-A +A

Piramideverkoop - vergoeding bij toetreding nieuwe consumenten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/04/2014
A.R.: 
515/12

Een piramidesysteem vormt slechts dan een in alle omstandigheden oneerlijke handelspraktijk wanneer van de consument een betaling wordt verlangd, ongeacht het bedrag ervan, in ruil voor de mogelijkheid voor deze laatste om een vergoeding te ontvangen die eerder voortkomt uit de toetreding van andere consumenten tot het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen.

Publicatie
tijdschrift: 
DCCR
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015| 107
Pagina: 
101
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

3 april 2014 (*)

„Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken – Piramidesysteem – Relevantie van eventuele betaling door consumenten ter verkrijging van vergoeding – Uitlegging van begrip ‚betaling’”

In zaak C‑515/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter van Litouwen) bij beslissing van 29 oktober 2012, ingekomen bij het Hof op 14 november 2012, in de procedure

„4finance” UAB

tegen

Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba,

Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis, J.‑C. Bonichot (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– „4finance” UAB, vertegenwoordigd door G. Velička, algemeen directeur,

– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door R. Janeckaitė als gemachtigde,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en S. Šindelková als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Szpunar als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė en M. van Beek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 december 2013,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds „4finance” UAB (hierna: „4finance”) en anderzijds de Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba (Nationale dienst voor de bescherming van consumentenrechten) en de Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos Finansų ministerijos (Nationale belastinginspectie bij het ministerie van Financiën) betreffende een geldboete die 4finance heeft gekregen wegens schending van de Litouwse wet die oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten verbiedt.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De punten 8, 9, 11 en 17 van de considerans van richtlijn 2005/29 luiden als volgt:

„(8) Deze richtlijn beschermt de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. [...]

(9) Deze richtlijn vormt geen beletsel voor het instellen van individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken. [...] Met betrekking tot financiële diensten en onroerend goed moeten, gezien de complexiteit en de eraan verbonden ernstige risico’s, uitgebreide eisen worden gesteld, waaronder positieve verplichtingen voor handelaren. Om die reden beperkt deze richtlijn op het gebied van financiële diensten en onroerend goed niet het recht van de lidstaten om verder te gaan dan de bepalingen van deze richtlijn, teneinde de economische belangen van de consumenten te beschermen. [...]

[...]

(11) Het hoge niveau van convergentie dat door de onderlinge afstemming van de nationale bepalingen door deze richtlijn wordt bereikt, zorgt voor een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming. Deze richtlijn voorziet in één algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren. De richtlijn geeft ook regels inzake agressieve handelspraktijken, die momenteel niet op communautair niveau gereglementeerd zijn.

[...]

(17) Met het oog op een grotere rechtszekerheid is het wenselijk te bepalen welke handelspraktijken in alle omstandigheden oneerlijk zijn. Bijlage I bevat daarom een uitputtende lijst van deze praktijken. Alleen deze handelspraktijken worden verondersteld oneerlijk te zijn zonder een individuele toetsing aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9. De lijst mag alleen worden aangepast door herziening van deze richtlijn.”

4 Artikel 1 van richtlijn 2005/29 luidt als volgt:

„Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.”

5 Artikel 2, sub d, van deze richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

d) handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ‚de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

[...]”

6 Artikel 3, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt als volgt:

„Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.”

7 In artikel 5 van richtlijn 2005/29 is het volgende bepaald:

„1. Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

2. Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

a) in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

en

b) het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.

[...]

4. Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die:

a) misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7,

of

b) agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9.

5. Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.”

8 Bijlage I bij richtlijn 2005/29, met als opschrift „Handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd”, bepaalt in punt 14 ervan:

„Een piramidesysteem opzetten, beheren of promoten waarbij de consument tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen.”

