-A +A

Politie vervaltermijn tuchtprocedure

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 09/12/2014
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
18
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 229.481

T.E. t/ Belgische Staat, minister van Binnenlandse Zaken

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 20 september 2013, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de Bestuurlijke politie van de federale politie van 23 juli 2013, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 2% gedurende één maand wordt opgelegd.

...

IV. Onderzoek van het eerste middel

...

Beoordeling

7. Art. 56, eerste en tweede lid van de wet van 13 mei 1999 “houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten” (hierna: “de tuchtwet”) luidt:

“Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

“In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is”.

8. Art. 56, eerste lid van de tuchtwet verplicht het bestuur om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure in te stellen, wat gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van art. 56, eerste lid van de tuchtwet is pas sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze vervaltermijn ingaat.

Art. 56, tweede lid van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid – maar niet de verplichting – om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn – het bewijs van de feiten die de betrokkene heeft gepleegd, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst –, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar art. 56, tweede lid van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om geen tuchtvordering in te stellen. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.

Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering in te stellen en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen van het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de ambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

9. Art. 7, eerste en tweede lid van de tuchtwet luidt:

“Wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, kan tegen dat personeelslid slechts één tuchtprocedure worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één enkele tuchtstraf.

“Wanneer aan het personeelslid in de loop van een tuchtprocedure een nieuw tuchtvergrijp wordt toegerekend, wordt wegens dat tuchtvergrijp een nieuwe tuchtprocedure aangespannen, zonder dat de lopende procedure daardoor gestuit wordt”.

Art. 7 van de tuchtwet bevat een regeling voor de samenloop van tuchtvergrijpen: wanneer verschillende tuchtvergrijpen aan een politieambtenaar worden toegerekend, wordt slechts één tuchtprocedure ingesteld. Het gebruik van de term “toerekening” verwijst naar de daadwerkelijke tenlastelegging, wat gebeurt in het inleidend verslag.

De toepassing van dit artikel is evenwel beperkt tot de gevallen waarin de tuchtoverheid een personeelslid verschillende tuchtfeiten daadwerkelijk kan toerekenen. Heeft het personeelslid verschillende tuchtfeiten gepleegd, dan belet art. 7 van de tuchtwet niet dat de tuchtoverheid de tuchtvordering enkel en alleen inleidt voor de feiten die zij op dat moment aan het personeelslid kan toerekenen. Integendeel, zij zal deze handelwijze moeten toepassen wil zij een gebeurlijke verjaring van de toerekenbare tuchtfeiten voorkomen. Art. 7 van de tuchtwet zegt immers niets over de verjaringstermijn voor het instellen van de tuchtvordering en doet derhalve niets af aan wat is bepaald in het hiervoor aangehaalde art. 56, eerste lid van de tuchtwet – dat de verjaring strikt regelt op grond van de kennisneming van de verschillende feiten – en geen regeling bevat voor het geval de kennisneming van bepaalde feiten voldoende duidelijk is om de verjaringstermijn te laten ingaan, terwijl dit voor andere feiten nog niet het geval is. Daaruit volgt dat het bestuur in de omstandigheid dat andere aangeklaagde feiten eventueel niet zonder nader onderzoek konden uitlopen op een inleidend verslag, geen deugdelijke grondslag kan vinden om het opstellen van dat inleidend verslag, beperkt tot het feit waarvoor de verzoeker uiteindelijk een sanctie heeft gekregen, uit te stellen.

10. Verzoeker voert ter staving vier mogelijke tijdstippen – van juni 2012 tot september 2012 – aan waarop zou moeten blijken dat de tuchtoverheid met voldoende zekerheid kennis had van het in het inleidend verslag aan verzoeker toegerekende tuchtfeit en waarvoor hij op grond van de bestreden beslissing is gestraft.

Zonder dat de Raad van State moet vaststellen welk het juiste tijdstip zou moeten zijn waarop de tuchtoverheid met voldoende zekerheid kennis had van het toegerekende tuchtfeit, wordt niet betwist dat de betekening van het inleidend verslag in de tuchtprocedure aan verzoeker op 29 maart 2013 is geschied buiten de termijn van zes maanden bedoeld in art. 56, eerste lid van de tuchtwet. Deze vaststelling wordt door de verwerende partij op geen enkel moment betwist.

