-A +A

Potpourri II vernietigingsarrest

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
woe, 21/12/2016
A.R.: 
148/2017

Tegen de wet van 5 februari 2016 (potpourriwet 2) werden meerdere beroepen tot vernietiging ingesteld. Bij arrest van 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over 11 aspecten van bovenvermelde wet die door de verzoekers in strijd werden geacht met de Grondwet.

Vernietigde bepalingen

De artikelen die (gedeeltelijk) vernietigd werden:

- artikelen 6 en 121 tot 123, alsmede de artikelen 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 151, 155 en 170, 2°;
- artikel 63, 1°;
- artikelen 127 en 137;
- artikel 132, 1°, in zoverre het de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat aan de inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, het voordeel van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht toe te kennen;
de artikelen 148, 153 en 163;

Handhaving van de gevolgen van de vernietiging

- Artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2° ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;

- Artikel 63, 1°, ten aanzien van de huiszoekingen die zijn uitgevoerd vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;

- Artikelen 127 en 137 tot de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;

Verwerping van de beroepen tot vernietiging

Onder voorbehoud van de in B.39.2 en in B.39.3 vermelde interpretatie van artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016;

Rekening houdend met hetgeen in B.44.4 en in B.45 is vermeld inzake artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 89 van de wet van 5 februari 2016.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
152
Vernietigingsarrest Grondwettelijk Hof 21/12/2017, AR 148/2017, juridat. Voor het volledige arrest klik hier.

Dispositief:
Het Hof
1. vernietigt in de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie :
- de artikelen 6 en 121 tot 123, alsmede de artikelen 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 151, 155 en 170, 2°;
- artikel 63, 1°;
- de artikelen 127 en 137;
- artikel 132, 1°, in zoverre het de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat aan de inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, het voordeel van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht toe te kennen;
- de artikelen 148, 153 en 163;
2. handhaaft de gevolgen van :
- de artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2°, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
- artikel 63, 1°, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de huiszoekingen die zijn uitgevoerd vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
- de artikelen 127 en 137 van de wet van 5 februari 2016 tot de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
3. verwerpt de beroepen voor het overige,
- onder voorbehoud van de in B.39.2 en in B.39.3 vermelde interpretatie van artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016;
- rekening houdend met hetgeen in B.44.4 en in B.45 is vermeld inzake artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 89 van de wet van 5 februari 2016.
 
Tekst Arrest

Grondwettelijk Hof 21 december 2017

Arrest nr. 148/2017

Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a) Bij verzoekschrift (...) hebben L.L. en A.M. beroep tot vernietiging ingesteld van art. 6 en de daarmee samenhangende artt. 7, 11, 14, 1o, 15, 17, 18, 19, 2o, 36, 151, 155 en 170, 2o, van de wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie» (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 februari 2016, vierde editie).

b) Bij verzoekschrift (...) heeft L.L. beroep tot vernietiging ingesteld van de artt. 127 tot 130, 136 en 137 van dezelfde wet alsmede van de daarmee onlosmakelijk verbonden bepalingen, zoals art. 121.

c) Bij verzoekschrift (...) heeft de vzw «Syndicat des Avocats pour la Démocratie», bijgestaan en vertegenwoordigd door A.L., advocaat bij de balie te Charleroi, en mr. L. Laperche, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artt. 63, 1o, 132, 1o, en 197 van dezelfde wet.

d) Bij verzoekschrift (...) heeft A.V. beroep tot vernietiging ingesteld van art. 6 en de daarmee samenhangende artt. 7, 11, 14, 1o, 15, 17, 18, 19, 2o, 36, 151, 155 en 170, 2o, van dezelfde wet.

e) Bij verzoekschrift (...) heeft de vzw «Liga voor Mensenrechten», bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. J. Vander Velpen, advocaat bij de balie te Antwerpen, en mr. J. Heymans, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, en in het bijzonder van de artt. 63, 83, § 6, 121, 122, 123 en 127 ervan.

f) Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 augustus 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 augustus 2016, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, en in het bijzonder van de artt. 63, 83, § 6, 1o, 89, 121, 127, 137, 148, 153 en 163 ervan, door de vzw «Ligue des Droits de l’Homme» en de vzw «Association Syndicale des Magistrats», bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. D. Ribant, mr. C. Macq en mr. D. de Beco, advocaten bij de balie te Brussel.

g) Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 augustus 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 augustus 2016, heeft de «Ordre des barreaux francophones et germanophone», bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. V. Letellier, mr. H. Sax en mr. A. Schaus, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, en in het bijzonder van de artt. 2 tot 6, 12 tot 18, 36, 51, 66, 1o, 83, 99, 100, 115, 121, 122, 127 tot 130, 136, 137, 151, 155 en 170 ervan.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6492, 6493, 6494, 6495, 6496, 6497 en 6498 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

...

II. In rechte

...

– A –

...

– B –

Ten aanzien van de bestreden wet

B.1.1. De wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie» (ook wel de «Potpourri II-wet» genoemd) beoogt het strafrecht en de strafrechtspleging te verbeteren en te moderniseren, teneinde de rechtsbedeling efficiënter, sneller en goedkoper te doen verlopen zonder de kwaliteit van de rechtsbedeling of de fundamentele rechten van de rechtzoekenden in het gedrang te brengen (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 3, en DOC 54-1418/005, p. 5).

De wet van 5 februari 2016 past in het kader van een ruimere hervorming van Justitie, zoals vooropgesteld in het plan «Een efficiëntere justitie voor meer rechtvaardigheid» van de minister van Justitie dat op 18 maart 2015 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers werd voorgesteld. Bij de voormelde wet worden «in afwachting van de globale hervorming van het strafprocesrecht [...] al wel punctuele maatregelen [...] genomen waarvan kan worden aangenomen dat ze de werklast onmiddellijk positief zullen beïnvloeden en de procedure efficiënter maken, zonder te raken aan de fundamentele rechten van de partijen in de procedure. [...] Soms gaat het om gerichte maatregelen, andere maatregelen zijn fundamenteler van aard. Zij beogen een gemeenschappelijk doel, te weten de dienstverlening van Justitie te verbeteren en te moderniseren en verspillingen van tijd, energie en geld, die ondraaglijk zijn geworden, te beperken» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 4).

B.1.2. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de volgende bepalingen van de wet van 5 februari 2016, die het Hof in de hiernavolgende volgorde onderzoekt:

– de artt. 6, 121, 122 en 123 en de daarmee onlosmakelijk verbonden bepalingen, betreffende de verhoging van de straffen voor gecorrectionaliseerde misdaden en de veralgemening van de correctionaliseerbaarheid van misdaden (overwegingen B.2 tot B.17);

– art. 63, betreffende de uitbreiding van het zogenaamde «mini-onderzoek» tot de huiszoeking (overwegingen B.18 tot B.22);

– art. 66, 1o, betreffende de afschaffing van de automatische nietigheidssanctie in het geval van een gebrek in de beschikking waarbij het afluisteren en opnemen van communicatie wordt toegestaan (overwegingen B.23 tot B.29);

– art. 83, betreffende de beperking van de mogelijkheid van verzet (overwegingen B.30 tot B.40);

– art. 89, betreffende de invoering van de verplichting om in hoger beroep een verzoekschrift met vermelding van de grieven in te dienen (overwegingen B.41 tot B.46);

– de artt. 99, 100 en 115, betreffende de afschaffing van het onmiddellijk cassatieberoep tegen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artt. 135, 235bis en 235ter Sv. (overwegingen B.47 tot B.56);

– de artt. 128, 129, 130 en 136, betreffende de wijziging van de termijnen tot handhaving van de voorlopige hechtenis (overwegingen B.57 tot B.68);

– de artt. 127 en 137, betreffende de beperking van het onmiddellijk cassatieberoep tegen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de voorlopige hechtenis (overwegingen B.69 tot B.79);

– art. 132, betreffende de handhaving van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht door de raadkamer op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging (overwegingen B.80 tot B.84);

– de artt. 148, 153 en 163, betreffende de uitsluiting van strafmodaliteiten voor de personen die niet over een recht van verblijf beschikken (overwegingen B.85 tot B.91).

– art. 197, betreffende de invoering van de mogelijkheid om parketjuristen te belasten met bepaalde bevoegdheden van het openbaar ministerie (overwegingen B.92 tot B.100).

Ten gronde

De verhoging van de straffen voor gecorrectionaliseerde misdaden en de veralgemening van de correctionaliseerbaarheid van misdaden

B.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6492 en 6495 vorderen de vernietiging van art. 6 van de wet van 5 februari 2016. Daarnaast verzoeken zij het Hof tevens de onlosmakelijk daarmee verbonden bepalingen te vernietigen, meer bepaald de artt. 7, 11, 14, 1o, 15, 17, 18, 19, 2o, 36, 151, 155 en 170, 2o, van dezelfde wet. De verzoekende partij in de zaak nr. 6496 vordert de vernietiging van de artt. 121, 122 en 123 van dezelfde wet. De verzoekende partij in de zaak nr. 6497 vordert de vernietiging van art. 121 van dezelfde wet.

B.3.1. Het bestreden art. 6 van de wet van 5 februari 2016 bepaalt:

«In artikel 25 van [het Strafwetboek], gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, wordt het vijfde lid vervangen als volgt:

«Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«Hij is ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.»»

Het aldus gewijzigde art. 25 van het Sw. bepaalt:

«De duur van de correctionele gevangenisstraf is, behoudens de in de wet bepaalde gevallen, ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar.

«Hij is ten hoogste vijf jaar voor een met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«Hij is ten hoogste tien jaar voor een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«Hij is ten hoogste vijftien jaar voor een met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«Hij is ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

«De duur van een dag gevangenisstraf is vierentwintig uren.

«De duur van een maand gevangenisstraf is dertig dagen.»

B.3.2. Het bestreden art. 121 van de wet van 5 februari 2016 bepaalt:

«In artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013, wordt het derde lid opgeheven.»

Het aldus gewijzigde art. 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden bepaalt:

«In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling, bij een met redenen omklede beschikking, de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

«Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf».

B.3.3. Het bestreden art. 122 van de wet van 5 februari 2016 bepaalt:

«In artikel 3, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994 en 8 juni 2008, worden de woorden «en daarvoor in aanmerking komt op grond van artikel 2, derde lid» opgeheven.»

Het aldus gewijzigde art. 3 van de wet van 4 oktober 1867 bepaalt:

«De correctionele rechtbank naar welke de verdachte is verwezen, kan zich niet onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de reden van verschoning.

«Zij kan zich nochtans onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de grond van verschoning wanneer zij geadieerd is met toepassing van artikel 2, tweede lid.

«Zij kan zich bevoegd verklaren door de verzachtende omstandigheden of de verschoningsgrond aan te nemen wanneer zij vaststelt dat de bij haar aanhangig gemaakte misdaad niet is gecorrectionaliseerd.»

B.3.4. Het bestreden art. 123 van de wet van 5 februari 2016 bepaalt:

«In artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994 en 8 juni 2008, wordt het tweede lid opgeheven.»

Het aldus gewijzigde art. 5 van de wet van 4 oktober 1867 bepaalt:

«De politierechtbank waar de beklaagde naar verwezen wordt, kan haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, niet afwijzen, en zij kan de politiestraffen uitspreken.

«Zij kan zich bevoegd verklaren door de verzachtende omstandigheden aan te nemen die de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling of het openbaar ministerie hebben verzuimd te vermelden bij de aanhangigmaking van het in artikel 4, eerste lid, omschreven feit.»

B.4.1. Art. 1 van het Sw. bepaalt de indeling van de misdrijven in overtredingen, wanbedrijven en misdaden als volgt:

«Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een criminele straf, is een misdaad.

«Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een correctionele straf, is een wanbedrijf.

«Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een politiestraf, is een overtreding.»

De criminele straffen zijn, blijkens art. 7, 1o Sw., de opsluiting en de hechtenis. De correctionele straffen en de politiestraffen zijn, krachtens art. 7, 2o Sw., de gevangenisstraf, de straf onder elektronisch toezicht, de werkstraf en de autonome probatiestraf.

Vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet van 5 februari 2016 bepaalden de artt. 8 en 9 Sw. dat de opsluiting levenslang is, dan wel kan worden uitgesproken voor een termijn van vijf tot tien jaar, een termijn van tien tot vijftien jaar, een termijn van vijftien tot twintig jaar of een termijn van twintig tot dertig jaar. Art. 2 van de bestreden wet van 5 februari 2016 voegt daar de opsluiting voor een termijn van dertig tot veertig jaar aan toe.

B.4.2. Art. 25 Sw. bepaalt de maximumstraffen die door de correctionele rechtbanken kunnen worden uitgesproken. Oorspronkelijk luidde die bepaling als volgt:

«De duur van de correctionele gevangenisstraf is ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar, behoudens de bij de wet uitgezonderde gevallen.

«De duur van een dag gevangenisstraf is vierentwintig uren.

«De duur van een maand gevangenisstraf is dertig dagen.»

Hoewel die bepaling steeds toeliet om van de gebruikelijke duur van een correctionele gevangenisstraf af te wijken, was de wet van 1 februari 1977 «tot wijziging van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en van het Strafwetboek» de eerste die in een algemene afwijking voorzag, door te bepalen dat de gevangenisstraf voor een gecorrectionaliseerde misdaad die strafbaar was met tijdelijke dwangarbeid ten hoogste tien jaar kon bedragen. Sedert de wijziging van art. 25 Sw. bij de wet van 23 januari 2003 «houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen met de wet van 10 juli 1996 tot afschaffing van de doodstraf en tot wijziging van de criminele straffen» gold het maximum van ten hoogste tien jaar gevangenisstraf voor «een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk een langere termijn of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is».

Bij de wet van 21 december 2009 «tot hervorming van het hof van assisen» werd de maximumstraf die door een correctionele rechtbank kan worden uitgesproken, verhoogd tot twintig jaar gevangenisstraf. Een gevangenisstraf tot vijftien jaar kon voortaan worden uitgesproken voor een met opsluiting van vijftien tot twintig jaar strafbare misdaad die was gecorrectionaliseerd. Een gevangenisstraf tot twintig jaar kon voortaan worden uitgesproken voor een met opsluiting van twintig tot dertig jaar of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die was gecorrectionaliseerd.

B.4.3. Het bestreden art. 6 van de wet van 5 februari 2016 verhoogt de maximumstraf die door een correctionele rechtbank kan worden uitgesproken tot veertig jaar. Het voegt aan de in art. 25 Sw. bepaalde termijnen drie nieuwe termijnen toe, namelijk een gevangenisstraf van ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is, een gevangenisstraf van ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is, en een gevangenisstraf van ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

B.5.1. Krachtens art. 79 Sw. worden de criminele straffen verminderd overeenkomstig de artt. 80 tot 84 van hetzelfde Wetboek, indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Art. 80 Sw., zoals gewijzigd bij art. 17 van de bestreden wet van 5 februari 2016, bepaalt:

«Levenslange opsluiting wordt vervangen door tijdelijke opsluiting of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste veertig jaar.

«Opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar door opsluiting van achtendertig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtendertig jaar.

«Opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar door opsluiting van achtentwintig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtentwintig jaar.

«Opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk gedurende vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste vijftien jaar.

«Opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste zes maanden en van ten hoogste tien jaar.

«Opsluiting van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste één maand en van ten hoogste vijf jaar.»

Die bepaling betreft niet de gevolgen van het aannemen van verzachtende omstandigheden voor de bevoegdheid van de rechter, doch louter de invloed daarvan op de straftoemeting ter individualisering van de straf. Zij biedt het hof van assisen, indien het verzachtende omstandigheden aanneemt, immers de keuze tussen een opsluiting en een gevangenisstraf voor alle misdaden die worden bestraft met een opsluiting van tien jaar tot een levenslange opsluiting, en zij laat dat hof toe een gevangenisstraf tot vijf jaar uit te spreken voor de misdaden waarop de wet een opsluiting van vijf tot tien jaar stelt. De duur van beide mogelijke straffen overlapt telkens grotendeels.

B.5.2. De grondslag van de wijziging van het bevoegde rechtscollege in geval van correctionalisering van misdaden is gelegen in de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden.

Krachtens art. 1, eerste lid, van de wet van 4 oktober 1867 berust de beoordeling van de verzachtende omstandigheden bij het rechtsprekende college, bij de rechtsmachten belast met het onderzoek en bij het openbaar ministerie. Krachtens art. 1, tweede lid, van dezelfde wet, dat ter zake de motiveringsplicht oplegt, moeten die verzachtende omstandigheden in de arresten en vonnissen worden medegedeeld. Krachtens art. 2, tweede lid, van dezelfde wet dient de rechtstreekse dagvaarding wegens een gecorrectionaliseerde misdaad door het openbaar ministerie te geschieden met mededeling van de verzachtende omstandigheden.

B.5.3.1. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden art. 121 van de wet van 5 februari 2016 bepaalde art. 2 van de wet van 4 oktober 1867, zoals vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013:

«In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling, bij een met redenen omklede beschikking, de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

«Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf.

«Alleen in de volgende gevallen kan het openbaar ministerie rechtstreeks dagvaarden of oproepen en kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling verwijzen wegens verzachtende omstandigheden:

1o als de in de wet bepaalde straf twintig jaar opsluiting niet te boven gaat;

2o als het gaat om een poging tot misdaad strafbaar met levenslange opsluiting;

3o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 216, tweede lid, van het Strafwetboek;

4o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 347bis, §§ 2 en 4, van het Strafwetboek;

5o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 375, laatste lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 377bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

5o/1 als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 405quater, 6o, van het Strafwetboek;

6o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 408 van het Strafwetboek;

6o/1 als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 410bis, derde lid, 5o, van het Strafwetboek;

7o als het gaat om een misdaad bedoeld in de artikelen 428, § 5, en 429 van het Strafwetboek;

8o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 473, laatste lid, van het Strafwetboek;

9o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 474 van het Strafwetboek;

10o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 476 van het Strafwetboek;

11o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 477sexies van het Strafwetboek;

12o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 513, tweede lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 514bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

13o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 518, tweede lid, van het Strafwetboek;

14o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 530, laatste lid, van het Strafwetboek, die met toepassing van artikel 531 van hetzelfde Wetboek wordt gestraft, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 532bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd.»

B.5.3.2. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden art. 121 van de wet van 5 februari 2016 beperkte art. 2, derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 de bevoegdheid van de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling en het openbaar ministerie om een misdaad te correctionaliseren op grond van verzachtende omstandigheden aan de hand van een limitatieve lijst. Als algemene regel gold dat een misdaad waarop de wet een opsluiting van meer dan twintig jaar stelde, niet kon worden gecorrectionaliseerd. Vóór de vervanging van het voormelde art. 2 bij art. 230 van de wet van 21 december 2009 «tot hervorming van het hof van assisen» waren de meeste uitzonderingen op die regel onderworpen aan een voorwaarde met betrekking tot de ernst van de gevolgen van de misdaad voor het slachtoffer.

De wet van 21 december 2009 heeft die voorwaarde afgeschaft en heeft de limitatieve lijst van correctionaliseerbare misdaden uitgebreid, enerzijds, met de poging tot misdaad strafbaar met levenslange opsluiting en, anderzijds, met enkele specifieke misdaden waarop de wet een opsluiting van meer dan twintig jaar stelde. Bij art. 21 van de wet van 27 december 2012 «houdende diverse bepalingen betreffende justitie» en bij art. 3 van de wet van 14 januari 2013 «tot wijziging van artikel 405quater van het Strafwetboek en artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden» werd de limitatieve lijst van correctionaliseerbare misdaden verder uitgebreid, respectievelijk met de misdaad bedoeld in art. 410bis, derde lid, 5o Sw. en met de misdaad bedoeld in art. 405quater, 6o Sw.

B.5.3.3. Het bestreden art. 121 van de wet van 5 februari 2016 heeft die limitatieve lijst, zoals zij was neergelegd in het voormelde art. 2, derde lid, van de wet van 4 oktober 1867, opgeheven. Bijgevolg kunnen de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling en het openbaar ministerie voortaan elke misdaad correctionaliseren door verzachtende omstandigheden aan te nemen, ongeacht de maximale duur van de opsluiting die de wet op die misdaad stelt en ongeacht de gevolgen ervan voor het slachtoffer.

B.5.3.4. De onderzoeksgerechten en het openbaar ministerie beschikken aldus steeds over de mogelijkheid om een misdaad te correctionaliseren door verzachtende omstandigheden aan te nemen, maar zijn daartoe nooit verplicht. Behoudens de verplichting om de in aanmerking genomen verzachtende omstandigheden te motiveren, bevat de wet van 4 oktober 1867 evenwel geen criteria.

Het college van procureurs-generaal heeft in zijn omzendbrief nr. 2/2016 van 17 februari 2016 de volgende richtlijnen aangenomen:

«2. Als algemene richtlijn geldt dat het Openbaar Ministerie voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verwijzing van een zaak naar het hof van assisen slechts zal vorderen indien het op dat ogenblik meent de straf van levenslange opsluiting te zullen vorderen bij afwezigheid van verzachtende omstandigheden.

«Deze afwezigheid van verzachtende omstandigheden moet worden gemotiveerd in de schriftelijke vordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling en kan bijvoorbeeld blijken uit de aard van de feiten zelf, de context waarbinnen ze werden gepleegd of omstandigheden gelinkt aan de persoonlijkheid van de beklaagde.

«3. Het spreekt voor zich dat bij de berechting van meerdere beklaagden in de zin van art. 66 tot en met 69 Strafwetboek, alle beklaagden naar het hof van assisen dienen te worden verwezen, gelet op de samenhang, ongeacht of bij één of meerdere personen wel verzachtende omstandigheden kunnen worden ingeroepen.

«4. Bij de beoordeling of zal worden gevorderd een zaak naar het hof van assisen te verwijzen, is de afweging van voorgaande feiten en/of voorgaande veroordelingen een criterium waarmee rekening moet gehouden worden.

«Het bestaan van voorgaanden (welke misdrijven, aantal misdrijven, in welke periode van de levensloop van de dader, ...) kan immers een indicatie vormen voor de uitgesproken criminele persoonlijkheid van de dader.

«Op zich volstaat de optelling van het aantal veroordelingen echter niet als decisief criterium om de verwijzing naar het hof van assisen te vorderen.

«5. Deze richtlijn vormt een ruggensteun en aftoetsnorm voor de individuele magistraat die moet afwegen welke rechter hij zal vatten, na grondige afweging van alle elementen van het strafdossier.

«In aansluiting hierop, zal de procureur-generaal in zijn ressort, net zoals de federale procureur in zijn parket, een magistraat aanduiden als referentiemagistraat in deze materie. Deze magistraat ondersteunt en begeleidt zijn collega’s bij voormeld beslissingsproces. De referentiemagistraat houdt overzicht op de belangrijke criminele zaken in het ressort en stelt zijn expertise ter beschikking bij vragen over de toepassing van deze richtlijn.

«Hij waakt over de coherente toepassing van deze richtlijn en analyseert vanuit dat perspectief de rechtspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling.»

B.5.3.5. Wanneer een misdaad wordt gecorrectionaliseerd doordat de onderzoeksgerechten of het openbaar ministerie verzachtende omstandigheden aannemen, wordt de misdaad geacht ab initio een wanbedrijf te zijn geweest (Cass. 28 mei 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 243; Cass. 5 februari 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 85).

B.5.4. Terwijl de mogelijkheid om een misdaad te correctionaliseren door verzachtende omstandigheden aan te nemen, oorspronkelijk was voorbehouden aan de onderzoeksgerechten, staat zij sinds de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 1994 «betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging» eveneens open voor het openbaar ministerie, wanneer het de beklaagde rechtstreeks voor het vonnisgerecht dagvaardt.

Wanneer het openbaar ministerie een misdaad correctionaliseert, dient de dagvaarding melding te maken van de in aanmerking genomen verzachtende omstandigheden.

B.5.5.1. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden art. 122 van de wet van 5 februari 2016 bepaalde artikel 3 van de wet van 4 oktober 1867:

«De correctionele rechtbank naar welke de verdachte is verwezen, kan zich niet onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de reden van verschoning.

«Zij kan zich nochtans onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de grond van verschoning wanneer zij geadieerd is met toepassing van artikel 2, tweede lid.

«Zij kan zich bevoegd verklaren door de verzachtende omstandigheden of de verschoningsgrond aan te nemen wanneer zij vaststelt dat de bij haar aanhangig gemaakte misdaad niet is gecorrectionaliseerd en daarvoor in aanmerking komt op grond van artikel 2, derde lid.»

Het bestreden art. 122 van de wet van 5 februari 2016 heeft in art. 3, derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 de woorden «en daarvoor in aanmerking komt op grond van art. 2, derde lid» opgeheven, aangezien artikel 2, derde lid, waarnaar wordt verwezen, werd opgeheven bij het bestreden art. 121 van de wet van 5 februari 2016.

B.5.5.2. Krachtens art. 3, eerste lid, van de wet van 4 oktober 1867 kan de correctionele rechtbank waarnaar een misdaad is verwezen met aanname van verzachtende omstandigheden, zich niet onbevoegd verklaren ten aanzien van die verzachtende omstandigheden indien de verwijzing is uitgesproken door de raadkamer of door de kamer van inbeschuldigingstelling. Aldus zijn de door de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling regelmatig aangenomen verzachtende omstandigheden bindend voor het vonnisgerecht, dat het bestaan ervan niet mag afwijzen. Op die manier beslissen de onderzoeksgerechten bij voorbaat dat het vonnisgerecht, indien het de feiten bewezen verklaart, verzachtende omstandigheden in aanmerking moet nemen voor de straftoemeting.

Krachtens art. 3, tweede lid, van de wet van 4 oktober 1867 kan de correctionele rechtbank waarvoor de vermoedelijke daders van een misdaad zijn gedagvaard met aanname van verzachtende omstandigheden, zich daarentegen wel onbevoegd verklaren ten aanzien van die verzachtende omstandigheden indien de aanhangigmaking bij het rechtscollege het gevolg is van een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie. De aanduiding van verzachtende omstandigheden door het openbaar ministerie is bijgevolg niet bindend voor de correctionele rechtbank. Indien zij zich bevoegd verklaart, is zij niettemin verplicht om de door het openbaar ministerie vermelde verzachtende omstandigheden in acht te nemen.

B.5.6. Art. 4 van de wet van 4 oktober 1867, dat niet werd gewijzigd bij de bestreden wet van 5 februari 2016, bepaalt:

«Wanneer het ten laste gelegde feit strafbaar is met gevangenisstraf of met geldboete en de raadkamer op het verslag van de onderzoeksrechter of op de vordering van het openbaar ministerie van oordeel is dat er grond is om die straffen tot politiestraffen te verminderen, kan zij de verdachte naar de bevoegde politierechtbank verwijzen, met vermelding van de verzachtende omstandigheden.

«Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de bevoegde politierechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een politiestraf.»

Vóór de wijziging ervan bij het bestreden art. 123 van de wet van 5 februari 2016 bepaalde art. 5 van de wet van 4 oktober 1867:

«De politierechtbank waar de beklaagde naar verwezen wordt, kan haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, niet afwijzen, en zij kan de politiestraffen uitspreken.

«Zij kan zich nochtans onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden indien zij geadieerd is met toepassing van artikel 4, tweede lid.

«Zij kan zich bevoegd verklaren door de verzachtende omstandigheden aan te nemen die de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling of het openbaar ministerie hebben verzuimd te vermelden bij de aanhangigmaking van het in artikel 4, eerste lid, omschreven feit.»

Het bestreden art. 123 van de wet van 5 februari 2016 heeft het tweede lid van art. 5 van de wet van 4 oktober 1867 opgeheven. Als gevolg van die opheffing kan de politierechtbank haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, nooit afwijzen, ongeacht of het gaat om een verwijzing door de raadkamer of om een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie.

B.6.1. De bestreden artt. 6, 121 en 122 van de wet van 5 februari 2016 hangen onlosmakelijk samen, aangezien zij alle beogen om, in overeenstemming met de eerdere hervormingen met dezelfde doelstelling, de correctionalisering mogelijk te maken van zoveel mogelijk misdaden en aldus de behandeling ervan te onttrekken aan het hof van assisen ten voordele van de correctionele rechtbank, die voortaan veel hogere gevangenisstraffen kan opleggen.

In de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet werd de doelstelling van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid (art. 121 van de wet van 5 februari 2016) als volgt verwoord:

«Doorheen de opeenvolgende hervormingen is de mogelijkheid tot het correctionaliseren van de misdaden aanzienlijk uitgebreid, waardoor de correctionele rechtbanken aldus kennis kunnen nemen van de meeste zaken van criminele aard.

«Het behoud van categorieën niet-correctionaliseerbare misdaden heeft geen bestaansreden meer.

«De assisenprocedure is extreem zwaar.

«In geval van vernietiging van de uitspraak – waarvoor het risico aanzienlijk veel groter is dan bij de arresten van beroepsmagistraten – moet de procedure worden herbegonnen voor een ander hof van assisen.

«Het hof van assisen is zodanig overbelast dat beschuldigden in voorlopige hechtenis opnieuw in vrijheid moeten worden gesteld in afwachting van hun berechting indien de zitting niet binnen een redelijke termijn na het arrest tot gevangenneming kan worden geopend.

«De toenemende complexiteit – die losstaat van de kwalificatie van de feiten – van bepaalde dossiers, van de onderzoekstechnieken en van de wetgeving, de verplichting om de uitspraak te motiveren (zeker met de bijstand van het hof), de overmatige werklast die deze procedure inhoudt voor de magistraten, de desorganisatie van de kamers van de hoven van beroep en van de correctionele rechtbanken door het tijdelijk inzetten van rechters bij dat niet-permanente rechtscollege, het risico op bedreigingen van of druk op de gezworenen, enz. hebben de Hoge Raad voor de Justitie, paritair samengesteld uit magistraten en niet-magistraten, ertoe gebracht zich in zijn advies van 28 januari 2009 uit te spreken ten gunste van de schrapping van dit rechtscollege [...].

«De korpschefs van de zetel en van het parket hebben zich eveneens in die zin uitgesproken [...].

«Een dergelijke hervorming wordt hier niet voorgesteld. Daarvoor zou trouwens de herziening van art. 150 Gw. vereist zijn.

[...]

«Conclusie: de verantwoordelijkheid om geval per geval te beoordelen welke zaken respectievelijk het best door het hof van assisen of door de correctionele rechtscolleges worden berecht, moet aan de beoordeling van het parket en de onderzoeksgerechten, en, overeenkomstig het advies van de Raad van State, aan de rechter ten gronde (in geval van rechtstreekse dagvaarding door het parket) worden overgelaten.

[...]

«Zoals hierboven reeds werd vermeld, beoogt het ontwerp geenszins de stelselmatige en blinde correctionalisering van alle misdrijven en de heimelijke uitholling van het hof van assisen.

«De assisenprocedure blijft wel degelijk van toepassing op misdrijven die daarvoor werkelijk in aanmerking lijken te komen. Zij wordt in dit ontwerp zelfs verbeterd.

«Het openbaar ministerie kan in een omzendbrief criteria bepalen die de magistraten van het openbaar ministerie de mogelijkheid bieden om de zaken te bepalen waarvan de verwijzing naar het hof van assisen [moet worden] gevorderd, inzonderheid om de eenheid van de handelwijzen in de verschillende arrondissementen van het koninkrijk te waarborgen. Ingeval die omzendbrief wordt uitgevaardigd op grond van art. 143bis Ger.W. kan de vereiste consensus van aard zijn om een evenwichtig standpunt te garanderen» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 112-115).

De doelstelling van de verhoging van de straffen voor gecorrectionaliseerde misdaden (art. 6 van de wet van 5 februari 2016) werd voorgesteld als een noodzakelijk gevolg van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet staat in dat verband het volgende te lezen:

«Deze wijzigingen vloeien voort uit de veralgemening van de «correctionaliseerbaarheid» van de misdaden (cf. Hoofdstuk 2 van Titel III van dit ontwerp, betreffende artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden).

«De mogelijkheid om alle misdaden – met inbegrip van de meest ernstige – te correctionaliseren, die dit ontwerp beoogt in te voeren, maakt het noodzakelijk de bovengrens van de gevangenisstraf vast te leggen in geval van correctionalisering van de misdaden die strafbaar zijn met levenslange opsluiting (b.v. een moord). Er wordt voorgesteld om die bovengrens vast te leggen op veertig jaar.

«De bovengrens van de gevangenisstraf in geval van correctionalisering van misdaden strafbaar met opsluiting van twintig tot dertig jaar moet tevens worden herzien, aangezien tot dusver enkel een gedeelte ervan correctionaliseerbaar was. Doodslag werd bijvoorbeeld als te ernstig beschouwd om te kunnen worden gecorrectionaliseerd. Er wordt voorgesteld die bovengrens te verhogen van twintig tot achtentwintig jaar. De Raad van State drukt in zijn advies (nr. 21) inderdaad de vrees uit dat het minieme verschil (twee jaar) van de duur van de maximale vrijheidsbenemende straf waarin is voorzien vóór en na correctionalisering ertoe zal leiden dat de verzachtende omstandigheden op oneigenlijke wijze in aanmerking worden genomen. Hieronder wordt tegemoetgekomen aan die vrees door te wijzen op de draagwijdte van de verplichting tot motivering van die beslissing (cf. infra, bespreking van de voorgestelde wijziging van art. 2 van de wet van 4 oktober 1867).

«De bovengrens van de gevangenisstraf in geval van correctionalisering van een misdaad strafbaar met de (nieuwe) straf van opsluiting of hechtenis van dertig tot veertig jaar wordt op achtendertig jaar [gebracht].

[...]

«Bijgevolg kunnen de correctionele rechtbanken voortaan gevangenisstraffen tot veertig jaar uitspreken, in plaats van twintig jaar zoals thans het geval is.

«De dubbele aanleg – waarvan het ontbreken bij assisen vaak wordt bekritiseerd, maar moeilijk verenigbaar lijkt met het systeem van de volksjury – en het gegeven dat de correctionele kamers collegiaal zetelen, in ieder geval van het hof van beroep, lijken in dat opzicht voldoende garanties te bieden» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 5-6).