Litouws recht

9 Artikel 7, punt 22, van de wet oneerlijke handelspraktijken, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie ervan, luidt als volgt:

„Een handelspraktijk wordt verondersteld misleidend te zijn indien zij de vorm aanneemt van een piramidesysteem voor de distributie van goederen waarbij de consumenten kans maken op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen, of indien zij een dergelijk systeem beheert of promoot.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 Verzoekster in het hoofdgeding, 4finance, is een vennootschap die per brief snel kredieten voor kleine bedragen verstrekt. Op 28 juli 2011 is zij bij beschikking van de Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba veroordeeld tot betaling van een geldboete van 8 000 Litouwse litas (LTL) wegens schending van artikel 7, punt 22, van de wet oneerlijke handelspraktijken. Blijkens deze beschikking heeft 4finance tussen 26 oktober 2010 en 15 februari 2011 een reclamecampagne gevoerd in de vorm van het opzetten van „een piramidesysteem voor de distributie van goederen waarbij consumenten kans maakten op een vergoeding die eerder voortkwam uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dat uit de verkoop of het verbruik van goederen”.

11 De Vilniaus apygardos administracinis teismas (regionale bestuursrechter van Vilnius) heeft bij beslissing van 25 oktober 2011 deze beschikking bevestigd, waarna 4finance tegen deze beslissing hoger beroep heeft ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter van Litouwen).

12 Aangaande de aan 4finance verweten feiten zet de verwijzende rechterlijke instantie uiteen dat deze vennootschap een premie van 20 LTL aanbood aan iedere nieuwe klant die een andere nieuwe klant had aangebracht. Om klant van 4finance te worden moest de nieuwe klant bij de inschrijving op de internetsite van deze laatste 0,01 LTL inschrijvingsgeld betalen.

13 In die context vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich in de eerste plaats af hoe punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 moet worden uitgelegd en of artikel 7, punt 22, van de wet oneerlijke handelspraktijken met deze bepaling verenigbaar is. In dit verband merkt zij op dat deze bepaling van Litouws recht weliswaar overeenstemt met de Duitse en de Litouwse taalversie van deze richtlijn, maar niet met andere taalversies ervan, zoals de Spaanse, de Franse en de Poolse. Deze laatste taalversies bepalen immers in dat punt 14 dat „de consument tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem”. De Duitse en de Litouwse taalversie van diezelfde bepaling voorzien echter niet in dit criterium van betaling door de consument.

14 Voor het geval dat het Hof zou oordelen dat een verkoopbevorderingssysteem slechts een piramidesysteem in de zin van richtlijn 2005/29 kan vormen indien is voldaan aan het criterium van betaling door een consument, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in de tweede plaats van het Hof te vernemen hoe het begrip „betaling” moet worden uitgelegd. Volgens haar is het van belang te vernemen, ten eerste, of elke betaalde som, hoe gering ook, kan worden geacht een betaling te vormen, en, ten tweede, of de betaling van een symbolische som, zoals die in het hoofdgeding, volstaat voor een verbod op het systeem. In dit verband merkt zij op dat de som van 0,01 LTL die door een nieuwe klant op de rekening van 4finance wordt overgemaakt, uit technisch oogpunt het kleinst mogelijke bedrag vormt dat kan worden overgemaakt, dat de overmaking slechts dient voor de exacte identificatie van deze klant om een kredietovereenkomst te kunnen sluiten en dat de aldus verrichte betalingen slechts in zeer geringe mate de in het kader van het verkoopbevorderingsmechanisme betaalde premies hebben gefinancierd.

15 Tegen die achtergrond heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moet punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 [...] aldus worden uitgelegd dat het opzetten, beheren of promoten van een piramidesysteem alleen dan moet worden beschouwd als een onder alle omstandigheden misleidende handelspraktijk wanneer de consument een betaling moet verrichten om een vergoeding te ontvangen die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen?

2) Indien het noodzakelijk is dat de consument een betaling verricht om een vergoeding te kunnen ontvangen, is de hoogte van het bedrag dat de consument moet betalen om kans te maken op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen, dan van belang voor de kwalificatie van het piramidesysteem als misleidende handelspraktijk in de zin van punt 14 van bijlage I bij richtlijn [2005/29]? Kunnen louter symbolische bedragen die consumenten hebben betaald om te kunnen worden geïdentificeerd, worden beschouwd als een betaling voor de kans op een vergoeding in de zin van punt 14 van bijlage I bij de richtlijn?

