-A +A

Plaats van de kentekenplaat op een motorfiets

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 31/10/2017
A.R.: 
P.17.0381.N
Onder het hoofdstuk "Geometrische zichtbaarheid" bepaalt rubriek 6.1 van dezelfde richtlijn: "De plaats voor de montage van de kentekenplaat moet zicht-baar zijn binnen een ruimte die wordt begrensd door twee tweevlakshoeken: één met een horizontale ribbe en bepaald door twee vlakken die door de boven- en onderrand van de plaats van de montage van de plaat gaan en onder de in figuur 1 aangegeven hoeken ten opzichte van de horizontale ribbe staan, de andere met een vrijwel verticale ribbe en bepaald door twee vlakken die door de zijranden van de plaat gaan en die onder de in figuur 2 aangegeven hoeken ten opzichte van het middenlangsvlak staan."
 
Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat de plaats waar de kentekenplaat op het voertuig moet worden aangebracht, deze is bepaald in rubriek 2 van de voormelde richtlijn en gelegen moet zijn tussen de langsvlakken die gaan door de punten waar het voertuig het breedst is, terwijl de rubriek 6.1 enkel betrekking heeft op de voorwaarden van geometrische zichtbaarheid aan dewelke die plaatsing moet voldoen.
 
Hieruit volgt dat de kentekenplaat op een motorfiets niet noodzakelijk moet geplaatst worden in het midden van de achterzijde, maar ook links van het achterwiel kan geplaatst worden op voorwaarde dat die plaats gelegen is tussen de langsvlakken die gaan door de punten waar het voertuig het breedst is en de geometrische zichtbaarheid bepaald in rubriek 6.1 gewaarborgd is.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.17.0381.N
PROCUREUR DES KONINGS OOST-VLAANDEREN, AFDELING OU-DENAARDE,
eiser,
tegen
A V A V C,
beklaagde,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 3 maart 2017.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het verzoekschrift

1. Artikel 24 van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtsple-ging voor het Hof van Cassatie in strafzaken heeft artikel 422 Wetboek van Straf-vordering vervangen en voorziet daardoor niet meer in de mogelijkheid een ver-zoekschrift houdende de middelen tot cassatie neer te leggen op de griffie van het hof van beroep of van de rechtbank die het bestreden arrest of vonnis heeft gewe-zen, bij het doen van de verklaring van beroep in cassatie of binnen de vijftien volgende dagen.

Het door de eiser ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, neergelegde verzoekschrift is niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van de memorie

2. De verweerder voert in zijn memorie van antwoord aan dat de memorie van de eiser hem niet werd meegedeeld en bijgevolg niet ontvankelijk is.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat op 19 april 2017 ter griffie van het Hof een bewijs van aangetekende zending aan de ver-weerder werd ontvangen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Eerste middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, bijlage I van Richtlijn 2009/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de montageplaats voor de achterkentekenplaat van twee- of driewieli-ge motorvoertuigen, zoals hier van toepassing (hierna: Richtlijn 2009/62/EG) en artikel 29, eerste en tweede lid, Koninklijk Besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (hierna: KB Inschrijving Voertuigen): het bestreden vonnis oordeelt, in strijd met de regel dat indien een voertuig beschikt over een plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat de kentekenplaat op deze plaats moet worden vastgemaakt, dat de fabrikant van het type van motorfiets op ver-zoek van de klant een andere montageplaats voor de achterkentekenplaat mag maken dan degene die voor het type is voorzien en door de bijlage I van Richtlijn 2009/62/EG wordt opgelegd.

5. Het middel preciseert niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 149 Grondwet schendt.

In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

6. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt het bestreden vonnis niet dat de fabrikant op verzoek van de klant een andere montageplaats voor de achterkentekenplaat mag maken dan degene die voor het type voertuig is voorzien en door bijlage I van voornoemde richtlijn wordt opgelegd.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, bijlage I van Richtlijn 2009/62/EG (zoals hier van toepassing) en artikel 29, eerste en tweede lid, KB Inschrijving Voertuigen: het bestreden vonnis oordeelt dat er geen straf-rechtelijke sanctionering bestaat voor het bevestigen van de kentekenplaat links op het achterwiel, terwijl de door België in artikel 29 KB Inschrijving Voertuigen uitdrukkelijk ten uitvoer gelegde bijlage I bij Richtlijn 2009/62/EG bepalingen in-houdt die voor gevolg hebben dat de achterkentekenplaat zich achteraan het koetswerk en nagenoeg in het midden moet bevinden.