B.6.2. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, wordt aldus het begrip «verzachtende omstandigheden» gedenatureerd, aangezien dat begrip voornamelijk wordt gehanteerd om het rechtscollege te bepalen dat bevoegd is om kennis te nemen van een criminele zaak, veeleer dan om de straftoemeting te individualiseren: «Dit neemt nochtans niet weg dat er in de rechtsleer terecht heel wat kritiek is geuit over de wijze waarop de correctionalisering in de praktijk wordt toegepast. Deze kritiek komt erop neer dat een techniek die bedoeld zou moeten zijn om bij «verzachtende omstandigheden» in een aangepaste bestraffing te voorzien, vooral, zo niet uitsluitend wordt aangewend om het misdrijf te «denatureren» en aldus het hof van assisen uit te sluiten. De critici wijzen daarbij op de systematische toepassing van de correctionalisering. In alle of bijna alle gevallen die volgens de wet correctionaliseerbaar zijn, wordt ook daadwerkelijk gecorrectionaliseerd. Dit is mede het gevolg van het feit dat een zeer ruim scala van omstandigheden zowel in verband met de persoon van de dader, als van omstandigheden die betrekking hebben op de gepleegde misdaad, als «verzachtende omstandigheden» in aanmerking komen en dat de onderzoeksgerechten ter zake op onaantastbare wijze oordelen, zonder controle van het Hof van Cassatie. De critici wijzen erop dat verzachtende omstandigheden eigenlijk niet door de onderzoeksgerechten, voorafgaandelijk aan het strafproces, dienen te worden vastgesteld, maar door de strafrechter die eerst oordeelt over de schuld en vervolgens over de strafmaat en daarbij eventueel met verzachtende omstandigheden rekening houdt. Zij klagen ook de gebrekkige motivering van de beslissing om te correctionaliseren aan. Alhoewel de wet uitdrukkelijk oplegt dat de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling slechts «bij een met redenen omklede beschikking» de verdachte naar de correctionele rechtbank kan verwijzen, blijft de motivering vaak tot stijlformules beperkt. Deze vaststellingen leiden tot het oordeel dat de correctionalisering een «quasi-automatisme» en een «artificiële constructie» is, dat ze een exorbitant en kunstmatig karakter heeft, dat ze nog nauwelijks iets te maken heeft met een adequate individualisering van de strafmaat wegens verzachtende omstandigheden, maar alles met het beoogde neveneffect, het vermijden van het hof van assisen. Vandaar ook dat ervoor wordt gepleit om komaf te maken met dit «misbruik» van een techniek die al in 1867 als een voorlopige regeling werd voorgesteld, en hetzij art. 150 Gw. te herzien, hetzij de basiscriteria van de indeling van de misdrijven in art. 1 Sw. te wijzigen en nog slechts een beperkt aantal misdrijven te kwalificeren als «misdaden» waarvoor het hof van assisen bevoegd is» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 269).

B.7. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen niet verenigbaar zijn met de artt. 10, 11, 12, 13, 14, 23 en 150 Gw., gelezen in samenhang met de artt. 6, 7 en 14 EVRM, met de artt. 14, 15 en 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met het beginsel van behoorlijke wetgeving, met het redelijkheidsbeginsel, met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, met het recht op een eerlijk proces en met het verbod op rechtsmisbruik.

Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat het Hof zich moet uitspreken over de verenigbaarheid van de bestreden bepalingen met het recht op toegang tot de door de wet aangewezen rechter, omdat als gevolg van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid de overgrote meerderheid van de misdaden niet langer wordt beoordeeld door het hof van assisen, terwijl uit art. 150 Gw. voortvloeit dat de jury de natuurlijke rechter is voor alle criminele zaken. Het begrip «verzachtende omstandigheden» zou daartoe oneigenlijk worden gebruikt, aangezien het er niet om gaat de straf te individualiseren, maar wel de bevoegdheid van de rechtscolleges om kennis te nemen van de criminele zaken te wijzigen. De geringe vermindering van de maximumstraf na correctionalisering zou overigens aantonen dat er geen sprake is van enige verzachting van de straf.

De verzoekende partijen klagen ook aan dat de onderzoeksgerechten en het openbaar ministerie een te grote vrijheid hebben om het bevoegde rechtscollege voor een als misdaad gekwalificeerd feit te bepalen, terwijl het uit de wet zou moeten blijken. De beklaagde zou geen kennis hebben van de motieven die aan zijn verwijzing naar het ene of het andere rechtscollege ten grondslag liggen. Het rechtszekerheidsbeginsel en het wettigheidsbeginsel in strafzaken zouden zijn geschonden doordat de verdachte de gevolgen van zijn handelingen niet zou kunnen inschatten. Wanneer de correctionalisering het gevolg is van een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie, dat zelf een partij in het strafproces is, zou ook de wapengelijkheid worden geschonden.

Het recht op een eerlijk proces zou volgens de verzoekende partijen ook worden geschonden doordat het onderzoeksgerecht dat beslist om een zaak niet te correctionaliseren, reeds het vooroordeel zou uitspreken dat de zwaarst mogelijke straf moet worden toegepast en dat het hof van assisen geen verzachtende omstandigheden zou mogen aannemen.

Tevens zou er sprake zijn van een ongelijkheid van behandeling tussen verdachten van een gecorrectionaliseerde misdaad en verdachten van een gecontraventionaliseerd wanbedrijf, aangezien de beklaagde voor de politierechtbank tot niet meer dan zeven dagen gevangenisstraf kan worden veroordeeld, terwijl de correctionele rechtbank gevangenisstraffen kan uitspreken die de vijf jaar ver te boven gaan.

Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou ook worden geschonden doordat verdachten die zich in vergelijkbare of zelfs identieke situaties bevinden, ongelijk zouden worden behandeld naar gelang van de subjectieve appreciatie van het betrokken onderzoeksgerecht of van de betrokken parketmagistraat.

Aangezien het vermijden van de verwijzing van een groot aantal zaken naar de volksjury impliceert dat de burgers niet langer kunnen participeren aan de totstandkoming van de strafrechtspraak, zouden de bestreden bepalingen bovendien het recht op maatschappelijke ontplooiing beperken, zonder dat daarvoor redenen bestaan die verband houden met het algemeen belang.

B.8.1. Art. 13 Gw. bepaalt: «Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent.»

Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij art. 6.1 EVRM, bij art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan art. 13 Gw. die waarborgen te worden betrokken.

Art. 150 Gw. bepaalt: «De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn.»

B.8.2. Art. 12 Gw., vóór de herziening van 24 oktober 2017, bepaalde:

«De vrijheid van de persoon is gewaarborgd.

«Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

«Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren.»

Art. 14 Gw. bepaalt: «Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet.»

Die grondwetsbepalingen dienen te worden gelezen in samenhang met het eveneens aangevoerde art. 7 EVRM en art. 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die analoge rechten en vrijheden waarborgen.

B.8.3. Art. 23 Gw. bepaalt:

«Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

«Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in art. 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

«Die rechten omvatten inzonderheid:

[...]

5o het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing;

[...].»

Art. 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt:

«Elke burger heeft het recht en dient in de gelegenheid te worden gesteld, zonder dat het onderscheid bedoeld in artikel 2 wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen:

a) deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, hetzij rechtstreeks of door middel van vrijelijk gekozen vertegenwoordigers;

[...].»

B.9. Het hiervoor aangehaalde art. 13 Gw. waarborgt aan alle personen die zich in dezelfde toestand bevinden het recht om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht. Aldus dient een verschil in behandeling in dat opzicht redelijk te worden verantwoord.

Tevens waarborgt die bepaling dat de bevoegdheid van de rechtscolleges voortvloeit uit «de wet», alsook dat de rechtzoekende steeds op grond van objectieve criteria kan uitmaken welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de geschillen waarbij hij betrokken is.

De in art. 13 Gw. vervatte waarborg is des te belangrijker wanneer de bevoegde rechter niet door «de wet», maar, zoals te dezen, door de Grondwet wordt bepaald.

B.10. Krachtens art. 150 Gw. dienen «alle criminele zaken» door het hof van assisen te worden behandeld. Aangezien die grondwetsbepaling de term «criminele zaken» niet definieert, beschikt de wetgever over een ruime appreciatiebevoegdheid om de respectieve bevoegdheden van het hof van assisen en van de correctionele rechtbanken af te bakenen. Hij kan daarbij rekening houden met onder meer de aard van de gepleegde feiten, met de wettelijk bepaalde straf en met de ernst en de gevolgen van het misdrijf voor het slachtoffer en voor de maatschappij.

Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies bij het voorontwerp van de bestreden wet heeft opgemerkt, is die appreciatiebevoegdheid evenwel niet onbegrensd, aangezien art. 150 Gw. aan de wetgever oplegt om minstens de zwaarste misdrijven aan de jury voor te behouden (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 266).

B.11.1. De bestreden artt. 6 en 121 van de wet van 5 februari 2016 hebben tot gevolg dat alle misdaden voortaan kunnen worden gecorrectionaliseerd, zelfs indien zij strafbaar zijn met een levenslange opsluiting, waarbij de correctionele rechtbanken voor dergelijke gecorrectionaliseerde misdaden voortaan gevangenisstraffen tot veertig jaar kunnen uitspreken.

B.11.2. Zoals in overweging B.4.2 is vermeld, werd de maximale gevangenisstraf die de correctionele rechtbanken voor gecorrectionaliseerde misdaden kunnen uitspreken, stelselmatig verhoogd. Terwijl zij krachtens de artt. 1 en 25, eerste lid Sw. voor een wanbedrijf in beginsel nog steeds een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar kunnen uitspreken, konden zij voor een gecorrectionaliseerde misdaad sinds de wet van 1 februari 1977 een gevangenisstraf van ten hoogste tien jaar en sinds de wet van 21 december 2009 een gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaar opleggen. Het bestreden art. 6 van de wet van 5 februari 2016 heeft dat plafond nogmaals verdubbeld. Thans bedraagt de maximumstraf die de correctionele rechtbanken kunnen opleggen voor een gecorrectionaliseerde misdaad dus het achtvoud van de strafmaat die zij voor een wanbedrijf kunnen opleggen.

B.11.3. Doordat het bestreden art. 121 van de wet van 5 februari 2016 de limitatieve lijst van correctionaliseerbare misdaden heeft opgeheven, wordt de beslissing tot correctionalisering, behalve in geval van verzachtende omstandigheden, aan geen enkel materieel criterium meer onderworpen. Voorheen bevatte de limitatieve lijst daarentegen het beginsel dat een misdaad waarop de wet een opsluiting van meer dan twintig jaar stelde, niet kon worden gecorrectionaliseerd, en onderwierp de wetgever de correctionalisering van bepaalde misdaden waarop de wet wel een opsluiting van meer dan twintig jaar stelde, aan criteria m.b.t. de ernst en de gevolgen van de misdaad voor het slachtoffer en m.b.t. het gegeven dat de misdaad niet voltrokken was.

B.11.4. Sinds de inwerkingtreding van de bestreden artt. 6 en 121 van de wet van 5 februari 2016 is het dus niet langer zo dat de wet de berechting van de zwaarste misdaden voorbehoudt aan het rechtscollege dat art. 150 Gw. ten behoeve van diegenen die worden vervolgd voor dergelijke misdaden aanwijst. Elke misdaad kan immers aan de correctionele rechtbank dan wel aan het hof van assisen worden voorgelegd, naar gelang van een beslissing die wordt genomen door de onderzoeksgerechten of door het openbaar ministerie. De beide rechtscolleges verschillen nochtans wezenlijk, onder meer wat betreft het oproepen van getuigen, de beoordeling van de schuldvraag en de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen.

De omstandigheid dat een gecorrectionaliseerde misdaad als gevolg van een dergelijke verwijzing een wanbedrijf uitmaakt, doet aan die vaststelling geen afbreuk.

B.12. Met de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden en met de verhoging van de strafmaat die door de correctionele rechtbanken kan worden uitgesproken, streeft de wetgever de in overweging B.6.1 vermelde doelstellingen na.

Hoewel de bestreden bepalingen hoofdzakelijk de regeling inzake verzachtende omstandigheden hervormen, hebben die doelstellingen geen betrekking op het beleid inzake de individualisering van de straf naargelang van de kenmerken van het misdrijf of van de dader, maar op het beleid inzake de bevoegdheid van de rechtscolleges en inzonderheid het onttrekken van zaken aan het hof van assisen. De afdeling wetgeving van de Raad van State merkte hieromtrent op: «Om de veralgemening van de correctionaliseerbaarheid van misdaden te verantwoorden, worden in de memorie van toelichting geen argumenten aangevoerd die verband houden met een aangepaste bestraffing in geval van verzachtende omstandigheden, maar uitsluitend argumenten tegen het hof van assisen: te zware en te dure procedure, overbelasting van het hof van assisen met gevolgen voor de voorlopige hechtenis, de complexiteit van bepaalde dossiers, de motiveringsverplichting, de overmatige werklast voor de magistraten, de desorganisatie van de kamers van beroep en van de correctionele rechtbanken door het tijdelijke inzetten van magistraten bij dat niet-permanente rechtscollege, het risico op bedreigingen van of druk op de gezworenen enz. De Raad van State wenst zich over deze motieven niet uit te spreken, maar wil wel aangeven dat ze eigenlijk thuis horen in een voorstel hetzij tot herziening van art. 150 Gw., hetzij tot herziening van de bepalingen in het Strafwetboek die de misdrijven indelen in misdaden, wanbedrijven en overtredingen, aan de hand van straffen die de wet voor elk van deze categorieën bepaalt» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 279-280).

B.13. De bestreden bepalingen kunnen tot gevolg hebben dat alle misdaden aan de rechter die de Grondwet toewijst zullen worden onttrokken. Zo gaf de voorzitter van het college van de hoven en rechtbanken tijdens de parlementaire voorbereiding aan dat het college voorstander is van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden, «die een vrijwel algehele afschaffing van de assisenprocedure tot gevolg zal hebben» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/005, p. 182).

Dat gevolg blijkt eveneens uit de in overweging B.5.3.4 vermelde omzendbrief van het college van procureurs-generaal, waarin wordt aanbevolen dat het openbaar ministerie de verwijzing van een zaak naar het hof van assisen nog slechts zal vorderen indien het op dat ogenblik meent de straf van levenslange opsluiting te zullen vorderen bij afwezigheid van verzachtende omstandigheden. Bijgevolg zal het openbaar ministerie de verwijzing naar het hof van assisen niet meer vorderen voor de misdaden waarop de wet geen levenslange opsluiting stelt, en zal het zelfs voor de misdaden waarop de wet een levenslange opsluiting stelt, in beginsel de correctionalisering vorderen, behalve indien er geen verzachtende omstandigheden zijn.

Door bovendien te preciseren dat het die afwezigheid van verzachtende omstandigheden is die moet worden gemotiveerd in de schriftelijke vordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling, vereist die omzendbrief dat het openbaar ministerie die gevallen motiveert waarin het een misdaad wel wil laten beoordelen door de grondwettelijk bevoegde rechter.

B.14.1. De bestreden bepalingen geven de onderzoeksgerechten en het openbaar ministerie geen criteria aan om te bepalen welke zaken al dan niet dienen te worden gecorrectionaliseerd. Uit de in overweging B.6.1 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat die afwezigheid van criteria uitdrukkelijk door de wetgever is gewild.

Aldus beschikken de onderzoeksgerechten en het openbaar ministerie slechts over het criterium van de verzachtende omstandigheden om te bepalen of een misdaad wordt berecht door het hof van assisen of door de correctionele rechtbank.

B.14.2. Het criterium van de verzachtende omstandigheden werd ook vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen gehanteerd om zaken aan het hof van assisen te onttrekken. De correctionele rechtbank diende toen, na de correctionalisering, steeds een lagere vrijheidsberovende straf uit te spreken dan die welke de beklaagde voor het hof van assisen riskeerde.

Thans kunnen de correctionele rechtbanken evenwel, zoals in overweging B.4.3 is vermeld, voor de zwaarste categorieën van misdrijven gevangenisstraffen uitspreken die amper lager liggen dan de maximale duur van de opsluiting die de beschuldigde voor het hof van assisen riskeert.

Aangezien de maximale duur van de door de correctionele rechtbanken opgelegde gevangenisstraf voor de drie zwaarste categorieën van gecorrectionaliseerde misdaden hoger ligt dan de minimale duur van de opsluiting die door het hof van assisen kan worden opgelegd, is overigens niet verzekerd dat de correctionalisering in het voordeel van de betrokkene is wat de strafmaat betreft.

Aldus wordt het begrip «verzachtende omstandigheden» gedenatureerd, doordat het hoofdzakelijk wordt gehanteerd om de bevoegdheid van de rechtscolleges te bepalen, terwijl de correctionalisering amper gevolgen heeft voor de duur van de vrijheidsberovende straf.

B.14.3. De bestreden regeling verzekert dus niet dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden, volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging worden berecht. In dat opzicht merkte de Hoge Raad voor de Justitie (hierna: «HRJ») in een ambtshalve advies van 29 juni 2015 het volgende op: «Wat de beoogde maatregelen betreft is de HRJ voornamelijk bekommerd om het ontbreken in het voorontwerp van wet van ieder criterium waarmee de misdaden kunnen worden bepaald die in de praktijk worden gecorrectionaliseerd door het parket of de kamer van inbeschuldigingstelling, en de misdaden die niet worden gecorrectionaliseerd. Niettegenstaande het bestaan van een mogelijke omzendbrief van het college van procureurs-generaal, zal dit gebrek aan objectieve criteria volgens de HRJ leiden tot grote verschillen in de behandeling tussen de rechtzoekenden, onder meer in functie van het strafbeleid van het arrondissement waarin vervolgingen en andere subjectieve criteria worden uitgeoefend, wat niet kan worden aanvaard. Bij wijze van voorbeeld is het mogelijk dat er in de toekomst meer correctionaliseringen in het gerechtelijk arrondissement van Brussel zijn dan elders, gelet op de wachtlijst voor de organisatie van zittingen van het hof van assisen in dit arrondissement (deze vaststelling wordt overigens des te zinvoller met de inwerkingtreding van de wet tot hervorming van de gerechtelijke organisatie in 2017 en de verplichting voor de rechtscolleges om hun werkingsbegroting zelfstandig te beheren). De HRJ meent dat deze mogelijke discriminatie tussen rechtzoekenden des te meer onaanvaardbaar is omdat er in een geval (bij een correctionalisering) hoger beroep kan worden aangetekend tegen de ten gronde gewezen beslissing, terwijl in een ander geval (bij verwijzing voor het hof van assisen) de door het hof van assisen ten gronde gewezen beslissing in laatste aanleg wordt gewezen, waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld (met uitzondering van een cassatieberoep)» (HRJ, «Ambtshalve advies over het voorontwerp van wet tot wijziging van het strafrecht en de strafprocedure», 29 juni 2015, www.hrj.be, p. 10).

In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, wordt die ongelijke behandeling niet verantwoord door de in art. 151, § 1 Gw. bedoelde onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging van misdrijven. Die onafhankelijkheid in het strafrechtelijk beleid geldt overigens slechts voor het openbaar ministerie en niet voor de onderzoeksgerechten. Uit de door de minister van Justitie in de parlementaire voorbereiding gegeven cijfers blijkt nochtans dat de overgrote meerderheid van de beslissingen tot correctionalisering door de onderzoeksgerechten wordt genomen (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/005, p. 2).

B.15.1. Het enige middel in de zaken nrs. 6492 en 6495, het eerste en het derde onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 6496 en het zesde middel in de zaak nr. 6497 zijn gegrond. Bijgevolg dienen de artt. 6 en 121 van de wet van 5 februari 2016 te worden vernietigd.

B.15.2. Aangezien de artt. 15, 17, 1o en 2o, 18, 1o en 2o, 19, 2o, 36, 122, 151, 155 en 170, 2o, van de wet van 5 februari 2016 onlosmakelijk verbonden zijn met de artt. 6 en 121 van dezelfde wet, dienen zij eveneens te worden vernietigd.

B.16.1. Krachtens het bestreden art. 123 van de wet van 5 februari 2016 kan de politierechtbank haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, niet langer afwijzen indien een wanbedrijf wordt gecontraventionaliseerd op grond van verzachtende omstandigheden in een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie. Daarentegen kan de correctionele rechtbank haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, krachtens art. 3, tweede lid, van de wet van 4 oktober 1867 nog steeds afwijzen indien een misdaad wordt gecorrectionaliseerd op grond van verzachtende omstandigheden in een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie.

B.16.2. In het voorontwerp van de bestreden wet bepaalde art. 122 oorspronkelijk dat de correctionele rechtbank haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, niet langer zou kunnen afwijzen indien een misdaad wordt gecorrectionaliseerd op grond van verzachtende omstandigheden in een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie. Hieromtrent heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies evenwel het volgende opgemerkt:

«24. Een ander aspect van de ontworpen regeling is problematisch in het licht van art. 150 Gw. Sinds het van kracht worden van de wet van 11 juli 1994 is het op grond van art. 2 van de wet van 4 oktober 1867 ook voor het openbaar ministerie mogelijk om, indien er geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank te dagvaarden of op te roepen, met de mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf. Op grond van art. 3, tweede lid, van diezelfde wet kan de correctionele rechtbank waarnaar de beklaagde is verwezen, zich echter in dat geval onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de grond van verschoning.

«Op grond van de ontworpen regeling zal ook het openbaar ministerie voortaan de verdachten van alle misdaden, met uitzondering van de twee vermeld in het ontworpen art. 2, derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 rechtstreeks voor de correctionele rechtbank kunnen dagvaarden. Anders dan is bepaald in de huidige regeling, zal de correctionele rechtbank zich dan echter, volgens de ontworpen regeling, niet langer onbevoegd kunnen verklaren.

«25. Ook al zal het in de praktijk wellicht niet vaak voorkomen, de ontworpen regeling sluit niet uit dat de correctionele rechtbank die, na een grondig onderzoek van alle elementen van de zaak, tot de bevinding komt dat er geen verzachtende omstandigheden of redenen van verschoning kunnen worden in aanmerking genomen, en dat een criminele straf dient te worden uitgesproken die hoger is dan de maximale correctionele straf die binnen zijn bereik ligt, zich toch tot het uitspreken van die lagere straf zal dienen te beperken. Die regeling impliceert dat het openbaar ministerie kan verhinderen dat de hoogste straffen worden uitgesproken – de levenslange opsluiting of de levenslange hechtenis – die enkel door het hof van assisen kunnen worden opgelegd. Het aanvaarden van verzachtende omstandigheden door het openbaar ministerie kan immers niet door de correctionele rechtbank worden tegengesproken en kan evenmin met een rechtsmiddel worden bestreden.

«De regeling staat dan ook op gespannen voet met art. 150 Gw., dat vergt dat de zwaarste misdaden – waarop de wet een levenslange opsluiting of een levenslange hechtenis heeft gesteld – door het hof van assisen worden berecht, tenzij de wet de misdaad voor correctionalisering vatbaar heeft verklaard en een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege – het zij een onderzoeksgerecht of de rechter ten gronde – heeft vastgesteld dat verzachtende omstandigheden of redenen van verschoning een lagere bestraffing kunnen verantwoorden» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 273-274).

Als gevolg van die kritiek werd het voorontwerp van wet aangepast. Aangezien het bestreden art. 123 van de wet van 5 februari 2016 evenwel niet werd aangepast, geeft de bestreden wet aanleiding tot het in overweging B.16.1 vermelde verschil in behandeling.

B.16.3. Krachtens art. 179 Sv. nemen de correctionele rechtbanken, onverminderd de bevoegdheid verleend aan andere rechtscolleges, kennis van alle misdrijven waarvan de straf hoger is dan een gevangenisstraf van zeven dagen en een geldboete van 25 euro. Krachtens art. 137 Sv. nemen de politierechtbanken kennis van de overtredingen.

B.16.4. In zoverre de bestreden bepaling het mogelijk maakt dat het openbaar ministerie, louter op grond van het criterium van de verzachtende omstandigheden, een wanbedrijf onttrekt aan de correctionele rechtbank en het brengt voor de politierechtbank, zonder dat een onderzoeksgerecht of een vonnisgerecht daarop controle kan uitoefenen, is zij niet verenigbaar met art. 13 Gw.

Aangezien het openbaar ministerie één van de partijen in het strafgeding is, is die mogelijkheid evenmin verenigbaar met het recht op wapengelijkheid.

B.16.5. Doordat de bestreden bepaling het rechterlijk toezicht door de vonnisrechter op de contraventionalisering bij rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie uitsluit, terwijl de correctionalisering bij rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie wel aan het rechterlijk toezicht door de vonnisrechter is onderworpen, is zij niet verenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw.

B.16.6. Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 6496 is gegrond. Bijgevolg dient art. 123 van de wet van 5 februari 2016 te worden vernietigd.

B.17. Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden, dienen, met toepassing van art. 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum.

Het mini-onderzoek

B.18. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6494, 6496 en 6497 vorderen de vernietiging van art. 63 van de wet van 5 februari 2016. Zij voeren aan dat die bepaling niet verenigbaar is met de artt. 10, 11, 15, 16 en 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 8 EVRM en met art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.19.1. Het bestreden art. 63 van de wet van 5 februari 2016 bepaalt:

«In artikel 28septies van [het Wetboek van Strafvordering], ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en vervangen bij de wet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

«1o de woorden «de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter en de huiszoeking», worden vervangen door de woorden «en de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter,».

«2o het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:

«In geval van een nieuwe vordering op grond van het eerste lid in hetzelfde dossier, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij dezelfde onderzoeksrechter indien die nog in functie is.»»

Het aldus gewijzigde art. 28septies Sv. bepaalt:

«De procureur des Konings kan de onderzoeksrechter vorderen een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, met uitzondering van het bevel tot aanhouding bedoeld in artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de volledig anonieme getuigenis zoals bedoeld in artikel 86bis, de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter, en de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Na de uitvoering van de door de onderzoeksrechter verrichte onderzoekshandeling beslist deze of hij het dossier terugzendt aan de procureur des Konings die instaat voor de voortzetting van het opsporingsonderzoek, dan wel of hij het gehele onderzoek zelf voortzet, in welk geval er verder wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van dit Boek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

«In geval van een nieuwe vordering op grond van het eerste lid in hetzelfde dossier, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij dezelfde onderzoeksrechter indien die nog in functie is.»

B.19.2. Omdat de grieven van de verzoekende partijen enkel zijn gericht tegen art. 63, 1o, van de wet van 5 februari 2016, dat het toepassingsgebied van het zogenaamde «mini-onderzoek» zoals geregeld in art. 28septies Sv. uitbreidt tot de huiszoeking, beperkt het Hof zijn onderzoek tot die bepaling.

B.20.1. Art. 28septies Sv., dat bij de wet van 12 maart 1998 «tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek» werd ingevoegd, bepaalt dat de procureur des Konings de onderzoeksrechter kan vorderen een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Die procedure, die het «mini-onderzoek» wordt genoemd, vormt een uitzondering op het beginsel dat het opsporingsonderzoek geen enkele dwangmaatregel of schending van individuele rechten en vrijheden mag inhouden (art. 28bis, § 3, eerste lid Sv.), zodat een dergelijke onderzoekshandeling in beginsel enkel in het kader van een gerechtelijk onderzoek kan worden uitgevoerd.

Met de invoering van het mini-onderzoek bij de wet van 12 maart 1998 wenste de wetgever «enerzijds de onderzoeksrechter te ontlasten van kleinere relatief eenvoudige strafzaken, zodat deze zich vooral kan wijden aan complexe zaken, [en] anderzijds de met een gerechtelijk onderzoek gepaard gaande relatief zware procedure (regeling van de rechtspleging, beschikking van de raadkamer, hoger beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling, ...) voor deze eenvoudige strafzaken te vermijden, zodat het openbaar ministerie in voorkomend geval rechtstreeks kan dagvaarden of seponeren» (Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 857/1, p. 37 en 38).

De wetgever was erom bekommerd «voldoende garanties [te bieden] om te vermijden dat het gerechtelijk onderzoek zou worden uitgehold of dat bepaalde fundamentele rechten in het gedrang zouden komen» (ibid., p. 38). Om die reden werden welbepaalde onderzoekshandelingen, namelijk de huiszoeking, het bevel tot aanhouding en het afluisteren en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie, van het toepassingsgebied van het mini-onderzoek uitgesloten. Voorts werd voorzien in een evocatierecht voor de onderzoeksrechter, die na de uitvoering van de gevorderde onderzoekshandeling kan beslissen om het gehele onderzoek zelf voort te zetten. Tegen die beslissing van de onderzoeksrechter om al dan niet te evoceren, staat geen rechtsmiddel open.

B.20.2. Bij de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen werd de «volledig anonieme getuigenis» in art. 28septies Sv. toegevoegd aan de onderzoekshandelingen die van het toepassingsgebied van het mini-onderzoek zijn uitgesloten. Die uitsluiting werd verantwoord door het feit dat het gaat om «een uitzonderlijk bewijsmiddel dat afwijkt van het gemene recht omdat het afbreuk doet aan het recht van verdediging [en] op tegenspraak dat wordt bekrachtigd door art. 6 EVRM» (Parl.St. Kamer 2000-01, DOC 50-1185/007, p. 2).

B.20.3. Ingevolge de wet van 6 januari 2003 «betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden» werd het mini-onderzoek mogelijk voor de observatie met behulp van technische hulpmiddelen om zicht te verkrijgen in een woning (art. 56bis, tweede lid Sv.) en voor de inkijkoperatie (art. 89ter Sv.). Voorts werd aan art. 28septies Sv. een derde lid toegevoegd waarbij het evocatierecht van de onderzoeksrechter werd uitgesloten voor de voormelde onderzoekshandelingen.

Bij zijn arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004 heeft het Hof het voormelde derde lid van art. 28septies Sv. vernietigd, alsmede de artt. 56bis, tweede lid, en 89ter Sv. in zoverre zij kunnen worden toegepast in samenhang met het voormelde art. 28septies.

Het Hof oordeelde inzake de observatie:

«B.5.7.4. De observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning is een maatregel die, wat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privé-leven betreft, kan worden vergeleken met de huiszoeking en met het afluisteren en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie, toegestaan bij art. 90ter Sv. Die beide maatregelen zijn echter uitdrukkelijk uitgesloten van de toepassingssfeer van het voormelde art. 28septies.

«Door die beide maatregelen, alsmede het bevel tot aanhouding, uit te sluiten van het mini-onderzoek, wilde de wetgever, die de bedoeling had «de onderzoeksrechter te ontlasten van kleinere relatief eenvoudige strafzaken», echter «voldoende garanties [bieden] om te vermijden dat het gerechtelijk onderzoek zou worden uitgehold of dat bepaalde fundamentele rechten in het gedrang zouden komen» (Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 857/1, p. 37 en 38). Voorts is gepreciseerd dat indien die drie maatregelen zouden kunnen worden aangewend in het raam van een mini-onderzoek, «het toepassingsgebied van deze procedure aanzienlijk [zou worden uitgebreid] en ertoe [zou] leiden dat de figuur van de onderzoeksrechter wordt omgevormd tot die van rechter van het onderzoek, wat niet overeenstemt met de doelstelling van het ontwerp» (Parl.St. Senaat, 1997-1998, nr. 1-704/4, p. 185).

«Op dezelfde wijze heeft de wetgever, voor «de volledig anonieme getuigenis», «bewust [ervoor] gekozen de beoordeling of de getuige die wenst anoniem te blijven inderdaad recht heeft op dit beschermingsstatuut, uitsluitend aan de onderzoeksrechter toe te vertrouwen» (Parl.St. Kamer 2000-01, DOC 50-1185/001, p. 27), en heeft hij het amendement aangenomen waarbij werd voorgesteld om die maatregel van het mini-onderzoek uit te sluiten omdat het gaat om «een uitzonderlijk bewijsmiddel dat afwijkt van het gemene recht omdat het afbreuk doet aan het recht van verdediging [en] op tegenspraak dat wordt bekrachtigd door art. 6 EVRM» (Parl.St. Kamer 2000-01, DOC 50-1185/007, p. 3).

«B.5.7.5. De inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op onschendbaarheid van de woning van de personen die het voorwerp uitmaken van een observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning, is des te ernstiger daar het derde lid van art. 28septies Sv., ingevoegd bij art. 14 van de aangevochten wet, het tweede lid, dat het de onderzoeksrechter mogelijk maakt het onderzoek zelf voort te zetten, ontoepasbaar maakt.

«B.5.7.6. Vanwege de ernst van de erdoor teweeggebrachte inmenging in grondrechten, kan de maatregel enkel worden toegelaten onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden in verband met de huiszoeking en het afluisteren van telefoongesprekken.

«B.5.7.7. Doordat de wetgever, in de huidige stand van de organisatie van de strafrechtspleging, heeft nagelaten de observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning uit te sluiten van de toepassingssfeer van het mini-onderzoek, dat het voorwerp uitmaakt van art. 28septies Sv., heeft hij de in het middel bedoelde bepalingen geschonden.»

Het Hof oordeelde in soortgelijke bewoordingen inzake de inkijkoperatie:

«B.13.7. De inkijkoperatie is een maatregel die, wat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven betreft, kan worden vergeleken met de klassieke huiszoeking en met het afluisteren en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie toegestaan bij art. 90ter Sv. Die beide maatregelen zijn echter uitdrukkelijk uitgesloten van de toepassingssfeer van het voormelde art. 28septies.

«B.13.8. Om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in overwegingen B.5.7.4 en B.5.7.5, is het middel gegrond.

«B.13.9. Vanwege de ernst van de erdoor teweeggebrachte inmenging in grondrechten, kan de maatregel enkel worden toegelaten onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden in verband met de huiszoeking en het afluisteren van telefoongesprekken.

«B.13.10. Doordat de wetgever, in de huidige stand van de organisatie van de strafrechtspleging, heeft nagelaten de inkijkoperatie uit te sluiten van de toepassingssfeer van het mini-onderzoek, dat het voorwerp uitmaakt van art. 28septies Sv., heeft hij de in het middel bedoelde bepalingen geschonden.»