11. De verwerende partij brengt hiertegen in dat zij toepassing mocht maken van de mogelijkheid om het instellen van de tuchtprocedure uit te stellen vervat in art. 56, tweede lid van de tuchtwet, omdat er een rechtstreeks verband zou bestaan tussen enerzijds het toegerekende tuchtfeit en anderzijds de feiten waarover een opsporingsonderzoek wordt gevoerd.

Uit het administratief dossier blijkt dat het opsporingsonderzoek werd gevoerd “wegens feiten die gekwalificeerd kunnen worden als omkoping en afpersing”, terwijl het aan verzoeker toegerekende tuchtvergrijp het uitoefenen van een bijberoep betrof in strijd met de deontologie van de betrokken politieambtenaar en dat overigens op zich geen misdrijf blijkt te zijn. Het lijdt geen twijfel dat de feiten in de onderscheiden procedures niet dezelfde betreffen zoals is voorgeschreven door art. 56, tweede lid van de tuchtwet: deze onderscheiden feiten zijn voorts niet dermate onlosmakelijk met elkaar verbonden dat de zekerheid betreffende het bestaan van het in strijd met de eigen deontologie zonder toelating voeren van een zaak, gedetermineerd wordt door de zekerheid betreffende het bestaan van de feiten waarover het opsporingsonderzoek liep, noch is aannemelijk gemaakt dat het precies uit dit opsporingsonderzoek is dat de gegevens moeten worden geput die de overheid in staat moeten stellen het bestaan van het toegerekende tuchtvergrijp te bewijzen (cf. voorstel van wet “houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten”, Parl.St. Kamer 1998-99, nr. 49 1965-1, p. 19).

...

De verwerende partij kan (niet) worden gevolgd in haar verweer dat op het ogenblik van haar beslissing tot toepassing van art. 56, eerste lid van de tuchtwet, de mogelijkheid bestond dat aan verzoeker meer dan één tuchtvergrijp ten laste kon worden gelegd en dat zij “op dat ogenblik en met de gegevens waarover de tuchtoverheid op dat ogenblik beschikte” niets anders kon doen dan “beslissen” tot toepassing van art. 56, tweede lid van de tuchtwet. Met dit argument maakt de verwerende partij evenwel niet aannemelijk dat zij, wat het daadwerkelijk in het inleidend verslag aan verzoeker toegerekende feit betreft, zich geen duidelijk beeld kon vormen van het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker, zonder de uitkomst van het opsporingsonderzoek af te wachten. De opschorting van de verplichting om binnen zes maanden na de kennisgeving van de feiten het inleidend verslag te betekenen, stelt de tuchtoverheid immers niet vrij van de verplichting om de zaak zelf ter hand te nemen en een onderzoek te voeren op grond van de gegevens die haar worden bezorgd en op grond van het onderzoek dat zij zelf kan voeren. Voorts kan, zoals vermeld, de enkele omstandigheid dat andere aangeklaagde feiten eventueel niet zonder nader onderzoek konden uitlopen op een inleidend verslag, omdat ze niet zonder meer aan verzoeker toerekenbaar waren, geen deugdelijke grondslag vinden om het opstellen van het inleidend verslag, beperkt tot het feit waarvoor verzoeker uiteindelijk tuchtrechtelijk werd gestraft, uit te stellen.

Evenmin ter zake dienend is het argument van de verwerende partij dat het openbaar ministerie – impliciet – haar standpunt volgde dat de tuchtprocedure best wordt uitgesteld tot op het ogenblik dat het strafdossier wordt afgesloten. Los van de vraag of het door de verwerende partij aangehouden standpunt feitelijk juist is, heeft het openbaar ministerie ter zake geen enkele (advies)bevoegdheid, zodat de tuchtoverheid er niet door gebonden kan zijn (...).

13. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing art. 56, eerste lid van de tuchtwet schendt. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 01/09/2015 - 16:08
Laatst aangepast op: di, 01/09/2015 - 16:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.