-A +A

Piraterij als onmenselijk misdrijf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 07/11/2017
A.R.: 
P.17.0727.N

Artikel 33, eerste lid, Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij bestraft diegene die zich door bedrog, geweld of bedreigingen jegens de kapitein meester maakt van het schip.

Artikel 34, tweede lid, Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij schrijft voor dat de in het eerste lid bepaalde straffen van toepassing zijn op de schuldigen die lichamelijke foltering hebben gepleegd.

Artikel 347bis, § 4, 2°, Strafwetboek bestraft een door die bepaling omschreven gijzeling waarbij de gijzelaars zijn onderworpen aan de handelingen bedoeld door artikel 417ter, eerste lid, Strafwetboek.

De omstandigheid dat er bij het door artikel 33, eerste lid, Tucht- en Straf-wetboek Koopvaardij en Zeevisserij bedoelde misdrijf, desgevallend met de verzwarende omstandigheid van artikel 34, tweede lid, Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij, handelingen worden gesteld als bedoeld door artikel 417ter, eerste lid, Strafwetboek, sluit de toepassing niet uit van artikel 347bis, § 4, 2°, Wetboek van Strafvordering.

Artikel 417bis, 2°, Strafwetboek omschrijft een onmenselijke behandeling als elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem uit te oefenen of om hem of derden te intimideren.

Artikel 417bis, 1°, Strafwetboek omschrijft als foltering elke opzettelijke onmen-selijke behandeling die hevige pijn of ernstig of vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt.

Uit de in artikel 417bis, 1° en 2°, Strafwetboek gehanteerde omschrijvingen impliceert dat er bij foltering niet noodzakelijk sprake moet zijn van hevige fysieke pijn bij de slachtoffers: ook het opzettelijk toebrengen van intense psychische pijn in de zin van ernstig en vreselijk geestelijk lijden kan worden beschouwd als foltering;

Aldus kan er bij het misdrijf gijzeling ook foltering worden weerhouden worden hoewel uit niets blijkt dat de gijzelaars werden onderworpen aan een individuele fysieke tortuur wanneer er daarentegen wel sprake was van opzettelijk een extreme psychische en mentale terreur, zoals bedreigingen, vuurwapens tegenhethoofd.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. P.17.0727.N
I
M A H,
beklaagde, aangehouden,
eiser,

tegen
1. BAGGERWERKEN DECLOEDT & ZOON nv, met zetel te 8400 Oostende, Slijkensesteenweg 2,
burgerlijke partij,
2. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL nv, met zetel te 9308 Aalst (Hofstade), Tragel 60,
burgerlijke partij,
3. DREDGING, ENVIRONMENTAL & MARINE ENGINEERING (DE-ME) nv, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Haven 1025, Scheldedijk 30,
burgerlijke partij,
4. HERBOSCH-KIERE nv, met zetel te 9130 Beveren (Kallo), Sint Jansweg 7, Haven 1558,
burgerlijke partij,
5. DREDGING INTERNATIONAL nv, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Haven 1025, Scheldedijk 30,
burgerlijke partij,
6. SOCIETA ITALIANA ASSICURAZIONI TRASPORTI S.I.A.T SpA, met zetel te 16121 Genua (Italië), Via V Dicembre 3,
burgerlijke partij,
7. ZURICH VERSICHERUNGS ag, met zetel te 60486 Frankfurt am Main (Duitsland), Solmstrasse 27-37,
burgerlijke partij,
8. AXA BELGIUM (AXA BELGIUM MARINE) nv, met zetel te 1170 Brus-sel, Vorstlaan 25 en te 4000 Luik, Boulevard d'Avroy 39,
burgerlijke partij,
9. ASSURANCES CONTINENTALES - CONTINENTALE VERZEKE-RINGEN (ASCO) nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 5,
burgerlijke partij,
10. GENERALI ASSURANCES IARD, met zetel te 75456 Parijs (Frankrijk), Boulevard Hausmann 7,
burgerlijke partij,
11. AXA CORPORATE SOLUTIONS sa, met zetel te 75426 Parijs (Frankrijk), Rue Jules Lefebvre 4,
burgerlijke partij,
12. AMLIN CORPORATE INSURANCE nv, met zetel te 1183 AT Amstel-veen (Nederland) Prof. H.J.Bavincklaan, en met zetel te 1000 Brussel, E. Jac-qmainlaan 53,
burgerlijke partij,
13. TOKIO MARINE KILN GROUP Ltd, met zetel te EC3M5NR Londen (Verenigd Koninkrijk), Fenchurch Street 106,
burgerlijke partij,
14. BALOISE BELGIUM nv, als rechtsopvolgster van MERCATOR nv, die zelf de rechtsopvolgster is van AVERO SCHADEVERZEKERINGEN BE-NELUX nv, met zetel te 3707NH Zeist (Nederland), Handelsweg 2 en met zetel te 1200 Brussel, Woluwedal 64,
burgerlijke partij,
15. MUTUAL INSURANCE ASSOCIATION "MUNIS" U.A., met zetel te 2585DB 's Gravenhage (Nederland), Alexanderveld 84,
burgerlijke partij,
16. H T,
burgerlijke partij,
17. M T,
burgerlijke partij,
18. D T,
burgerlijke partij,
verweerders.