B.20.4. Rekening houdend met dat arrest nr. 202/2004 heeft de wetgever art. 28septies Sv. bij de wet van 27 december 2005 «houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit» vervangen, waarbij de observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning en de inkijkoperatie eveneens van het toepassingsgebied van het mini-onderzoek werden uitgesloten.

Krachtens art. 28septies Sv., zoals vervangen bij de voormelde wet van 27 december 2005, werden aldus de volgende onderzoekshandelingen van het toepassingsgebied van het mini-onderzoek uitgesloten: het bevel tot aanhouding, de volledig anonieme getuigenis, het afluisteren en opnemen van communicatie, de observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning, de inkijkoperatie en de huiszoeking.

B.20.5. Bij het bestreden art. 63 van de wet van 5 februari 2016 wordt de huiszoeking geschrapt uit de voormelde lijst van onderzoekshandelingen die van het toepassingsgebied van het mini-onderzoek zijn uitgesloten. De wetgever verduidelijkte dat die wijziging werd doorgevoerd «vanuit pragmatisch oogpunt» en «hetzelfde doel [beoogde] als bij de invoering van het mini-onderzoek [...] bij de wet van 12 maart 1998 [, namelijk] enerzijds om de onderzoeksrechter te ontlasten van de relatief eenvoudige of kleine strafzaken, zodat hij zich zou kunnen wijden aan de meer complexe zaken, en anderzijds de relatief zware procedure vermijden die is verbonden aan een gerechtelijk onderzoek» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 52).

B.21. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, door het toepassingsgebied van het mini-onderzoek uit te breiden tot de huiszoeking, onverantwoorde verschillen in behandeling instelt, enerzijds tussen personen die het voorwerp zijn van een huiszoeking en personen die het voorwerp zijn van onderzoekshandelingen die van het toepassingsgebied van het mini-onderzoek uitgesloten blijven, en anderzijds tussen de personen die het voorwerp uitmaken van een huiszoeking naargelang die huiszoeking wordt uitgevoerd in het kader van een gerechtelijk onderzoek dan wel in het kader van een mini-onderzoek. De bestreden bepaling zou een onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven, in het recht op de onschendbaarheid van de woning en in het recht op een eerlijk proces inhouden.

B.22.1. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest nr. 202/2004, zijn de huiszoeking, het afluisteren en opnemen van communicatie, de observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning en de inkijkoperatie maatregelen die vergelijkbaar zijn wat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven betreft die zij teweegbrengen. Terwijl de eerstgenoemde maatregel door de bestreden bepaling evenwel onder het toepassingsgebied van het mini-onderzoek wordt gebracht, blijven de overige vermelde maatregelen daarvan uitgesloten.

Ter verantwoording van dat verschil in behandeling wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat dat onderscheid «niet [is] ingegeven door een verschil inzake de aantasting van de persoonlijke levenssfeer, maar omdat het mini-onderzoek moet worden voorbehouden voor punctuele maatregelen, wat de voorlopige hechtenis, het afluisteren van telefoongesprekken of de observaties niet zijn en die, voor verlenging vatbaar, een opvolging vereisen die moeilijk los van het onderzoek kan worden beheerd. Indien een onderzoeksrechter dergelijke maatregelen zou bevelen zonder het dossier aan zich te trekken, zou het dossier moeten worden «ontdubbeld» tijdens de uitvoering ervan, die beheerd wordt door de onderzoeksrechter, terwijl het openbaar ministerie het onderzoek blijft beheren. Een dergelijke situatie zou een bron van verwarring (meer bepaald voor de onderzoekers) en fouten zijn. In de praktijk zou evocatie noodzakelijk zijn. Daaruit volgt dat een uitbreiding van het mini-onderzoek tot het afluisteren van telefoongesprekken of tot de observaties met technische middelen waarschijnlijk slechts weinig of geen rechtvaardiging of belang in de praktijk zou hebben. Een andere beschouwing heeft ertoe geleid dat het toepassingsgebied van het mini-onderzoek niet is uitgebreid tot de inkijkoperatie. Die techniek is weliswaar punctueel, net als de huiszoeking, maar in tegenstelling tot de huiszoeking is hij geheim, wat doorgedreven waarborgen verantwoordt (...). De huiszoeking geschiedt in principe in aanwezigheid van de verdachte of van een gemachtigde die hij kan aanstellen, in elk geval indien hij aangehouden is (art. 39 Sv.)» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 55-56).

B.22.2. Daargelaten de vraag of het punctuele en het niet-geheime karakter van de maatregel een pertinent criterium is ter verantwoording van het bestreden verschil in behandeling, dient te worden vastgesteld dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft dat de huiszoeking via het mini-onderzoek kan worden gevorderd in het kader van een opsporingsonderzoek, zonder dat een gerechtelijk onderzoek moet worden ingesteld.

Het opsporingsonderzoek wordt gekenmerkt door zijn uitgesproken geheim en niet-contradictoir karakter, waarbij de belanghebbenden over minder waarborgen ter bescherming van het recht van verdediging beschikken dan tijdens het gerechtelijk onderzoek.

Weliswaar hebben de rechtstreeks belanghebbenden reeds tijdens het opsporingsonderzoek het recht om toegang tot het strafdossier te vragen (art. 21bis Sv.). Anders dan voor het gerechtelijk onderzoek (art. 61ter Sv.), is dat recht op toegang tot het dossier voor het opsporingsonderzoek evenwel niet procedureel geregeld, zodat het openbaar ministerie – bij gebrek aan wettelijk bepaalde weigeringsgronden – het verzoek om toegang tot een dossier zonder meer kan weigeren en er geen rechtsmiddel tegen een weigeringsbeslissing of de ontstentenis van beslissing voorhanden is. Bij zijn arrest nr. 6/2017 van 25 januari 2017 heeft het Hof geoordeeld dat die ontstentenis van een rechtsmiddel tegen de weigering of de ontstentenis van een beslissing door het openbaar ministerie ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd verzoek om toegang tot een dossier in het opsporingsonderzoek de artt. 10 en 11 Gw. schendt. Omdat die ongrondwettigheid is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen die het mogelijk maken art. 21bis Sv. toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, heeft het Hof ook geoordeeld dat het, in afwachting van het optreden van de wetgever, aan de rechter toekomt om een einde te maken aan de schending van die normen, door art. 61ter Sv. bij analogie toe te passen.

Voorts beschikken de belanghebbenden tijdens het opsporingsonderzoek niet over een formeel recht om een bepaalde opsporingshandeling te vragen, terwijl een recht om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen wel aan de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij wordt toegekend tijdens het gerechtelijk onderzoek (art. 61quinquies Sv.). De belanghebbenden kunnen weliswaar steeds een informeel verzoek aan het openbaar ministerie richten, maar het openbaar ministerie is geenszins verplicht op dat verzoek in te gaan en de partijen beschikken niet over enig rechtsmiddel tegen een weigeringsbeslissing of de ontstentenis van beslissing.

Tot slot is er tijdens het opsporingsonderzoek geen toezicht op de regelmatigheid van de procedure door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, die het dossier van eventuele nietigheden kan zuiveren, terwijl een dergelijk toezicht wel voorhanden is tijdens het gerechtelijk onderzoek (art. 235bis Sv.).

B.22.3. Ook de afdeling wetgeving van de Raad van State wees in haar advies op de zwakkere rechtspositie van de belanghebbenden tijdens het opsporingsonderzoek: «De uitbreiding van het toepassingsgebied van het zogenaamde mini-onderzoek heeft tot gevolg dat het reeds bestaande verschil in behandeling inzake het inzagerecht in het dossier al naargelang er al dan niet een gerechtelijk onderzoek is opgestart, wordt versterkt. Terwijl zo’n een inzagerecht procedureel geregeld is in het raam van het gerechtelijk onderzoek (zie art. 61ter Sv.), is dat niet het geval in het raam van het opsporingsonderzoek, ook niet wanneer er onderzoeksmaatregelen werden verricht in het raam van het mini-onderzoek. De vraag rijst in dit verband of de belangrijke verruiming van het toepassingsgebied van art. 28septies Sv. niet moet leiden tot het toekennen van een inzagerecht in het dossier wanneer met toepassing van dat artikel door de onderzoeksrechter onderzoeksdaden werden verricht» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 292).

In antwoord op dit advies wordt in de memorie van toelichting vermeld: «Het is niet de bedoeling, althans vóór de globale hervorming van de strafprocedure die is aangekondigd in het regeerakkoord, om wijzigingen aan te brengen in de verschillen inzake het recht van de belanghebbenden om toegang te hebben tot het dossier naargelang het dossier het voorwerp heeft uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek» (ibid., p. 56).

B.22.4. Vanwege de ernst van de erdoor teweeggebrachte inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de onschendbaarheid van de woning, kan de huiszoeking, in de huidige stand van de regelgeving inzake de strafrechtspleging, enkel worden toegelaten in het kader van een gerechtelijk onderzoek, waarbij de belanghebbenden beschikken over een georganiseerd recht om toegang tot het dossier en bijkomende onderzoekshandelingen te vragen en waarbij is voorzien in een toezicht door de kamer van inbeschuldigingstelling op de regelmatigheid van de procedure.

Door de huiszoeking, in de huidige stand van de regelgeving inzake de strafrechtspleging, onder het toepassingsgebied van het mini-onderzoek te brengen, zonder te voorzien in bijkomende waarborgen ter bescherming van het recht van verdediging, doet de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven en aan het recht op de onschendbaarheid van de woning.

B.22.5. Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden art. 63, 1o, van de wet van 5 februari 2016 de artt. 10, 11, 15 en 22 Gw. schendt en bijgevolg dient te worden vernietigd.

Nu een onderzoek van de overige grieven en referentienormen niet kan leiden tot een ruimere vernietiging, is er geen aanleiding om de middelen in dat opzicht te onderzoeken.

B.22.6. Ter vrijwaring van de wettigheid van de huiszoekingen die op grond van de vernietigde bepaling zouden zijn verricht, handhaaft het Hof, met toepassing van art. 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepaling zoals aangegeven in het dictum.

Het afluisteren en opnemen van communicatie

B.23.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6498 leidt een eerste middel af uit de schending van art. 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM en met art. 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door art. 66, 1o, van de wet van 5 februari 2016, dat het eerste zinsdeel van het tweede lid van § 1 van art. 90quater Sv. vervangt door de woorden: «De beschikking wordt gedagtekend en vermeldt». Vóór de wijziging van die bepaling bij het bestreden art. 66, 1o, luidde dat zinsdeel: «Op straffe van nietigheid wordt de beschikking gedagtekend en vermeldt zij».

De beschikking waarvan in die bepaling sprake is, is die waarmee de onderzoeksrechter bij wijze van uitzondering het afluisteren, kennisnemen en opnemen, tijdens de overdracht ervan, van privécommunicatie of -telecommunicatie toestaat. De vermeldingen die deze beschikking moet bevatten, betreffen de concrete aanwijzingen en feiten die de maatregel verantwoorden, de redenen waarom die onontbeerlijk is om de waarheid aan het licht te brengen, de persoon en het communicatie- of telecommunicatiemiddel dat het voorwerp is van de bewaking, de betrokken periode en de naam en hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie die voor de uitvoering van de maatregel is aangewezen.

B.23.2. Art. 90quater Sv. is vervangen bij art. 18 van de wet van 25 december 2016 «houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken». De nieuwe bepaling is in werking getreden op 27 januari 2017.

B.23.3. De bestreden bepaling is in werking getreden tien dagen na de bekendmaking ervan, namelijk op 29 februari 2016. In zoverre zij uitwerking kon hebben tussen die datum en 27 januari 2017, is het beroep niet zonder voorwerp geworden wat die bepaling betreft.

B.24. De verzoekende partij verwijt de wetgever dat hij, door de automatische nietigheid op te heffen, eveneens een procedure van controle a priori van de maatregelen inzake telefoontaps heeft afgeschaft die noodzakelijk is om te waarborgen dat de aantasting van het recht op de bescherming van het privéleven die zij inhouden, noodzakelijk is in een democratische samenleving.

B.25. In de memorie van toelichting van de bestreden wet wordt aangegeven dat de maatregel noodzakelijk werd geacht omdat de met toepassing van de artt. 90ter e.v. uitgevoerde telefoontaps vooral worden gebruikt in dossiers van zware en georganiseerde criminaliteit en «de gevolgen van een nietigheidssanctie [...] dan ook in dergelijke dossiers dramatisch en niet in verhouding [zijn] met het evenwicht dat gezocht moet worden tussen de bescherming van de privacy en een efficiënte bestrijding van dergelijke vormen van criminaliteit» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 62).

In de memorie van toelichting wordt gepreciseerd:

«De voorgestelde wijziging zal dus niet tot gevolg hebben dat de burger minder beschermd is tegen misbruiken inzake telefoontaps:

– de vormvereisten zijn niet gewijzigd;

– tot nietigheid van onregelmatig verkregen bewijselement kan nog worden besloten indien «de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces» (cf. art. 32 Voorafgaande Titel Sv.);

– illegaal afluisteren vormt een strafbaar feit, zowel door een openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht (art. 259bis Sw.) als wanneer het wordt gepleegd door een andere persoon (art. 314bis Sw.);

– in art. 90decies Sv. is gesteld dat de minister van Justitie elk jaar verslag uitbrengt «aan het Parlement over de toepassing van de artt. 90ter tot en met 90novies. Hij brengt het Parlement op de hoogte van het aantal onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in die artikelen, van de duur van die maatregelen, van het aantal betrokken personen en van de behaalde resultaten».

«Die waarborgen maken het niet mogelijk te overwegen dat op niet-gemotiveerde wijze wordt afgeluisterd in de hoop misdrijven te ontdekken («fishing»): een dergelijke methode zou geen enkele kans bieden op een veroordeling, behalve van de daders van dat illegaal afluisteren» (ibid., p. 62-63).

B.26.1. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat het, ingevolge de aard van maatregelen inzake geheime bewaking die de betrokkene noodgedwongen beletten daadwerkelijk beroep in te stellen of rechtstreeks deel te nemen aan enige controle, «onontbeerlijk blijkt dat de bestaande procedures op zich gepaste en gelijkwaardige waarborgen bieden om de rechten van het individu te vrijwaren».

Het voegt eraan toe: «Bovendien, teneinde niet verder te gaan dan wat noodzakelijk is in de zin van art. 8.2, moeten, in de controleprocedures, de waarden van een democratische maatschappij zo getrouw mogelijk worden nageleefd. Op een gebied waar misbruiken mogelijk zo eenvoudig zijn in individuele gevallen en nadelige gevolgen voor de hele democratische maatschappij met zich zouden kunnen meebrengen, is het in beginsel wenselijk dat de controle wordt toevertrouwd aan een rechter, daar de rechterlijke macht de beste waarborgen inzake onafhankelijkheid, onpartijdigheid en regelmatige procedure biedt» (EHRM, grote kamer, 4 december 2015, Roman Zakharov t/ Rusland, § 233).

B.26.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt voorts dat de noodzaak om een gerechtelijke machtiging vóór de tenuitvoerlegging van een maatregel van geheime bewaking te verkrijgen, een belangrijke waarborg tegen willekeur vormt en hecht belang aan het feit dat de rechter zijn beslissing om de maatregel van onderschepping toe te staan, dient te motiveren (ibid., §§ 249 en 259).

B.27.1. De bestreden bepaling verzacht de weerslag van de formele onregelmatigheden in de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij het afluisteren en opnemen van communicatie wordt toegestaan, op de geldigheid van het aldus verkregen strafrechtelijk bewijs. Terwijl vroeger elke schending van een voorschrift van art. 90quater Sv. automatisch met zich meebracht dat de uitgevoerde telefoontaps onmogelijk konden worden gebruikt tijdens het strafproces, dient de rechter ten gronde voortaan de geldigheid van het verkregen bewijs te beoordelen in het licht van art. 32 Voorafgaande Titel Sv. en kan hij in voorkomend geval daarmee rekening houden indien de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet heeft aangetast en het gebruik van het bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces.

B.27.2. De bestreden bepaling heeft daarentegen geen weerslag op het onderzoek dat de rechter kan verrichten naar de verenigbaarheid van het afluisteren en opnemen van communicatie met het recht op de bescherming van het privéleven van de betrokkenen. Art. 90quater Sv., zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, vereist nog steeds dat het afluisteren en opnemen vooraf wordt toegestaan door een onderzoeksrechter en dat die laatste zijn beschikking met redenen omkleedt door de concrete aanwijzingen en feiten aan te geven die de maatregel verantwoorden, alsook de redenen waarom die onontbeerlijk is, de persoon en het communicatiemiddel dat aan de bewaking zijn onderworpen, de betrokken periode en de naam en hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie die is aangewezen voor de uitvoering van de maatregel. Die vereisten kunnen, in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die in overweging B.26 is aangehaald, de naleving van het recht op de bescherming van het privéleven waarborgen.

Elke maatregel inzake het afluisteren of opnemen van communicatie die met schending van de wettelijke voorschriften zou zijn uitgevoerd, kan als onwettig worden beschouwd en aanleiding geven tot de toepassing van art. 259bis Sw. ten aanzien van de ambtenaar van de openbare macht die de auteur ervan is, alsook tot het herstel ten aanzien van de persoon wiens recht op de bescherming van het privéleven zou zijn geschonden.

B.28. De bestreden bepaling heeft niet de draagwijdte die de verzoekende partij eraan geeft, daar zij de bescherming tegen de aantastingen van het privéleven van de personen die voortvloeien uit de maatregelen inzake het afluisteren en opnemen van communicatie, niet vermindert.

Art. 90quater Sv., zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, is niet onverenigbaar met art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM. Het onderzoek naar de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met art. 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten leidt niet tot een andere conclusie.

B.29. Het middel dat is gericht tegen het bestreden art. 66, 1o, van de wet van 5 februari 2016, is niet gegrond.

Het verzet

B.30. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6496, 6497 en 6498 vorderen de vernietiging van art. 83 van de wet van 5 februari 2016. Zij voeren aan dat die bepaling niet verenigbaar is met de artt. 10, 11, 12, 13 en 14 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 13 EVRM, met art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de algemene rechtsbeginselen inzake het recht op een eerlijk proces, de eerbiediging van het recht van verdediging, het recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.

B.31.1. Het bestreden art. 83 van de wet van 5 februari 2016 vervangt de regeling inzake het verzet tegen een bij verstek uitgesproken strafvonnis, zoals neergelegd in art. 187 Sv. Met die nieuwe regeling beoogt de wetgever «het codificeren, vereenvoudigen en rationaliseren van de verzetprocedure, zonder daarbij het recht op een tweede aanleg te beperken» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 72).

B.31.2 De grieven van de verzoekende partijen zijn gericht tegen het nieuwe art. 187, § 6 Sv., dat bepaalt:

«Het verzet wordt als ongedaan beschouwd:

1o indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter;

2o indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard.»

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepaling.

B.32.1. Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die bij verstek is veroordeeld teneinde van het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen.

Het wezen en de doelstelling zelf van het verzet bestaan erin de persoon de mogelijkheid te bieden ten volle zijn recht van verdediging uit te oefenen, die als gevolg van zijn niet-verschijnen mogelijkerwijze niet alle elementen van een zaak kent of zich daarover althans niet nader heeft kunnen verklaren.

B.32.2. Het «ongedaan verzet» houdt in dat het verzet ontvankelijk is, maar als vervallen wordt beschouwd, met als gevolg dat het verstekvonnis waartegen verzet was ingesteld, onaangetast blijft (Cass. 18 november 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 576). Het betreft een bijzondere sanctie die wegens welbepaalde omstandigheden die verband houden met de houding van de verzetdoende partij, wordt opgelegd.

De beslissing die het verzet ongedaan verklaart, heeft tot gevolg dat het rechtscollege dat bij verstek uitspraak deed, de zaak niet opnieuw moet beoordelen in het kader van een verzetsprocedure. De bij verstek gewezen beslissing blijft bestaan en is enkel nog vatbaar voor hoger beroep of, indien zij is gewezen in hoger beroep, voor cassatieberoep.

B.32.3. Vóór de opheffing ervan bij de wet van 5 februari 2016, werd het «ongedaan verzet» geregeld in art. 188 Sv., dat bepaalde dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de verzetdoende partij of haar raadsman niet verschijnt op de eerste nuttige zitting na het aantekenen van het verzet.

Bij art. 83 van de wet van 5 februari 2016 heeft de wetgever de sanctie van «ongedaan verzet» uitgebreid tot nieuwe gevallen. Die uitbreiding wordt verantwoord door de vaststelling dat «bij de huidige stand van zaken [...] van de verzetprocedure misbruik [wordt] gemaakt door bepaalde beklaagden in wier geval het verstek ofwel te wijten is aan hun eigen onachtzaamheid ofwel ingezet wordt als vertragingsmanoeuvre in hun verdedigingsstrategie, met het oog op een overschrijding van de redelijke termijn of zelfs een verjaring van het misdrijf waarvoor zij worden vervolgd. Aangezien het verzet in eerste aanleg en in hoger beroep is toegelaten, komt het voor dat een zaak vier keer wordt behandeld» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 73). Voorts dient die uitbreiding «de belangen van de slachtoffers, die vaak ontmoedigd zijn door de verplichting om het debat herhaaldelijk te volgen, met tijdverlies en uitgaven voor erelonen tot gevolg» (ibid., p. 72).

Krachtens het bestreden art. 187, § 6 Sv., zoals vervangen bij art. 83 van de wet van 5 februari 2016, wordt het verzet in twee gevallen als «ongedaan» beschouwd: enerzijds wanneer de eiser in verzet, in zoverre hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het onaantastbare oordeel van de rechter (1o), en anderzijds, indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard (2o).

B.33. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat het Hof de verenigbaarheid dient te onderzoeken van de woorden «wettige reden van verschoning» en «waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter», die worden gebruikt in het bestreden art. 187, § 6, 1o Sv., met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artt. 12 en 14 Gw., gelezen in samenhang met art. 7 EVRM.

Voorts dient het Hof de verenigbaarheid te onderzoeken van art. 187, § 6 Sv. met de artt. 10, 11 en 13 Gw., gelezen in samenhang met de aangevoerde verdragsbepalingen en met de algemene rechtsbeginselen, doordat het zou voorzien in een discriminerende beperking van de mogelijkheid om verzet aan te tekenen. Omdat het onderzoek van die grief afhangt van de draagwijdte van de bestreden bepaling, dient de eerstgenoemde grief eerst te worden onderzocht.

B.34.1. Art. 12, tweede lid Gw. bepaalt: «Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.»

Art. 14 Gw. bepaalt: «Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet.»

Art. 7.1 EVRM bepaalt: «Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.»

B.34.2. In zoverre het het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgt, heeft art. 7.1 EVRM een draagwijdte die analoog is aan de artt. 12, tweede lid, en 14 Gw.

B.34.3. Uit die bepalingen vloeit voort dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en de mogelijkerwijs op te lopen straf kan kennen. De beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid zijn van toepassing op de hele strafrechtspleging. De voormelde bepalingen willen aldus elk risico van willekeurig optreden van de uitvoerende of de rechterlijke macht uitsluiten bij het vaststellen en toepassen van de straffen.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling, van de straf of van de strafrechtspleging zelf te regelen. Meer bepaald staat het er niet aan in de weg dat de wetgever aan de rechter of aan het openbaar ministerie een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wettelijke bepalingen, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

B.34.4. Te dezen is niet de wettigheid van de strafbaarstelling of van de straf in het geding, maar die van de strafrechtspleging.

De vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgt elke burger dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen.

B.35.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door de beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekvonnis verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord, dat deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, en de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 72-80).

B.35.2. Door in het bestreden art. 187, § 6, 1o Sv. te bepalen dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien het verstek noch door «overmacht» noch door een «wettige reden van verschoning» wordt gerechtvaardigd, heeft de wetgever bewust een ruime beoordelingsvrijheid aan de rechter gelaten (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 80). De wetgever wenste immers te waarborgen dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, «het verzet effectief blijft voor de niet verschenen beklaagden die geen afstand hebben gedaan van het recht te verschijnen en zich te verdedigen, en evenmin de intentie hadden zich te onttrekken aan het recht» (ibid., p. 79).

De parlementaire voorbereiding vermeldt inzake de begrippen «overmacht» en «wettige reden van verschoning»:

«In de notie «overmacht» kunnen twee soorten situaties vervat zijn:

– De gevallen waarbij de beklaagde geen kennis had van de dagvaarding, waardoor hij aanwezig noch vertegenwoordigd was op de terechtzitting;

– De gevallen waarbij de beklaagde kennis had van de dagvaarding en geen afstand wenste te doen van zijn recht om aanwezig of vertegenwoordigd te zijn, maar zijn aanwezigheid of vertegenwoordiging belet werd door een geldige reden buiten zijn wil om.

«Het voornoemde wetsvoorstel van 15 mei 2000, ingediend door de heren Bourgeois, Van Hoorebeke en Erdman, verbond de ontvankelijkheid van het verzet aan het bewijs van een gerechtvaardigd verstek wegens overmacht. Dat denkspoor werd uiteindelijk verlaten omdat overmacht als notie te vaag werd geacht. De vrees bestond aldus dat de uitlegging van die notie aanleiding zou geven tot eindeloze discussies (zie: Parl.St. Kamer, gewone zitting 2002-03, nr. 50-0651/004, p. 6 en 11).

«Om dat te voorkomen, wordt voorgesteld om overmacht uit te breiden met de gevallen waarin de beklaagde een reden opgeeft die als geldig wordt erkend door het rechtscollege waarvoor hij is opgeroepen. In de studie van de UGent was trouwens gewag gemaakt van de notie verschoning (p. 158, § 709). Overigens is de wettige reden van verschoning als notie reeds opgenomen in art. 630, tiende en elfde lid Sv., met betrekking tot het herstel.

«De benadering waarbij overmacht en de geldige reden worden gecombineerd, is verwant aan de benadering in het Franse recht, die verzet toelaat in zowel de situaties waarin de verdachte effectief geen kennis heeft gehad van de regelmatige dagvaarding die niet aan de persoon is betekend (een geval dat bij ons onder overmacht zou vallen) als de situaties waarin de dagvaarding regelmatig betekend was aan de persoon, maar een verschoning die als geldig is erkend door het rechtscollege waarvoor de niet verschenen partij is opgeroepen zijn afwezigheid rechtvaardigt (artt. 410 tot 412 van de Code de procédure pénale français)» (ibid., p. 79-80).

Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat het begrip «wettige reden van verschoning» aldus moet worden geïnterpreteerd dat het de gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens om afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht.

Het begrip «wettige reden van verschoning» is voldoende duidelijk en rechtszeker en doet geen afbreuk aan het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel.

B.35.3. Aan het bovenstaande wordt geen afbreuk gedaan door de vermelding in het bestreden art. 187, § 6, 1o, dat «het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter». Die vermelding bevestigt louter de algemene regel dat de rechter, bij gebrek aan dwingende beoordelingscriteria die in de wet zijn opgenomen, op onaantastbare wijze over die punten oordeelt, zij het dat de rechter daarbij gebonden is door de gebruikelijke betekenis van de begrippen «overmacht» en «wettige reden van verschoning», zoals die door de wetgever werd verduidelijkt.

Het komt het Hof van Cassatie toe om erover te waken dat die begrippen niet willekeurig worden ingevuld en om na te gaan of de rechter uit de feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er al dan niet sprake was van overmacht of van een wettig reden van verschoning.

B.35.4. Het bestreden art. 187, § 6, 1o Sv., vervangen bij art. 83 van de wet van 5 februari 2016, schendt bijgevolg niet de artt. 12 en 14 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 7 EVRM.

B.36.1. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat art. 187, § 6 Sv. afbreuk doet aan de artt. 10, 11 en 13 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 13 EVRM, met art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de algemene rechtsbeginselen inzake het recht op een eerlijk proces, de eerbiediging van het recht van verdediging, het recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, in zoverre het de mogelijkheid om verzet aan te tekenen beperkt.

Die bepaling zou discriminerend zijn, in zoverre zij ertoe leidt dat de beklaagde die verstek heeft laten gaan in de procedure waarbij uitspraak wordt gedaan over de strafvordering op dezelfde wijze wordt behandeld als de veroordeelde die verstek heeft laten gaan in de procedure strekkende tot herstel in eer en rechten. Krachtens de bestreden bepaling, respectievelijk krachtens art. 630 Sv. dienen beiden een wettige reden van verschoning aan te voeren ter rechtvaardiging van hun afwezigheid ter zitting. Er zouden nochtans wezenlijke verschillen tussen beide categorieën van personen bestaan die zich zouden verzetten tegen de voormelde gelijke behandeling.

B.36.2. Anders dan wat de verzoekende partij in de zaak nr. 6498 aanvoert, bevatten de aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen geen standstill-verplichting.

B.37. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Hetzelfde geldt voor de identieke behandeling die voortvloeit uit de toepassing van dezelfde procedureregels in verschillende omstandigheden. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien de verschillende of identieke behandeling die voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.38.1. Art. 13 Gw. houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij art. 6.1 EVRM, bij art. 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel.

Art. 13 EVRM waarborgt voor personen van wie de rechten en vrijheden vermeld in dat Verdrag zijn geschonden, een recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie.

B.38.2. De verschijning van een beklaagde is van kapitaal belang, zowel wegens het recht van deze laatste om te worden gehoord als wegens de noodzaak de juistheid van zijn verklaringen te controleren en ze te confronteren met de beweringen van het slachtoffer, wiens belangen moeten worden beschermd, alsook met die van de getuigen (EHRM, 23 november 1993, Poitrimol t/ Frankrijk, § 35; EHRM, 13 februari 2001, Krombach t/ Frankrijk, § 84; EHRM, 14 juni 2001, Medenica t/ Zwitserland, § 54; EHRM, 13 januari 2011, Drakos t/ Griekenland, § 35).

Indien het nationaal recht het verloop van een proces toelaat niettegenstaande de afwezigheid van de beschuldigde, moet die later kunnen verkrijgen dat een rechtscollege opnieuw, na hem te hebben gehoord, uitspraak doet over de gegrondheid van de beschuldiging, zowel in feite als in rechte, wanneer niet vaststaat dat hij heeft afgezien van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch dat hij de bedoeling heeft gehad zich aan het gerecht te onttrekken (EHRM, grote kamer, 1 maart 2006, Sejdovic t/ Italië, § 82; 1 maart 2011, Faniel t/ België, § 26). Het vermag niet aan de beschuldigde toe te komen te moeten bewijzen dat hij zich niet aan het gerecht wilde onttrekken of dat zijn afwezigheid door een geval van overmacht werd verklaard. Tegelijkertijd staat het de nationale overheden vrij te beoordelen of de verschoningsgronden die door de beschuldigde zijn verstrekt om zijn afwezigheid te verantwoorden, geldig waren dan wel of de bij het dossier gevoegde elementen het mogelijk maakten te besluiten dat zijn afwezigheid onafhankelijk was van zijn wil (EHRM, Sejdovic t/ Italië, voormeld, § 88).

De wetgever moet onverantwoorde niet-verschijningen kunnen ontraden, op voorwaarde dat de sancties niet onevenredig blijken te zijn en dat de beklaagde niet het recht op de bijstand van een raadsman wordt ontzegd (EHRM, Sejdovic t/ Italië, voormeld, § 92).

B.39.1. Uit de in overwegingen B.32.3 en B.35 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen vermijden, zonder daarbij afbreuk te doen aan de vereisten die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het recht op toegang tot de rechter worden gesteld. Om die reden heeft de wetgever bepaald dat enkel in de twee gevallen die worden beoogd in de bestreden bepaling het verzet als ongedaan wordt beschouwd.

B.39.2. Wat de in art. 187, § 6, 1o Sv. bedoelde situatie betreft, dient – opdat het verzet als ongedaan kan worden beschouwd – allereerst vast te staan dat de verzetdoende partij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan. Het komt aan de vervolgende of de burgerlijke partij toe dat bewijs te leveren; op de beklaagde rust ter zake geen enkele bewijslast (Cass. 17 januari 2017, P.16.0989.N). Die kennisname moet bovendien met zekerheid vaststaan; er mag geen enkele redelijke twijfel over bestaan.

Vervolgens kan het verzet slechts ongedaan worden verklaard indien de verzetdoende partij «geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging». Zoals in overweging B.35 is vermeld, moet die voorwaarde, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aldus worden geïnterpreteerd dat «het verzet effectief blijft voor de niet verschenen beklaagden die geen afstand hebben gedaan van te verschijnen en zich te verdedigen en evenmin de intentie hadden zich te onttrekken aan het recht» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 79). Het volstaat dat de verzetdoende partij «gewag maakt» van overmacht of van een wettige reden van verschoning, en dus dat zij het bestaan van die reden voldoende aannemelijk maakt, zonder dat zij daarvan het bewijs dient te leveren.

Slechts in zoverre aan die cumulatieve voorwaarden is voldaan en aldus vaststaat dat de beklaagde afstand heeft gedaan van het recht te verschijnen en zich te verdedigen dan wel de intentie had zich aan het gerecht te onttrekken, wordt het verzet als ongedaan beschouwd.

B.39.3. Krachtens art. 187, § 6, 2o Sv. wordt het verzet eveneens als ongedaan beschouwd indien de verzetdoende partij nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard. Die situatie werd reeds gedeeltelijk geviseerd bij het vroegere art. 188 Sv. namelijk in zoverre het een afwezigheid op de eerste nuttige terechtzitting na het aantekenen van het verzet betrof, en werd bij art. 83 van de wet van 5 februari 2016 uitgebreid tot alle afwezigheden van de verzetdoende partij in de verzetsprocedure.

Het kan worden verantwoord dat een afwezigheid ter terechtzitting met meer gestrengheid wordt beoordeeld ten aanzien van een partij die reeds verstek heeft laten gaan en die door verzet aan te tekenen zelf het initiatief heeft genomen om van het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen.

Bovendien geldt ook in dat geval het algemene rechtsbeginsel dat de gestrengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd, waarvan de bestreden wet niet is afgeweken. Zoals ook in de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd, kan het verzet bijgevolg niet als ongedaan worden beschouwd indien de afwezigheid van de verzetdoende partij in de verzetsprocedure door overmacht kan worden gerechtvaardigd (Parl.St. 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 81, en DOC 54-1418/005, p. 110-111).

