-A +A

Precontractuele aansprakelijkheid verplichting 1 maand vooraf ontwerp overeenkomst te verschaffen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 12/05/2016
A.R.: 
C.15.0218.N

Art. 3 van de wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door art. 4.2 van de wet van 2 april 2014, en de invoeging van art. 27 van het Wetboek van Economisch Recht door art. 3 van voornoemde wet van 2 april 2014, bepaalt dat minstens één maand voor het sluiten van de commerciële samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in art. 2, de persoon die het recht verleent, aan de andere persoon het ontwerp van overeenkomst verstrekt, evenals een afzonderlijk document dat de gegevens bedoeld in art. 4 bevat.

Het bepaalt verder dat geen enkele verbintenis mag worden aangegaan voor het verstrijken van de termijn van een maand volgend op de afgifte van het in dit artikel beoogde document.

Deze termijn is geen verjaringstermijn en betreft evenmin een termijn voor het verrichten van een proceshandeling. Art. 2260 BW noch de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn derhalve op de berekening van de termijn van toepassing.

Het begrip maand vermeld in art. 3 van de wet van 2 april 2014 dient dan ook te worden uitgelegd in de gebruikelijke betekenis die het dagelijks taalgebruik eraan geeft. De in art. 3 bedoelde termijn van één maand begint derhalve te lopen vanaf de dag na die van het verstrekken van het precontractuele informatiedocument

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1504
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.15.0218.N

BVBA A. t/ NV C.B.R.A.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 17 november 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Art. 3 van de wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door art. 4.2 van de wet van 2 april 2014, en de invoeging van art. 27 van het Wetboek van Economisch Recht door art. 3 van voornoemde wet van 2 april 2014, bepaalt dat minstens één maand voor het sluiten van de commerciële samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in art. 2, de persoon die het recht verleent, aan de andere persoon het ontwerp van overeenkomst verstrekt, evenals een afzonderlijk document dat de gegevens bedoeld in art. 4 bevat.

Het bepaalt verder dat geen enkele verbintenis mag worden aangegaan voor het verstrijken van de termijn van een maand volgend op de afgifte van het in dit artikel beoogde document.

2. Deze termijn is geen verjaringstermijn en betreft evenmin een termijn voor het verrichten van een proceshandeling. Art. 2260 BW noch de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn derhalve op de berekening van de termijn van toepassing.

3. Het begrip maand vermeld in art. 3 van de wet van 2 april 2014 dient dan ook te worden uitgelegd in de gebruikelijke betekenis die het dagelijks taalgebruik eraan geeft. De in art. 3 bedoelde termijn van één maand begint derhalve te lopen vanaf de dag na die van het verstrekken van het precontractuele informatiedocument, hier vanaf 27 september 2007 om 00.00 uur en eindigt één maand later, te dezen op 26 oktober 2007, om 24.00 uur.

4. De appelrechter die vaststelt dat de verweerster het precontractuele informatiedocument op 26 september 2007 aan de eiseres heeft overhandigd en de partijen het franchisecontract op 26 oktober 2007 hebben gesloten, en die oordeelt dat de door art. 3 voorgeschreven termijn van één maand werd nageleefd, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Omvang van de cassatie

5. De vernietiging van de beslissing waarbij de vordering van de eiseres tot nietigverklaring van de franchiseovereenkomst ongegrond wordt verklaard, brengt tevens de vernietiging mee van de daaruit voortvloeiende beslissingen, met name de beslissing die de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerster van achterstallige facturen voor de levering van goederen, de beslissing die de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerster van achterstallige huurgelden, de beslissing tot vrijgave van de bankwaarborg in het voordeel van de verweerster, de beslissing die de eiseres veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding wegens imagoverlies en de beslissing die de eiseres veroordeelt tot betaling van de gerechtskosten.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 15/05/2017 - 08:52
Laatst aangepast op: ma, 15/05/2017 - 08:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.