II
M A M,
beklaagde, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 2 juni 2017.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerders I, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook gericht tegen de beslissingen op de door de verweerders I tegen de eiser I gerichte burgerlijke rechtsvorderingen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Middelen van de eiser I

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 33 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij (hierna Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij): het arrest kan de eiser I niet schuldig verklaren aan gijzeling met de verzwarende omstan-digheid van foltering, aangezien het gebruik van psychisch geweld en bedreigin-gen valt onder het vermelde en alomvattende artikel 33 Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij, dat alle vormen van geweld, bedreiging of bedrog viseert.

3. Artikel 33, eerste lid, Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij bestraft diegene die zich door bedrog, geweld of bedreigingen jegens de kapitein meester maakt van het schip.

Artikel 34, tweede lid, Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij schrijft voor dat de in het eerste lid bepaalde straffen van toepassing zijn op de schuldigen die lichamelijke foltering hebben gepleegd.

Artikel 347bis, § 4, 2°, Strafwetboek bestraft een door die bepaling omschreven gijzeling waarbij de gijzelaars zijn onderworpen aan de handelingen bedoeld door artikel 417ter, eerste lid, Strafwetboek.

4. De omstandigheid dat er bij het door artikel 33, eerste lid, Tucht- en Straf-wetboek Koopvaardij en Zeevisserij bedoelde misdrijf, desgevallend met de verzwarende omstandigheid van artikel 34, tweede lid, Tucht- en Strafwetboek Koopvaardij en Zeevisserij, handelingen worden gesteld als bedoeld door artikel 417ter, eerste lid, Strafwetboek, sluit de toepassing niet uit van artikel 347bis, § 4, 2°, Wetboek van Strafvordering.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

5. Het middel voert miskenning aan van het motiveringsbeginsel: het arrest dat foltering als verzwarende omstandigheid van de door de telastlegging A bedoelde gijzeling aanneemt, hanteert voor dat oordeel niet de omschrijving van foltering, maar wel van onmenselijke behandeling; op geen enkele wijze omschrijft het arrest de intensiteit van de daden van foltering zodat het niet aangeeft waarom de handelingen meer dan een onmenselijke behandeling uitmaken; aldus bevat het arrest geen eigen redengeving die het dictum ervan verantwoordt en het wettig-heidstoezicht door het Hof mogelijk maakt.

6. Artikel 417bis, 2°, Strafwetboek omschrijft een onmenselijke behandeling als elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of licha-melijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem uit te oefenen of om hem of derden te intimideren.