B.39.4. Onder voorbehoud dat het op de wijze vermeld in overwegingen B.39.2 en B.39.3 wordt geïnterpreteerd, doet art. 187, § 6 Sv. niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht van de beklaagde op toegang tot de rechter.

B.40. Onder dat voorbehoud zijn de middelen die zijn gericht tegen het voormelde art. 187, § 6 Sv., zoals vervangen bij art. 83 van de wet van 5 februari 2016, niet gegrond.

Het hoger beroep op grieven

B.41. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6497 leiden een derde middel af uit de schending van de artt. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6 EVRM, door art. 89 van de wet van 5 februari 2016, dat art. 204 Sv. vervangt door de volgende bepaling:

«Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

«Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

«Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

«Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.»

B.42. De verzoekende partijen verwijten die bepaling de partijen te beletten het hoger beroep voor het rechtscollege in hoger beroep uit te breiden.

B.43.1. De Ministerraad werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dat middel op. Hij wijst erop dat de verzoekende partijen, in de uiteenzetting van het middel, niet verwijzen naar het bestreden art. 89, maar wel naar art. 94 van dezelfde wet, dat niet in het verzoekschrift wordt beoogd, en dat art. 210 Sv. aanvult met een lid waarin de mogelijkheden voor de rechter in hoger beroep om middelen ambtshalve aan te voeren, worden beperkt, alsook naar de inhoud van het formulier voor het instellen van hoger beroep dat als bijlage bij het KB van 18 februari 2016 tot uitvoering van art. 204, derde lid Sv. is bekendgemaakt.

B.43.2. Hoewel de argumentatie van de verzoekende partijen gedeeltelijk is gebaseerd op het niet-bestreden art. 94 van de wet van 5 februari 2016, alsook op een bijlage bij een KB dat niet onder de bevoegdheid van het Hof valt, kan hun kritiek, die niet uitsluitend betrekking heeft op de mogelijkheid voor de rechter in hoger beroep om middelen ambtshalve aan te voeren, maar meer algemeen de onmogelijkheid voor de partijen beoogt om de draagwijdte van hun hoger beroep uit te breiden na het indienen van het verzoekschrift met vermelding van de grieven, worden gesitueerd in het bestreden art. 89, in zoverre het niet bepaalt dat grieven die niet in dat verzoekschrift zijn aangegeven nog kunnen worden aangevoerd voor het rechtscollege.

B.43.3. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

B.44.1. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de bestreden bepaling «in het belang van alle partijen» werd geacht, aangezien zij ertoe strekte «de eisers in beroep [...] die noch een advocaat noch een ruime scholing hebben [...] bewust te [maken] van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 85).

B.44.2. In het verslag van de Kamercommissie wordt vermeld:

«Het wetsontwerp strekt er ook toe de strafzaken in hoger beroep doeltreffender te behandelen. De eiser zal een verzoekschrift moeten neerleggen waarin de grieven die tegen het vonnis in eerste aanleg worden ingebracht, nauwkeurig worden omschreven, met inbegrip van de grieven betreffende de procedure. Dit impliceert dat men moet preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd (bv. «de straf») en niet de middelen die zullen worden uiteengezet om die betwisting te staven. Die verplichting geldt ook voor het openbaar ministerie. Bij ontstentenis kan de rechter het beroep onontvankelijk verklaren. Dat beginsel is eigenlijk al in de wet opgenomen, maar zonder dat de niet-naleving ervan wordt gekoppeld aan een sanctie van onontvankelijkheid, waardoor het geen effect sorteert. Een bij KB bepaald formulier zal in de griffies, de gevangenissen enz. ter beschikking worden gesteld van de eisers, zodat al wie geen advocaat heeft of geen ruime scholing heeft genoten, de draagwijdte van de akte van hoger beroep en de mogelijkheid om die te beperken, kan begrijpen.

«Thans gaat een veroordeelde al te vaak in hoger beroep of tekent hij automatisch verzet aan zonder erover na te denken. Hoewel het verzet de eiser in verzet niet kan schaden, ligt dat voor de eiser in beroep anders: ingeval zijn beroep wordt gevolgd door een andere partij, kan dat aanleiding geven tot een verzwaring van de straf of tot burgerlijke belangen die zwaarder gaan doorwegen» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/005, p. 15-16).

B.44.3. In het formulier dat is bekendgemaakt als bijlage bij het voormelde KB van 18 februari 2016 en dat krachtens art. 1 van dat KB kan worden gebruikt voor het instellen van hoger beroep overeenkomstig de bestreden bepaling, wordt verzocht een of meer «beschikkingen» van het eerste vonnis waartegen een grief is aangevoerd, aan te vinken. Die beschikkingen zijn, wat de strafvordering betreft, de schuldigverklaring, de kwalificatie van het misdrijf, de voorschriften betreffende de rechtspleging, de strafmaat, de internering, het niet toepassen van het gevraagde gewoon uitstel, het probatie-uitstel, de gewone opschorting of de probatieopschorting, de verbeurdverklaring, de andere maatregelen: herstelmaatregel of dwangsom, de verjaring, de schending van het EVRM, de vrijspraak, de andere beschikkingen. Ten aanzien van de burgerlijke vordering zijn de beschikkingen de ontvankelijkheid, het causaal verband, de schadebegroting (cijfers), de interesten en de andere beschikkingen.

Die opsomming, met uitzondering van «de schending EVRM», betreft alleen de aspecten van het vonnis waartegen hoger beroep wordt ingesteld en niet de argumentatie of de middelen die zullen worden uiteengezet door de appellant om de rechters in hoger beroep te overtuigen.

B.44.4. Het Hof van Cassatie heeft in verband met het begrip «grief» in de zin van art. 204 Sv. gepreciseerd:

«Een grief als bedoeld in art. 204 Sv. is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.

«Het is niet vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier noodzakelijk:

– reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt,

– enkel de meest «juiste» grief aankruist;

– zijn grieven beperkt tot grieven die niet ambtshalve door de rechter kunnen worden ingeroepen;

– voor elke aangekruiste grief reeds preciseert op welke telastlegging deze betrekking heeft.

«Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door art. 204 Sv.» (Cass. 18 april 2017, P.17.0105.N).

«Bij de toepassing van art. 204 Sv. moet rekening worden gehouden met het door art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit die bepaling volgt dat de lidstaten het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk mogen maken van voorwaarden, maar dat bij de toepassing van die voorwaarden de rechter niet overdreven formalistisch mag zijn, zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden» (Cass. 18 april 2017, P.17.0147.N).

Het Hof van Cassatie heeft voorts gepreciseerd: «Art. 204 Sv., waarvan de schending in het middel wordt aangevoerd, verplicht de eiser in beroep om de punten te preciseren waarop de bestreden beslissing dient te worden hervormd. Het schrijft hem niet voor aan te geven om welke reden dat dient te gebeuren» (Cass. 3 mei 2017, P.17.0145.F, eigen vertaling; in dezelfde zin Cass. 18 april 2017, nrs. 17.0031.N en 17.0087.F).

Het heeft ook geoordeeld: «6. Een grief in de zin van art. 204 Sv. is de specifieke aanwijzing, in het verzoekschrift van beroep, van een bepaalde beslissing van het beroepen vonnis, die de appellant wil laten hervormen door de appelrechter. Het is niet vereist dat de appellant, in het verzoekschrift of het grievenformulier, de redenen van zijn beroep aangeeft, noch de middelen die hij wil aanvoeren om te verkrijgen dat de in de grief beoogde beslissing wordt hervormd. De aanwijzing van de grieven is nauwkeurig in de zin van die bepaling, wanneer die de appelrechters en de partijen in de mogelijkheid stelt om de beslissing of beslissingen van het bestreden vonnis, die de appellant wil laten hervormen, met zekerheid te bepalen, m.a.w., om de saisine van de appelrechters te bepalen» (Cass. 28 juni 2017, P.17.0176.F; Cass. 27 september 2017, P.17.0257.F, eigen vertaling).

B.45.1. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat het begrip «grief» in de zin van art. 204 Sv. niet samenvalt met het begrip «middel» in de betekenis die de verzoekende partijen eraan geven. De bestreden bepaling schrijft dus voor dat de appellant in zijn verzoekschrift de onderdelen van het vonnis in eerste aanleg aanwijst die hij wil laten hervormen en niet de argumenten die hij daartoe wenst aan te voeren.

B.45.2. Bijgevolg belet de bestreden bepaling niet dat de appellant, voor het eerst in hoger beroep en in de loop van de procedure, de middelen aanvoert die hij geschikt acht om de hervorming te verkrijgen van de in eerste aanleg gewezen beslissing, met inbegrip, in voorkomend geval, van de overschrijding van de redelijke termijn, of nog, een omkering van de rechtspraak tussen de eerste en tweede aanleg.

B.46. Rekening houdend met hetgeen in overwegingen B.44.4 en in B.45 is vermeld, is het middel dat is gericht tegen art. 89 van de wet van 5 februari 2016 niet gegrond.

Het onmiddellijk cassatieberoep tegen de beslissingen met toepassing van de artt. 135, 235bis en 235ter Sv.

B.47. De verzoekende partij in de zaak nr. 6498 leidt een middel af uit de schending, door de artt. 99, 100 en 115 van de wet van 5 februari 2016, van de artt. 10, 11 en 12 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 13 EVRM.

B.48.1. De bestreden artt. 99, 100 en 115 van de wet van 5 februari 2016 heffen de mogelijkheid op om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artt. 135, 235bis en 235ter Sv. Daartoe wijzigen die bepalingen de artt. 235bis, § 6, 235ter, § 6 en 420, tweede lid Sv.

B.48.2. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden art. 115, bepaalde art. 420 Sv.: «Tegen de voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek, zelfs al zijn die zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, kan slechts cassatieberoep worden ingesteld na het eindarrest of het eindvonnis.

«Er kan niettemin onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld tegen de beslissingen:

1o inzake bevoegdheid;

2o met toepassing van de artikelen 135, 235bis en 235ter;

3o die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid;

4o die, overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak doen over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar vermogensvoordelen bevelen.»

B.49.1. Overeenkomstig het voormelde art. 420, eerste lid Sv. staat beroep in cassatie tegen voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek eerst open na het eindarrest of het eindvonnis. Art. 420, tweede lid Sv. laat bij uitzondering in een beperkt aantal gevallen onmiddellijk cassatieberoep toe tegen een arrest of een vonnis dat geen eindarrest of eindvonnis is.

B.49.2. Vóór de vervanging van art. 420, tweede lid Sv., bij het bestreden art. 115, behoorden tot die uitzonderingen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van art. 135 Sv. over een hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer en met toepassing van art. 235bis Sv. over de regelmatigheid van de procedure.

De mogelijkheid tot onmiddellijk cassatieberoep tegen die beslissingen werd ingevoerd bij de wet van 12 maart 1998 «tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek». Bij diezelfde wet werd bepaald dat de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden die invloed hebben op een handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging of m.b.t. de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, in beginsel niet meer kunnen worden opgeworpen voor de feitenrechter, behalve de middelen die verband houden met de bewijswaardering of die de openbare orde aanbelangen (art. 235bis, § 5 Sv.). Aldus beoogde de wetgever het vooronderzoek definitief van onregelmatigheden te zuiveren vooraleer de zaak naar het vonnisgerecht wordt verwezen (Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 857/1, p. 61).

In de memorie van toelichting staat te lezen: «In zoverre de middelen, opgeworpen door uitoefening van het in art. 135 Sv van het ontwerp voorgestelde rechtsmiddel of naar voor gebracht in het kader van art. 235 Sv. van het ontwerp, niet meer voor de vonnisrechter kunnen worden opgeworpen, moest de verdachte de mogelijkheid krijgen om onmiddellijk een voorziening in cassatie in te stellen tegen een negatieve beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling. Het ontwerp beoogt hier in een nieuwe uitzondering te voorzien op de regel van het huidige art. 416, eerste lid Sv., dat bepaalt dat voorziening in cassatie tegen voorbereidende arresten of arresten van onderzoek onontvankelijk zijn voordat de definitieve beslissing ten gronde niet is uitgesproken. Daar de vragen betreffende de regelmatigheid van het onderzoek definitief kunnen worden behandeld bij de regeling van de rechtspleging, is het noodzakelijk dat zij zo nodig door het Hof van Cassatie kunnen worden onderzocht» (Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 857/1, p. 71).

B.49.3. Voorts stond, vóór de vervanging van art. 420, tweede lid Sv. bij het bestreden art. 115, onmiddellijk cassatieberoep eveneens open tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van art. 235ter Sv. over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie.

Die mogelijkheid werd bij de wet van 16 januari 2009 tot wijziging van de artt. 189ter, 235ter, 335bis en 416 Sv. ingevoerd ten gevolge van het arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008, waarin het Hof had vastgesteld dat de ontstentenis van een onmiddellijk cassatieberoep tegen die arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling de artt. 10 en 11 Gw. schond.

Het Hof oordeelde: «Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever [...] om tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure met toepassing van art. 235bis een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk te maken door af te wijken van de regel vervat in het eerste lid van art. 416, is het niet verantwoord dat de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier met toepassing van art. 189ter of art. 235ter Sv. niet eveneens het voorwerp zouden kunnen uitmaken van een onmiddellijk cassatieberoep» (arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008, overweging B.8).

B.49.4. Bij het bestreden art. 115 van de wet van 5 februari 2016 heeft de wetgever de mogelijkheid om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van de artt. 135, 235bis en 235ter Sv., waarin werd voorzien bij het vroegere art. 420, tweede lid, 2o Sv., opgeheven. Die wetswijziging heeft tot gevolg dat voor de voormelde beslissingen de algemene regel vervat in art. 420, eerste lid Sv., van toepassing is, zodat cassatieberoep daartegen slechts mogelijk is na het eindarrest of eindvonnis.

De bestreden artt. 99 en 100 van de wet van 5 februari 2016 schrappen de verwijzingen, in de artt. 235bis en 235ter Sv., naar het onmiddellijk cassatieberoep en zijn dus onlosmakelijk verbonden met het bestreden art. 115.

B.49.5. In de memorie van toelichting is de opheffing van die mogelijkheid tot onmiddellijk cassatieberoep als volgt verantwoord: «De wildgroei van de uitzonderingen op dat grondbeginsel volgens welk de ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen de voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek pas mogelijk is na het eindarrest of het eindvonnis, is een van de oorzaken van de verzadiging van het Hof. De schrapping van het onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen gewezen met toepassing van de art. 135, 235bis en 235ter Sv. strekt ertoe de afgeleiden die verband houden met de ontwikkeling van het proces tijdens het proces te voorkomen. Het gaat om een maatregel die met aandrang werd voorgesteld in het «Overzicht van de wetten die voor de hoven en de rechtbanken moeilijkheden bij de toepassing of de interpretatie ervan hebben opgeleverd» voorgelegd op 17 oktober 2014 door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie (verslag 2013-2014 DOC 54-0435/001, p. 31-33, zoals in zijn verslag van het vorige jaar). Zij strekt tevens ertoe een einde te maken aan de negatieve gevolgen van de verlenging van de rechtspleging betreffende de voorlopige hechtenis en de redelijke termijn. Dat resulteert niet in een verzwakking van de controle van de wettigheid van de rechtspleging, maar in de verdaging van die controle naar het einde van het proces, het enige tijdstip waarop een volledig overzicht bestaat en de echte impact van de aangevoerde onregelmatigheden op de rechtspleging kan worden vastgelegd. Een dergelijke oplossing zou het Hof een zware last ontnemen, waarvan het aantal verworpen cassatieberoepen de overbodigheid aantoont» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 104-105).

B.50. De verzoekende partij in de zaak nr. 6498 voert aan dat de bestreden artt. 109, 110 en 115 van de wet van 5 februari 2016 een schending inhouden van de artt. 10, 11 en 12 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 13 EVRM, doordat «het openbaar ministerie en de burgerlijke partij [...] een onmiddellijk cassatieberoep [kunnen] instellen tegen elke beschikking tot buitenvervolgingstelling, ook wanneer die gegrond is op de onregelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek, terwijl, omgekeerd, de inverdenkinggestelde niet onmiddellijk cassatieberoep kan aantekenen tegen een verwijzingsbeschikking, zelfs niet wanneer hij de onregelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek aanvoert.»

B.51.1. De verzoekende partij zet niet uiteen in welke zin de bestreden bepalingen art. 12 Gw. en art. 13 EVRM schenden. Het middel is niet ontvankelijk, in zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepalingen.

B.51.2. De Ministerraad voert aan dat art. 6 EVRM te dezen niet van toepassing is.

B.51.3. Al is art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing in de fase voorafgaand aan de strafrechtspleging voor de rechtscolleges die over de gegrondheid van de strafvordering uitspraak doen, toch dient ermee rekening te worden gehouden dat de vereisten van art. 6 EVRM een rol kunnen spelen vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de rechter ten gronde, indien en voor zover de initiële miskenning ervan het eerlijk karakter van het proces ernstig in het gedrang dreigt te brengen (EHRM 24 november 1993, Imbrioscia t/ Zwitserland, § 36).

B.52. Het Hof dient te beoordelen of het verschil in behandeling tussen enerzijds het openbaar ministerie en de burgerlijke partij, die onmiddellijk een cassatieberoep kunnen instellen tegen een arrest van buitenvervolgingstelling, en anderzijds de inverdenkinggestelde, die geen onmiddellijk cassatieberoep kan instellen tegen een verwijzingsarrest, verenigbaar is met de artt. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 EVRM.

Dat verschil in behandeling vloeit voort uit het feit dat een arrest van buitenvervolgingstelling een eindarrest is, waartegen met toepassing van art. 417 Sv. onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld, terwijl een verwijzingsarrest een voorbereidende beslissing of een beslissing van onderzoek is waartegen, overeenkomstig de algemene regel van art. 420, eerste lid Sv. en ingevolge de opheffing bij de bestreden bepaling van de uitzondering waarin is voorzien in het vroegere tweede lid, 2o, daarvan, slechts een cassatieberoep kan worden ingesteld na de eindbeslissing.

B.53. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.54. Art. 6 EVRM, dat het recht op een eerlijk proces waarborgt, houdt niet op algemene wijze het recht op een cassatieberoep in. Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van cassatieberoep voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure waarborgen en kan hij dat rechtsmiddel niet aan bepaalde categorieën van rechtzoekenden ontzeggen, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat het instellen van een rechtsmiddel betreft. Die voorwaarden mogen er echter niet toe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van de beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM 29 maart 2011, RTBF t/ België, §§ 69-70).

B.55.1. De bestreden bepalingen voeren een maatregel in die reeds herhaaldelijk door het Hof van Cassatie is voorgesteld met het oog op het beheersen en het wegwerken van een aanzienlijke en aanhoudende gerechtelijke achterstand (zie: Verslag 2012-2013 van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie, Parl.St. Kamer 2012-13, DOC 53-1414/011; Senaat, 2012-2013, nr. 5-1453/7, p. 5-10; Verslag 2013-2014 van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie, Parl.St. Kamer 2014-15, DOC 54-0435/001; Senaat, 2014-15, nr. 6-39/1, p. 31-33).

De toevloed aan cassatieberoepen en de daaruit voortvloeiende achterstand zou onder meer kunnen worden verklaard door de mogelijkheid om, in afwijking van het algemene beginsel vervat in art. 420, eerste lid Sv., onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artt. 135, 235bis en 235ter Sv. (zie Verslag 2012-2013 van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie, voormeld, p. 8). Volgens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling «ontaardt [die mogelijkheid] vaak in een proces tijdens het proces, waardoor de rechtsplegingen, tijdens welke dezelfde vragen opnieuw worden gesteld in een andere vorm of door een andere partij, bovenmatig worden verlengd nog vóór het vonnis ten gronde wordt gewezen in de zaak» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/005, p. 19).

B.55.2. De bestreden bepalingen streven aldus een wettig doel na, namelijk het beheersen en het wegwerken van een aanzienlijke gerechtelijke achterstand, en zijn pertinent om dat doel te bereiken.

Zij houden geen onevenredige beperking in van de rechten van de betrokkenen. Ingevolge de opheffing van de mogelijkheid om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artt. 135, 235bis en 235ter Sv., wordt de algemene regel vervat in art. 420, eerste lid Sv. van toepassing. Tegen die beslissingen staat aldus nog steeds cassatieberoep open, zij het slechts na het eindarrest of het eindvonnis.

B.55.3. Weliswaar is de wetgever met de bestreden bepalingen ter zake teruggekomen op de bij de wet van 12 maart 1998 gemaakte keuze om het onderzoeksdossier definitief van onregelmatigheden te zuiveren vooraleer de zaak naar de vonnisrechter wordt verwezen. Een dergelijke beleidswijziging behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever.

Zoals blijkt uit de in overweging B.49.5 aangehaalde parlementaire voorbereiding, is die keuze verantwoord door de vaststelling dat de mogelijkheid om onmiddellijk cassatieberoep in te stellen tegen de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artt. 135, 235bis en 235ter Sv. tot een toevloed aan cassatieberoepen en een aanzienlijke gerechtelijke achterstand heeft geleid. Die keuze is bovendien in overeenstemming met ontwikkelingen in de rechtspraak en de wetgeving, die tot gevolg hebben dat de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht in welbepaalde omstandigheden, alsnog voor de vonnisrechter kunnen worden gebracht, zodat het bij de wet van 12 maart 1998 nagestreefde doel in ieder geval niet volledig wordt bereikt.

B.56. Het middel dat is gericht tegen de artt. 99, 100 en 115 van de wet van 5 februari 2016, is niet gegrond.

De termijnen tot handhaving van de voorlopige hechtenis

B.57. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6493 en 6498 vorderen de vernietiging van de artt. 128, 129, 130 en 136 van de wet van 5 februari 2016. Zij voeren aan dat die bepalingen niet verenigbaar zijn met de artt. 10, 11, 12 en 23 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 5 EVRM en met andere verdragsbepalingen en beginselen.

De verzoekende partij in de zaak nr. 6493 vordert eveneens de vernietiging van art. 121 van de wet van 5 februari 2016, dat onlosmakelijk verbonden zou zijn met het bestreden art. 128.

...

B.59.1. De bestreden artt. 128, 129, 130 en 136 van de wet van 5 februari 2016 wijzigen de handhavingstermijnen van de voorlopige hechtenis, zoals daarin is voorzien in de artt. 22, 22bis, 23 en 30 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis (hierna: «de wet van 20 juli 1990»).

B.59.2. Krachtens art. 21 van de wet van 20 juli 1990 is de eerste beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis, die door de raadkamer moet worden genomen binnen vijf dagen na de betekening van het bevel tot aanhouding, één maand geldig.

B.59.3. Art. 22 van de wet van 20 juli 1990 betreft de termijn tot handhaving van de voorlopige hechtenis vanaf de tweede verschijning van de verdachte voor de raadkamer.

Vóór de wijziging ervan bij het bestreden art. 128 bepaalde art. 22 dat de raadkamer, zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde was gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet was afgesloten, van maand tot maand over het handhaven van de voorlopige hechtenis oordeelde (art. 22, eerste lid). Indien het te laste gelegde feit niet onder de toepassing van art. 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden ressorteerde, deed de raadkamer om de drie maanden uitspraak over het handhaven van de voorlopige hechtenis (art. 22, tweede lid).

Het vroegere art. 22 maakte aldus een onderscheid tussen enerzijds de wanbedrijven en de correctionaliseerbare misdaden en anderzijds de niet-correctionaliseerbare misdaden: terwijl de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis voor de eerstgenoemde misdrijven steeds geldig was voor één maand, gold voor de niet-correctionaliseerbare misdaden vanaf de tweede verschijning voor de raadkamer een handhavingstermijn van drie maanden.

In het geval van een beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis voor drie maanden werd het dossier maandelijks ter beschikking gesteld van de inverdenkinggestelde (art. 22, laatste lid). Bovendien kon de inverdenkinggestelde, krachtens het vroegere art. 22bis van de wet van 20 juli 1990, maandelijks een verzoekschrift tot invrijheidstelling bij de raadkamer indienen. Indien de raadkamer besliste de voorlopige hechtenis te handhaven, was die beslissing voor drie maanden geldig, zij het dat de inverdenkinggestelde na één maand opnieuw een verzoekschrift tot invrijheidstelling kon indienen.

Krachtens het vroegere art. 30, § 4, eerste lid, van de wet van 20 juli 1990 golden voor het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen in hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer dezelfde handhavingstermijnen als voor de beschikking van de raadkamer. Het arrest leverde aldus een titel van vrijheidsbeneming voor één maand op indien het ten laste gelegde feit een wanbedrijf of een correctionaliseerbare misdaad betrof, dan wel een titel van vrijheidsbeneming voor drie maanden indien het een niet-correctionaliseerbare misdaad betrof en het hoger beroep betrekking had op de tweede of de navolgende beslissing inzake de handhaving van de voorlopige hechtenis. Voorts bepaalde art. 30, § 4, tweede lid, dat, wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling in een afzonderlijk arrest uitspraak doet over de voorlopige hechtenis nadat zij met toepassing van de artt. 135 en 235 Sv. een onderzoeksmagistraat met een zaak heeft belast en de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, het arrest tot handhaving van de voorlopige hechtenis gold als titel van vrijheidsbeneming voor één maand.

B.59.4. Bij de bestreden bepalingen werden die handhavingstermijnen gewijzigd.

Het nieuwe art. 22, eerste en tweede lid, van de wet van 20 juli 1990, zoals vervangen bij het bestreden artikel 128, bepaalt:

«Zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, oordeelt de raadkamer van maand tot maand of, vanaf de derde beslissing, om de twee maanden over het handhaven van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan.

«Vanaf de derde beslissing, levert de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering hiervan een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden op.»

De artt. 22, laatste lid, en 22bis van de wet van 20 juli 1990, die in geval van een beslissing tot handhaving voor drie maanden voorzagen in een maandelijkse terbeschikkingstelling van het dossier respectievelijk in de mogelijkheid tot het indienen van een verzoekschrift tot invrijheidstelling, werden bij de bestreden artt. 128 en 129 opgeheven.

De verwijzingen naar het opgeheven art. 22bis in de artt. 23 en 30 van de wet van 20 juli 1990 werden bij de bestreden artt. 130 en 136 geschrapt.

Tot slot heeft het bestreden art. 136 in art. 30, § 4, van de wet van 20 juli 1990 de termijnen van de handhavingsbeslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling gewijzigd. Art. 30, § 4, bepaalt sindsdien:

«Het gerecht dat over het hoger beroep beslist, doet uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artt. 21, 22 en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, levert het arrest een titel van vrijheidsbeneming op voor een maand te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op de eerste of de tweede beschikking van de raadkamer, of voor twee maanden te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking.

«Wanneer, bij toepassing van de artt. 135 en 235 van het Wetboek van Strafvordering, de kamer van inbeschuldigingstelling een onderzoeksmagistraat met een zaak belast en de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, doet de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak over de voorlopige hechtenis in een afzonderlijk arrest dat, in geval van handhaving van de voorlopige hechtenis, geldt als titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden.»

B.59.5. De bestreden bepalingen hebben aldus het vroegere onderscheid tussen enerzijds de wanbedrijven en de correctionaliseerbare misdaden en anderzijds de niet-correctionaliseerbare misdaden opgeheven. Voor alle misdrijven geldt dat de eerste en de tweede beslissing van de raadkamer of, na hoger beroep, van de kamer van inbeschuldigingstelling tot handhaving van de voorlopige hechtenis een titel van vrijheidsbeneming voor één maand opleveren, terwijl de daaropvolgende beslissingen tot handhaving een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden opleveren. De inverdenkinggestelde beschikt niet meer over de mogelijkheid om tussentijds een verzoekschrift tot invrijheidstelling in te dienen en het dossier wordt maandelijks ter beschikking gesteld.

B.59.6. Die wijzigingen van de termijnen tot handhaving van de voorlopige hechtenis werden als volgt verantwoord:

«Het eerste punt betreft de wijziging van de maandelijkse controle. Uit het onderzoek «De voorlopige hechtenis en haar alternatieven. Onderzoekers en actoren in debat» van het NICC (2011) kunnen een aantal gemiddelde duurtijden van de voorlopige hechtenis worden afgeleid.

«Zo blijkt dat personen die verdacht worden van doodslag het langst in voorlopige hechtenis blijven (141,6 dagen). Langere detentieperiodes werden ook vastgesteld bij de misdrijven «bendevorming» (97,2 dagen), «mensenhandel» (87,7 dagen), «gijzeling» (79,8 dagen) en «verkrachting» (70,3 dagen). Voor de drie meest voorkomende misdrijfcategorieën «diefstal», «diefstal met geweld» en «drugs» werd een duur van de voorlopige hechtenis vastgesteld van respectievelijk 51,8 dagen, 60,5 dagen en 66,0 dagen (p. 52 van het onderzoek).

«Op basis van deze cijfers lijkt het gepast de controlemomenten van de voorlopige hechtenis aan te passen en deze op een uniforme wijze te stroomlijnen [...]. Voorliggend ontwerp stelt het volgende verloop voor inzake de controle op de noodzaak van de handhaving van de voorlopige hechtenis: vijf dagen – een maand – een maand – vervolgens om de twee maanden.

[...]

«Een dergelijk verloop komt tegemoet enerzijds aan de vaststellingen van de gemiddelde duurtijd van een voorlopige hechtenis en het garanderen van een regelmatige controle op de verdere noodzaak van de handhaving van de voorlopige hechtenis en anderzijds komt het ook tegemoet aan de door de wetgever in 2005 nagestreefde doelstelling van rationalisatie van de procedure voor de gerechtelijke onderzoeken van langere duur, en dit op een uniforme wijze voor alle misdrijven, zodat de onduidelijkheden en moeilijkheden die na 2005 ontstonden, worden voorkomen (zie verder punt 2 van deze toelichting).

«Er wordt tevens aan herinnerd dat de onderzoeksrechter overeenkomstig art. 25 van de wet op elk moment kan beslissen het bevel tot aanhouding op te heffen, zonder dat het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen tegen die beschikking tot opheffing. De bedoeling van die bepaling bestaat er dus niet in de voorlopige hechtenis te verlengen, maar de controleprocedure te vereenvoudigen en te rationaliseren door de termijnen voor alle tenlasteleggingen te uniformiseren.

«Het tweede punt beoogt de opheffing van het door de wetgever in 2005 ingevoerde onderscheid betreffende de driemaandelijkse controle van de voorlopige hechtenis inzake niet-correctionaliseerbare misdaden. Het onderscheid werd ingevoerd met het oog op een zekere rationalisering van de procedure vanuit de vaststelling dat voor niet-correctionaliseerbare misdaden een gerechtelijk onderzoek van langere duur noodzakelijk is. Met deze wijziging beoogde de wetgever te vermijden dat het dossier teveel «heen en weer» zou gaan tussen de onderzoeksrechter en de raadkamer en aldus zou kostbare tijd kunnen worden gewonnen omdat de onderzoeksrechter langer over zijn dossier zou kunnen beschikken en zijn onderzoek dus zou kunnen verderzetten.

«Ondanks deze eerbare doelstelling, vormde het door de wetgever ingevoerde onderscheid sinds de invoering ervan een bron van moeilijkheden en onduidelijkheden in de rechtspraktijk, en ook in de rechtsleer was het voorwerp van felle kritiek. In de opeenvolgende rapporten wetsevaluatie van het College van procureurs-generaal werd het steevast aangehaald als een belangrijk, zo niet het belangrijkste, knelpunt in de wet voorlopige hechtenis. Men moet dan ook concluderen dat het gepast is opnieuw in een eenvormige duur te voorzien, zonder enig onderscheid tussen de misdrijven die aan de basis van het bevel tot aanhouding liggen.

«De laatste aanpassing tot slot is een technische aanpassing die voortvloeit uit de opheffing van het onderscheid tussen de correctionaliseerbare en de niet-correctionaliseerbare misdaden. Gelet op de opheffing van het tweede lid, moeten deze passussen, die verwijzen naar de in casu terbeschikkingstelling van het dossier en de wijze van terbeschikkingstelling van het dossier, ook worden opgeheven.

[...]

«In zijn advies 57 792/1/V (nr. 89) preciseert de Raad van State: «Gelet op deze verklaring en het gegeven dat een tweemaandelijkse controle op de voorlopige hechtenis door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet in strijd werd bevonden met art. 5 EVRM (zie bv. EHRM 2 oktober 2012, Abdulhakov t/ Rusland, § 213), lijken de in artikel 126 van het ontwerp vervatte wijzigingen aanvaardbaar.»» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 120-122).

Inzake de opheffing van de mogelijkheid voor de inverdenkinggestelde voor een niet-correctionaliseerbare misdaad om maandelijks een verzoekschrift tot invrijheidstelling in te dienen, staat in de parlementaire voorbereiding te lezen: «Gelet op de opheffing van dit onderscheid [ten aanzien van de niet-correctionaliseerbare misdaden], de opheffing van voornoemd art. 136ter Sv. en de vermindering van de maximumtermijn (van drie naar twee maanden gebracht) tussen twee controles van de voorlopige hechtenis door de raadkamer, moet ook dit artikel worden opgeheven» (ibid., p. 122).

B.60. De verzoekende partij in de zaak nr. 6493 voert aan dat het bestreden art. 128 van de wet van 5 februari 2016 afbreuk doet aan de artt. 10 en 11 Gw., in zoverre het een verschil in behandeling instelt tussen enerzijds de personen in voorlopige hechtenis bij een eerste en een tweede verschijning voor het onderzoeksgerecht, voor wie de hechtenis maandelijks wordt herzien en anderzijds de personen in voorlopige hechtenis bij een derde of een latere verschijning voor hetzelfde gerecht, voor wie de hechtenis tweemaandelijks wordt herzien.

B.61. De artt. 10 en 11 Gw. nopen tot een vergelijking van de situatie van twee verschillende categorieën van personen en niet van de situatie van eenzelfde persoon in opeenvolgende fasen van eenzelfde procedure.