8. Het middel preciseert niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 149 Grondwet schendt.
In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

9. Onder het hoofdstuk "Algemene plaatsing", bepaalt de bijlage I, rubriek 2 Richtlijn 2009/62/EG dat (2.1.) de montageplaats voor de achtertekenplaat zich aan de achterzijde van het voertuig bevinden, zodanig dat (2.1.1.) de plaat kan ge-plaatst worden tussen de langsvlakken die gaan door de punten waar het voertuig het breedst is.

10. Onder het hoofdstuk "Geometrische zichtbaarheid" bepaalt rubriek 6.1 van dezelfde richtlijn: "De plaats voor de montage van de kentekenplaat moet zicht-baar zijn binnen een ruimte die wordt begrensd door twee tweevlakshoeken: één met een horizontale ribbe en bepaald door twee vlakken die door de boven- en onderrand van de plaats van de montage van de plaat gaan en onder de in figuur 1 aangegeven hoeken ten opzichte van de horizontale ribbe staan, de andere met een vrijwel verticale ribbe en bepaald door twee vlakken die door de zijranden van de plaat gaan en die onder de in figuur 2 aangegeven hoeken ten opzichte van het middenlangsvlak staan."

11. Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat de plaats waar de kente-kenplaat op het voertuig moet worden aangebracht, deze is bepaald in rubriek 2 van de voormelde richtlijn en gelegen moet zijn tussen de langsvlakken die gaan door de punten waar het voertuig het breedst is, terwijl de rubriek 6.1 enkel betrekking heeft op de voorwaarden van geometrische zichtbaarheid aan dewelke die plaatsing moet voldoen. Hieruit volgt dat de kentekenplaat op een motorfiets niet noodzakelijk moet geplaatst worden in het midden van de achterzijde, maar ook links van het achterwiel kan geplaatst worden op voorwaarde dat die plaats gelegen is tussen de langsvlakken die gaan door de punten waar het voertuig het breedst is en de geometrische zichtbaarheid bepaald in rubriek 6.1 gewaarborgd is.

12. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Het bestreden vonnis oordeelt dat:

- niet blijkt dat de plaatsing van de kentekenplaat linkszij op het achterwiel in strijd zou zijn met de Europese regelgeving;
- de richtlijn 2009/62/EG niet bepaalt dat de kentekenplaat zich in het midden van het voertuig achteraan moet bevinden;
- het vereiste van plaatsing loodrecht op het middenlangsvlak betrekking heeft op de hellingsgraad en niet impliceert dat de plaat dient te worden bevestigd in het midden van het vlak;
- de gegevens in het strafdossier niet toelaten te besluiten dat de nummerplaat werd aangebracht buiten de wettelijke grenzen zoals hierboven omschreven, meer bepaald buiten de langsvlakken die gaan van de punten waar het voertuig het breedst is;
- niet aangetoond is dat de helling van de nummerplaat niet correct zou zijn.

Op grond van die redenen is de beslissing naar recht verantwoord.

14. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbaar oordeel door het bestreden vonnis dat de kentekenplaat op het voertuig is aangebracht op een plaats die overeenstemt met de bepalingen van de rubrieken 2 en 6 van de Richt-lijn 2009/62/EG.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Bepaalt de kosten op 81,98 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,  en op de openbare rechtszitting van 31 oktober 2017 uitgesproken 

P.17.0381.N
Conclusie van advocaat-generaal Decreus:

FEITEN EN PROCEDUREVERLOOP

Op 14 juni 2015 stelde de politie van de zone Brakel naar aanleiding van een motortreffen te Brakel vast dat de verweerder reed met een motorfiets waarop de kentekenplaat linkszij bij de achteras was gemonteerd.

De politie stelde proces-verbaal op, gelet op het feit dat de montering van de kentekenplaat niet reglementair was en informeerde bij de producent van de motorfiets hoe het betrokken voertuig werd geproduceerd met betrekking tot de montageplaats voor de kentekenplaat. De producent bevestigde dat de voorziene montageplaats voor de kentekenplaat zich steeds in het midden achteraan bevond maar gaf wel toe, gebeurlijk op vraag van de klant, de kentekenplaat elders te bevestigen.