3) Moet punt 14 van bijlage I bij richtlijn [2005/29] aldus worden uitgelegd dat het, om een piramidesysteem als een misleidende handelspraktijk te kunnen beschouwen, alleen van belang is dat de vergoeding die aan de reeds ingeschreven consument wordt betaald, eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen, of is ook de mate waarin de aan de deelnemers aan dat systeem voor het aanbrengen van nieuwe consumenten toegekende vergoeding wordt gefinancierd door betalingen van nieuwe leden, van belang? Moet in casu de aan de reeds ingeschreven deelnemers aan het piramidesysteem toegekende vergoeding geheel of grotendeels zijn gefinancierd uit de betalingen van de nieuw tot dit systeem toegetreden leden?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

16 Met zijn vragen, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen onder welke voorwaarden een verkoopbevorderingssysteem kan worden geacht een „piramidesysteem” in de zin van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 te vormen en bijgevolg onder alle omstandigheden verboden te zijn.

17 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat artikel 7, punt 22, van de wet oneerlijke handelspraktijken een nauwgezette omzetting in het Litouwse recht vormt van de Duitse en de Litouwse taalversie van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29. Volgens de verwijzende rechterlijke instantie vermelden verschillende andere taalversies van deze laatste bepaling echter een bijkomende voorwaarde voor een verbod op een piramidesysteem, namelijk dat „de consument tegen betaling” voor dit systeem in aanmerking komt. De verwijzende rechterlijke instantie wenst van het Hof te vernemen of ditzelfde punt 14 eist dat de consument een dergelijke betaling verricht. Bij een bevestigend antwoord wenst zij te vernemen of elk bedrag, ongeacht de hoogte ervan, als een betaling in de zin van dat punt 14 moet worden aangemerkt.

18 Tot slot wenst de verwijzende rechterlijke instantie van het Hof te vernemen of voor de kwalificatie als piramidesysteem is vereist dat wordt aangetoond dat de vergoeding die een consument kan ontvangen gedeeltelijk of grotendeels wordt gefinancierd uit de bedragen die later door andere consumenten worden betaald.

19 Volgens vaste rechtspraak van het Hof brengt het vereiste van een uniforme toepassing en uitlegging van een Uniehandeling mee dat deze handeling niet op zichzelf in een van haar taalversies mag worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd zowel naar de werkelijke bedoeling van de auteur ervan als naar het door deze laatste nagestreefde doel, gelet op onder meer de in alle talen geredigeerde versies (zie arrest Internetportal und Marketing, C‑569/08, EU:C:2010:311, punt 35 en aangehaalde rechtspraak).

20 In dit verband moet worden opgemerkt dat het verbod op piramidesystemen in alle taalversies van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 berust op drie gemeenschappelijke voorwaarden. Allereerst is een dergelijk systeem gebaseerd op de belofte dat de consument een economisch voordeel zal kunnen krijgen. Voorts hangt de verwezenlijking van deze belofte af van de toetreding van nieuwe consumenten tot het systeem. Tot slot komt het grootste deel van de inkomsten waaruit de aan de consumenten beloofde vergoeding kan worden betaald, niet voort uit een werkelijke economische activiteit.

21 Vaststaat immers dat zonder een werkelijke economische activiteit die voldoende inkomsten oplevert om de aan de consumenten beloofde vergoeding te betalen, een dergelijk verkoopbevorderingssysteem noodzakelijkerwijs berust op de economische bijdrage van de deelnemers eraan, aangezien de mogelijkheid voor een lid van dit systeem om een vergoeding te ontvangen in wezen afhangt van de door de nieuwe leden betaalde bijdragen.

22 Een dergelijk systeem kan alleen maar „piramidaal” zijn in de zin dat het voortbestaan ervan afhangt van de toetreding van een steeds groter aantal nieuwe deelnemers om de aan de bestaande leden betaalde vergoedingen te financieren. Het impliceert tevens dat de laatst toegetreden leden minder kans maken om een vergoeding te ontvangen voor hun betaling. Dit systeem stort in elkaar zodra de toename van het aantal leden, die voor het voortbestaan van het systeem in theorie eeuwig moet blijven doorgaan, niet langer volstaat om de aan alle deelnemers beloofde vergoedingen te financieren.