Het feit dat eenzelfde persoon verschillend wordt behandeld, wat de termijn van de handhaving van zijn voorlopige hechtenis betreft, naargelang het om een eerste of tweede beslissing tot handhaving gaat dan wel om een daaropvolgende handhavingsbeslissing, kan op zich geen schending van de artt. 10 en 11 Gw. uitmaken.

B.62. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6493 en 6498 voeren voorts aan dat de bestreden bepalingen een schending inhouden van de artt. 10, 11 en 12 Gw., gelezen in samenhang met art. 5 EVRM, doordat die bepalingen de termijn van de handhaving van de voorlopige hechtenis verlengen tot twee maanden, zonder dat de inverdenkinggestelde tussentijds een verzoekschrift tot invrijheidstelling kan indienen.

B.63.1. Art. 12, derde lid Gw., vóór de herziening van 24 oktober 2017, bepaalde: «Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren.»

Art. 5 EVRM bepaalt:

«1. Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg:

[...]

«c) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;

[...]

«3. Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1 c) van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte.

«4. Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.»

B.63.2. Gelet op het fundamentele belang van de habeas corpus, dienen alle beperkingen op de individuele vrijheid restrictief te worden geïnterpreteerd en dient hun grondwettigheid met de grootste omzichtigheid te worden onderzocht.

B.63.3. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen.

B.63.4. Aangezien zowel art. 12 Gw. als art. 5 EVRM het recht op individuele vrijheid waarborgen, dient het Hof, bij de toetsing aan die grondwetsbepaling, rekening te houden met de voormelde verdragsbepaling.

B.64.1. Op grond van art. 5.4 EVRM heeft eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.

Een systeem van automatische periodieke herziening van de rechtmatigheid van de gevangenhouding, zonder dat de persoon in voorlopige hechtenis over de mogelijkheid beschikt om tussentijds een verzoekschrift tot herziening in te dienen, is op zich niet onverenigbaar met art. 5.4, op voorwaarde dat de herziening binnen redelijke tussenpozen geschiedt (EHRM 24 september 2000, Herczegfalvy t/ Oostenrijk, § 75; EHRM 2 oktober 2012, Abdulkhakov t/ Rusland, §§ 209 en 210). Dit vereiste van een herziening binnen redelijke tussenpozen verschilt naargelang van de aard van de betrokken vrijheidsbeneming. Een voorlopige hechtenis, zijnde een maatregel die volgens het EVRM van strikt beperkte duur moet zijn, vereist korte tussenpozen (EHRM 25 oktober 1989, Bezicheri t/ Italië, § 21; EVRM Abdulkhakov t/ Rusland, voormeld, § 213).

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft reeds geoordeeld dat een systeem van automatische periodieke herziening van de voorlopige hechtenis met een maximumtermijn van twee maanden tussen de herzieningen, verenigbaar was met art. 5.4 EVRM (EHRM 15 november 2005, Reinprecht t/ Oostenrijk, §§ 24 en 33; Abdulkhakov t/ Rusland, voormeld, § 213).

B.64.2. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de tussenpozen, waardoor wordt voldaan aan het vereiste van een beslissing «op korte termijn» zoals bedoeld in het voormelde art. 5.4, dient rekening te worden gehouden met de verschillende procedurebepalingen en termijnen zoals die zijn bepaald in het interne recht (EHRM 21 april 2009, Raducu t/ Roemenië, § 82).

Krachtens art. 22, eerste en tweede lid, van de wet van 20 juli 1990, zoals vervangen bij het bestreden art. 128, zijn de eerste en de tweede beslissing van de raadkamer, en in voorkomend geval van de kamer van inbeschuldigingstelling in hoger beroep, strekkende tot handhaving van de voorlopige hechtenis, geldig voor één maand. Het is pas vanaf de derde beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis dat die beslissing een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden oplevert. De wetgever vermocht daarbij rekening te houden met de vaststelling dat enkel voor de meest ernstige misdrijven de voorlopige hechtenis langer duurt dan twee maanden en vijf dagen, zodat de handhavingstermijn van twee maanden in de praktijk slechts in die gevallen wordt toegepast (zie: Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/005, p. 59).

In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 6493 ter zake aanvoert dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens strengere voorwaarden inzake de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis stelt naarmate de hechtenis langer duurt, dient te worden vastgesteld dat die voorwaarden de motivering van de voorlopige hechtenis betreffen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt aldus dat de in art. 5.1, c), EVRM opgesomde gronden ter rechtvaardiging van de voorlopige hechtenis na verloop van tijd hun relevantie verliezen en dat de gerechtelijke overheden nog meer specifieke gronden dienen aan te voeren om het voortduren van de voorlopige hechtenis te rechtvaardigen (EHRM 16 maart 2010, Jiga t/ Roemenië, § 76). De bestreden bepalingen, die enkel de termijn van de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis verlengen naarmate de hechtenis langer duurt, doen geen afbreuk aan die bijzondere motiveringsplicht voor de onderzoeksgerechten, die onverkort blijft gelden.

Op grond van art. 25 van de wet van 20 juli 1990 kan de onderzoeksrechter op elk ogenblik van het onderzoek, ambtshalve dan wel op verzoek van de procureur des Konings, beslissen om het bevel tot aanhouding op te heffen, zonder dat tegen die beslissing een rechtsmiddel openstaat. Aldus kan de onderzoeksrechter, indien er zich in de periode tussen de automatische herzieningen van de voorlopige hechtenis nieuwe elementen voordoen die een invloed hebben op de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis, die elementen beoordelen en in voorkomend geval de invrijheidstelling van de betrokkene bevelen.

B.64.3. Rekening houdend met die omstandigheden en met de voormelde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, kan niet worden besloten dat de bestreden bepalingen, die vanaf de derde beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis voorzien in een handhavingstermijn van twee maanden, zonder dat de inverdenkinggestelde over de mogelijkheid beschikt om een tussentijds verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen, onredelijk zouden zijn in het licht van art. 5.4 EVRM. Het komt de bevoegde rechter toe, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en meer bepaald de complexiteit ervan, met het gedrag van de rechtszoekende en de houding van de bevoegde overheden, na te gaan of in een bepaalde zaak de «korte termijn» zoals bedoeld in het voormelde art. 5.4 niet is overschreden.

B.64.4. Ter ondersteuning van haar middel verwijst de verzoekende partij in de zaak nr. 6493 nog naar regel 17(2) van de Aanbeveling REC(2006)13 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 27 september 2006 aan de lidstaten «betreffende de voorlopige hechtenis, de voorwaarden waarin zij wordt uitgevoerd en de invoering van waarborgen tegen misbruik», dat bepaalt: «De tijd tussen de nieuwe onderzoeken mag in principe niet meer dan een maand bedragen, tenzij de betrokkene beschikt over het recht om, op elk ogenblik, een aanvraag tot invrijheidstelling in te dienen en te laten onderzoeken.»

Voorts verwijst zij naar principe 32.1 van de Resolutie A/RES/43/173 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1988 «houdende het geheel van principes ter bescherming van alle personen onderworpen aan enige vorm van hechtenis of gevangenschap», dat bepaalt: «De gedetineerde of zijn raadsman zal het recht hebben om, overeenkomstig het intern recht, op elk ogenblik een beroep in te stellen voor een gerechtelijke of andere overheid teneinde de wettigheid van de detentiemaatregel te betwisten en zijn onmiddellijke invrijheidstelling te verkrijgen indien die maatregel onregelmatig is.»

Die aanbeveling en die resolutie hebben geen bindende kracht. Het niet-naleven van de daarin vervatte beginselen, ook al zouden zij worden gelezen in samenhang met de in het middel aangevoerde bepalingen, kan de vernietiging van de bestreden bepalingen dan ook niet verantwoorden.

B.65. De bestreden bepalingen doen bijgevolg geen afbreuk aan de artt. 10, 11 en 12 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 5 EVRM.

De combinatie met de andere in het middel aangevoerde verdragsbepalingen en beginselen leidt niet tot een ander resultaat.

B.66. De verzoekende partij in de zaak nr. 6493 voert tot slot een schending aan van de in art. 23 Gw. besloten standstill-verplichting, doordat het bestreden art. 128 van de wet van 5 februari 2016 afwijkt van de voorheen gewaarborgde maandelijkse controle op de voorlopige hechtenis, zonder dat dit zou kunnen worden verantwoord door redenen van algemeen belang.

B.67. Het middel voert een schending aan van de in art. 23 besloten standstill-verplichting, zonder te preciseren hoe de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang zou betekenen in de bescherming van de bij die bepaling gewaarborgde rechten, zodat de precisie vereist bij art. 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof ontbreekt om het Hof in staat te stellen daarover te oordelen.

B.68. De middelen die zijn gericht tegen de bestreden artt. 128, 129, 130 en 136 van de wet van 5 februari 2016, zijn niet gegrond.

Het cassatieberoep inzake de voorlopige hechtenis

B.69. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6492, 6496, 6497 en 6498 vorderen de vernietiging van de artt. 127 en 137 van de wet van 5 februari 2016, die de mogelijkheid beperken om inzake de voorlopige hechtenis cassatieberoep in te stellen. Zij voeren aan dat die bepalingen niet verenigbaar zijn met de artt. 10, 11, 12, 13 en 23 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 5 EVRM en met andere grondwets- en verdragsbepalingen en beginselen.

B.70. De grieven van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6496, 6497 en 6498 zijn uitsluitend gericht tegen het bestreden art. 137. Enkel de verzoekende partij in de zaak nr. 6493 zet grieven uiteen tegen het bestreden art. 127, die soortgelijk zijn aan de grieven gericht tegen art. 137.

B.71.1. Het bestreden art. 137 van de wet van 5 februari 2016 wijzigt art. 31, § 2, van de wet van 20 juli 1990, dat, ten aanzien van de beslissingen waarmee de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, voorziet in een specifieke termijn voor het instellen van een cassatieberoep, alsook in een kortere termijn waarbinnen het Hof van Cassatie uitspraak moet doen.

Vóór de wijziging van het voormelde art. 31, § 2, bij art. 137 van de wet van 5 februari 2016, bepaalde art. 31 van de wet van 20 juli 1990:

Ǥ 1. De arresten en vonnissen waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, worden binnen vierentwintig uren aan de verdachte betekend in de vorm bepaald in artikel 18.

Ǥ 2. Tegen deze beslissingen kan cassatieberoep worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing aan verdachte wordt betekend.

Ǥ 3. Het dossier wordt binnen vierentwintig uren te rekenen van het instellen van het cassatieberoep aan de griffier van het Hof van Cassatie toegestuurd. Cassatiemiddelen kunnen worden voorgedragen, hetzij in de akte van voorziening, hetzij in een bij die gelegenheid neergelegd geschrift, hetzij in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen uiterlijk de vijfde dag na de datum van de voorziening.

«Het Hof van Cassatie beslist binnen vijftien dagen te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest niet gewezen is binnen die termijn.

Ǥ 4. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet de kamer van inbeschuldigingstelling waarnaar de zaak verwezen is, uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling niet gewezen is binnen die termijn.

«Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 30, §§ 3 en 4, mede van toepassing.

«Als het gerecht waarnaar de zaak verwezen is de voorlopige hechtenis handhaaft, geldt zijn beslissing als titel van hechtenis voor een maand te rekenen van de beslissing.

«§ 5. Als het cassatieberoep wordt verworpen, dient de raadkamer uitspraak te doen binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. Hij wordt in vrijheid gesteld als de beschikking van de raadkamer niet gewezen wordt binnen deze termijn.»

Het bestreden art. 137 beperkt de mogelijkheid van een «onmiddellijk» cassatieberoep tot de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling die in hoger beroep worden gewezen tegen de eerste beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, genomen door de raadkamer op grond van art. 21, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990. De andere beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis, namelijk de arresten die in hoger beroep worden gewezen tegen de navolgende beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis gewezen door de raadkamer op grond van art. 22 van de wet van 20 juli 1990, kunnen daarentegen niet meer het voorwerp uitmaken van een «onmiddellijk» cassatieberoep.

Art. 31, § 2, van de wet van 20 juli 1990, zoals gewijzigd bij het bestreden art. 137, bepaalt aldus: «Tegen deze beslissingen [waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd] kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld behoudens tegen de arresten gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling op het beroep tegen de beslissingen bedoeld in artikel 21, § 1, tweede lid, waartegen cassatieberoep kan worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing aan de verdachte wordt betekend.»

B.71.2. Het bestreden art. 127 wijzigt art. 20, § 6, van de wet van 20 juli 1990 om een einde te maken aan de mogelijkheid van een «onmiddellijk» cassatieberoep die voorheen bestond tegen de beslissingen met betrekking tot de maatregelen inzake het gescheiden houden van de verdachte of inzake het elektronisch toezicht, beslist in het kader van de tenuitvoerlegging van het bevel tot aanhouding.

Vóór de wijziging ervan bepaalde art. 20, § 6, van de wet van 20 juli 1990:

«De verdachte kan bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis een verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de door de onderzoeksrechter krachtens § 3 en § 3bis opgelegde maatregelen bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis. Het verzoekschrift wordt bij het dossier van de voorlopige hechtenis gevoegd.

«De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 21 tot 24. Hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld overeenkomstig artikel 30 en cassatieberoep overeenkomstig artikel 31.»

Zoals gewijzigd bij het bestreden art. 127, bepaalt art. 20, § 6:

«De verdachte kan bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis een verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de door de onderzoeksrechter krachtens § 3 en § 3bis opgelegde maatregelen bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis. Het verzoekschrift wordt bij het dossier van de voorlopige hechtenis gevoegd.

«De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 21 tot 24. Hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld overeenkomstig artikel 30. Tegen de beslissing in hoger beroep kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld.»

B.72.1. Ten aanzien van de beperking van de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen tegen de handhavingen van de voorlopige hechtenis, wordt in de parlementaire voorbereiding uiteengezet:

«Dit artikel strekt ertoe de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen in het kader van de voorlopige hechtenis te beperken. Deze maatregel kadert in de verdere rationalisering van de procedure en beoogt de opdrachten van het Hof verder te beperken tot haar «core business», namelijk het onderzoek van eindarresten of eindvonnissen.

«De mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis is een afwijking van de algemene regel volgens welke dat rechtsmiddel slechts kan worden ingesteld na de eindbeslissing van de feitenrechter (art. 416 Sv.). Die uitzondering werd pas in 1990 ingevoerd. Er wordt voorgesteld ze niet te schrappen maar wel te beperken.

«De zaken in het kader van de voorlopige hechteniswet betreffen geen eindarresten of eindvonnissen. De zware procedure en de omvang van het aantal cassatiezaken in voorlopige hechtenis betekenen bovendien een zware belasting voor de werkzaamheden van het Hof. Uit de cijfers van het Hof blijkt daarenboven ook dat slechts in een beperkt aantal gevallen beslist wordt tot cassatie. Zo sprak de kamer voor strafzaken van het Hof in 2014 1921 (N + F) arresten uit; 240 (162 N + 78 F) daarvan betroffen zaken inzake de voorlopige hechtenis, en in deze laatste besliste het hof slechts in 15 gevallen (9 N + 6 F) tot vernietiging; 94% van de beroepen hebben dus geen cassatie tot gevolg gehad. En niet elke verbreking heeft noodzakelijkerwijs een vrijlating door de kamer waarnaar de zaak wordt verwezen tot gevolg.

«De door de wetgever in 1990 ingevoerde mogelijkheid tot cassatieberoep blijkt dus in de praktijk zeer weinig meerwaarde te bieden. Dit gegeven, samen met de optie om de werkzaamheden van het Hof van Cassatie te centreren rond zijn «core business» leiden aldus tot de vaststelling dat het cassatieberoep in het kader van de voorlopige hechtenis tenminste kan worden beperkt.

«Het cassatieberoep blijft mogelijk inzake voorlopige hechtenis, maar kan enkel worden ingesteld tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling om de voorlopige hechtenis te handhaven, in het kader van het hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer gegeven binnen vijf dagen na het aanhoudingsbevel.

«Het controleren van de wettigheid daarvan blijkt immers belangrijker dan het controleren van de wettigheid van de latere beslissingen tot verlenging van de voorlopige hechtenis. Het is immers bij die eerste bevestiging dat de wettigheid en de regelmatigheid van het aanhoudingsmandaat worden nagegaan. Tijdens de volgende verschijningen is de raadkamer niet meer gemachtigd om tot dat onderzoek over te gaan, aangezien haar controle dan beperkt is tot de persistentie van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde en de noodzaak om hem in voorlopige hechtenis te houden, gelet op de wettelijke criteria of de uitvoeringsmodaliteit ervan te wijzigen (art. 22, zesde lid).

«Voor het overige blijft het cassatieberoep mogelijk na de eindbeslissing ten gronde, volgens het gemene recht. Aangezien de voorlopige hechtenis zal ondergaan zijn, zal het praktische nut van een cassatieberoep weliswaar kleiner zijn (behalve mogelijkheid tot vergoeding), maar zo zal het Hof van Cassatie zijn taak behouden om de rechtspraak ervan inzake voorlopige hechtenis te verduidelijken en de schendingen van de wet te censureren. Er bestaat dan ook geen reden om te denken dat de rechtscolleges in de toekomst minder aandacht ervoor zullen hebben om hun beslissingen van verlenging van de voorlopige hechtenis op adequate wijze te motiveren.

«Ten slotte lijkt die onmiddellijke controle van het Hof zich des te minder op te dringen daar de onderzoeksrechter de mogelijkheid heeft om te allen tijde, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, het bevel tot aanhouding op te heffen, zulks zonder enig rechtsmiddel (art. 25 van de wet van 20 juli 1990 «betreffende de voorlopige hechtenis»). Zelfs zonder mogelijkheid van cassatieberoep bestaat dus reeds een drievoudige controle van de voorlopige hechtenis door verschillende rechters: de onderzoeksrechter, de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat verklaart het zeer geringe aantal vernietigingen (15 in 2014 op 11.660 opsluitingen op basis van een aanhoudingsbevel, d.i. nauwelijks meer dan één op duizend)» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 127-128).

B.72.2. Ten aanzien van de opheffing van het cassatieberoep tegen de beslissingen m.b.t. de beperking van het «vrije verkeer» in het kader van de voorlopige hechtenis, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld: «Dit artikel heft de mogelijkheid op van het cassatieberoep tegen de beslissingen inzake de beperkingen van het «vrije verkeer» in het kader van de voorlopige hechtenis. Om redenen die leiden tot de beperking van de mogelijkheid tot cassatieberoep tegen beslissingen tot handhaving en tegen beslissingen tot afwijzing van de verzoeken tot invrijheidsstelling, moet deze mogelijkheid hier worden opgeheven (voor de volledige toelichting, zie infra commentaar van art. 138)» (ibid., p. 119-120).

B.72.3. In verband met het ontworpen artikel dat het bestreden art. 137 is geworden, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State de volgende opmerkingen geformuleerd:

«Op zich vloeit uit art. 5, vierde lid EVRM niet voort dat onmiddellijk cassatieberoep dient open te staan tegen beslissingen inzake voorlopige hechtenis. Die bepaling houdt zelfs geen recht op hoger beroep in tegen rechterlijke beslissingen waarbij de vrijheidsberoving werd bevolen of voortgezet. In het arrest over de zaak Jecius tegen Litouwen heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in dit verband als volgt geoordeeld:

«L’article 5 § 4 ne garantit aucun droit, en tant que tel, à un recours contre les décisions ordonnant ou prolongeant une détention, puisque la disposition en question comporte en anglais le terme de «proceedings» et non celui d» appeal «. En principe, l’article 5 § 4 se contente de l’intervention d’un organe unique, à condition que la procédure suivie ait un caractère judiciaire et donne à l’individu en cause des garanties adaptées à la nature de la privation de liberté dont il s’agit (voir, mutatis mutandis, l’arrêt De Wilde, Ooms et Versyp c. Belgique du 18 juin 1971, série A no 12, p. 40-41, § 76).»

«Ten gevolge van de ontworpen bepaling wordt evenwel een onderscheid in behandeling ingesteld tussen personen die cassatieberoep aantekenen tegen arresten inzake voorlopige hechtenis al naargelang het gaat om een eerste beslissing tot handhaving (onmiddellijk nadat de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding heeft uitgevaardigd) dan wel om de verdere verlenging van de aanhouding. Volgens de memorie van toelichting zou de controle die wordt uitgeoefend ten gevolge van de aanwending van het eerstgenoemde cassatieberoep «belangrijker [zijn] dan het controleren van de wettelijkheid van de latere beslissingen tot verlenging van de voorlopige hechtenis». Vraag is of deze summiere verantwoording kan volstaan, mede gelet op het oordeel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de gronden van de voorlopige hechtenis strikter moeten worden gecontroleerd met het verstrijken van de tijd. Ook rijst de vraag of de vaststelling dat slechts een gering deel van de betrokken cassatieberoepen slagen, een afdoende verantwoording voor het gemaakte onderscheid kan bieden, nu er minder ingrijpende middelen bestaan of kunnen worden ingevoerd om procesmisbruik te vermijden.

«De stellers van het ontwerp dienen zich, gelet op wat voorafgaat opnieuw te beraden over de vraag of er een afdoende verantwoording bestaat voor de ontworpen inperking van het cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis. In ieder geval verdient het aanbeveling, zo art. 135 van het ontwerp behouden blijft, op een meer omstandige wijze in te gaan op die verantwoording» (ibid., p. 281-282).

B.73.1. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden art. 137 van de wet van 5 februari 2016 afbreuk doet aan de artt. 10 en 11 Gw., in zoverre het een verschil in behandeling instelt tussen de personen die het voorwerp uitmaken van een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling tot handhaving van de voorlopige hechtenis, naargelang het een eerste dan wel een navolgende beslissing tot handhaving betreft. Enkel in het eerstgenoemde geval staat een «onmiddellijk» cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling open.

B.73.2. Zoals in overweging B.61 is vermeld, nopen de artt. 10 en 11 Gw. tot een vergelijking van de situatie van twee verschillende categorieën van personen en niet van de situatie van eenzelfde persoon in opeenvolgende fasen van eenzelfde procedure.

Het feit dat eenzelfde persoon verschillend wordt behandeld, wat de mogelijkheid om een onmiddellijk cassatieberoep in te stellen betreft, naargelang het om een eerste dan wel om een navolgende beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis gaat, kan op zich geen schending van de artt. 10 en 11 Gw. uitmaken.

B.74. De verzoekende partijen voeren voorts de schending aan door het bestreden art. 137 van de artt. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 5 EVRM, in zoverre de personen die het voorwerp uitmaken van een tweede of navolgende beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis geen onmiddellijk cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, terwijl de personen die het voorwerp uitmaken van een beslissing vermeld in art. 420, tweede lid Sv. of die het voorwerp uitmaken van een eindarrest of eindvonnis, daartegen wel een «onmiddellijk» cassatieberoep kunnen instellen.

B.75.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.75.2. Er zij te dezen aan herinnerd, zoals in overweging B.63.2 is vermeld, dat, gelet op het fundamentele belang van de habeas corpus, alle beperkingen van de individuele vrijheid restrictief dienen te worden geïnterpreteerd en hun grondwettigheid met de grootste omzichtigheid dient te worden onderzocht.

B.75.3. Uit art. 5.4 EVRM, dat voor eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, het recht waarborgt om een voorziening te vragen bij de rechter, vloeit geen recht voort op een rechtsmiddel tegen de rechterlijke beslissingen waarbij een aanhouding wordt bevolen of verlengd. Op grond van art. 5.4 EVRM volstaat het optreden van één rechtsinstantie, op voorwaarde dat de gevolgde procedure een gerechtelijk karakter heeft en aan de betrokken persoon waarborgen biedt die aangepast zijn aan de aard van de betrokken vrijheidsberoving (EHRM 18 juni 1971, De Wilde, Ooms en Versyp t/ België, § 76; EVRM 31 juli 2000, Jecius t/ Litouwen, § 100).

Tot die waarborgen behoort het vereiste van een motivering van de voorlopige hechtenis die rekening houdt met het tijdsverloop, waarbij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat het gevaar dat een voorlopige hechtenis kan verantwoorden «noodzakelijkerwijs afneemt met de tijd en dat de gerechtelijke overheden bijgevolg nog meer specifieke motiveringen moeten voorleggen om de instandhouding van de redenen van de hechtenis te verantwoorden» (EHRM 16 maart 2010, Jiga t/ Roemenië, § 76; EHRM 15 maart 2011, Begu t/ Roemenië, § 84), waarbij de hechtenis enkel nog «legitiem is indien de openbare orde daadwerkelijk bedreigd blijft» (EHRM 23 september 1998, I.A. t/ Frankrijk, § 104).

B.76.1. Zoals die is geregeld in de wet van 20 juli 1990, is de voorlopige hechtenis een uitzonderlijke maatregel (Parl.St. Senaat 1988-89, nr. 658/2, p. 6, 8 en 18), die met redenen dient te worden omkleed en alleen kan worden verantwoord in geval van «volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid». Die maatregel strekt ertoe «tegelijkertijd rekening [te houden] met de fundamentele rechten van het individu en met de noden van de samenleving» (Parl.St. Senaat, 1988-89, nr. 658/1, p. 1; Parl.St. Senaat, 1988-89, nr. 658/2, p. 4).

Over de handhaving van de voorlopige hechtenis wordt beslist, in eerste aanleg, door de raadkamer en, in hoger beroep, door de kamer van inbeschuldigingstelling. De procedure heeft onbetwistbaar een gerechtelijk karakter. De onderzoeksgerechten oordelen over de handhaving van maand tot maand en, vanaf de derde beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, om de twee maanden.

De beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis dient door het onderzoeksgerecht met redenen te worden omkleed «overeenkomstig art. 16, § 5, eerste en tweede lid» van de wet van 20 juli 1990, met name in het licht van de «volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid».

B.76.2. Het bestreden art. 137 heeft tot gevolg dat een «onmiddellijk» cassatieberoep uitsluitend open staat tegen de arresten die worden gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling op het hoger beroep ingesteld tegen de eerste beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis. Tegen de andere beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis, en met name vanaf de tweede beslissing tot handhaving, kan geen enkel «onmiddellijk» cassatieberoep meer worden ingesteld.

Uit de in overweging B.72.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat die opheffing van een «onmiddellijk» cassatieberoep is verantwoord door het feit dat, inzake de voorlopige hechtenis, 94% van de beroepen geen cassatie tot gevolg heeft gehad (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 127), alsook door het feit dat «het controleren van de wettigheid [van de eerste beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis] immers belangrijker [blijkt] dan het controleren van de wettigheid van de latere beslissingen tot verlenging van de voorlopige hechtenis. Het is immers bij die eerste bevestiging dat de wettigheid en de regelmatigheid van het aanhoudingsbevel worden nagegaan. Tijdens de volgende verschijningen is de raadkamer niet meer gemachtigd om tot dat onderzoek over te gaan, aangezien haar controle dan beperkt is tot de persistentie van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde en de noodzaak om hem in voorlopige hechtenis te houden, gelet op de wettelijke criteria of de uitvoeringsmodaliteit ervan te wijzigen» (ibid., p. 128; zie eveneens: Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/005, p. 24).

Er dient te worden nagegaan of die dubbele verantwoording, in het licht van de beperking van de individuele vrijheid die een beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis met zich meebrengt, kan verantwoorden dat een cassatieberoep aldus wordt opgeheven.

B.77.1. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 1990, die het cassatieberoep inzake de voorlopige hechtenis uitdrukkelijk heeft geregeld, wordt de ratio legis van een specifieke regeling van cassatieberoep in die materie uiteengezet:

«Zonder enige wettekst aanvaardt de rechtspraak dat cassatieberoep tegen arresten van bevestiging van het bevel tot aanhouding of van handhaving van de voorlopige hechtenis ontvankelijk is. Aangezien er geen specifieke wettelijke regeling bestaat, verloopt de cassatieprocedure op de gewone wijze. Er is geen enkele termijn bepaald waarbinnen het Hof uitspraak moet doen, zoals er geen enkele termijn is bepaald voor de uitspraak door de verwijzingsrechter. Er is evenmin sprake van enige schorsende werking van het cassatieberoep. Dit mondt noodzakelijk uit in het gekende systeem van de dubbele of parallelle procedure betreffende een en dezelfde voorlopige hechtenis; terwijl de cassatieprocedure loopt en terwijl de zaak, na cassatie, bij een andere kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig is, loopt de gewone rechtspleging door met maandelijkse verschijning voor de raadkamer, eventueel gevolgd door een nieuw hoger beroep en een nieuw cassatieberoep, wat aanleiding geeft tot onnoemelijke complicaties.

«Er werd nu gestreefd naar een wettelijke regeling die ermee rekening houdt dat de zaken van voorlopige hechtenis een aparte behandeling verdienen wegens de uitzonderlijke hoogdringendheid van de voorgelegde betwisting.

«Hoofdbekommernis hierbij is het uitsluiten van de parallelle procedure. Daartoe werd een eerste stap gezet bij de regeling van het hoger beroep. Het systeem wordt nu afgewerkt in de cassatieprocedure. Aangezien de regeling het belang van een goede rechtsbedeling, dus het belang van alle betrokkenen, beoogt, wordt van alle betrokkenen een, overigens begrijpelijke, goede wil en inspanning gevraagd.

«Er is geen enkele reden waarom de verdachte over vijftien vrije dagen dient te beschikken om zich in cassatie te voorzien en niet eenvoudig over 24 uur, wat de termijn is voor het instellen van het hoger beroep. Voor het Hof van Cassatie en eventueel nadien voor de verwijzingsrechter, zullen uitzonderlijk strikte termijnen gelden, zonder welke een autonoom systeem van cassatieprocedure in deze materie niet zou mogelijk zijn» (Parl.St. Senaat 1988-89, nr. 658/1, p. 17-18).

In het verslag wordt eveneens vermeld: «Het cassatieberoep doet thans eveneens problemen rijzen. Wegens de lange termijnen die gelden voor het cassatieberoep en voor het wijzen van arresten, wordt men in de praktijk vaak geconfronteerd met dubbele procedures: er loopt een procedure bij het Hof van Cassatie, terwijl er ook een procedure aan de gang is bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Het cassatiearrest laat lang op zich wachten, wat er in feite op neerkomt dat het cassatieberoep weinig doeltreffend is. Het wetsontwerp voorziet dus in kortere termijnen voor de voorziening in cassatie en voor de uitspraak van de arresten. Die regel is zeer belangrijk, daar zij een effectieve controle van het Hof van Cassatie waarborgt» (Parl.St. Senaat 1988-89, nr. 658/2, p. 14).

B.77.2. Uit die parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever, bij het regelen van het cassatieberoep inzake de voorlopige hechtenis, de doeltreffendheid van de toetsing door het Hof van Cassatie wilde waarborgen in een materie die intrinsiek «hoogdringend» werd geacht, waarbij werd voorzien in kortere termijnen voor het instellen van het beroep en voor de uitspraak van het arrest, zonder zich evenwel te bekommeren om het «onmiddellijke» karakter van het cassatieberoep.

De waarborg van een arrest dat snel wordt gewezen door het Hof van Cassatie inzake de voorlopige hechtenis werd dus beschouwd als een voorwaarde voor de doeltreffendheid van het cassatieberoep.

B.77.3. Niets laat toe aan te nemen dat die overwegingen in verband met de doeltreffendheid van het cassatieberoep vandaag niet meer gelden.

Enerzijds is het verkeerd ervan uit te gaan, zoals in de hiervoor aangehaalde parlementaire voorbereiding wordt gedaan, dat de controle van de wettigheid en van de naleving van de wezenlijke vormvereisten minder cruciaal zou zijn voor de navolgende beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis. Zoals in overweging B.75.3 is vermeld, blijven die beslissingen immers onderworpen aan een verplichte motivering en die verplichting is zelfs strikter in het licht van het tijdsverloop, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld.

Anderzijds dient de doeltreffendheid van een cassatieberoep te worden benaderd in het licht van de doelstellingen ervan en van de waarborgen die het aan de rechtzoekende biedt, in het bijzonder ten aanzien van een vrijheidsberovende maatregel, en niet ten aanzien van het statistische aantal vernietigingen waartoe het zou kunnen leiden.

B.77.4. Bovendien heeft de bestreden maatregel onevenredige gevolgen in het licht van het fundamenteel recht op de individuele vrijheid waarop elke beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis gebaseerd is. Immers, hoewel art. 5.4 EVRM geen enkel recht doet ontstaan op een beroep tegen de jurisdictionele beslissingen die ertoe strekken een aanhouding te bevelen of te verlengen, zodat de wetgever er niet toe gehouden is te voorzien in een cassatieberoep tegen een beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, vormt een controle van de wettigheid van die beslissingen, en met name van de inachtneming van de verplichting van een bijzondere motivering waartoe de onderzoeksgerechten gehouden zijn, op dat gebied niettemin een essentiële waarborg, wat de wetgever heeft bevestigd bij de wet van 20 juli 1990 en wat hij opnieuw heeft bevestigd door, bij het bestreden art. 137, een cassatieberoep te behouden ten aanzien van de eerste beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis.

De mogelijkheid, waarnaar in de parlementaire voorbereiding wordt verwezen, om cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, zelfs na de eindbeslissing ten gronde, overeenkomstig de algemene regel vervat in art. 420, eerste lid Sv. (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 128), kan – in de veronderstelling dat die algemene regel te dezen van toepassing kan zijn – de maatregel niet evenredig maken, aangezien, zoals in de in overweging B.77.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding wordt aangegeven, de doeltreffendheid van een cassatieberoep inzake de voorlopige hechtenis veronderstelt dat het arrest van het Hof van Cassatie snel wordt gewezen.

B.77.5. De opheffing van het cassatieberoep voor de andere beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis dan die van de kamer van inbeschuldigingstelling die in hoger beroep worden gewezen tegen de eerste beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, is dus niet redelijk verantwoord.

B.77.6. In de mate waarin de middelen zijn afgeleid uit de schending van de artt. 10, 11 en 12 Gw., zijn zij gegrond, in zoverre zij zijn gericht tegen het bestreden art. 137 van de wet van 5 februari 2016.