De verweerder werd voor deze feiten gedagvaard voor de politierechtbank Oost-Vlaanderen afdeling Oudenaarde, zitting van 24 juni 2016. Naast andere telastleggingen werd ter zake onder de telastlegging C. een inbreuk weerhouden op artikel 29 van het KB van 20 juli 2001 op de inschrijving van de motorvoertuigen, betreffende de bevestigingsplaats van de kentekenplaat.

Op 14 oktober 2016 werd de verweerder door de politierechtbank voor alle telastleggingen schuldig verklaard en veroordeeld tot een geldboete.
De verweerder tekende op 10 november 2016 beroep aan en werd door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, op 3 maart 2017 voor alle telastleggingen vrijgesproken.

Het cassatieberoep van 14 maart 2017 door de eiser is gericht tegen de beschikkingen in verband met de telastlegging C. van het vonnis met nummer 2017/156 van de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen afdeling Oudenaarde, kamer 03, kamer met drie rechters, van 3 maart 2017 en de eiser legde op 14 maart 2017 een verzoekschrift houdende zijn cassatiemiddelen neer en op 13 april 2017 een memorie in cassatie; de verweerder legde op 26 mei 2017 een antwoordmemorie neer.

OVER DE ONTVANKELIJKHEID

Het huidige artikel 422 Wetboek van Strafvordering voorziet niet meer in de mogelijkheid een verzoekschrift houdende de middelen tot cassatie neer te leggen op de griffie van het hof van beroep of van de rechtbank die het bestreden arrest of vonnis heeft gewezen bij het doen van de verklaring van beroep in cassatie of binnen de vijftien volgende dagen. Het door de eiser ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, neergelegde verzoekschrift is niet ontvankelijk.

De verweerder voert in zijn memorie van antwoord aan dat de memorie van de eiser hem niet werd meegedeeld en bijgevolg niet ontvankelijk is. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan blijkt dat op 19 april 2017 ter griffie van het Hof een bewijs van aangetekende zending aan de verweerder werd ontvangen. De memorie is ontvankelijk.

OVER HET EERSTE MIDDEL

Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, bijlage I van Richtlijn 2009/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de montageplaats voor de achterkentekenplaat van twee- of driewielige motorvoertuigen (hierna: Richtlijn 2009/62/EG - zoals van toepassing(1)) en artikel 29, eerste en tweede lid, Koninklijk Besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (hierna: KB Inschrijving Voertuigen): het bestreden vonnis oordeelt dat de fabrikant van het type van motorfiets op verzoek van de klant een andere montageplaats voor de achterkentekenplaat mag maken dan degene die voor het type is voorzien en door de bijlage I bij de Europese Richtlijn wordt opgelegd en aangezien artikel 29, eerste lid, KB Inschrijving Voertuigen bepaalt dat indien een voertuig beschikt over een plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat deze plaat op die plaats dient te worden vastgemaakt, betekent het aanvaarden van het voorzien van een andere plaats door de fabrikant een schending van dit artikel 29 lid 1 en ook van artikel 29 lid 2 dat deze plaats aanvullend bepaalt volgens de bijlage I bij de Europese Richtlijn 2009/62/EG.

In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 149 Grondwet schendt, is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk.

Het bestreden vonnis oordeelt niet zoals in het middel opgeworpen zoals blijkt uit de lezing van de redenen van het vonnis zoals infra weergegeven bij de bespreking van het tweede middel en mist feitelijke grondslag.

OVER HET TWEEDE MIDDEL

Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, bijlage I van Richtlijn 2009/62/EG (zoals van toepassing) en artikel 29, eerste en tweede lid, KB Inschrijving Voertuigen: het bestreden vonnis oordeelt dat er geen strafrechtelijke sanctionering bestaat voor het bevestigen van de kentekenplaat links op het achterwiel, terwijl de door België in artikel 29 KB Inschrijving Voertuigen uitdrukkelijk ten uitvoer gelegde bijlage I bij Richtlijn 2009/62/EG (zoals van toepassing) bepalingen (§2 algemene plaatsing en §6 geometrische zichtbaarheid) inhoudt die voor gevolg hebben dat de achterkentekenplaat zich achteraan het koetswerk en nagenoeg in het midden moet bevinden.

