijgt de rechtbank trouwens het laatste woord.»

6. Niettegenstaande de boedelnotarissen ten onrechte nagelaten hebben dienaangaande standpunt in te nemen en een staat van vereffening op te maken, past het in casu, doch uitsluitend om verder nutteloos tijdverlies voor partijen te voorkomen, hierover thans uitspraak te doen en de oplossing van dit geschil niet uit te stellen tot bij het vonnis van homologatie, wat mogelijk zou zijn overeenkomstig art. 1209 van het Gerechtelijk Wetboek (zie o.m. Brussel, 9 oktober 1990, Rev. Not. B., 1991, 292).

7. Er is geen betwisting over het feit dat de inboedel van de gezinswoning reeds verdeeld is.

Ten onrechte beweert eiser dat dit een beletsel zou uitmaken voor de door verweerster gevorderde preferentiële toewijzing van de gezinswoning.

8. In tegenstelling met wat door een deel van de rechtsleer en rechtspraak wordt beweerd, is de preferentiële toewijzing van de gezinswoning wel mogelijk zonder de overname van de inboedel.

Artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek dient in zijn geheel te worden gelezen: « ...Wanneer het wettelijk stelsel eindigt ..., kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen één van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient, samen met het aldaar aanwezige huisraad ...»

Met Snyers dient aangenomen te worden dat bij lezing van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek de klemtoon dient te worden gelegd op het woord «kan», zodat de overname van de inboedel samen met de gezinswoning een mogelijkheid inhoudt en geen verplichting. Terecht stelt deze auteur dat wie het meerdere kan, ook gerechtigd is het mindere te vragen. (zie Snyers, J.-L., «De Toewijzing van Preferentiële Goederen» in De Vereffening Verdeling van het Huwelijksvermogen, Maklu, Antwerpen, 1993, p. 133, nr. 216).

Zie eveneens in dezelfde zin Raucent, L., e.a., R.P.D.B., Compl. T. VI, Tw. «Régimes Matrimoniaux (Droit Interne)», 1983, p. 827, nr. 1370, en Hambye (overigens verslaggever in de Senaat over het wetsontwerp dat leidde tot de wet van 14 juli 1976 op het huwelijksvermogensrecht, die de betreffende bepalingen invoerde, Rép. Not., T. V-I, 1980, p. 130, nr. 285.

9. Overigens dient opgemerkt te worden dat de door eiser verdedigde interpretatie volkomen in strijd is met het algemeen beleid van bescherming van de gezinswoning, dat de wetgever in de diverse recente wijzigingen van het gezinsvermogensrecht heeft gevoerd (zie o.m. de wet van 14 juli 1976 op het huwelijksvermogensrecht en de wet van 14 mei 1981 op het erfrecht van de langstlevende der echtgenoten).

Deze zou er immers toe leiden dat degene die de overname vraagt, verplicht zou worden om, zelfs tegen zijn zin, de gehele inboedel over te nemen. Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat in sommige gevallen het niet wenselijk is dat de inboedel integraal door één van de echtgenoten of de langstlevende wordt overgenomen of dit zelfs financieel onhaalbaar is (bv. wanneer deze waardevolle kunstvoorwerpen omvat). In dergelijke gevallen zou dit de overname van de gezinswoning beletten zodat de bescherming van de gezinswoning vanzelfsprekend dode letter zou worden.

10. Bovendien, ten overvloede, dient vastgesteld te worden dat zelfs de rechtsleer die aanvaardt dat de preferentiële toewijzing van de gezinswoning slechts mogelijk zou zijn samen met de inboedel, ervan uitgaat dat, — voor het geval reeds vooraf tot verdeling van de inboedel is overgegaan, zoals in casu, — niet mag worden beslist dat de toewijzing van het onroerend goed niet meer kan worden verkregen, wel integendeel dat enkel deze toewijzing nog mogelijk is (cf. Casman, H., «Aantekeningen bij artikel 1447 B.W. en de toewijzing van bij voorrang na echtscheiding», Rev. Trim. Dr. Fam., 1990, 123, nr. 38, en Casman, H., Huwelijksvermogensrecht, Ced.-Samson, 1991, III/20-4.8.C).

11. Het feit dat partijen reeds overgingen tot verdeling van de inboedel belet dus geenszins dat verweerster de toewijzing bij voorrang van de gezinswoning kan vorderen met toepassing van artikel 1446 en 1447 van het Burgerlijk Wetboek.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 04/07/2017 - 16:17
Laatst aangepast op: di, 04/07/2017 - 16:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.