23 Uit wat voorafgaat, volgt dat voor de kwalificatie als „piramidesysteem” in de zin van punt 14 bij bijlage I van richtlijn 2005/29, in de eerste plaats is vereist dat de leden van een dergelijk systeem een financiële bijdrage betalen.

24 Deze uitlegging vindt steun in het doel van richtlijn 2005/29, die overeenkomstig punt 8 van de considerans ervan „de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten [beschermt]” en volgens artikel 1 ervan „een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand [brengt] door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren” (arrest Köck, C‑206/11, EU:C:2013:14, punt 29 en aangehaalde rechtspraak). Zoals de advocaat-generaal in punt 32 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het zonder een betaling door de consument moeilijk het economische gedrag te identificeren waartegen deze krachtens de richtlijn moet worden beschermd.

25 Bovendien bevestigen de bewoordingen van de meeste taalversies van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 dat de betaling door de consument een wezenlijk onderdeel van een piramidesysteem in de zin van deze bepaling vormt.

26 Wat de vraag betreft of elke door een lid van een verkoopbevorderingssysteem betaalde som, ongeacht het bedrag ervan, moet worden geacht een betaling in de zin van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 te zijn, dient erop te worden gewezen dat de taalversies waarin sprake is van een betaling door de consument niet in een minimumbedrag voorzien (zie naar analogie arrest Purely Creative e.a., C‑428/11, EU:C:2012:651, punt 30). Bovendien zou de in punt 17 van de considerans van diezelfde richtlijn genoemde doelstelling van een grotere rechtszekerheid bij de identificatie van oneerlijke handelspraktijken niet worden bereikt indien de lidstaten zouden kunnen beslissen welke bedragen kunnen worden geacht een betaling te vormen. Bijgevolg omvat het begrip betaling door de consument elke door hem geleverde financiële bijdrage, ongeacht het bedrag ervan.

27 In de tweede plaats volgt uit de punten 20 tot en met 22 van het onderhavige arrest noodzakelijkerwijs dat de kwalificatie als „piramidesysteem” in de zin van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 een band vereist tussen de door nieuwe leden verrichte betalingen en de door de bestaande leden ontvangen vergoedingen.

28 Deze uitlegging wordt bevestigd door de bewoordingen van de meeste taalversies van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29, waaruit blijkt dat de financiering van de vergoeding die een consument kan ontvangen, „eerder” of „hoofdzakelijk” afhangt van de betalingen die later door nieuwe deelnemers aan het systeem zijn verricht.

29 Anders dan de Litouwse regering betoogt, brengt deze uitlegging van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 het doel om een hoog niveau van consumentenbescherming te verzekeren, niet in gevaar.

30 In dit verband dient erop te worden gewezen dat de krachtens artikel 5 van deze richtlijn verboden praktijken in twee categorieën zijn verdeeld.

31 Enerzijds omvat bijlage I bij richtlijn 2005/29 de handelspraktijken die in alle omstandigheden oneerlijk zijn en waarvoor bijgevolg geen individuele toetsing krachtens de artikelen 5 tot en met 9 van deze richtlijn nodig is. Anderzijds kunnen niet in deze bijlage vermelde handelspraktijken oneerlijk worden verklaard na een individueel onderzoek van de kenmerken ervan tegen de achtergrond van de in deze artikelen 5 tot en met 9 vermelde criteria (arresten Purely Creative e.a., EU:C:2012:651, punt 45, en Köck, EU:C:2013:14, punt 35).

32 Daaruit volgt dat alleen de handelspraktijken die de consumenten het meest schaden, absoluut verboden zijn, maar dat een handelspraktijk die niet onder bijlage I bij richtlijn 2005/29 valt, toch kan worden verboden indien op grond van een specifieke en concrete evaluatie kan worden vastgesteld dat zij oneerlijk is in de zin van de artikelen 5 tot en met 9 van diezelfde richtlijn.

33 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat in het kader van het door 4finance opgezette verkoopbevorderingssysteem de aan de bestaande leden betaalde vergoedingen slechts voor een zeer klein deel worden gefinancierd uit de betalingen die van de nieuwe leden worden gevraagd. Een dergelijk systeem lijkt dus niet te voldoen aan de tweede in punt 27 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarde. Indien dit het geval is – en het staat het aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit na te gaan – kan dit systeem niet op grond van punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 worden verboden.