Artikel 417bis, 1°, Strafwetboek omschrijft als foltering elke opzettelijke onmen-selijke behandeling die hevige pijn of ernstig of vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt.

7. Het arrest oordeelt met betrekking tot de verzwarende omstandigheid van de foltering als volgt:

- gelet op de in artikel 417bis, 1° en 2°, Strafwetboek gehanteerde omschrijvin-gen impliceert foltering niet noodzakelijk dat er sprake moet zijn van hevige fysieke pijn bij de slachtoffers: ook het opzettelijk toebrengen van intense psy-chische pijn in de zin van ernstig en vreselijk geestelijk lijden kan worden be-schouwd als foltering;

- hoewel niet blijkt dat de gijzelaars werden onderworpen aan een individuele fysieke tortuur, blijkt uit de gegevens van het strafdossier dat de piratengroepe-ring onder leiding van de eiser I tijdens de gijzeling van de bemanningsleden wel degelijk opzettelijk een extreme psychische en mentale terreur hebben uit-geoefend op de gijzelaars en dat deze laatsten dit tijdens de gijzeling opzettelijk toegebracht ernstig en vreselijk geestelijk lijden bewust hebben ondergaan;

- uit de geloofwaardige verklaring van de verweerder I.16 kan worden afgeleid dat hij door de Somalische kapers met de dood werd bedreigd, waarbij zij meermaals een vuurwapen op zijn hoofd richtten. Op een gegeven ogenblik tijdens de tocht naar de Somalische territoriale wateren werd de kapitein door de kapers zelfs buiten de stuurhut gesleurd, waarbij zij hem met een vuurwapen tegen het hoofd bedreigden daarbij aangevend dat ze hem zouden vermoorden indien ze de volgende dag Somalië niet zouden bereiken. Op de tweede anker-plaats vroegen de piraten zelfs aan een Filipijns bemanningslid om de kapitein te doden;

- uit het dagboek van J L blijkt voorts dat hij bij het begin van de gijzeling de dood in de ogen heeft gezien toen hij, naar aanleiding van een incident waarbij hij wilde vermijden dat de kapers zijn polshorloge zouden afhandig maken, door een van de kapers een zware stamp in de rug kreeg en bij de daarop volgende discussie door de knieën zakte, waarop een van de Somalische piraten een andere piraat toeriep om hem te doden. J L smeekte daarop voor zijn leven, waarna hij pas na meerdere minuten besefte dat hij niet zou worden doodgeschoten en dat het aldus een schijnexecutie betrof. Tijdens de verdere gijzeling werd J L nog meermaals geconfronteerd met de bewuste Somalische piraat die hem vaak panische angst inboezemde en die bijvoorbeeld op dag 62, toen J L in de mast diende te klimmen om een stuk touw dat in de scanner van de radar was terechtgekomen te verwijderen, zijn vuurwapen op scherp stelde teneinde J L in dit verband tot spoed aan te manen;

- door dergelijke opzettelijk gepleegde extreme wandaden staat het buiten kijf dat de bemanning van de Pompeï gedurende de volledige gijzeling onder een soms manifeste maar in elk geval immer latente doodsangst leefde, te meer daar de Somalische piraten ook vaak hun vuurwapens gebruikten en er meermaals werd geschoten;

- J L gewaagt in zijn dagboek van maagkrampen, angstaanvallen, slapeloosheid en nachtmerries, terwijl ook blijkt dat hijzelf en vooral de eerste stuurman er tijdens de gijzeling onderdoor ging, constant vreesde dat hij door de Somaliërs zou worden geëxecuteerd en al snel een psychisch wrak werd;

- de gijzelaars werden aldus wel degelijk opzettelijk onderworpen aan een inten-se psychische pijn die als een vorm van ernstig en vreselijk geestelijk lijden moet worden beschouwd;