Voor wat betreft motorfietsen bepaalt artikel 29 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen:

"Indien het voertuig beschikt over een plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat, dient de kentekenplaat op deze plaats vastgemaakt te worden.

Indien het voertuig niet beschikt over een specifieke plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat, dient de kentekenplaat aangebracht te worden overeenkomstig de bepalingen van: (...) paragraaf 2 tot en met paragraaf 6 van de bijlage van Richtlijn 2009/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de montageplaats voor de achterkentekenplaat van twee- of driewielige motorvoertuigen, voor de voertuigen van categorieën L, overeenkomstig de begripsomschrijvingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen en van artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen".

Vóór de wijziging door artikel 2, 1° tot 3° van het koninklijk besluit van 7 maart 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen(2) luidde voormeld artikel 29, lid 1 als volgt: "Indien het voertuig beschikt over een plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat, in de zin van de bovengenoemde Richtlijn 70/222/EEG of 74/151/EEG of 2009/62/EG, dient de kentekenplaat op deze plaats vastgemaakt te worden".

De vraag rijst of de regelgever met de tekstwijziging door het KB van 7 maart 2012 ook een inhoudelijke wijziging van de strekking van artikel 29, eerste lid, KB Inschrijving Voertuigen heeft beoogd. Hieromtrent is geen directe verdere informatie te vinden. Het KB is niet vergezeld van een verslag aan de Koning en ook het advies van de Raad van State brengt geen duidelijkheid.

In het voordeel van een interpretatie van deze tekstwijziging als een inhoudelijke aanpassing van de regelgeving pleit vooreerst het principe van de strikte interpretatie van de strafwet: het KB vereist slechts dat het voertuig beschikt over een plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat, zonder hier verdere vereisten aan te koppelen. Wanneer men zijn kentekenplaat op de voorziene plaats aanbrengt, is men volgens deze interpretatie niet strafbaar.

Daarnaast kan ook het argument worden aangehaald dat deze wijziging zinloos zou zijn indien de regelgever geen inhoudelijke aanpassing van de regel beoogde.

Waar men zou kunnen opwerpen dat het schrappen van de verwijzing naar de richtlijnen in de tekst de doelstelling had het werk van de regelgever te vereenvoudigen door niet steeds het KB te moeten aanpassen bij gewijzigde Europese wetgeving daaromtrent, wordt dit argument onderuit gehaald door het tweede lid van artikel 29 KB Inschrijving Voertuigen (dat eveneens wordt gewijzigd door het KB van 7 maart 2012). In het tweede lid wordt immers nog steeds uitdrukkelijk verwezen naar de geldende Europese regels omtrent de plaats van het kenteken en een aanpassing van het KB blijft dus hoe dan ook noodzakelijk bij gewijzigde Europese normen. In dit licht is het waarschijnlijker dat de regelgever wilde opteren voor een vereenvoudiging van het systeem voor de consument door als regel te poneren dat wanneer er een plaats is voorzien voor het aanbrengen van het kenteken, hij er ook vanuit mag gaan dat dit de correcte plaats is om dit te doen en het kenteken daar mag/moet aanbrengen.

Onder "een plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat" dient de plaats te worden verstaan die door de constructeur van het voertuig voorzien is voor het aanbrengen van de kentekenplaat. Inzake die plaats is de Richtlijn 2009/62/EG voor de voertuigen van categorieën L van toepassing. Voertuigen die evenwel vóór de geldende bepalingen in gebruik werden genomen of werden geïmporteerd uit landen buiten de EG moeten daaraan niet voldoen maar dan dient de door de constructeur voorziene plaats te worden gebruikt(3).

Het begrip "nummerplaat" is in het KB Inschrijving Voertuigen niet gedefinieerd, net zo min als in het Internationaal Verdrag inzake het Wegverkeer dat in artikel 36 wel het begrip "kenteken" gebruikt. In de algemene taal betekent "nummerplaat": "plaat aan gemotoriseerde voertuigen waarop het kenteken staat"(4). Een kentekenplaat is volgens artikel 1, 20° KB Inschrijving Voertuigen: "Een officiële nummerplaat door de Directie Wegverkeer uitgereikt krachtens artikel 22, voorzien van een opschrift, een reliëfstempel en van door de leidend ambtenaar te bepalen veiligheidselementen". Wanneer het begrip "kentekenplaat" in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 wordt gebruikt, slaat deze bepaling alleen op de in België ingeschreven motorvoertuigen en niet op de in het buitenland ingeschreven voertuigen. Wanneer het begrip "nummerplaat" in het koninklijk besluit wordt gebruikt, slaat deze bepaling op alle motorvoertuigen(5).