34 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat een piramidesysteem slechts dan een in alle omstandigheden oneerlijke handelspraktijk vormt wanneer van de consument een betaling wordt verlangd, ongeacht het bedrag ervan, in ruil voor de mogelijkheid voor deze laatste om een vergoeding te ontvangen die eerder voortkomt uit de toetreding van andere consumenten tot het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen.

Kosten

35 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat een piramidesysteem slechts dan een in alle omstandigheden oneerlijke handelspraktijk vormt wanneer van de consument een betaling wordt verlangd, ongeacht het bedrag ervan, in ruil voor de mogelijkheid voor deze laatste om een vergoeding te ontvangen die eerder voortkomt uit de toetreding van andere consumenten tot het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen.

 

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL E. SHARPSTON
van 19 december 2013 (1)
Zaak C‑515/12

„4finance” UAB
tegen
Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba
en
Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
(Verzoek van de Lietuvos Vyriausiasis Administracinis Teismas, Litouwen, om een prejudiciële beslissing)
„Consumentenbescherming – Oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten – Piramidesysteem – Betaling door consumenten voor toetreding tot een piramidesysteem – Verband tussen betalingen door nieuwe deelnemers en vergoeding aan bestaande leden – Belang van de hoogte van de betaling”

 

 

1. Richtlijn 2005/29/EG (hierna: „richtlijn oneerlijke handelspraktijken” of „richtlijn”)(2) verbiedt onder meer piramidesystemen. De Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursgerecht van Litouwen) stelt drie vragen over de uitlegging van de richtlijn in verband met zulke systemen. Het gerecht wenst te vernemen of het verrichten van een betaling door consumenten een noodzakelijke voorwaarde is om een piramidesysteem binnen de werkingssfeer van de richtlijn te brengen. Zo ja, moet dan worden aangetoond dat het bewuste systeem door die betalingen wordt gefinancierd, en is de hoogte van het voor toetreding te betalen bedrag van belang?

Wetgeving

Richtlijn

2. In de punten 2 tot en met 6 van de considerans van de richtlijn wordt uiteengezet dat een van de hoofddoelstellingen ervan is, een uniforme regeling vast te stellen ter verbetering van de werking van de interne markt. Volgens respectievelijk de punten 7 en 8 van de considerans betreft de richtlijn „handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten” en beschermt de richtlijn „de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten”.

Volgens punt 11 zorgt de richtlijn „voor een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming” door te voorzien „in één algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren”. Punt 12 van de considerans luidt: „Door de harmonisatie zullen zowel consumenten als ondernemingen aanzienlijk meer juridische zekerheden krijgen.

Zij zullen zich kunnen verlaten op één regelgevend kader op basis van duidelijk omschreven rechtsbegrippen, dat alle aspecten van oneerlijke handelspraktijken in de gehele Europese Unie regelt. Daardoor zullen de belemmeringen worden weggenomen welke het gevolg zijn van de fragmentarische regels inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, en zal de interne markt op dit gebied kunnen worden voltooid.”

Punt 17 luidt: „Met het oog op een grotere rechtszekerheid is het wenselijk te bepalen welke handelspraktijken in alle omstandigheden oneerlijke zijn. Bijlage I bevat daarom een uitputtende lijst van deze praktijken. Alleen deze handelspraktijken worden verondersteld oneerlijk te zijn zonder een individuele toetsing aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9. De lijst mag alleen worden aangepast door herziening van deze richtlijn.”

3. Artikel 1 omschrijft het doel van de richtlijn als „bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren”.

4. Artikel 2 definieert een aantal kernbegrippen:

„[...]

c) product: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen;

d) handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna: ,de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

e) het economische gedrag van consumenten wezenlijk verstoren: een handelspraktijk gebruiken om het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, merkbaar te beperken, waardoor de consument tot een transactie besluit waartoe hij anders niet had besloten;

[...]

h) professionele toewijding: het normale niveau van bijzondere vakkundigheid en zorgvuldigheid dat redelijkerwijs van een handelaar ten aanzien van consumenten mag worden verwacht, overeenkomstig eerlijke marktpraktijken en/of het algemene beginsel van goede trouw in de sector van de handelaar;

[...]

k) besluit over een transactie: een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument wel of niet tot handelen overgaat;

[...]”.