- dat is te meer het geval gelet op de lange duurtijd van de gijzeling, namelijk 72 dagen;

- de organisatoren en de leiders van de gijzeling beseften terdege dat de gijzelaars, die niet alleen psychisch werden gefolterd, maar ook gedurende meer dan twee maanden werden verstoken van enig contact met hun familie of de rest van de buitenwereld, mentaal en psychisch zouden worden gebroken;

- daarbij komt dat de situatie op het schip tijdens de lange periode van gijzeling ronduit verschrikkelijk was: de piratenbewakers roofden en plunderden syste-matisch het schip en zijn bemanning, die vaak onder schot werd gehouden, ze liepen constant zwaarbewapend rond terwijl ze drugs kauwden en overal rond spuwden, tot afgrijzen van de bemanning geiten aan boord werden gebracht, die werden geslacht, waarbij zij het slachtafval lieten rondslingeren;

- de bemanningsleden werden meermaals gedwongen om in de enge ruimte van slechts enkele vierkante meter van de brug van het schip op de grond te slapen, terwijl bepaalde bemanningsleden waaronder de kapitein en de eerste stuurman zelfs constant op de brug de nacht dienden door te brengen.

Aldus vermeldt het arrest zonder het Hof te beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen de redenen op grond waarvan het de verzwarende omstandigheid van de foltering bewezen acht en verantwoordt het die beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve middel met betrekking tot de eiser II

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 203 Wetboek van Strafvordering

8. Artikel 203 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het recht van hoger be-roep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak indien het een op tegenspraak gewezen vonnis betreft.

9. Artikel 204, eerste en vierde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het hoger beroep op straffe van verval nauwkeurig de grieven dient aan te geven die tegen het vonnis worden ingebracht en dat deze bepaling ook geldt voor het openbaar ministerie.

10. De saisine van het appelgerecht wordt in de eerste plaats bepaald door de inhoud van de verklaring van hoger beroep. Binnen de grenzen van de aan de hand van die verklaring van hoger beroep bepaalde saisine van het appelgerecht, wordt die saisine dan verder bepaald door de grieven die de appellant overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering aanvoert.

11. De grieven die een appellant overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering aanvoert buiten de saisine zoals die volgt uit de door hem afgeleg-de verklaring van hoger beroep, zijn niet ontvankelijk.

12. Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen. Het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiser II met het beroepen vonnis werd vrijgesproken voor de telastleggingen A, B en C (voor de periode van 1 april 2006 tot en met 31 december 2007) en na heromschrijving van de telastlegging C (voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 oktober 2013) van leidend persoon van een criminele organisatie (inbreuk op artikel 324ter, § 4, Strafwetboek) naar het deelnemen aan het ne-men van welke beslissing ook van een criminele organisatie (inbreuk op artikel 324ter, § 3, Strafwetboek) werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van 650,00 euro;

- de federaal procureur op 5 april 2016 hoger beroep heeft aangetekend tegen het op 14 maart 2016 wat betreft de eiser II op tegenspraak gewezen vonnis door het afleggen van een verklaring ter griffie van het gerecht dat het beroepen vonnis heeft gewezen en dit volgens de bewoordingen van de verklaring "te-gen de strafmaat en het niet uitspreken omtrent de bijzondere verbeurdverkla-ring";

- de federaal procureur op 5 april 2016 op de griffie van het gerecht dat het be-roepen vonnis heeft gewezen een grievenformulier, opgesteld volgens het bij koninklijk besluit van 18 februari 2016 bepaalde model, heeft ingediend waar-bij wat betreft de eiser II de rubrieken 1.4 (strafmaat) en 1.7 (verbeurdverkla-ring) waren aangekruist;

- de federaal procureur op 5 april 2016 tevens een verzoekschrift hoger beroep heeft ingediend ter griffie van het gerecht dat het beroepen vonnis heeft gewe-zen, waarin, rekening houdend met de verbetering van een materiële verschrij-ving, wordt aangegeven dat met betrekking tot de eiser II de federaal procureur zich gegriefd acht door de beslissing met betrekking tot de verbeurdverklaring en de strafmaat en dit met de toevoeging: "Mijn ambt heeft een gevangenisstraf van 10 jaar gevorderd lastens (de eiser II). De rechtbank heeft betrokkene tot 5 jaar veroordeeld."