De Richtlijn 2009/62/EG draagt als titel "betreffende de montageplaats voor de achterkentekenplaat van twee- of driewielige motorvoertuigen" en vermeldt in bijlage I, 2: "Algemene plaatsing. 2.1 De montageplaat voor de achterkentekenplaat moet zich aan de achterzijde van het voertuig bevinden, zodanig dat 2.1.1 de plaat geplaatst kan worden tussen de langsvlakken die gaan door de punten waar het voertuig het breedst is" (eigen onderlijning).
Rubriek 35 van bijlage I bij deze Richtlijn stelt dat de plaats voor bevestiging van de achterste kentekenplaat in overeenstemming moet zijn met Richtlijn 93/94/EEG, die werd opgeheven en vervangen door Richtlijn 2009/62/EG(6).

Rubriek 6.1 van bijlage I van deze Richtlijn bepaalt: "De plaats voor de montage van de kentekenplaat moet zichtbaar zijn binnen een ruimte die wordt begrensd door twee tweevlakshoeken: één met een horizontale ribbe en bepaald door twee vlakken die door de boven- en onderrand van de plaats voor de montage van de plaat gaan en onder de in figuur 1 aangegeven hoeken ten opzichte van de horizontale ribbe staan; de andere met een vrijwel verticale ribbe en bepaald door twee vlakken die door de zijranden van de plaat gaan en die onder de in figuur 2 aangegeven hoeken ten opzichte van het middenlangsvlak staan."(7)

Artikel 13.1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen, definieert de "kentekenplaatverlichting" als "de inrichting die dient om de achterste kentekenplaat van het voertuig te verlichten" en bepaalt in artikel 14, 2, §6 voor de kentekenplaatverlichting voor motorfietsen: "De kentekenplaatverlichting moet 's nachts op een afstand van 20 m achter het voertuig gelezen kunnen worden waarbij de lichtbron van achteraan niet mag worden waargenomen".

Volgens de rechtsleer krijgt elk nieuw ingeschreven voertuig in principe één nummerplaat die correct aan het voertuig moet worden aangebracht: achteraan komt de officiële nummerplaat en vooraan (en op andere plaatsen) een reproductie. Gewoonlijk voorziet de fabrikant van het voertuig in een specifieke plaats voor de nummerplaat, wat niet altijd zo is omdat de ruimte daarvoor bijvoorbeeld te klein is in welk geval specifieke plaatsingsvoorschriften gelden(8).

Elke motorfiets heeft een voorzijde, een achterzijde, een linker- en een rechterzijde. De regelgever vertrekt duidelijk van de premisse dat de officiële kentekenplaat uitsluitend aan de achterzijde van de motorfiets moet worden aangebracht én verlicht om de identificatie van het voertuig mogelijk te maken.

Hiermee is ook duidelijk dat de actuele tekst van artikel 29, lid 1, voormeld geen vrijgeleide biedt om de officiële kentekenplaat van een motorfiets aan de linker- of rechterzijde te bevestigen, zelfs al gaat het om een haakse plaatsing waarbij de kentekenplaat naar achter is gericht, wat meebrengt dat de kentekenplaat maar langs één zijde zou kunnen worden opgemerkt, zijnde een euvel dat zich niet stelt bij een plaatsing van de kentekenplaat aan de achterzijde.

Oordelen dat de bepaling van artikel 29, lid 1 "Indien het voertuig beschikt over een plaats voor het aanbrengen van een kentekenplaat, dient de kentekenplaat op deze plaats vastgemaakt te worden" zou betekenen dat die plaats zich om het even waar op de motorfiets zou kunnen situeren om dan, enkel bij afwezigheid aan een dergelijke bevestigingsplaats, artikel 29, lid 2 van toepassing te achten, botst met de logica en het doel dat de regelgever voor ogen heeft.