5. Artikel 3, lid 1, verklaart de richtlijn „van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product”.

6. Artikel 3, lid 9, luidt: „Wat ,financiële diensten’ in de zin van richtlijn 2002/65/EG en onroerend goed betreft, mogen de lidstaten vereisten opleggen die voor het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.”

7. Artikel 5, lid 1, van de richtlijn verbiedt oneerlijke handelspraktijken. Een handelspraktijk is volgens artikel 5, lid 2, oneerlijk wanneer zij „in strijd is met de professionele zorgvuldigheidsplicht” en „het economische gedrag van de gemiddelde consument [...] met betrekking tot het product in kwestie wezenlijk verstoort of kan verstoren”. Artikel 5, lid 5, luidt: „Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.”

8. De artikelen 6 tot en met 9 zijn hier niet relevant. Zij hebben (respectievelijk) betrekking op misleidende handelspraktijken, misleidende omissies, agressieve handelspraktijken en intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding.

9. Punt 14 van de „zwarte lijst” in bijlage I bij de richtlijn luidt: „Een piramidesysteem opzetten, beheren of promoten waarbij de consument tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen.”(3)

Nationale wetgeving

10. Volgens artikel 7, punt 22, van de Lietuvos Respublikos nesąžiningos komercinės veiklos vartotojams draudimo įstatymas (wet van de Republiek Litouwen betreffende het verbod op oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten) wordt een handelspraktijk geacht misleidend en derhalve oneerlijk te zijn, indien zij de vorm aanneemt van het opzetten, beheren of promoten van een piramidesysteem voor de distributie van producten waarbij de consumenten kans maken op een vergoeding voornamelijk wegens het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem en minder wegens de verkoop of het verbruik van producten.

Feiten, procesverloop en de prejudiciële vragen

11. „4finance” UAB (hierna: „4finance”) verleent kredieten op afstand voor kleine bedragen. Zij voerde van 26 oktober 2010 tot 15 februari 2011 een reclamecampagne waarbij zij aangaf dat iedereen die zich inschreef op haar website een bedrag op zijn of haar bankrekening ontving voor elke door hem of haar aangebrachte „vriend” die zich vervolgens op de website van 4finance inschreef.

Dit proces verliep als volgt: om zich in te schrijven moesten consumenten online een formulier invullen en een louter symbolisch inschrijvingsbedrag van 0,01 LTL betalen. 4finance vroeg deze consumenten vervolgens om „vrienden” uit te nodigen zich in te schrijven door in de daarvoor bestemde ruimte op de webpagina het mobiele telefoonnummer of e-mailadres van die personen in te vullen.

Met de aldus verstrekte gegevens kon 4finance haar kleine kredieten onder de aandacht brengen van deze „vrienden”, die werden uitgenodigd zich in te schrijven. Wanneer die persoon zich inschreef, ontving de consument die de contactgegevens van die persoon had verstrekt een bedrag („premie”) van 10 LTL of 20 LTL.(4) Inschrijving gaf de betrokkene het recht zich bij 4finance een kleine lening aan te vragen, die dan op afstand werd afgesloten.(5)

12. De Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba (overheidsinstantie voor de bescherming van consumentenrechten) was van oordeel dat 4finance een piramidesysteem had opgezet dat consumenten recht gaf op ontvangst van een vergoeding voornamelijk wegens het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem en minder wegens de verkoop of het verbruik van producten, en legde 4finance een boete op van 8 000 LTL wegens inbreuk op de nationale wetgeving, die zulke systemen verbiedt.

13. 4finance bestreed dat besluit en vorderde dat het Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (ministerie van Financiën van Litouwen) de boete terugbetaalde. Op 25 oktober 2011 wees het bevoegde gerecht in eerste aanleg de vordering af. 4finance stelde vervolgens beroep in bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas, die de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voorlegde:

„1) Moet punt 14 van bijlage I bij [de richtlijn] aldus worden uitgelegd, dat het opzetten, beheren of promoten van een piramidesysteem enkel moet worden beschouwd als een onder alle omstandigheden misleidende handelspraktijk, indien de consument een betaling moet verrichten om een vergoeding te ontvangen wegens voornamelijk het aanbrengen van nieuwe consumenten tot het systeem en minder de verkoop of het verbruik van goederen?