De andere grieven dienen niet te worden onderzocht, daar zij niet kunnen leiden tot een ruimere vernietiging.

B.78. De verzoekende partijen voeren dezelfde of soortgelijke grieven aan tegen art. 127 van de wet van 5 februari 2016, dat het onmiddellijk cassatieberoep opheft tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van bezoek, briefwisseling of telefoongesprekken, of tot invoering van een elektronisch toezicht ten aanzien van een persoon in voorlopige hechtenis.

Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in overwegingen B.72 tot B.77, zijn de middelen gegrond in zoverre zij zijn gericht tegen het bestreden art. 127 van de wet van 5 februari 2016.

B.79. Het risico bestaat dat een vernietiging zonder meer van de artt. 127 en 137 van de wet van 5 februari 2016 rechtsonzekerheid zou doen ontstaan ten aanzien van de beslissingen inzake voorlopige hechtenis waartegen een cassatieberoep had kunnen worden ingesteld bij ontstentenis van die bepalingen. Met toepassing van art. 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dienen de gevolgen van de vernietigde bepalingen derhalve te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum.

De voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht (art. 132, 1o, van de bestreden wet)

B.80.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6494 leidt een tweede middel af uit de schending van de artt. 10 en 11 Gw. door art. 132, 1o, van de wet van 5 februari 2016, dat art. 26, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis aanvult met een lid dat luidt: «Indien de verdachte in hechtenis onder elektronisch toezicht staat, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beslissing de hechtenis onder elektronisch toezicht handhaven.»

B.80.2. Art. 26, § 3, maakt deel uit van hoofdstuk VI van titel I van de voormelde wet van 20 juli 1990, dat betrekking heeft op de weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen. In het stadium van de regeling van de rechtspleging beslist de raadkamer, wanneer zij de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht verwijst wegens een feit waarop een gevangenisstraf staat waarvan de duur langer is dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, ofwel hem in vrijheid te stellen, eventueel onder voorwaarden, ofwel hem verder aan te houden.

B.80.3. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepaling dat zij de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat te beslissen om een inverdenkinggestelde die zich tot dan in voorlopige hechtenis in een strafinrichting bevond, onder elektronisch toezicht te plaatsen, terwijl zij in dat stadium kan beslissen de inverdenkinggestelde die reeds in voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht staat, onder elektronisch toezicht te houden. De bestreden bepaling zou aldus een met de art. 10 en 11 Gw. strijdig verschil in behandeling invoeren onder inverdenkinggestelden, naargelang van de modaliteiten voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis die op hen van toepassing zijn op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging.

B.81.1. Krachtens art. 16, § 1, van de wet van 20 juli 1990 beslist de onderzoeksrechter die een aanhoudingsbevel verleent of dat bevel moet worden uitgevoerd in een gevangenis of door een hechtenis onder elektronisch toezicht. Die laatste vormt dus een modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis. De hechtenis onder elektronisch toezicht impliceert de voortdurende aanwezigheid van de inverdenkinggestelde op een bepaald adres, met uitzondering van de toegestane verplaatsingen.

B.81.2. Krachtens de artt. 21 en 22 van dezelfde wet kan de raadkamer, telkens als zij uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis, de modaliteiten ervan wijzigen, zodat zij kan beslissen dat een inverdenkinggestelde die de voorlopige hechtenis in een strafinrichting uitvoert, onder elektronisch toezicht dient te worden geplaatst of omgekeerd. Wanneer zij daarentegen uitspraak doet in het stadium van de regeling van de rechtspleging, kan de raadkamer, luidens de bestreden bepaling, niet beslissen dat een inverdenkinggestelde in voorlopige hechtenis in een strafinrichting voortaan in voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht wordt geplaatst.

B.82.1. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp blijkt dat de wetgever met die bepaling wilde «[tegemoetkomen] aan de onduidelijkheid in de wetgeving inzake de weerslag van de regeling van de rechtspleging op de hechtenis onder elektronisch toezicht» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 123). Het college van procureurs-generaal had immers, in zijn omzendbrief nr. 2/2014, de aandacht erop gevestigd dat de wetgever, op het ogenblik dat hij het elektronisch toezicht had ingevoerd als een modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis, het lot van die modaliteit bij de regeling van de rechtspleging niet had vastgelegd. Die lacune had tot gevolg dat de onderzoeksgerechten, ten aanzien van een inverdenkinggestelde die op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging onder elektronisch toezicht stond, niet wettig konden beslissen om die modaliteit van de voorlopige hechtenis te handhaven (ibid.). Het Hof van Cassatie heeft bij een arrest van 11 februari 2015 in die zin geoordeeld dat «wanneer het onderzoeksgerecht de verwijzing beveelt van een inverdenkinggestelde die zich in voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht bevond, [...] het niet anders kon dan een einde te maken aan die hechtenis of de inverdenkinggestelde vrij te laten onder voorwaarden met toepassing van art. 35 van [de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis]» (Cass. 11 februari 2015, Arr.Cass. 2015, nr. 102).

B.82.2. In de parlementaire voorbereiding m.b.t. de bestreden bepaling wordt gepreciseerd: «Voorliggend artikel stelt aldus voor om art. 26, § 3, van de wet voorlopige hechtenis in die zin aan te passen dat bij de regeling van de rechtspleging kan worden beslist om de hechtenis onder elektronisch toezicht te handhaven ingeval de betrokkene op dat moment in hechtenis onder elektronisch toezicht staat. Deze formulering maakt het mogelijk te vermijden dat de raadkamer op het ogenblik van de verwijzing zou beslissen om een niet aangehouden verdachte toch aan te houden en onder elektronisch toezicht te plaatsen, waardoor aldus een net-widening-effect zou kunnen ontstaan dat moet worden vermeden» (ibid., p. 124).

B.82.3. In haar advies had de afdeling wetgeving van de Raad van State de aandacht van de wetgever gevestigd op het feit dat de gekozen formulering de onderzoeksgerechten, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, het niet zou mogelijk maken een inverdenkinggestelde, tot dan in voorlopige hechtenis in een strafinrichting, de modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht te laten genieten: «De vraag rijst of in het ontworpen art. 26, § 3, tweede lid, [...] ook niet moet worden bepaald dat de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging kan beslissen om de persoon die aangehouden is, maar die niet onder elektronisch toezicht staat, voortaan onder elektronisch toezicht te plaatsen, zoals dat het geval is wanneer de raadkamer uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis» (ibid., p. 301).

B.83.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van de modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging. Een dergelijk criterium is objectief. Dat criterium is daarentegen niet relevant om te verantwoorden dat de onderzoeksgerechten in het stadium van de regeling van de rechtspleging niet kunnen beslissen een inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, onder elektronisch toezicht te plaatsen, terwijl zij in hetzelfde stadium kunnen beslissen die modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis te handhaven ten aanzien van een inverdenkinggestelde die reeds onder elektronisch toezicht staat, en zij eveneens kunnen beslissen de inverdenkinggestelde die tot dan in voorlopige hechtenis was, in voorkomend geval onder voorwaarden, in vrijheid te stellen. De onderzoeksgerechten zijn immers, bij de regeling van de rechtspleging, bevoegd om uitspraak te doen over het al dan niet handhaven van de voorlopige hechtenis in een strafinrichting of onder elektronisch toezicht en onderzoeken bijgevolg op dat ogenblik of het verantwoord is de betrokkene in voorlopige hechtenis te houden en onder welke modaliteiten dat gebeurt. Het is niet verantwoord dat zij, wanneer zij bij die gelegenheid vaststellen dat de inverdenkinggestelde voldoet aan de voorwaarden om het elektronisch toezicht te genieten, niet kunnen beslissen hem die modaliteit toe te kennen.

B.83.2. De maatregel heeft bovendien onevenredige gevolgen voor de inverdenkinggestelde die voldoet aan de voorwaarden om een maatregel van elektronisch toezicht in het stadium van de regeling van de rechtspleging te genieten en ten aanzien van wie de raadkamer alleen kan beslissen om de hechtenis in een strafinrichting te handhaven. Het gegeven dat die situatie slechts uitzonderlijk zou voorkomen, zoals de Ministerraad aanvoert, leidt er overigens niet toe de onevenredige gevolgen van het bestreden verschil in behandeling te verzachten voor de inverdenkinggestelden die zich in die situatie zouden bevinden.

B.84. Het middel is gegrond. Art. 132, 1o, van de wet van 5 februari 2016 dient te worden vernietigd in zoverre het de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat aan de inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, het voordeel van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht toe te kennen.

De strafuitvoeringsmodaliteiten voor de personen die niet over een verblijfsrecht beschikken

B.85.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6497 leiden een vierde middel af uit de schending van de artt. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM en met art. 22 Gw., door de artt. 148, 153 en 163 van de wet van 5 februari 2016, die nieuwe bepalingen invoegen in de wet van 17 mei 2006 «betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten».

B.85.2. Het bestreden artikel 148 voegt in de voormelde wet een nieuw art. 20 in, dat bepaalt: «De uitgaansvergunning als bedoeld in artikel 4, § 3, het penitentiair verlof en de onderbreking van de strafuitvoering worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.»

Het bestreden art. 153 voegt in de voormelde wet een nieuw art. 25/2 in, dat bepaalt: «De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.»

Het bestreden art. 163 vult art. 59 van de voormelde wet aan met twee nieuwe leden, die bepalen:

«Deze strafuitvoeringsmodaliteiten, met uitzondering van de in artikel 4, § 2, bedoelde uitgaansvergunning, worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.

«De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing.»

B.85.3. De verzoekende partijen verwijten die bepalingen de veroordeelden die niet zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf op het grondgebied op absolute wijze uit te sluiten van het voordeel van de meeste strafuitvoeringsmodaliteiten die de veroordeelden tot een vrijheidsstraf kunnen genieten. De bestreden bepalingen zouden aldus onder veroordeelden een onverantwoord verschil in behandeling invoeren naar gelang van hun verblijfsstatuut, waarbij de Belgen en de tot het verblijf in België toegelaten vreemdelingen aanspraak kunnen maken op de toekenning van die modaliteiten indien zij voldoen aan de wettelijke voorwaarden om die te genieten, terwijl de vreemdelingen die niet over een verblijfsrecht beschikken, daarop nooit aanspraak kunnen maken, zelfs indien zij voldoen aan alle andere voorwaarden om die te genieten.

B.86.1. De uitgaansvergunning bedoeld in art. 4, § 3, van de voormelde wet van 17 mei 2006 maakt het de veroordeelde mogelijk om, tijdens de twee jaren die voorafgaan aan de datum waarop de veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten, de gevangenis te verlaten voor een duur die niet langer mag zijn dan zestien uur teneinde zijn sociale re-integratie voor te bereiden. Het penitentiair verlof stelt de veroordeelde die zich bevindt in het jaar dat voorafgaat aan de datum waarop hij tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten, in staat de gevangenis driemaal zesendertig uur per trimester te verlaten teneinde zijn familiale, affectieve en sociale contacten in stand te houden en te bevorderen en zijn sociale re-integratie voor te bereiden (artt. 6 en 7 van dezelfde wet). De onderbreking van de strafuitvoering schorst de uitvoering van de straf voor een duur van maximum drie maanden, die kan worden hernieuwd; zij kan aan de veroordeelde worden toegekend om ernstige en uitzonderlijke redenen van familiale aard (art. 15 van dezelfde wet).

B.86.2. De beperkte detentie is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde de mogelijkheid biedt om op regelmatige wijze de strafinrichting te verlaten voor een duur van maximum zestien uur per dag. Zij kan worden toegekend om hem in staat te stellen professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen (art. 21 van dezelfde wet). Het elektronisch toezicht is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn vrijheidsstraf helemaal of gedeeltelijk buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd (art. 22 van dezelfde wet). Die twee wijzen van uitvoering van de straf kunnen door het strafuitvoeringsgerecht worden toegekend aan de veroordeelde die zich op zes maanden na in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling en die aan bepaalde voorwaarden voldoet (art. 23 van dezelfde wet). De voorwaardelijke invrijheidstelling is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf die kan worden toegekend aan de veroordeelde die reeds een bepaald deel van zijn straf heeft ondergaan en aan bepaalde voorwaarden voldoet, waarbij de veroordeelde zijn straf buiten de strafinrichting ondergaat, mits hij de voorwaarden naleeft die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.

B.86.3. Krachtens art. 59 van dezelfde wet kan het strafuitvoeringsgerecht, waarbij een procedure tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is, bij wijze van uitzondering een andere uitvoeringsmodaliteit toekennen dan die welke is gevraagd wanneer dat absoluut noodzakelijk is om op korte termijn de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen. Het kan aldus een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof, een beperkte detentie of een elektronisch toezicht toekennen.

B.87. Met toepassing van de bestreden bepalingen kunnen de veroordeelde vreemdelingen die niet tot het verblijf op het grondgebied zijn toegelaten of gemachtigd, de voormelde strafuitvoeringsmodaliteiten niet genieten. Zij kunnen daarentegen wel aanspraak maken op de uitgaansvergunning bedoeld in art. 4, § 2, van de wet van 17 mei 2006, die op elk moment van de detentieperiode kan worden toegekend voor een bepaalde duur van maximum zestien uur om ofwel sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele belangen te behartigen die hun aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen, ofwel een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de gevangenis te ondergaan.

B.88.1. In de memorie van toelichting wordt in verband met de bestreden bepalingen aangegeven: «Dit artikel beoogt te vermijden dat aan veroordeelden die illegaal zijn in het Rijk en dus niet in de vrije samenleving mogen vertoeven, toch een uitgaansvergunning, penitentiair verlof of onderbreking van de strafuitvoering zou toegekend worden. Deze modaliteiten zijn er bovendien op gericht om een reclassering in België voor te bereiden of uit te werken na de vrijstelling, wat voor die categorie van personen niet mogelijk is. Zij kunnen namelijk alleen vrijgesteld worden met het oog op verwijdering van het grondgebied. De wet omschrijft de categorie van die personen als veroordeelden waarvoor op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij niet toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk» (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 131). «Naar analogie met art. 147 [148 geworden] wordt de toekenning van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesloten voor veroordeelden van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij niet toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk» (ibid., p. 133). «Deze wijziging [van art. 163] beoogt te vermijden dat veroordeelden die geen recht hebben op verblijf in het Rijk, tijdens een overeenkomstig art. 59 door de strafuitvoeringsrechtbank toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, in de vrije samenleving zouden vertoeven» (ibid., p. 136).

B.88.2. De wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid om de in overweging B.87 bedoelde uitgaansvergunning toe te kennen aan de veroordeelde vreemdelingen die niet over een verblijfsrecht beschikken, in antwoord op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, die had opgemerkt: «Die doelstelling [bestaande in het vermijden dat illegaal verblijvende personen zich op het grondgebied bevinden] kan de voorgestelde wijzigingen evenwel niet verantwoorden. Zoals de beslissing betreffende de detentie zelf, is de beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit immers niet te beschouwen als een beslissing over het verblijfsstatuut of als een beslissing die zulks impliceert en heeft deze dus niet tot gevolg dat de betrokkene wettig in het land zou verblijven. [...]. Zelfs al kan de onregelmatige verblijfssituatie van de betrokkene relevant zijn bij het toekennen van bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten, kan worden betwijfeld of dit in elk geval en voor elke strafuitvoeringsmodaliteit zo is. [...]. Gelet op wat voorafgaat moet beter worden verantwoord, voor elk type van strafuitvoeringsmodaliteit afzonderlijk, waarom een verschillende behandeling pertinent en proportioneel is in het licht van het beoogde doel en waarom het noodzakelijk is om een absolute onmogelijkheid tot het toekennen van strafuitvoeringsmodaliteiten te creëren» (ibid., pp. 283-284).

B.89. Het door de bestreden bepalingen vastgestelde verschil in behandeling berust op het administratieve verblijfsstatuut van de veroordeelde persoon. De vreemdelingen van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij niet of niet meer beschikken over een wettelijk verblijfsrecht in België, kunnen, in tegenstelling tot de Belgen en de vreemdelingen die legaal op het grondgebied verblijven, geen enkele bij de wet van 17 mei 2006 bepaalde strafuitvoeringsmodaliteit verkrijgen, behalve de in overweging B.87 bedoelde uitgaansvergunning.

Dat criterium van onderscheid is objectief en het maakt het mogelijk om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken, namelijk niet toelaten dat personen die niet over een regelmatige machtiging tot verblijf beschikken, zich op het grondgebied verplaatsen buiten de strafinrichting waarin zij de straf waartoe zij zijn veroordeeld ondergaan.

Het Hof moet echter nog nagaan of de maatregel die erin bestaat een hele categorie van veroordeelden a priori en zonder individueel onderzoek uit te sluiten van het voordeel van de in overweging B.86 vermelde strafuitvoeringsmodaliteiten, redelijk evenredig is met het nagestreefde doel, rekening houdend met de redenen waarom de betrokken strafuitvoeringsmodaliteiten zijn ingevoerd.

B.90.1. De strafuitvoeringsmodaliteiten waarop de bestreden bepalingen betrekking hebben, strekken ertoe de sociale re-integratie van de veroordeelde te bevorderen, hem in staat te stellen om, gedurende de periode van zijn detentie, familiale, affectieve en sociale contacten in stand te houden of hem in staat te stellen het hoofd te bieden aan een ernstige en uitzonderlijke situatie van familiale aard.

De toekenning van die modaliteiten is nooit automatisch en vindt slechts plaats nadat de bevoegde overheid, naargelang van het geval, zorgvuldig het realistische en doenbare karakter van het voorgelegde reclasseringsplan heeft beoordeeld, alsook de eventuele tegenaanwijzingen die meer bepaald verband houden met het risico van herhaling, met het risico dat de veroordeelde aan de slachtoffers overlast bezorgt en met het risico dat hij zich aan de uitvoering van zijn straf onttrekt. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen hielden de bevoegde overheden, bij dat onderzoek, rekening met de specifieke verblijfssituatie van de buitenlandse aanvragers in het licht van zowel de mogelijkheden tot re-integratie als het risico van onttrekking aan de uitvoering van de straf.

De beslissingen om een strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, hebben betrekking op de uitvoering van de gevangenisstraf en wijzigen de aard en de duur van de door de rechter uitgesproken vrijheidsstraffen niet. De uitvoering van de straf loopt tijdens de toepassing van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit. Zij wijzigen evenmin het verblijfsstatuut van de veroordeelde vreemdeling.

B.90.2. De bestreden bepalingen sluiten alle vreemdelingen van wie de aanwezigheid op het grondgebied niet gedekt is door een machtiging tot verblijf op het ogenblik dat zij verzoeken om een in overweging B.86 vermelde strafuitvoeringsmodaliteit, uit van de mogelijkheid om die laatste aan te vragen en te verkrijgen, ongeacht de feiten die zij hebben begaan, de straf die tegen hen is uitgesproken, hun gedrag sinds hun opsluiting, de voorgeschiedenis van hun administratieve verblijfssituatie, hun familiebanden in België en de mogelijkheid tot verwijdering wat hen betreft. Door het absolute en automatische karakter ervan verhinderen zij dat de bevoegde overheid hun aanvraag onderzoekt om een maatregel te genieten die hen in staat stelt hun sociale re-integratie voor te bereiden of familiale, affectieve en sociale contacten in stand te houden.

B.90.3. Door de overheden die bevoegd zijn voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteiten niet toe te staan om te onderzoeken, in het licht van de concrete administratieve, familiale en sociale situatie van de buitenlandse aanvrager, of het gerechtvaardigd is hem de gevraagde modaliteit te weigeren om reden dat op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf op het grondgebied, heeft de wetgever een onevenredige maatregel genomen.

B.90.4. In voorkomend geval kan een maatregel tot verwijdering van de betrokkene overigens, indien aan de voorwaarden is voldaan, worden uitgevoerd door middel van de toekenning van een maatregel overeenkomstig de artt. 20/1 of 25/3 van de wet van 17 mei 2006. De toekenning van een door de bestreden bepalingen beoogde strafuitvoeringsmodaliteit belemmert in voorkomend geval de verwijdering van het grondgebied bijgevolg niet en belet de overheden dus ook niet om het beleid van hun keuze inzake de toegang tot het grondgebied te voeren.

B.91. Het door de bestreden bepalingen ingevoerde verschil in behandeling tussen de tot een vrijheidsstraf veroordeelde personen, op grond van hun verblijfsstatuut, is niet redelijk verantwoord en heeft onevenredige gevolgen ten aanzien van de aangevoerde grondrechten.

Het middel is in die mate gegrond. De artt. 148, 153 en 163 van de wet van 5 februari 2016 dienen te worden vernietigd. Deze vernietiging staat er niet aan in de weg dat de wetgever voor elke overwogen strafuitvoeringsmodaliteit oordeelt of het relevant is die uit te sluiten voor sommige categorieën van vreemdelingen die niet tot het verblijf gemachtigd zijn, met naleving van het evenredigheidsbeginsel.

De bevoegdheden die de parketjuristen mogen uitoefenen

B.92.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6494 leidt een derde middel af uit de schending, door art. 197 van de wet van 5 februari 2016, van de artt. 10, 11 en 12 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 151, § 1 Gw., met art. 6 EVRM en met art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.92.2. Het bestreden art. 197 vult art. 162, § 2 Ger.W. aan met vijf leden, die luiden:

«Bij een met redenen omklede individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal, kan de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie delen met de bij het parket-generaal, het auditoraat-generaal, het federaal parket, het parket of het arbeidsauditoraat aangewezen vastbenoemde parketjuristen, voor zover deze over een anciënniteit van ten minste twee jaar als jurist binnen de rechterlijke orde beschikken.

«De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft.

«Uitgesloten zijn:

– de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken;

– de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;

– het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.

«De bevoegdheden die enkel parketmagistraten die daartoe een bijzondere, door de wet voorgeschreven opleiding hebben gevolgd, kunnen uitoefenen, kunnen de parketjuristen enkel uitoefenen mits eenzelfde opleiding gevolgd te hebben.

«De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel jurist worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste anciënniteit. Deze toekenning van bevoegdheden kan op elk ogenblik door de korpschef worden ingetrokken. De parketjurist staat onder het gezag en toezicht van zijn korpschef en oefent de hem toegekende bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van een of meerdere magistraten.»

B.93.1. In het eerste onderdeel van dat middel verwijt de verzoekende partij de bestreden bepaling dat zij niet uitdrukkelijk alle bevoegdheden beoogt die de parketjuristen kunnen uitoefenen, wat in strijd zou zijn met het beginsel van de wettigheid van de strafvervolgingen gewaarborgd bij art. 12, tweede lid Gw.

B.93.2. Art. 12, tweede lid Gw. bepaalt: «Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.»

B.93.3. De in art. 12, tweede lid Gw. vermelde beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging zijn van toepassing op de hele rechtspleging, met inbegrip van de stadia van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

Het vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgt elke burger dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen.

B.94.1. Het voorontwerp van de bestreden bepaling verleende aan de minister van Justitie, op advies van het college van procureurs-generaal, delegatie om de bevoegdheden te bepalen waarvan de uitoefening door de korpschef kon worden toegewezen aan de parketjuristen, met uitzondering van het uitoefenen van de strafvordering voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en de correctionele rechtbanken en van de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis (Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54-1418/001, p. 234).

B.94.2. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in dat verband opgemerkt: «Wel kan het bepalen van de bevoegdheden die kunnen worden uitgeoefend door de parketmagistraten, niet worden overgelaten aan de minister bevoegd voor Justitie. [Er] moet [...] worden gewezen [op het feit] dat nu bepaalde bevoegdheden betrekking kunnen hebben op de «vorm van de vervolging» in de zin van art. 12, tweede lid Gw., krachtens het daarin opgenomen legaliteitsbeginsel vereist is dat de wetgever zelf de bevoegdheden vaststelt die in aanmerking komen voor uitoefening door parketjuristen» (ibid., p. 306).

B.94.3. In antwoord op die opmerking heeft de wetgever de delegatie aan de minister van Justitie weggelaten en beslist dat alle bevoegdheden van het openbaar ministerie, met uitzondering van die welke hij nauwkeurig heeft opgesomd, kunnen worden uitgeoefend door de parketjuristen die door de korpschef worden aangewezen. In de memorie van toelichting wordt voorts gepreciseerd: «In antwoord op deze opmerking van de Raad van State kan worden gesteld dat het niet de bedoeling is dat parketjuristen de strafvordering zouden uitoefenen of tot strafvervolging zouden overgaan, behalve voor de politierechtbank. Daarom wordt, overeenkomstig de opmerking van de Raad van State, de bevoegdheid van de parketjuristen om de strafvordering voor de politierechtbank uit te oefenen, expliciet in deze bepaling opgenomen. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de voor de misdrijven bepaald in art. 419, tweede lid Sw. (verkeersongevallen met dodelijke afloop)» (ibid., p. 147). «Evenwel is het niet mogelijk in de wet een exhaustieve opsomming op te nemen van alle mogelijke taken van een parketjurist met deze bijzondere bevoegdheid. Het betreft immers niet alleen alle handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering overeenkomstig art. 28bis, § 1 Sv., doch ook, bijvoorbeeld, de inwinning van informatie met het oog op herstel in eer en rechten overeenkomstig art. 621 e.v. Sv.» (ibid., p. 149).

B.95. Door te bepalen dat aan de parketjuristen die aan de anciënniteitsvoorwaarden voldoen «alle bevoegdheden van het openbaar ministerie» kunnen worden toegewezen, met uitzondering van bepaalde op limitatieve wijze opgesomde bevoegdheden, definieert het bestreden artikel de betrokken bevoegdheden op nauwkeurige en duidelijke wijze. Het is immers, bij het lezen van de bepaling, mogelijk na te gaan of de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid van het openbaar ministerie kan worden toegewezen aan een parketjurist die voldoet aan de daartoe vastgestelde voorwaarden, daar dit het geval is wanneer de betrokken bevoegdheid niet is opgenomen onder de opgesomde uitzonderingen.

B.96.1. In het tweede onderdeel van dat middel verwijt de verzoekende partij de bestreden bepaling twee fundamenteel verschillende categorieën van personen, namelijk de magistraten van het openbaar ministerie, enerzijds, en de parketjuristen, anderzijds, op dezelfde wijze te behandelen door hun dezelfde prerogatieven toe te vertrouwen, wat een schending zou inhouden van het recht op een eerlijk proces van de rechtzoekenden in zoverre afbreuk zou worden gedaan aan het beginsel van de onafhankelijkheid van de magistraten van het openbaar ministerie.

B.96.2. Art. 151, § 1, eerste lid Gw. bepaalt: «De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden. Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen.»

B.97. Met de bestreden bepaling wilde de wetgever «de werklast van parketmagistraten [...] verlichten» door de korpschef toe te laten hen te ontlasten van bepaalde bevoegdheden die door een parketjurist kunnen worden uitgeoefend, «uiteraard nog steeds onder zijn gezag en toezicht en onder de verantwoordelijkheid van een of meer magistraten». Voor de korpschef of voor de magistraten van het openbaar ministerie gaat het er niet om bevoegdheden te verliezen, maar wel deze te delen met de parketjuristen, zodat zij nog steeds «naast de parketjurist kunnen optreden» (ibid., p. 147).

B.98.1. Het is juist dat de magistraten en de parketjuristen op onderscheiden wijze worden aangeworven en dat zij een verschillend statuut hebben, met name inzake tucht, zodat de parketjuristen niet dezelfde waarborg van onafhankelijkheid als de magistraten van het openbaar ministerie vertonen.

B.98.2. Niettemin heeft de wetgever erover gewaakt dat het delen van de bevoegdheden van de magistraten van het openbaar ministerie met de parketjuristen gepaard gaat met waarborgen die kunnen verzekeren dat de uitoefening van de strafvordering en alle door het parket uitgevoerde taken verder op onafhankelijke wijze gebeurt. Aldus kan de bevoegdheid om de strafvordering uit te oefenen, nog steeds niet worden uitgeoefend door de parketjuristen, met uitzondering van de strafvordering voor de politierechtbanken, behalve voor de feiten bedoeld in art. 419, tweede lid Sw. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 «betreffende de voorlopige hechtenis» en zijn bevoegdheid met betrekking tot als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdgerechten. De toewijzing heeft overigens op een individuele basis plaats, rekening houdend met de persoonlijkheid, de kennis, de bevoegdheden, de ervaring en de opleiding van iedere parketjurist, en de toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend onder het gezag en het toezicht van de magistraten van het openbaar ministerie. Ten slotte kan de korpschef die bevoegdheidstoewijzing op elk ogenblik intrekken, zonder dat die intrekking moet worden beschouwd als een tuchtsanctie.

B.99. Hieruit vloeit voort dat de mogelijkheid, voor de korpschef, om de bevoegdheden van de magistraten van het openbaar ministerie toe te wijzen aan de parketjuristen, met uitzondering van de in de bestreden bepaling opgesomde taken, geen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie en derhalve aan het recht op een eerlijk proces van de rechtzoekenden.

B.100. Het middel dat is gericht tegen art. 197 van de wet van 5 februari 2016, is in geen enkel van de onderdelen ervan gegrond.

Om die redenen,

het Hof

1. vernietigt in de wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie»:

– de artt. 6 en 121 tot 123, alsmede de artt. 15, 17, 1o en 2o, 18, 1o en 2o, 19, 2o, 36, 151, 155 en 170, 2o;

– art. 63, 1o;

– de artt. 127 en 137;

– art. 132, 1o, in zoverre het de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat aan de inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, het voordeel van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht toe te kennen;

– de artt. 148, 153 en 163;

2. handhaaft de gevolgen van:

– de artt. 6, 15, 17, 1o en 2o, 18, 1o en 2o, 19, 2o, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2o, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;

– art. 63, 1o, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de huiszoekingen die zijn uitgevoerd vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;

– de artt. 127 en 137 van de wet van 5 februari 2016 tot de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;

3. verwerpt de beroepen voor het overige,

– onder voorbehoud van de in overwegingen B.39.2 en in B.39.3 vermelde interpretatie van art. 187, § 6 Sv., zoals vervangen bij art. 83 van de wet van 5 februari 2016;

– rekening houdend met wat in overwegingen B.44.4 en B.45 is vermeld inzake art. 204 Sv., zoals vervangen bij art. 89 van de wet van 5 februari 2016.

 

OMZENDBRIEF NR. 02/2018 VAN HET COLLEGE VAN PROCUREURS-GENERAAL BIJ DE HOVEN VAN BEROEP
Mijnheer de Procureur-generaal, Mijnheer de Federale Procureur, Mevrouw/Mijnheer de Procureur des Konings, Mevrouw/Mijnheer de Arbeidsauditeur,
BETREFT:"Flashrichtlijn" - Arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof n° 02/2018
Brussel, 18 januari 2018
De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, Voorzitter van het College van Procureurs-generaal,
Patrick VANDENBRUWAENE
De procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik,
Christian DE VALKENEER
De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent,
Erwin DERNICOURT
De procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel,
Johan DELMULLE
De procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen,
lgnacio de la SERNA
 
I INLEIDING
 
Tegen de wet van 5 februari 2016 (potpourriwet II) werden meerdere beroepen tot vernietiging ingesteld. Bij arrest van 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over 11 aspecten van bovenvermelde wet die door de verzoekers in strijd werden geacht met de Grondwet.
 
Het arrest werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatblad van 12 januari 2018 en heeft uitwerking vanaf die datum. In deze omzendbrief wordt stilgestaan bij de vernietigde bepalingen, de gevolgen daarvan vanaf de publicatie van het arrest in het Belgisch Staatsblad, en enkele interpretaties van het Grondwettelijk Hof.
 
De vernietiging van sommige bepalingen is gepaard gegaan met de vernietiging van daarmee onlosmakelijk samenhangende bepalingen waardoor het effect van het arrest veel ingrijpender is geworden. Ook dat aspect wordt belicht.
 
Il SAMENVATTING RICHTLIJNEN VAN HET OPENBAAR MINISTERIE - FLASHRICHTLIJN
 
1. Vernietiging van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden
 
De vernietiging van de artikelen 6, 121, 122, 123 van de wet van 5 februari 2016 heeft tot gevolg dat artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt hersteld in zijn vorige toestand, namelijk deze zoals vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013.
 
Vanaf de publicatie van het bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad dient bijgevolg opnieuw toepassing te worden gemaakt van de lijst correctionaliseerbare misdaden geldend voor de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016. Er wordt verwezen naar de omzendbrief COL 6/2010 herwerkte versie 28 november 2013 waarin deze lijst grondig wordt geanalyseerd bij de bespreking van de bevoegdheid van het hof van assisen. Deze omzendbrief herwint wat dit aspect betreft zijn volledige kracht vanaf 12 januari 2018, datum van publicatie van het bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk Hof.
 
Gelet op de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof op 12 januari 2018 kan geen verwuzmq of rechtstreekse dagvaarding met aanneming van verzachtende omstandigheden meer gevorderd of beslist worden met betrekking tot misdaden die krachtens voornoemde lijst tot de exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen behoren.
 
2. De strafmaat en de handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen
Het Grondwettelijk Hof vernietigt de volgende straffen welke bij artikel 6 van de wet van 5 februari 2016 in artikel 25 SW werden ingevoegd:
 
"Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.
Hij is ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.
Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is".
 
Ten aanzien van feiten gepleegd vanaf 12 januari 2018 - datum van de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof - is de hoogste correctionele vrijheidsbenemende straf bijgevolg 20 jaar gevangenisstraf.
 
Voor de periode tussen de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016
[Artikel 143 van de wet van 5 februari 2016 bepaalde dat art. 121 van toepassing is op de zaken die nog niet in beraad zijn genomen inzake de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling op de datum van de inwerkingtreding van artikel 143, zijnde op 29 februari 2016 (tiende dag na publicatie van de wet van 5 februari 2016 in het B.S.) ]
en vóór 12 januari 2018 geldt hetgeen volgt: de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling of de beschikkingen van de Raadkamer waarbij misdaden die vroeger niet correctionaliseerbaar waren bij toepassing van de vernietigde wetsbepalingen gecorrectionaliseerd en verwezen werden naar de correctionele rechtbank, evenals de dagvaarding van het openbaar ministerie met mededeling van verzachtende omstandigheden, behouden "als beslissing" hun gevolg zowel wat betreft de vatting van de correctionele rechtbank, als de toepasbare straf.
 