Het bestreden vonnis stelt vast en oordeelt dat:
- de nummerplaat op de linkerzijde van het voertuig bevestigd was ("linkszij op het achterwiel");
- niet is aangetoond dat de kentekenplaat zich op een andere plaats bevond dan waar dit voor dit type voorzien was;
- uit de telefonische contactname van de politie met Harley Davidson blijkt dat het mogelijk is dat op vraag van de klant de nummerplaat bevestigd wordt op een andere plaats dan in het midden op de achterzijde;
- daarnaast niet blijkt dat de plaatsing van de kentekenplaat in strijd is met de Europese regelgeving omdat de Richtlijn niet bepaalt dat de plaat zich in het midden van het voertuig achteraan moet bevinden;
- hoewel de plaat iets naar voren werd geplaatst en zich dus niet op het uiterste einde van de achterkant bevindt, dit nog steeds te beschouwen is als aan de achterzijde van het voertuig.

De rechter oordeelt onaantastbaar waarbij uw Het Hof enkel nagaat of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

Uit de vaststelling van het bestreden vonnis dat de nummerplaat op de linkerzijde van het voertuig bevestigd was ("linkszij op het achterwiel") "), op vraag van een koper terwijl initieel door de fabrikant een plaats achteraan was voorzien, kan alleen maar worden geconcludeerd dat deze plaatsing van de plaat in strijd is met de supra aangehaalde bepalingen; de verdere interpretaties en beschouwingen van het bestreden vonnis kunnen niet verhelpen aan de objectieve vaststelling van de appelrechters dat de nummerplaat niet aan de achterzijde van de motorfiets werd aangebracht.

Op grond van die redenen supra vermeld oordeelt het bestreden vonnis dat de kentekenplaat op de motorfiets niet buiten de wettelijke grenzen werd aangebracht.

Aldus schendt het bestreden vonnis de vermelde bepalingen.

Conclusie: vernietiging van de bestreden beslissing in zoverre ze de verweerder vrijspreekt voor de telastlegging C en verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
_______________________
(1) De feiten dateren van 14 juni 2015. Richtlijn 2009/62/EG werd ingetrokken met ingang van 1 januari 2016 en vervangen door Verordening 168/2013/EU van 15 januari 2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers, Pb. L 60 van 2 maart 2013.
(2) BS 20 maart 2012 (ed. 2).
(3) I. BRUGGEMAN, Inschrijving van voertuigen, Postal Memorialis, memo verkeer, Het Wegverkeer, 35e addendum, oktober 2012, p. 72-73; E. VAN DEN HEUVEL, Inschrijving van voertuigen, Postal Memorialis - 121 - 1 december 2013, 1 50 /124.87 - 95.
(4) Van Dale online woordenboek.
(5) I. BRUGGEMAN, Inschrijving van voertuigen, Postal Memorialis, memo verkeer, Het Wegverkeer, 35e addendum, oktober 2012, p. 14-15.
(6) Thans: Bijlage II bij Vo. (EU) nr. 168/2013, nr. C-13; in toepassing van artikel 18 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 44/2014 van de Commissie van 21 november 2013 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (Pb.L. 25 van 28 januari 2014) moet de ruimte voor de kentekenplaat worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage XIV bij deze Verordening.
(7) Thans: Bijlage XIV bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 44/2014 van de Commissie van 21 november 2013 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (Pb.L. 25 van 28 januari 2014), waarvan punt ‘1.6.4.4.Geometrische zichtbaarheid' luidt als volgt:
"1.6.4.4.1. De voor- en achterplaten moeten zichtbaar zijn in de gehele ruimte die door de volgende vier vlakken wordt begrensd:
- de twee verticale raakvlakken aan de twee zijranden van de plaat, die naar de linker- en de rechterkant van de plaat een naar buiten gemeten hoek van 30° vormen ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig;
- het raakvlak aan de bovenrand van de plaat, dat een naar boven gemeten hoek van 15° met de horizontaal vormt;
- het horizontale vlak door de onderrand van de plaat.
De voorplaat moet zichtbaar zijn vanaf de voorkant van het voertuig en de achterplaat moet zichtbaar zijn vanaf de achterkant van het voertuig.
1.6.4.4.2. In de hierboven beschreven ruimte mag zich geen structureel element bevinden, zelfs niet indien het volledig doorzichtig is."
(8) X., "Plaatsing nummerplaat. Koninklijk besluit van 7 maart 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (BS 20 maart 2012)", NJW 4 april 2012, 246.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/01/2018 - 10:50
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 10:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.