2) Indien het noodzakelijk is dat de consument een betaling verricht om een vergoeding te kunnen ontvangen, is dan de hoogte van het door de consument betaalde bedrag om kans te maken op een vergoeding wegens voornamelijk het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem en minder de verkoop of het verbruik van producten, van belang voor de kwalificatie van het piramidesysteem als misleidende handelspraktijk in de zin van punt 14 van bijlage I bij de richtlijn? Kunnen louter symbolische betalingen van de consumenten, die zij hebben verricht ten behoeve van hun identificatie, worden beschouwd als een betaling voor de kans op een vergoeding in de zin van artikel 14 van bijlage I bij de richtlijn?

3) Moet punt 14 van bijlage I bij de richtlijn aldus worden uitgelegd dat, om een piramidesysteem als een misleidende handelspraktijk te kunnen beschouwen, enkel van belang is dat de vergoeding aan de reeds ingeschreven consument wordt betaald wegens voornamelijk het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem en minder de verkoop of het verbruik van producten, of is eveneens van belang in hoeverre de aan de deelnemers van dat systeem toegekende vergoeding voor het aanbrengen van nieuwe consumenten wordt gefinancierd door bijdragen van nieuwe leden? Moet in casu de aan de reeds ingeschreven deelnemers van het piramidesysteem toegekende vergoeding geheel of grotendeels zijn gefinancierd uit de bijdragen van de nieuw tot dit systeem toegetreden leden?”

14. 4finance, de Tsjechische, de Italiaanse, de Litouwse en de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er is niet om een mondelinge behandeling verzocht en deze heeft ook niet plaatsgevonden.

Beoordeling

Opmerkingen vooraf

15. Het staat vast dat het hoofdgeding betrekking heeft op een handelspraktijk van een onderneming jegens consumenten die verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van producten aan consumenten in de zin van de richtlijn.

16. In de onderhavige zaak tracht een overheidsinstantie de naleving af te dwingen van de nationale wetgeving waarbij de richtlijn werd omgezet. Uit vaste rechtspraak volgt dat de verwijzende rechter alle juridische mogelijkheden waarover hij beschikt, gelet op het gehele nationale rechtstelsel, dient te benutten om de volle werking van de betrokken richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren.(6)

Eerste vraag

17. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het verrichten van een betaling door de consument een voorwaarde vormt om een piramidesysteem aan te merken als misleidende handelspraktijk in de zin van punt 14 van bijlage I.

18. De beantwoording van die vraag vereist een bespreking van de kenmerken van een piramidesysteem. Alle in deze zaak ingediende opmerkingen (behalve die van de Commissie(7)) bevatten omschrijvingen van zulke systemen, die echter meer of minder van elkaar verschillen.

19. 4finance betoogt dat zij niet een piramidesysteem maar een legaal verkoopsysteem hanteert. Volgens haar zijn kenmerken van een piramidesysteem: (i) een soort investering, (ii) fraude met betrekking tot het gebruik van de geïnvesteerde bedragen, (iii) betalingen aan bestaande investeerders uit door nieuwe investeerders ingebrachte middelen, (iv) de belofte van een ongewoon hoog rendement, en (v) de inkomsten worden niet zozeer bepaald door het aantal verkochte producten als wel door het aantal investeerders dat tot het systeem toetreedt.