14. Het arrest oordeelt op de volgende gronden dat de federaal procureur te kennen geeft dat hij zich gegriefd acht door de heromschrijving van de telastleg-ging C (voor de bewezen verklaarde periode) van leidend persoon van een crimi-nele organisatie naar het deelnemen aan het nemen van welke beslissing ook van een criminele organisatie, zodat die oorspronkelijke kwalificatie onder de saisine van het appelgerecht valt:

- de federaal procureur heeft geen grieven aangevoerd met betrekking tot de voor de telastleggingen A, B en C (voor de periode van 1 april 2006 tot en met 31 december 2007) verleende vrijspraak;

- de federaal procureur geeft wel aan dat hij zich voor wat betreft de telastleg-ging C (bewezen verklaarde periode) gegriefd voelt doordat de eerste rechter de eiser II slechts veroordeelt tot een gevangenisstraf van vijf jaar;

- aangezien de maximumgevangenisstraf voor de gecorrectionaliseerde misdaad van deelname aan het nemen van welke beslissing ook van een criminele orga-nisatie vijf jaar bedraagt, geeft het openbaar ministerie aldus noodzakelijk te kennen gegriefd te zijn doordat de eerste rechter niet de maximumgevangenis-straf heeft opgelegd voor de gecorrectionaliseerde misdaad zoals oorspronkelijk gekwalificeerd, namelijk van leidend persoon van een criminele organisatie welke volgens die kwalificatie kan leiden tot een gevangenisstraf van tien jaar (voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 oktober 2013).

15. In zijn verklaring van hoger beroep geeft de federaal procureur aan dat zijn hoger beroep met betrekking tot de eiser II beperkt is tot de strafmaat en de ver-beurdverklaring. Derhalve is de saisine van het appelgerecht noodzakelijk tot die beslissingen beperkt en kan het appelgerecht zich niet uitspreken over de schuld van de eiser II zoals vastgesteld door de eerste rechter overeenkomstig de door die eerste rechter aangenomen heromschrijving. De appelrechters die op grond van een uitlegging van het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift hoger beroep met grieven van de federaal procureur oordelen dat de omschrijving van het door de eerste rechter bewezen verklaarde feit wel tot hun saisine behoort, schenden de voormelde wetsbepaling.

Middel van de eiser II

16. Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder ver-wijzing, behoeft geen antwoord.

Omvang van de cassatie

17. De vernietiging van de beslissing dat de appelrechters zich wat betreft de ei-ser II kunnen uitspreken over de omschrijving van de door de eerste rechter heromschreven en bewezen verklaarde telastlegging C voor de periode van 1 ja-nuari 2008 tot en met 12 oktober 2013, leidt tot de vernietiging van de beslissing over de schuld voor die feiten en de bestraffing ervan, die er het gevolg van zijn.

Ambtshalve onderzoek voor het overige

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het wat betreft de eiser II beslist dat de appelrechters zich kunnen uitspreken over de omschrijving van de door de eerste rechter heromschreven en bewezen verklaarde telastlegging C voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 oktober 2013, de schuld aan die feiten en de bestraf-fing voor die feiten met inbegrip van de bijdrage aan het Slachtofferfonds.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep van de eiser I.
Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep.
Houdt de beslissing over de kosten van het cassatieberoep van de eiser II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van het beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten van het cassatieberoep I op 145,26 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 7 november 2017 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 27/11/2017 - 09:37
Laatst aangepast op: ma, 27/11/2017 - 09:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.