Het Grondwettelijk Hof handhaaft immers de gevolgen van de artikelen 6, 15. 17, 1 ° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van het arrest in het Staatsblad, namelijk vóór 12 januari 2018.
 
Het Grondwettelijk Hof stelde bovendien met betrekking tot de vernietiging (B.15.2): "Aangezien de artikelen 15. 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 122, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 onlosmakelijk verbonden zijn met de artikelen 6 en 121 van dezelfde wet, dienen zij eveneens te worden vernietigd". De handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van de beslissingen die erop gegrond zijn, kan niet anders begrepen worden dan als de handhaving van het onlosmakelijk geheel van wetsbepalingen waarop deze beslissingen gegrond zijn met inbegrip van de mogelijkheid hogere correctionele straffen uit spreken voor feiten die vóór de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoorden, en sinds de bekendmaking van het arrest van 21 december 2017 opnieuw tot de bevoegdheid van dit hof behoren.
 
Er wordt verwezen naar de meer omstandige redengeving opgenomen in deze omzendbrief. Het behoud van de mogelijkheid verhoogde correctionele straffen uit te spreken jegens de bovenvermelde gecorrectionaliseerde misdaden moet evenwel getemperd worden in het licht van het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en artikel 2 Sw.
 
Het is niet aanvaardbaar dat de correctionele rechtbank een vrijheidsbenemende straf van langere duur zou kunnen uitspreken ten aanzien van misdaden die vóór de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoorden dan deze die het hof van assisen zelf na aanneming van verzachtende omstandigheden zou kunnen uitspreken, te weten 20 jaar voor misdaden bestraft met 20 tot 30 jaar opsluiting, en 30 jaar voor misdaden bestraft met levenslange opsluiting.
 
Tegen een vonnis of een arrest dat een ander standpunt inneemt zal hoger beroep of voorziening in Cassatie ingesteld worden.
 
3. Handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen versus de procedure van intrekking
 
Het Grondwettelijk Hof handhaaft bij algemene beschikking en zonder tijdsbeperking de gevolgen de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van de beslissingen genomen vóór de bekendmaking van het arrest. De procedure tot intrekking van in kracht gewijsde gegane 5 beslissingen van strafgerechten voorzien bij de artikelen 10 en volgende de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan daardoor niet aangewend worden.
 
Deze procedure beoogt immers bij toepassing van artikel 13, § 1 van de bovenvermelde bijzondere wet precies de veroordeling of opschorting van de veroordeling - of de gevolgen van de in kracht van gewijsde beslissing gegrond op de vernietigde wetsbepalingen - ongedaan te maken
[Zie eveneens artikel 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof: hetzelfde geldt voor de internering]
, wat strijdig is met het dictum van het arrest van het grondwettelijk Hof dat een absoluut gezag van gewijsde geniet.
 
Tegen een vonnis of een arrest dat een ander standpunt inneemt zal hoger beroep of voorziening in Cassatie ingesteld worden.
 
4. De huiszoeking kan niet meer gevraagd worden in het raam van een minionderzoek
 
Gelet op de vernietiging van artikel 63, 1 ° van de wet van 5 februari 2016 en het behoud van de gevolgen ervan voor de huiszoekingen die werden uitgevoerd vóór de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad - namelijk vóór 12 januari 2018 - kan vanaf die datum geen huiszoeking meer gevraagd worden bij mini-onderzoek.
 
Het is aangewezen indien praktisch haalbaar een gerechtelijk onderzoek te vorderen met het oog op het afleveren van een nieuw huiszoekingsbevel.

 

Noot: 

Ruben Villain en Ward Yperman, Grondwettelijk Hof fluit Potpourri II deels terug

Pieter Tersago en Len Augustyns, Grondwettelijk Hof frist potpourri II op, De Juristenkrant 31 januari 2018, nr. 362, pagina 1 en 4

Omzendbrief college van procureurs-generaal COL 05/2018 -ingevolge Arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof .

OMZENDBRIEF NR. 05/2018 VAN HET COLLEGE VAN PROCUREURS-GENERAAL BIJ DE HOVEN VAN BEROEP

Brussel, 29 maart 2018

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, Voorzitter van het College van Procureurs-generaal,

Patrick VANDENBRUWAENE

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik,

Christian DE VALKENEER

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent,

Erwin DERNICOURT

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel,

Johan DELMULLE

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen,

COL 05/2018 -Arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof

SYNTHESE

Op 18 januari 2018 heeft het College van Procureurs-generaal een "Flashrichtlijn" COL 02/2018 aangenomen met betrekking tot het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof, dat op 12 januari 2018 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd. In deze omzendbrief werd stilgestaan bij de vernietigde bepalingen, de gevolgen daarvan vanaf de publicatie van het arrest in het Belgisch Staatsblad, en enkele interpretaties van het Grondwettelijk Hof.

Hieropvolgend werd op 26 januari 2018 door de Minister een verzoek tot interpretatief arrest ingediend bij het Grondwettelijk Hof.

Het Grondwettelijk Hof heeft op 9 maart 2018 een interpretatief arrest geveld.

Deze COL 5/2018 gaat verder in op alle wijzigingen naar aanleiding van de twee bovenstaande arresten van het Grondwettelijk Hof en vervangt eveneens de flashrichtlijn COL 2/2018 van 18 januari 2018.

COL 05/2018 ... Arrest nr_ 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof

INLEIDING

Tegen de wet van 5 februari 2016 (potpourriwet II) werden meerdere beroepen tot vernietiging ingesteld. Bij arrest van 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over 11 aspecten van bovenvermelde wet die door de verzoekers in strijd werden geacht met de Grondwet. Het arrest werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatblad van 12 januari 2018 en heeft uitwerking vanaf die datum. In deze omzendbrief wordt stilgestaan bij de vernietigde bepalingen, de gevolgen daarvan vanaf de publicatie van het arrest in het Belgisch Staatsblad, en enkele interpretaties van het Grondwettelijk Hof. De vernietiging van sommige bepalingen is gepaard gegaan met de vernietiging van daarmee onlosmakelijk samenhangende bepalingen waardoor het effect van het arrest veel ingrijpender is geworden. Ook dat aspect wordt belicht. Er wordt verder ingegaan op het interpretatief arrest van 9 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof1•

SAMENVATTING RICHTLIJNEN

MINISTERIE - FLASH-RICHTLIJN VAN HET OPENBAAR

1 Vernietiging van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden

De vernietiging van de artikelen 6, 121, 122, 123 van de wet van 5 februari 2016 heeft tot gevolg dat artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt hersteld in zijn vorige toestand, namelijk deze zoals vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013.

Vanaf de publicatie van het bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad dient bijgevolg opnieuw toepassing te worden gemaakt van de lijst correctionaliseerbare misdaden geldend voor de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016. Er wordt verwezen naar de omzendbrief COL 6/2010 herwerkte versie 28 november 2013 waarin deze lijst grondig wordt geanalyseerd bij de bespreking van de bevoegdheid van het hof van assisen. Deze omzendbrief herwint wat dit aspect betreft zijn volledige kracht vanaf 12 januari 2018, datum van publicatie van het bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk Hof.

Gelet op de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof op 12 januari 2018 kan geen verwijzing of rechtstreekse dagvaarding met aanneming van verzachtende omstandigheden meer gevorderd of beslist worden met betrekking tot misdaden die krachtens voornoemde lijst tot de exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen behoren.

2 De strafmaat en de handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen

Het Grondwettelijk Hof vernietigt de volgende straffen welke bij artikel 6 van de wet van 5 februari 2016 in artikel 25 Sw. werden ingevoegd:

"Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is".

Ten aanzien van feiten gepleegd vanaf 12 januari 2018- datum van de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof - is de hoogste correctionele vrijheidsbenemende straf bijgevolg 20 jaar gevangenisstraf.

Bij arrest van 21 december 2017 handhaafde het Grondwettelijk Hof de gevolgen van de artikelen 6, 15, 17, 1 ° en 2°, 18, 1 ° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van het arrest in het Staatsblad, namelijk vóór 12 januari 2018. Het Grondwettelijk Hof stelde bovendien met betrekking tot de vernietiging (B.15.2): "Aangezien de artikelen 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 122, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 onlosmakelijk verbonden zijn met de artikelen 6 en 121 van dezelfde wet, dienen zij eveneens te worden vernietigd".

Gelet op de rechtsonzekerheid die het dictum van het bovenvermeld arrest veroorzaakte heeft de ministerraad een interpretatief arrest gevraagd aan het Grondwettelijk Hof. Op 9 maart 2018 heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 28 uitspraak gedaan over interpretatie van het arrest van het Hof nr. 148/2017 van 21 december 2017 ingesteld door de Ministerraad. Het Grondwettelijk Hof stelt dat de handhaving, bij het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017, van de gevolgen van de artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2°, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad aldus dient te worden uitgelegd dat de rechtscolleges die vóór 12 januari 2018 werden geadieerd krachtens beslissingen die op grond van die vernietigde bepalingen zijn genomen, alsook de rechtscolleges die in beroep of in cassatie uitspraak dienen te doen in diezelfde zaken, bevoegd blijven om die zaken te behandelen en daarbij de straffen kunnen uitspreken zoals ingevoerd bij de vernietigde bepalingen, zonder dat de duur van de vriiheidsberovende straf meer kan bedragen dan twintig jaar voor misdaden bestraft met twintig tot dertig iaar opsluiting en dertig iaar voor misdaden bestraft met levenslange opsluiting.

Wat de correctionalisatie door het parket betreft wordt verwezen naar de omstandige uiteenzetting die verder volgt onder punt III, 1.2.3.

3 Handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen versus de procedure van intrekking

Het Grondwettelijk Hof handhaaft bij algemene beschikking en zonder tijdsbeperking de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van de beslissingen genomen vóór de bekendmaking van het arrest. De procedure tot intrekking van in kracht van gewijsde gegane beslissingen van straf gerechten voorzien bij de artikelen 10 en volgende van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan daardoor niet aangewend worden. Deze procedure beoogt immers bij toepassing van artikel 13, § 1 van de bovenvermelde bijzondere wet precies de veroordeling of opschorting van de veroordeling - of de gevolgen van de in kracht van gewijsde beslissing gegrond op de vernietigde wetsbepalingen - ongedaan te maken-, wat strijdig is met het dictum van het arrest van het Grondwettelijk Hof dat een absoluut gezag van gewijsde geniet. Wat dit dictum betreft wordt verder verwezen naar het interpretatief arrest van 9 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof.

Tegen een vonnis of een arrest dat een ander standpunt inneemt zal hoger beroep of voorziening in Cassatie ingesteld worden.

4 De huiszoeking kan niet meer gevraagd worden in het raam van een mini-onderzoek

Gelet op de vernietiging van artikel 63, 1 ° van de wet van 5 februari 2016 en het behoud van de gevolgen ervan voor de huiszoekingen die werden uitgevoerd vóór de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad - namelijk vóór 12 januari 2018 - kan vanaf die datum geen huiszoeking meer gevraagd of uitgevoerd worden bij mini-onderzoek.

III WETBOEK STRAFVORDERING

1. De veralgemening van de correctionaliseerbaarheid van misdaden

1.1 Synthese

De wet van 5 februari 2016 strekte ertoe dat voortaan alle misdaden zouden kunnen worden berecht door de correctionele rechtbanken, en niet meer door het hof van assisen.

Dat werd gerealiseerd door de afschaffing van de voorheen bestaande limitatieve lijst van "misdaden" die wegens verzachtende omstandigheden kunnen worden gecorrectionaliseerd. Daardoor konden alle misdaden voor de correctionele rechtbanken worden gebracht.

Omwille van die veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden heeft de wetgever voorts de straffen die door de correctionele rechtbank kunnen worden uitgesproken, aanzienlijk verhoogd zodat de correctionele rechtbanken gevangenisstraffen tot veertig jaar zouden kunnen uitspreken.

Krachtens artikel 150 van de Grondwet moeten alle criminele zaken door het hof van assisen worden behandeld. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen wat onder het begrip "criminele zaken" valt, maar die bevoegdheid is niet onbegrensd. Artikel 150 van de Grondwet verplicht de wetgever om minstens de zwaarste misdrijven voor te behouden aan een jury. Het Grondwettelijk Hof stelde in zijn arrest van 21 december 2017 vast dat door de wetswijziging alle misdaden onttrokken kunnen worden aan de rechter die de Grondwet toewijst. Het Hof onderstreepte hierbij dat dit gevolg ook blijkt uit de omzendbrief COL 2/2016 van het College van procureurs-generaal, waarin wordt aanbevolen dat het openbaar ministerie nog slechts een verwijzing naar het hof van assisen zal vorderen in het uitzonderlijke geval dat een levenslange opsluiting wordt gevorderd en er geen verzachtende omstandigheden worden weerhouden, en verder dat het openbaar ministerie moet motiveren wanneer het een misdaad wil laten berechten door het hof van assisen, en niet door de correctionele rechtbank.

Het Grondwettelijk Hof stelde dat de onderzoeksgerechten en het openbaar ministerie bijgevolg slechts over het criterium van de verzachtende omstandigheden beschikken om te beslissen of een misdaad voor het hof van assisen of voor de correctionele rechtbank wordt gebracht. Aldus wordt het begrip "verzachtende omstandigheden" oneigenlijk gebruikt, doordat het hoofdzakelijk wordt gehanteerd om de bevoegdheid van de rechtscolleges te bepalen. Het is zelfs niet langer zeker dat de correctionalisering in het voordeel van de verdachte werkt, aangezien de correctionele rechtbank in bepaalde gevallen een hogere gevangenisstraf kan opleggen dan de minimale gevangenisstraf die het hof van assisen kan opleggen. Het Hof kwam tot het besluit dat de bestreden regeling niet verzekert dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden, volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging worden berecht.

Het Hof stelde in zijn overweging B.14.2 hetgeen volgt: "Het criterium van de verzachtende omstandigheden werd ook vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen gehanteerd om zaken aan het hof van assisen te onttrekken. De correctionele rechtbank diende toen, na correctionalisering, steeds een lagere vrijheidsberovende straf uit te spreken dan degene die de beklaagde voor het hof van assisen riskeerde.

Thans kunnen de correctionele rechtbanken evenwel, zoals in B.4.3 is vermeld, voor de zwaarste categorieën van misdrijven gevangenisstraffen uitspreken die amper lager liggen dan de maximale duur van de opsluiting die de beschuldigde voor het hof van assisen riskeert.

Aangezien de maximale duur van de door de correctionele rechtbanken opgelegde gevangenisstraf voor de drie zwaarste categorieën van gecorrectionaliseerde misdaden hoger ligt dan de minimale duur van opsluiting die door het hof van assisen kan worden opgelegd, is overigens niet verzekerd dat de correctionalisering in het voordeel van de betrokkene is wat de straf maat betreft.

Aldus wordt het begrip "verzachtende omstandigheden" gedenatureerd doordat het hoofdzakelijk wordt gehanteerd om de bevoegdheid van de rechtscolleges te bepalen, terwijl de correctionalisering amper gevolgen heeft voor de duur van de vrijheidsberovende straf."

De vernietiging van de artikelen 6 en 121 van de wet van 5 februari 2016 die het raamwerk van de veralgemening van de correctionaliseerbaarheid van misdaden uitmaakte ging bijgevolg gepaard met de vernietiging van daarmee onlosmakelijk verbonden wetsbepalingen waaronder deze die de verhoogde straffen bevatten: de artikelen 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 122, 123, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 worden dus eveneens vernietigd-,

1.2 Effect ten aanzien van de correctionalisering van misdaden

1.2.1 Lijst correctionaliseerbare misdaden (vernietiging art. 121 van de wet van 5 februari 2016)

Artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt hersteld in zijn vorige toestand, namelijk deze zoals vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013.

Vanaf de bekendmaking van het arrest van 21 december 201 7 van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad dient bijgevolg opnieuw toepassing te worden gemaakt van de volgende bepaling:

"In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling, bij een met redenen omklede beschikking, de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf

Alleen in de volgende gevallen kan het openbaar ministerie rechtstreeks dagvaarden of oproepen en kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling verwijzen wegens verzachtende omstandigheden:

1° als de in de wet bepaalde straf twintig jaar opsluiting niet te boven gaat;

2° als het gaat om een poging tot misdaad strafbaar met levenslange opsluiting;

3° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 216, tweede lid, van het Strafwetboek;

4° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 347bis, §§ 2 en 4, van het Strafwetboek;

5° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 3 7 5, laatste lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 3 77bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

5°/1 als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 405quater, 6°, van het Strafwetboek;

6° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 408 van het Strafwetboek;

6° / 1 als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 41 (Ibis, derde lid, 5°, van het Strafwetboek; 7° als het gaat om een misdaad bedoeld in de artikelen, 428, § 5, en 429 van het Strafwetboek;

7. als het gaat om een misdaad bedoeld in de artikelen 428 §5 en 429 van het strafw<

8° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 473, laatste lid, van het Strafwetboek;

9° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 474 van het Strafwetboek;

10° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 4 7 6 van het Strafwetboek.

11° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 477sexies van het Strafwetboek;

12° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 513, tweede lid, van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 5 l 4bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

13° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 518, tweede lid, van het Strafwetboek;

14° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 530, laatste lid, van het Strafwetboek, die met toepassing van artikel 531 van hetzelfde Wetboek wordt gestraft, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 532bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd. "

Met betrekking tot deze lijst correctionaliseerbare misdaden wordt verwezen naar de omzendbrief COL 6/2010 herwerkte versie 28 november 2013 waarin bovenvermelde lijst grondig wordt geanalyseerd bij de bespreking van de bevoegdheid van het hof van assisen. Deze omzendbrief herwint wat dit aspect betreft zijn volledige kracht vanaf 12 januari 2018, de datum van bekendmaking van het bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk Hof4.

Gelet op de bekendmaking van het arrest van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof op 12 januari 2018 kan geen verwijzing of rechtstreekse dagvaarding met aanneming van verzachtende omstandigheden meer gevorderd of beslist worden met betrekking tot misdaden die krachtens voornoemde lijst tot de exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen behoren.

1.2.2 Rechtstreekse dagvaarding voor de correctionele/ politierechtbank door het openbaar ministerie met mededeling van de verzachtende omstandigheden (vernietiging van de artikelen 122 en 123 van de wet van 5 februari 2016)

Artikel 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt hersteld in zijn vorige toestand. Dit betekent concreet dat de verwijzing naar de lijst correctionaliseerbare misdaden terug in de tekst wordt opgenomen zodat de tekst thans luidt ( enige herstelling is in vet aangeduid):

"De correctionele rechtbank naar welke de verdachte is verwezen, kan zich niet onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de reden van verschoning.

Zij kan zich nochtans onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de grond van verschoning wanneer zij geadieerd is met toepassing van artikel 2,tweede lid.

Zij kan zich bevoegd verklaren door de verzachtende omstandigheden of de verschoningsgrond aan te nemen wanneer zij vaststelt dat de bij haar aanhangig gemaakte misdaad niet is gecorrectionaliseerd en daarvoor in aanmerking komt op grond van artikel 2,derde lid".

Artikel 5 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt eveneens hersteld in zijn vorige toestand. Door de opheffing van het tweede lid van voormeld artikel 5 bij artikel 123 van de wet van 5 februari 2016 kon de politierechter zich niet meer onbevoegd verklaren in geval van dagvaarding door het openbaar ministerie. Dit wordt dus opnieuw mogelijk.

Het Grondwettelijk Hof stelde bij arrest van 21 december 2017 hierover het volgende (B.16.1):

"Krachtens het bestreden artikel 123 van de wet van 5 februari 2016 kan de politierechtbank haar bevoegdheid, wat de verzachtende omstandigheden betreft, niet langer afwijzen indien een wanbedrijf wordt gecontraventionaliseerd op grond van verzachtende omstandigheden in een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie. Daarentegen kan de correctionele rechtbank haar bevoegdheid, wat de verzachtende opstandigheden betreft, krachtens artikel 3, tweede lid, van de wet van 4 oktober 1867 nog steeds afwijzen indien een misdaad wordt gecorrectionaliseerd op grond van verzachtende opstandigheden in een rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie".

(B.16. 5) "Doordat de bestreden bepaling het rechterlijk toezicht door de vonnis rechter op de contraventionalisering bij rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie uitsluit, terwijl de correctionalisering bij rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie wel

4 Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de artikelen 101 tot 114 van de wet van 5 februari 2016 die de artikelen 326 tot 337 van het Wetboek van Strafvordering hebben gewijzigd en betrekking hebben op de procedure zelf van het hof van assisen niet geviseerd werden in de vernietigingsprocedure en van kracht blijven. Het betreft de deelname van de magistraten van het hof van assisen aan het beraad over de schuldvraag. Wat dit aspect betreft wordt verwezen naar de memo die bij gelegenheid van de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 door het College van procureurs-generaal werd verspreid. 11 aan het rechterlijk toezicht door de vonnisrechter is onderworpen, is zij niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. "

1.2.3 Effect qua werking in de tijd

Het Grondwettelijk Hof stelde bij arrest van 21 december 2017 met betrekking tot de gevolgen van de vernietigde bepalingen (B.17): "Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden, dienen, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum ".

Het beschikkend gedeelte van het arrest handhaaft de gevolgen van de artikelen 6, 15, 17, 1 ° en 2°, 18, 1 ° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmakingvan het arrest in het Belgisch Staatsblad. Het arrest beperkt de term "beslissingen" bijgevolg niet tot "rechterlijke beslissingen", maar verwijst duidelijk naar alle beslissingen die gegrond zijn op de vernietigde bepalingen.

Dit betekent dat niet alleen alle beschikkingen en arresten tot verwijzing naar de feitenrechter uitgaande van de onderzoeksgerechten, doch eveneens de door het openbaar ministerie uitgebrachte dagvaarding waarbij verzachtende omstandigheden voorzien worden bij toepassing van de artikel 2 juncto 3 of 5 van de wet op de verzachtende omstandigheden geviseerd worden.

In zijn interpretatief arrest van 9 maart 2018 overweegt het Grondwettelijk Hof wat volgt5:

"Overeenkomstig het voormelde dictum geldt de handhaving van de gevolgen van de vernietigde artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2°, van de wet van 5 februari 2016 "ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen ziin genomen vóór de datum van bekendmaking van dit arrestin het Belgisch Staatsblad", dus met inbegripvan de op grond van de vernietigde bepalingen genomenbeslissingenvan de onderzoeksgerechten en van het openbaar ministerie tot aanhangigmaking van de zaak bii de correctionele rechtbank met aanname van verzachtende omstandigheden. (B. 6.1.) Die handhaving van de gevolgen heeft tot gevolg dat de correctionele rechtbanken die vóór 12 januari 2018 werden geadieerd krachtens dergelijke op grond van de vernietigde bepalingen genomen beslissingen, vanaf die datum bevoegd blijven om in die zaken uitspraak te doen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de rechtscolleges die in beroep of in cassatie uitspraak dienen te doen in die zaken "6.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof wijzigt de facto opnieuw de bevoegdheidsregels. Met de handhaving van de gevolgen zoals hierboven omschreven maakt het wat betreft het aanhangig maken bij de correctionele rechtbank in feite een analoge toepassing van de algemene regel dat een nieuwe bevoegdheid- of rechtsplegingswet niet retro-ageert zodat de vroegere wet blijft gelden ten aanzien van handelingen die overeenkomstig de oude wet geldig gesteld werden. De zaken worden bijgevolg niet onttrokken aan de correctionele rechtbank waar ze aanhangig werden gemaakt op grond van de wet van 5 februari 2016 behoudens de eventuele toepassing van artikel 2, tweede lid van de wet op de verzachtende omstandigheden door de rechter.

De rechter kan immers- in zoverre hij vóór de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof nog geen beslissing heeft genomen waaruit blijkt dat hij zijn bevoegdheid reeds heeft aanvaard- zich(na bekendmaking van het arrest) evenwel nog onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden( of grond van verschoning) wanneer hij geadieerd is met toepassing van artikel 2, tweede lid van de wet op de verzachtende omstandigheden,namelijk door een rechtstreekse dagvaarding van het openbaar ministeriemet mededeling van de verzachtende omstandighedenof van de reden van verschoning.

De beslissing van het Grondwettelijk Hof tot handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van de beslissingen die werden genomen vóór de bekendmaking van het arrest van 21 december 201 7 - zoals geïnterpreteerd door het arrest van 9 maart 2018 van dit Hof - geldt erga omnes. Artikel 9 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof stelt dat de door het Grondwettelijk Hof gewezen vernietigingsarresten een absoluut gezag van gewijsde hebben vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De arresten waarbij beroepen tot vernietiging verworpen worden zijn eveneens bindend voor de rechtscolleges wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft. Er is verder in herinnering te brengen dat wanneer het Grondwettelijk Hof een beroep tot nietigverklaring verwerpt, gelet op een bepaalde interpretatie van de bestreden wetsbepaling, die interpretatie een door het Hof beslecht rechtspunt is, waaraan de rechtscolleges op grond van artikel 9, § 2 van de bijzondere wet gebonden zijn. De rechtscolleges zijn derhalve ertoe gebonden die bepaling toe te passen in de interpretatie die met de Grondwet bestaanbaar is bevonden.

Tegen een vonnis of een arrest dat een ander standpunt inneemt zal hoger beroep of voorziening in Cassatie ingesteld worden.

Artikel 8 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt dat indien het Hof dit nodig oordeelt, het bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepaling aanwijst welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt.

Het Grondwettelijk Hof handhaaft bii algemene beschikking en zonder tijdsbeperking de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van de beslissingengenomen vóór de bekendmaking van het arrest. De procedure tot intrekking van in kracht van gewijsde gegane beslissing en van strafgerechten voorzien bij de artikelen 10 en volgende van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan daardoor niet aangewend worden. Deze procedure beoogt immers bij toepassing van artikel 13, § 1 van de bovenvermelde bijzondere wet precies de veroordeling of opschorting van de veroordeling - of de gevolgen van de in kracht van gewijsde beslissing gegrond op de vernietigde bepalingen - ongedaan te maken8, wat strijdig is met het dictum van het arrest van het Grondwettelijk Hof dat een absoluut gezag van gewijsde geniet. Bovendien kan er geen betwisting meer gevoerd worden nopens de draagwijdte van het dictum van het arrest van 21 december 2017 gelet op het interpretatief arrest van 9 maart 20189•

Tegen een vonnis of een arrest dat een ander standpunt inneemt zal hoger beroep of voorziening in Cassatie ingesteld

De huiszoeking - Vernietiging van de wijziging van artikel 28septies Sv. (vernietiging art. 63, 1 ° wet 5 februari 2016)

Door de vernietiging van artikel 63, 1 ° van de wet van 5 februari 2016 is het niet meer mogelijk een huiszoeking in het kader van het mini-onderzoek te vragen. De huiszoeking werd geschrapt uit de reeks uitzonderingen op de onderzoekshandelingen waarvoor de onderzoeksrechter weliswaar alleen bevoegd is, maar die binnen het raam van een mini¬onderzoek kunnen gevorderd worden zonder dat een gerechtelijk onderzoek moet worden opgestart. Het mini-onderzoek vormt een uitzondering op het beginsel dat het opsporingsonderzoek geen enkele dwangmaatregel of schending van individuele rechten en vrijheden mag inhouden.

Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat het strafrechtelijk opsporingsonderzoek een uitgesproken geheim en niet-tegensprekelijk karakter heeft en minder waarborgen biedt ter bescherming van de rechten van verdediging dan het gerechtelijk onderzoek. Met name beschikken de belanghebbenden tijdens het opsporingsonderzoek nog niet over een bij de wet georganiseerd recht om toegang tot het dossier te vragen (zie arrest 6/2017 van 25 januari 2017 van het Grondwettelijk Hof dat nog niet in wetgeving werd omgezet) of om bijkomende onderzoekshandelingen te vorderen. Het Grondwettelijk Hof stelt verder dat er tijdens het opsporingsonderzoek geen toezicht is op de regelmatigheid van de procedure door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, die het dossier van eventuele nietigheden kan zuiveren.

Het Grondwettelijk Hof besluit dat vanwege de ernst van de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de onschendbaarheid van de woning, de huiszoeking in de huidige stand van het strafprocesrecht enkel kan worden toegelaten in het kader van een gerechtelijk onderzoek. De huiszoeking via mini-onderzoek mogelijk maken in het kader van een opsporingsonderzoek zonder te voorzien in bijkomende waarborgen ter bescherming van de rechten van verdediging schendt bijgevolg het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op de onschendbaarheid van de woning. De wetsbepaling wordt vernietigd, maar de gevolgen ervan worden wel gehandhaafd voor de huiszoekingen die al zijn uitgevoerd in het raam van een mini-onderzoek vóór de datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof, namelijk vóór 12 januari 2018.

Gelet op de vernietiging van artikel 63, 1 ° van de wet van 5 februari 2016 en het behoud van de gevolgen ervan voor de huiszoeking die werden uitgevoerd vóór de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hofin het Belgisch Staatsblad - namelijk vóór 12 januari 2018- kan vanaf die datum geen huiszoeking meer gevraagd of uitgevoerd worden bij mini¬onderzoek.

De uitvoering van een huiszoekingdoor politiediensten binnen het raam van een mini¬instructie na 11 januari 2018 is bijgevolg onregelmatig en zal beoordeeld worden aan de hand van artikel 32 V.T.S.V.

Er wordt in herinnering gebracht dat art. 63, 2° van de wet van 5 februari 2016 de regel invoegde dat een nieuwe vordering (te lezen als vanaf een tweede vordering) tot mini-onderzoek binnen het raam van hetzelfde dossier aanhangig moet gemaakt worden bij dezelfde onderzoeksrechter indien die nog in functie is. Artikel 63, 2° van de wet van 5 februari 2016 werd niet vernietigd.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de vernietiging van artikel 63, 1 ° van de wet van 5 februari 2016 tevens met zich meebrengt dat de procureur des Konings niet langer een onderzoeksbevel strekkende tot uitvoering van een huiszoeking in het buitenland, kan uitvaardigen, na validatie ervan door de onderzoeksrechter. De uitvaardiging van zulk Europees onderzoeksbevel behoort thans terug tot de exclusieve bevoegdheid van de onderzoeksrechter die hiertoe door de procureur des Konings kan worden gevorderd op basis van artikel 24 § 3 van de wet van 22 mei 201 7 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken.

IV STRAFWETBOEK

1 De met de veralgemening van de correctionalisering van misdaden onlosmakelijk verbonden bepalingen betreffende onder meer de verhoging van straffen voor gecorrectionaliseerde misdaden

1.1 Algemeen

Zoals reeds aangegeven stelde het Grondwettelijk Hof bij arrest van 21 december 2017 dat de wetgever omwille van die veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden de straffen die door de correctionele rechtbank kunnen worden uitgesproken, aanzienlijk heeft verhoogd, zodat de correctionele rechtbanken gevangenisstraffen tot veertig jaar kunnen uitspreken.

Het Grondwettelijk Hof overweegt hierover wat volgt (B.4.3): "Het bestreden artikel 6 van de wet van 5 februari 2016 verhoogt de maximumstraf die door een correctionele rechtbank kan worden uitgesproken tot veertig jaar. Het voegt aan de in artikel 25 van het Strafwetboek bepaalde termijnen drie nieuwe termijnen toe, namelijk een gevangenisstraf van ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is, een gevangenisstraf van ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is, en een gevangenisstraf van ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is".

en verder

(B.6.1) "De bestreden artikelen 6, 121 en 122 van de wet van 5 februari 2016 hangen onlosmakelijk samen, aangezien zij alle beogen om, in lijn met de eerdere hervormingen met dezelfde doelstelling, de correctionalisering mogelijk te maken van zoveel mogelijk misdaden en aldus de behandeling ervan te onttrekken aan het hof van assisen ten voordele van de correctionele rechtbank, die voortaan veel hogere straffen kan opleggen".

De strafverhogingen - die het onlosmakelijk gevolg zijn van de veralgemening van de correctionaliseerbaarheid van misdaden - zijn vernietigd. Ze zijn bijgevolg niet meer van toepassing op feiten gepleegd na 11 januari 2018. Deze vernietiging heeft betrekking op een resem hierna vermelde bepalingen die worden hersteld in hun vorige toestand vanaf 12 januari 2018, namelijk de datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.

Op de vraag welk effect deze vernietiging heeft, ten aanzien van beslissingen tot correctionalisering daterend van vóór 12 januari 2018betreffende misdaden die vóór de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 niet correctionaliseerbaar waren, wordt verder ingegaan (zie 1.3).

1.2 Vernietigde bepalingen van het Strafwetboek

1.2.1 Artikel 25 van het Strafwetboek (vernietiging art. 6 wet 5 februari 2016)

De volgende straffen welke bij artikel 6 van de wet van 5 februari 2016 in artikel 25 Sw. werden ingevoegd worden vernietigd:

"Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is".

Artikel 25 Sw. wordt bijgevolg hersteld in zijn vroegere stand zoals laatst gewijzigd bij de wet van 21 december 2009 en luidt vanaf 12 januari 2018, datum van bekendmaking van het arrest van het grondwettelijk Hof als volgt:

"De duur van de correctionele gevangenisstraf is, behoudens de in de wet bepaalde gevallen, ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar.

Hij is ten hoogste vijf jaar voor een met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste tien jaar voor een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste vijftien jaar voor een met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste twintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

De duur van een dag gevangenisstraf is vierentwintig uren.

De duur van een maand gevangenisstraf is dertig dagen ".

1.2.2 Artikel 60 van het Strafwetboek (vernietiging art. 15 wet 5 februari 2016)

Artikel 60 Sw. luidt als volgt vanaf 12 januari 2018, datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof:

"Bij samenloop van verscheidene wanbedrijven worden alle straffen samen opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan. In geen enkel geval mag die straf twintig iaar gevangenisstraf of driehonderd uren werkstraf te boven gaan".

De gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van vonnissen en arresten geveld vóór 12 januari 2018 die zich op die wetsbepalingen steunen worden gehandhaafd krachtens het arrest van het Grondwettelijk Hof. Deze regel laat uiteraard de aanwending van rechtsmiddelen tegen die beslissingen binnen een termijn die nog loopt op de datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof onverlet. Zie eveneens verder punt 1.3 wat betreft het effect in de tijd van de vernietigde bepalingen van het Strafwetboek en handhaving van de gevolgen ervan ten aanzien van beslissingen die erop gegrond zijn.

1.2.3 Artikel 80 van het Strafwetboek (vernietiging art. 17, 1 ° en 2° wet 5 februari 2016)

Artikel 80 Sw. luidt als volgt vanaf 12januari 2018, datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof10:

"Levenslange opsluiting wordt vervangen door tijdelijke opsluiting of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar.

Opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, respectievelijk gedurende een kortere termijn of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar. Opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk gedurende vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste één jaar, en van ten hoogste vijftien jaar.

Opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of door gevangenisstraf van ten minste zes maanden, en van ten hoogste tien jaar.

Opsluiting van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste één maand en van ten hoogste vijf jaar".

De gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van vonnissen en arresten geveld vóór 12 januari 2018 die zich op die wetsbepalingen steunen worden gehandhaafd krachtens het arrest van het Grondwettelijk Hof. Deze regel laat uiteraard de aanwending van rechtsmiddelen tegen die beslissingen binnen een termijn die nog loopt op de datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof onverlet. Zie eveneens verder punt 1.3 wat betreft het effect in de tijd van de vernietigde bepalingen van het Strafwetboek en handhaving van de gevolgen ervan ten aanzien van beslissingen die erop gegrond zijn.

1.2.4 Artikel 81 van het Strafwetboek (vernietiging art. 18, 1 ° en 2° wet 5 februari 2016)

Artikel 81 Sw. luidt als volgt vanaf 12 januari 2018, datum van de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof11:

"Levenslange hechtenis, gesteld op misdaden tegen de uitwendige veiligheid van de Staat, wordt vervangen door tijdelijke hechtenis of door een gevangenisstraf van ten minste een jaar. Hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar door hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar, respectievelijk een kortere termijn of door gevangenisstraf van ten minste een jaar.

Hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar door hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar of van vijf jaar tot tien jaar of door een gevangenisstraf van ten minste een jaar en van ten hoogste vijftien jaar.

Hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar door hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of door een gevangenisstraf van ten minste zes maanden en van ten hoogste tien jaar.

Hechtenis van vijf jaar tot tien jaar door gevangenisstraf van ten minste een maand en van ten hoogste vijf jaar. "

De gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van vonnissen en arresten geveld vóór 12 januari 2018 die zich op die wetsbepalingen steunen worden gehandhaafd krachtens het arrest van het Grondwettelijk Hof. Deze regel laat uiteraard de aanwending van rechtsmiddelen tegen die beslissingen binnen een termijn die nog loopt op de datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof onverlet. Zie eveneens verder punt 1.3 wat betreft het effect in de tijd van de vernietigde bepalingen van het Strafwetboek en handhaving van de gevolgen ervan ten aanzien van beslissingen die erop gegrond zijn.

1.2.5 Artikel 92, 2° van het Strafwetboek (vernietiging art. 19 wet 5 februari 2016)

Artikel 92 Sw. luidt als volgt vanaf 12januari 2018, datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof:

"Behoudens straffen met betrekking tot misdrijven zoals bepaald in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater, die onverjaarbaar zijn, verjaren correctionele straffen door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep.

Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn tien jaren".

De verjaringstermijn van twintig jaren indien de uitgesproken gevangenisstraf twintig jaren te boven gaat is vernietigd.

1.3 Effect in de tijd van de vernietigde bepalingen van het Strafwetboek - Handhaving van de gevolgen ervan ten aanzien van beslissingen die erop gegrond zijn

Ten aanzien van feiten gepleegd na 11 januari 201812 bedraagt de hoogste correctionele vriiheidsbenemende straf 20 jaar gevangenisstraf(behoudens toepassing van artikel 56 Sw.).

Wat de misdaden die gecorrectionaliseerd werden vóór 12 januari 2018 (de datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof) op basis van de vernietigde wetsbepalingen, meer bepaald de misdaden die voor de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 niet konden gecorrectionaliseerd worden op grond van de lijst van artikel 2, derde lid wet van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden zoals vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013 is te verwijzen naar het dictum van het arrest van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof zoals geïnterpreteerd bij arrest van 9 maart 2018 van ditzelfde Hof en naar de redengeving van deze arresten.

Het Grondwettelijk Hof handhaafde bij arrest van 21 december 2017 de gevolgen van de artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van het arrest in het Staatsblad, namelijk vóór 12 januari 2018.

Het Grondwettelijk Hof stelde bovendien met betrekking tot de vernietiging (B.15.2): "Aangezien de artikelen 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 122, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 onlosmakelijk verbonden zijn met de artikelen 6 en 121 van dezelfde wet, dienen zij eveneens te worden vernietigd".

De beslissingen tot correctionalisatie uitgesproken door de onderzoeksgerechten, of in voorkomend geval de dagvaardingen van het openbaar ministerie met mededeling van verzachtende omstandigheden, daterend van vóór 12 januari 2018 met betrekking tot misdaden die vóór de inwerkingtreding wet van 5 februari 2016 niet correctionaliseerbaar waren, zijn enerzijds gegrond op de bepalingen die een veralgemeende correctionalisering mogelijk maken (voornamelijk de artikelen 121,122 en 123 van de wet van 5 februari 2016) doch anderzijds eveneens op de daarmee onlosmakelijk verbonden mogelijkheid voor de feitenrechter hogere correctionele straffen te kunnen uitspreken (artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36 van de wet van 5 februari 2016).

Het Grondwettelijk Hof stelde in bovenvermeld arrest van 21 december 2017 (B.11.3) dat doordat het bestreden artikel 121 van de wet van 5 februari 2016 de limitatieve lijst van correctionaliseerbare misdaden heeft opgeheven, de beslissing tot correctionalisering, behoudens het bestaan van verzachtende omstandigheden aan geen enkel materieel criterium is onderworpen. Anderzijds verwees het Grondwettelijk Hof (B.13) expliciet naar de omzendbrief van het College van procureurs-generaal waaruit blijkt dat het openbaar ministerie de verwijzing van een zaak naar het hof van assisen nog slechts zal vorderen indien het op dat ogenblik meent de straf van levenslange opsluiting te moeten vorderen bij afwezigheid van verzachtende omstandigheden.

Het denatureren van de verzachtende omstandigheden tot criterium van bevoegdheidsbepaling gaat volgens het Grondwettelijk Hof (B.12; B.14.2) onlosmakelijk samen met het feit dat de correctionalisering amper gevolgen heeft voor de duur van de vrijheidsberovende straf. Het Grondwettelijk Hof stelde immers expliciet (B.6.1) wat volgt: "De bestreden artikelen 6, 121, en 122 van de wet van 5 februari 2016 hangen onlosmakelijk samen, aangezien zij allen beogen om, in de lijn met de eerdere hervormingen met dezelfde doelstelling, de correctionalisering mogelijk te maken van zoveel mogelijk misdaden en aldus de behandeling ervan te onttrekken aan het hof van assisen ten voordele van de correctionele rechtbank, die voortaan veel hogere gevangenisstraffen kan opleggen " .

Het Grondwettelijk Hof (B.15 .1) vernietigde bij arrest van 21 december 2017 bijgevolg in hoofdorde artikel 6 en 121 die de kernartikelen zijn waarop het systeem van de veralgemeende correctionalisering van misdaden en de daarmee onlosmakelijk gepaard gaande mogelijkheid tot het opleggen van de hogere correctionele straffen is geschraagd. De andere bovenvermelde wetsbepalingen zijn met deze bepalingen onlosmakelijk verbonden in de zin dat ze er de verdere uitwerking van zijn.

Gelet op de rechtsonzekerheid die het dictum van het bovenvermeld arrest veroorzaakte heeft de ministerraad een interpretatief arrest gevraagd aan het Grondwettelijk Hof. Op 9 maart 2018 heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 28 uitspraak gedaan over interpretatie van het arrest van het Hof nr. 148/2017 van 21 december 2017 ingesteld door de ministerraad. Het Grondwettelijk Hof stelt dat de handhaving, bij het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017, van de gevolgen van de artikelen 6, 15, 17, 1 ° en 2°, 18, 1 ° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2°, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het

Belgisch Staatsblad aldus dient te worden uitgelegd dat de rechtscolleges die vóór 12 januari 2018 werden geadieerd krachtens beslissingen die op grond van die vernietigde bepalingen zijn genomen, alsook de rechtscolleges die in beroep of in cassatie uitspraak dienen te doen in diezelfde zaken, bevoegd blijven om die zaken te behandelen en daarbij de straffen kunnen uitspreken zoals ingevoerd bij de vernietigde bepalingen, zonder dat de duur van de vrijheidsberovende straf meer kan bedragen dan twintig jaar voor misdaden bestraft met twintig tot dertig jaar opsluiting en dertig jaar voor misdaden bestraft met levenslange opsluiting.

Wat de bevoegdheid zelf van de correctionele rechtbank betreft wordt verwezen naar punt III, 1.2.3.

V WET VAN 29 JUNI 1964

Vernietiging van de wijzigingen aan artikel 3 eerste en tweede lid van de wet van 29 jun, 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (vernietiging art 36 wet 5 februari 2016)

De eerste twee leden van artikel 313 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie luiden als volgt vanaf 12 januari 2018, datum van bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof:

"De opschorting kan, met instemming van de verdachte, door de vonnisgerechten met uitzondering van de hoven van assisen worden gelast ten voordele van de beklaagde die nog niet is veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, indien het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf en de tenlastelegging bewezen is verklaard.

De opschorting kan eveneens worden gelast door de onderzoeksgerechten wanneer zij van oordeel zijn dat de openbaarheid van de debatten de declassering van de verdachte zou kunnen veroorzaken of zijn reclassering in gevaar zou kunnen brengen .

. . ./. . ./. . ./"

De bijkomende voorwaarde dat "het feit niet strafbaar is met een correctionele gevangenisstraf van meer dan twintig jaar" vervalt bijgevolg.

VI DE WET VAN 20 JULI 1990 BETREFFENDE DE VOORLOPIGE HECHTENIS

1 Vernietiging van de beperking van het onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen over de voorlopige hechtenis (art. 20 § 6, en 31, § 2 van de wet betreffende de voorlopige hechtenis - art. 127 en 137 wet 5 februari 2016)

De raadkamer moet zich periodiek uitspreken over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Tegen een beschikking van de raadkamer met betrekking tot de handhaving van de voorlopige hechtenis kan hoger beroep worden aangetekend bij de kamer van inbeschuldigingstelling. De artikelen 127 en 137 van de wet van 5 februari 2016 beperkten het onmiddellijk cassatieberoep tot het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de eerste handhavingsbeslissing. Tegen de daaropvolgende arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij de voorlopige hechtenis gehandhaafd werd kon geen onmiddellijk cassatieberoep meer ingesteld worden14•

Het Grondwettelijk Hof stelt dat uit artikel 5.4 van het EVRM geen recht voortvloeit op een rechtsmiddel tegen de gerechtelijke beslissingen waarbij een aanhouding wordt bevolen of verlengd. Op grond van artikel 5.4 van het EVRM volstaat het optreden van één rechtsinstantie, op voorwaarde dat de gevolgde procedure een gerechtelijk karakter heeft en aan de betrokken persoon waarborgen biedt die aangepast zijn aan de aard van de betrokken vrijheidsberoving15• Het Grondwettelijk Hof onderstreept verder dat tot die waarborgen de vereiste behoort van een motivering van de voorlopige hechtenis die rekening houdt met het tijdsverloop, waarbij het EHRM oordeelt dat het gevaar dat een voorlopige hechtenis kan verantwoorden "noodzakelijkerwijs afneemt" met de tijd en dat de gerechtelijke overheden bijgevolg nog meer specifiek motiveringen moeten voorleggen om de instandhouding van de redenen van de hechtenis te verantwoorden, waarbij de hechtenis nog enkel "legitiem" is indien de openbare orde daadwerkelijk bedreigd blijft16•

Het Grondwettelijk Hof besluit dat het verkeerd is ervan uit te gaan dat de controle van de wettigheid en van de naleving van de wezenlijke vormvereisten minder cruciaal zou zijn voor de navolgende beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis. Die beslissingen moeten immers steeds worden gemotiveerd en de motiveringsverplichting wordt zelfs strikter naarmate de voorlopige hechtenis langer duurt. Daarenboven moet de doeltreffendheid van het onmiddellijk cassatieberoep over de voorlopige hechtenis worden beoordeeld in het licht van de waarborgen die het aan de rechtzoekende biedt in een aangelegenheid die intrinsiek hoogdringend is, en niet op basis van het aantal ingestelde beroepen en hun succesratio 17•

De bestreden maatregel heeft volgens het Grondwettelijk Hof onevenredige gevolgen in het licht van het fundamenteel recht op de individuele vrijheid. De controle door het Hof van Cassatie van de wettigheid van de beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis vormt een essentiële waarborg. Die maatregel kan niet worden gecompenseerd door de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen tegen een handhavingsbeslissing na de eindbeslissing ten gronde, aangezien de doeltreffendheid van een cassatieberoep over de voorlopige hechtenis net veronderstelt dat het arrest van het Hof van Cassatie snel wordt uitgesproken

Het Grondwettelijk Hof besluit om dezelfde redenen tot de ongrondwettigheid van de opheffing van het onmiddellijk cassatieberoep tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling over de beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van bezoek, briefwisseling of telefoongesprekken, of tot invoering van een elektronisch toezicht ten aanzien van een persoon in voorlopige hechtenis19. De artikelen 20, § 6, tweede lid (vernietiging artikel 127 van de wet van 5 februari 2016) en 31, § 2 (vernietiging artikel 137 van de wet van 5 februari 2016) van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis worden bijgevolg hersteld in hun toestand van voor de wet van 5 februari 2016.

Om rechtsonzekerheid te voorkomen ten aanzien van de beslissingen over de voorlopige hechtenis waartegen een cassatieberoep had kunnen worden ingesteld als gevolg van de bestreden wetsbepalingen, handhaaft het Grondwettelijk Hof de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de bekendmaking van het arrest.

Verder wordt opgemerkt dat aangezien alleen een beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis vatbaar is voor cassatieberoep, de impact van het arrest op de taken van het openbaar ministerie eerder beperkt blijft. Toch mag uit art. 31 wet 20 juli 1990 niet worden afgeleid dat alleen de beklaagde cassatieberoep kan instellen. Als behoeder van de wet kan ook het openbaar ministerie cassatieberoep instellen tegen een uitspraak in laatste aanleg over handhaving van de voorlopige hechtenis. Bij invrijheidstelling kan het openbaar ministerie cassatieberoep instellen, in het belang van de wet, zonder verdere implicaties voor de verdachte (art. 442 Sv.).

2 Elektronisch toezicht bij verwijzing fartikel 26, § 3 wet betreffende de voorlopige hechtenis - art. 132, 0 wet van 5 februari 2016)

Het Grondwettelijk Hof merkt in verband met het criterium van de modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging hetgeen volgt op (B 83.1): "Dat criterium is daarentegen niet relevant om te verantwoorden dat de onderzoeksgerechten in het stadium van de regeling van de rechtspleging niet kunnen beslissen een inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, onder elektronisch toezicht te plaatsen, terwijl zij in hetzelfde stadium kunnen beslissen die modaliteit voor de uitvoering van de voorlopige hechtenis te handhaven ten aanzien van een inverdenkinggestelde die reeds onder elektronisch toezicht staat en zij eveneens kunnen beslissen de inverdenkinggestelde die tot dan in voorlopige hechtenis was, in voorkomend geval onder voorwaarden, in vrijheid te stellen. De onderzoeksgerechten zijn immers, bij de regeling van de rechtspleging, bevoegd om uitspraak te doen over het al dan niet handhaven van de voorlopige hechtenis in een strafinrichting of onder elektronisch toezicht en onderzoeken bijgevolg op dat ogenblik of het verantwoord is de betrokkene in voorlopige hechtenis te houden en onder welke modaliteiten dat gebeurt. Het is niet verantwoord dat zij, wanneer zij bij die gelegenheid vaststellen dat de inverdenkinggestelde voldoet aan de voorwaarden om het elektronisch toezicht te genieten, niet kunnen beslissen hem die modaliteit toe te kennen.

Het Grondwettelijk Hof vernietigt bijgevolg artikel 132, 1 ° van de wet van 5 februari 2016 in zoverre het de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat aan de inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, het voordeel van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht toe te kennen. Uiteraard is dit eveneens van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die in hoger beroep uitspraak moet doen over de regeling van de rechtspleging.

Het feit dat de mogelijkheid ontzegd was aan de onderzoeksgerechten om bij gelegenheid van de regeling van de rechtspleging de verwijzing te beslissen onder elektronisch toezicht van een voorlopig gehechte inverdenkinggestelde die tot dan in de gevangenis verbleef werd reeds vroeger ernstig bekritiseerd. Art. 26, § 3 WVH verwijst met betrekking tot de verwijzing onder de banden van het aanhoudingsmandaat naar art. 16, § 1 en 5, eerste en tweede lid WVH. Art. 16, § 1 bepaalt uitdrukkelijk dat de onderzoeksrechter beslist of het bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd in de gevangenis dan wel onder elektronisch toezicht, en art. 16, § 5 verwijst eveneens naar die modaliteit. Er werd reeds vroeger op gewezen dat de onderzoeksgerechten daarin een rechtsgrond zouden kunnen vinden om het elektronisch toezicht toch toe te passen bij de verwijzing naar de bodemrechter. Deze onduidelijke situatie was het gevolg van voortdurende onderlinge verwijzingen van wetsbepalingen. Met het arrest van het Grondwettelijk Hof is dit probleem thans opgelost.

VII WET VAN 17 MEI 2006 VEROORDEELDEN

EXTERNE RECHTSPOSITIE

1 Vernietigde woorden in bepalingen betreffende de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (vernietiging art. 151,155, en 170, 2° wet 5 februari 2016)

In artikel 25, § 2 (c/d/e), 26, § 2 (c/d/e) en 71 vierde lid van voormelde wet van 17 mei 2006 worden de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting" terug gewijzigd naar de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf'.

Alle verwijzingen naar de vernietigde strafmaat van dertig tot veertig jaar worden bijgevolg verwijderd.

Wat deze bepalingen betreft is te verwijzen naar het dictum van het arrest. Het Grondwettelijk Hof handhaaft de gevolgen van de artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2°van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van het arrest in het Staatsblad, namelijk vóór 12 januari 2018. Er wordt verwezen naar de uiteenzetting onder IV 1.3.

2 De uitsluiting van gevangenen zonder verblijfsrecht van nagenoeg alle strafuitvoeringsmodaliteiten (art. 148, 153 en 163 van de wet van 5 februari 2016)

2.1 Algemeen

De wet van 5 februari 2016 maakt het onmogelijk voor vreemdelingen die veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf om te genieten van bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten zoals het penitentiair verlof, de onderbreking van de strafuitvoering, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht of de voorwaardelijke invrijheidstelling, als zij niet over een verblijfsrecht in België beschikken. De enige strafuitvoeringsmodaliteit waarop zij aanspraak kunnen maken is een uitgaansvergunning om sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele belangen te behartigen die hun aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen, ofwel om een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de gevangenis te ondergaan.

Met uitzondering van die modaliteit worden alle gevangenen zonder verblijfsrecht apriori en zonder individueel onderzoek uitgesloten van de mogelijkheid om strafuitvoeringsmodaliteiten aan te vragen en te verkrijgen.

Die maatregel geldt ongeacht de feiten die zij hebben begaan, de straf die tegen hen is uitgesproken, hun gedrag sinds hun opsluiting, de historiek van hun administratieve verblijfssituatie, hun familiebanden in België en de mogelijkheid dat zij uit België verwijderd zouden worden.

Het Grondwettelijk Hof merkt op dat strafuitvoeringsmodaliteiten waarop de bestreden bepalingen betrekking hebben ertoe strekken de sociale re-integratie van de veroordeelde te bevorderen, hem in staat te stellen om, gedurende de periode van zijn detentie, familiale, affectieve en sociale contacten in stand te houden, of hem toe te laten het hoofd te bieden aan een ernstige en uitzonderlijke situatie van familiale aard>. "De toekenning van die

27 modaliteiten is nooit automatisch en vindt slechts plaats nadat de bevoegde overheid, naargelang van het geval, zorgvuldig het realistische en doenbare karakter van het voorgelegde reclasseringsplan heeft beoordeeld, alsook de eventuele tegenaanwijzingen die meer bepaald verband houden met het risico van herhaling, met het risico dat de veroordeelde aan de slachtoffers overlast bezorgt en met het risico dat hij zich aan de uitvoering van zijn straf onttrekt. Voor de inwerkintreding van de bestreden bepalingen hielden de bevoegde overheden, bij dat onderzoek, rekening met de specifieke verblijfssituatie van buitenlandse aanvragers in het licht van zowel de mogelijkheden tot re-integratie als het risico van onttrekking aan de uitvoering van de straf".

Door de bevoegde overheden niet toe te staan in het licht van de concrete administratieve, familiale en sociale situatie van de buitenlandse aanvrager, te onderzoeken of het gerechtvaardigd is hem de gevraagde modaliteit te weigeren om reden dat op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf op het grondgebied, heeft de wetgever een onevenredige maatregel genomen. Het Grondwettelijk Hof vernietigt bijgevolg de artikelen 148, 153 en 163 van de wet van 5 februari 2016.

2.2 Werking in de tijd

De vernietiging heeft zoals gezegd betrekking op de nieuwe artikelen 20, 25/2 en het aangepaste art. 59 van de wet van 17 mei 2006, die voorzien dat een uitgaansvergunning om de sociale reïntegratie voor te bereiden, een penitentiair verlof, een onderbreking van de strafuitvoering, een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een voorwaardelijke invrijheidsstelling of een strafuitvoeringsmodaliteit via art. 59 (uitgezonderd de uitgangsvergunning op grond van art. 4 § 2) niet kan worden toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat deze artikelen door hun absoluut en automatisch karakter onevenredig zijn en dat zij de bevoegde overheden verhinderen in concreto te onderzoeken of de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit gerechtvaardigd is. Bovendien belet de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit niet dat de veroordeelde in voorkomend geval kan verwijderd worden van het grondgebied en dat de bevoegde overheden hun beleid inzake de toegang tot het grondgebied kunnen voeren. Het Grondwettelijk hof stelt in fine dat deze vernietiging geen wetgevend initiatief in de weg staat.

Als gevolg van dit arrest zal de strafuitvoeringsrechtbank voortaan bij de toekenning van de voormelde strafuitvoeringsmodaliteiten aan een veroordeelde - die op grond van het advies van de Dienst Vreemdelingenzaken niet toegelaten is of gemachtigd is tot een verblijf op het grondgebied - moeten beslissen op basis van de concrete elementen en reclasseringsperspectieven. Dit zal ook gevolgen hebben voor de motivering van de adviezen van het OM.

Wat betreft deze bepalingen handhaaft het Grondwetteliike Hof de gevolgen niet.Vanaf 12 januari 2018 gelden voor de gevangenen zonder verblijfsrecht de vroegere wetsbepalingen. Wat betreft de beslissingen genomen op grond van de wet van 5 februari 2016 (potpourri wet II) wordt aanbevolen de procedure tot intrekking voorzien bij de artikelen 10 en volgende van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof niet toe te passen21• Naast het feit dat er geen cijfermateriaal beschikbaar is en een manuele telling noodzakelijk zou zijn, is er geen nood van zulke procedure gelet op de specifieke manier van werken van de strafuitvoeringsrechtbank, die een permanente saisine heeft. Zolang de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt kan hij telkens een nieuw verzoek indienen. Bovendien werd reeds een communicatie vanuit EPI verstuurd aan alle gevangenissen waarin aan de directies deze wijziging werd meegedeeld dat het aan de penitentiaire administratie en de SURB toekomt om geval per geval te beslissen of een persoon zonder recht op verblijf in aanmerking komt voor deze strafuitvoeringsmodaliteiten.

Wat de internering betreft werden intussen door de reparatiewet van 4 mei 2016 (potpourri III) analoge bepalingen opgenomen in de artikelen 22/1 en 27 van de nieuwe interneringswet ( cfr. richtlijn internering punt 2.2.2.3). Gezien de beroepen tot vernietiging tegen de wet van 5 februari 2016 (potpourri wet II) werden ingesteld, is de interneringswet dus buiten schot gebleven en werden deze artikelen niet vernietigd.

Hierdoor wordt echter een manifeste ongelijkheid in het leven geroepen, zodat het raadzaam is om reeds rekening te houden met het feit dat analoge bepalingen werden vernietigd door het Grondwettelijk Hof.Met betrekking tot dit punt geldt bijgevolg de aanbeveling dat deze bepalingen op een analoge wijze dienen te worden toegepast en dat bij de behandeling door de SURB desgevallend een prejudiciële vraag kan worden uitgelokt. De interneringswet maakt bovendien andermaal het voorwerp uit van een ontwerp tot wijziging zodat deze problematiek daarin opgenomen zal worden. Een algemene communicatie zal vanuit DGEPI naar de gevangenissen verstuurd worden.

VIII INTERPRETATIES VAN HET GRONDWETTELIJK HOF BIJ VERWERPING VAN BEROEPEN

1 Artikel 187 § 6 van het Wetboek van strafvordering (vervangen bij art. 83 van de wet van 5 februari 2016)

Onder voorbehoud van de volgende interpretatie van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot het begrip "ongedaan verzet" doet artikel 187, § 6 Sv. niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht van de beklaagde op toegang tot de rechter.

1.1 Kennis van de dagvaarding in hoofde van de verzet doende partij

Het Grondwettelijk Hof stelt de volgende voorwaarden (B.39.2)"Wat de in artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering geviseerde situatie betreft, dient opdat het verzet als ongedaan kan worden beschouwd allereerst vast te staan dat de verzetdoende partij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan. Het komt aan de vervolgende partij of de burgerlijke partij toe dat bewijs te leveren: op de beklaagde rust ter zake geen enkele bewijslast (Cass. 17 januari 2017, P.16. 0989.N). Die kennisname moet bovendien met zekerheid vaststaan: er mag geen enkele redelijke twijfel over bestaan."

1.2 Begrip overmacht of wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van het verstek

Het Grondwettelijk Hof stelt de volgende voorwaarden (B. 39.2): "Vervolgens kan het verzet slechts ongedaan worden verklaard indien de verzetdoende partij geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging. Zoals in B.35 is vermeld moet die voorwaarde overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aldus worden geïnterpreteerd dat "het verzet effectief blijft voor de niet verschenen beklaagden die geen afstand hebben gedaan van te verschijnen en zich te verdedigen, en evenmin de intentie hadden zich te onttrekken aan het recht" (Parl.St. Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 79). Het volstaat dat de verzetdoende partij "gewag maakt" van overmacht of van een wettige reden van verschoning, en dus dat zij het bestaan van die reden voldoende aannemelijk maakt, zonder dat zij daarvan het bewijs dient te leveren.

Slechts in zoverre aan die cumulatieve voorwaarden is voldaan, en aldus vaststaat dat de beklaagde afstand heeft gedaan van het recht te verschijnen en zich te verdedigen dan wel de intentie had zich aan het gerecht te onttrekken, wordt het verzet als ongedaan beschouwd.

1.3 Verstek na verstek

Het Grondwettelijk Hof stelt in essentie dat steeds rekening moet gehouden worden met de situatie van overmacht (B. 39.3): "Krachtens artikel 187, § 6, 2° van het Wetboek van strafvordering wordt het verzet eveneens als ongedaan beschouwd indien de verzetdoende partij nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard. Die situatie werd reeds gedeeltelijk geviseerd bij het vroegere artikel 188 van het Wetboek van strafvordering, namelijk in zoverre het een afwezigheid op de eerste nuttige terechtzitting na het aantekenen van verzet betrof, en werd bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016 uitgebreid tot alle afwezigheden van de verzetdoende partij in de verzetsprocedure.

Het kan worden verantwoord dat een afwezigheid ter terechtzitting met meer gestrengheid wordt beoordeeld ten aanzien van een partij die reeds verstek heeft laten gaan en die door verzet aan te tekenen zelf initiatief heeft genomen om vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen.

Bovendien geldt ook dat in dat geval het algemene rechtsbeginsel dat de gestrengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd, waarvan de bestreden wet niet is afgeweken. Zoals in de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd, kan het verzet bijgevolg niet als ongedaan worden beschouwd indien de afwezigheid van de verzetdoende partij in de verzetsprocedure door overmacht kan worden gerechtvaardigd (Parl. St., 2015-2016, DOC 54- 1418/001, p. 81, en DOC 54-1418/005, pp 110-111)".

2 Artikel 204 van het Wetboek van strafvordering (vervangen bij artikel 89 van de wet van 5 februari 2016)

2.1 Het begrip "grief' binnen het raam van het aantekenen van hoger beroep

Het Grondwettelijk Hof verwijst naar de veelvuldige cassatierechtspraak in verband met het begrip "grief' in de zin van artikel 204 Sv.In essentie wordt de nadruk erop gelegd dat een "grief' tegen een vonnis moet preciseren op welke tenlastelegging ze betrekking heeft en dat voldoende nauwkeurig moet doen zodat dit de appelrechters en de partijen toelaat om de beslissing of de beslissingen die de appellant wil laten hervormen met zekerheid te bepalen.

Het Hof van Cassatie verwees in zijn rechtspraak betreffende artikel 204 Sv. naar art. 6.1 EVRM. Uit die bepaling volgt dat de lidstaten het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk mogen maken van voorwaarden, maar dat bij de toepassing van die voorwaarden de rechter niet overdreven formalistisch mag zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.

Verder heeft het Hof van Cassatie herhaalde malen onderstreept dat artikel 204 Sv. niet voorschrijft dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier de redenen van zijn hoger beroep of de middelen die hij wil aanvoeren om de hervorming van de beslissing te verkrijgen zou opgeven25• Het begrip "grief' valt bijgevolg niet samen met het begrip "middel".

Het Grondwettelijk Hof besluit dat de bestreden bepaling voorschrijft dat de appellant in zijn verzoekschrift de onderdelen van het vonnis in eerste aanleg aanwijst die hij wil laten hervormen en niet de argumenten die hij daartoe wenst aan te voeren, en stelt (B.45.2):

"Bijgevolg belet de bestreden bepaling niet dat de appellant voor het eerst in hoger beroep en in de loop van de procedure, de middelen aanvoert die hij geschikt acht om de hervorming te verkrijgen van de in eerste aanleg gewezen beslissing met inbegrip, in voorkomend geval, van de overschrijding van de redelijke termijn, of nog, een omkering van de rechtspraak tussen eerste en tweede aanleg".

3 Waarde van een interpretatie van het Grondwettelijk Hof

Er wordt aan herinnerd dat wanneer het Grondwettelijk Hof een beroep tot nietigverklaring verwerpt, gelet op een bepaalde interpretatie van de bestreden wetsbepaling, die interpretatie een door het Hof beslecht rechtspunt is, waaraan de rechtscolleges op grond van artikel 9, § 2 van de bijzondere wet gebonden zijn. De rechtscolleges zijn derhalve ertoe gebonden die bepaling toe te passen in de interpretatie die met de Grondwet bestaanbaar is bevonden.

IX BEHOUD VAN NIEUWE CRIMINELE STRAFFEN

Artikelen 2 en 3 van de wet van 5 februari 2016 vullen respectievelijk de artikelen 9 en 11 van het Strafwetboek aan waardoor bij de opsomming van tijdelijke opsluiting en hechtenis telkens een 5° punt wordt ingevoegd dat de opsluiting, respectievelijk hechtenis viseert van dertig tot veertig jaar. Artikel 4 voegt in artikel 18 Sw. de mogelijkheid van aanplakking van een uittreksel uit het arrest houdende veroordeling tot opsluiting of hechtenis van dertig tot veertig Jaar.

Gelet op het feit dat geen enkele misdaad bestraft wordt met voornoemde straffen lijken deze wetsbepalingen bij een volgende wetsevaluatie te moeten opgeheven worden.

X VERWERPING OVERIGE BEROEPEN

Andere beroepen tot nietigverklaring met betrekking tot onder meer de beperking van het periodieke toezicht op de voorlopige hechtenis door wijziging van de termijnen van handhaving; de toekenning van bevoegdheden van het openbaar ministerie aan parketjuristen of de afschaffing van de automatische nietigheidssanctie in het geval van een gebrek in de beschikking waarbij afluisteren en opnemen van communicatie wordt toegestaan werden verworpen.

Het gewijzigde art. 90quater Sv. wordt bijgevolg behouden. De motivering van het afluisteren van communicatie is niet meer op straffe van nietigheid voorgeschreven ( art. 66, 1 ° wet van 5 februari 2016). Het Grondwettelijk Hof achtte het schrappen van de verplichte sanctie van nietigheid verenigbaar met art. 22 Gw en art. 8 EVRM ( overweging B28). Miskenning van de voorschriften van art. 90ter en 90quater Sv. leidt enkel tot uitsluiting van het verkregen bewijs, als de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs of het recht op een eerlijk proces aantast (art. 32 V.T.Sv.) (overweging 27.1)".

XI OPGEHEVEN RICHTLIJNEN

Ten gevolge van het besproken arrest van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof heeft de omzendbrief COL 2/2016 inzake de richtlijnen in criminele strafzaken geen voorwerp meer. Deze richtlijn wordt bijgevolg opgeheven.

Onderhavige omzendbrief vervangt eveneens de flashrichtlijn COL 2/2018 van 18 januari 2018.
 

Gerelateerd
BijlageGrootte
Arrest-21-12-2017_GwH21122017.pdf3.15 MB
col05_2018_assisen_nl.pdf1.17 MB
Aangemaakt op: za, 03/02/2018 - 12:43
Laatst aangepast op: di, 22/05/2018 - 10:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.