20. De Tsjechische Republiek is van oordeel dat de kern van zulke systemen erin is gelegen, dat elke consument voor toetreding tot het systeem betaalt in de wetenschap dat hij een vergoeding zal ontvangen die afkomstig is van later toetredende consumenten. Er is geen sprake van toegevoegde waarde maar slechts van een herverdeling van middelen. Italië betoogt dat de producten in zulke systemen van ondergeschikt belang zijn en slechts een voorwendsel vormen om andere consumenten bij het systeem te betrekken: het gaat primair om het systeem zelf. Litouwen merkt op dat de rechtspraak van het Hof geen definitie omvat van het begrip „piramidesysteem”, maar dat een groot aantal studies aantonen dat een fundamenteel element van zulke systemen is gelegen in het verband tussen het door de consument ontvangen voordeel (de vergoeding of tegenprestatie) en het feit dat hij nieuwe deelnemers uitnodigt om tot het systeem toe te treden. Dit verband bepaalt of een systeem legaal is of niet. Volgens Polen is de kern van een piramidesysteem, dat de inkomsten of de winst niet zozeer van de verkoop van producten afhangen als van betalingen van personen op een lager niveau in de piramidestructuur.

21. Punt 14 van bijlage I bij de richtlijn omvat een cumulatieve en uitputtende lijst van de omstandigheden waarvan sprake moet zijn wil het verbod van artikel 5, lid 1, van de richtlijn op een piramidesysteem van toepassing zijn. Fraude valt daar niet onder. Evenmin zijn er aanwijzingen dat het rendement of de betalingen die bestaande leden ontvangen voor het aanbrengen van nieuwe deelnemers in het systeem, (ten minste) een bepaalde waarde zouden moeten hebben. Een systeem dat gebruikmaakt van een verkoopmethode met een piramidestructuur en niet de door 4finance genoemde kenmerken vertoont, maar wel alle elementen vermeld in punt 14 van bijlage I, vormt een misleidende handelspraktijk en is dus oneerlijk in de zin van artikel 5, lid 5, van de richtlijn.

22. Het is duidelijk dat piramidesystemen schadelijk kunnen zijn, zoals ze met hun belofte van hoge rendementen in een korte periode, waarvoor men slechts nieuwe deelnemers hoeft te werven die vervolgens hetzelfde doen, consumenten aanmoedigen om op grond van valse of onrealistische verwachtingen hun geld te investeren. De hoogte van het rendement in verhouding tot de inschrijvingskosten en de snelheid waarmee winst kan worden gemaakt, behoren echter niet tot de in punt 14 van bijlage I genoemde bestanddelen. Zij zijn derhalve niet relevant voor de vaststelling of een bepaald systeem onder het verbod valt.

23. De verwijzende rechter vestigt echter terecht de aandacht op een ongelukkige discrepantie tussen de verschillende, even authentieke, taalversies van de richtlijn. In de meeste wordt het verrichten van een „betaling” voor de kans om een vergoeding te ontvangen vermeld als een van de bestanddelen van een piramidesysteem.(8) De Bulgaarse, de Duitse, de Griekse, de Hongaarse, de Litouwse, de Sloveense en de Zweedse tekst zijn echter onduidelijk over een vereiste van „betaling”. De Litouwse en de Duitse tekst (aangehaald door de verwijzende rechter) luiden respectievelijk: „piramidės pobūdžio skatinimo sistemos sukūrimas, naudojimas ar reklamavimas, kai vartotojui suteikiama galimybė gauti atlygį visų pirma už kitų vartotojų įtraukimą į tą sistemą, o ne už produktų pardavimą ar naudojimą” en „Einführung, Betrieb oder Förderung eines Schneeballsystems zur Verkaufsförderung, bei dem der Verbraucher die Möglichkeit vor Augen hat, eine Vergütung zu erzielen, die hauptsächlich durch die Einführung neuer Verbraucher in ein solches System und weniger durch den Verkauf oder Verbrauch von Produkten zu erzielen ist”. In die taalversies van de richtlijn omvat de definitie van een piramidesysteem dus niet het vereiste dat de consument betaalt voor deelname aan het systeem. In andere taalversies (zoals de, door de verwijzende rechter ook onderzochte, Franse, Poolse en Spaanse) is dit evenwel een wezenlijk onderdeel.

24. 4finance betoogt dat de voor inschrijving verlangde betaling van 0,01 LTL niet diende als tegenprestatie voor de kans op ontvangst van een vergoeding, maar slecht tot identificatie van de betrokken consument. Dat bedrag was het kleinst mogelijke dat verlangd kon worden om te verzekeren dat 4finance betrouwbare informatie verkreeg over de inschrijver. Omdat de betaling plaatsvond met een online overschrijving, ontving 4finance daarmee gegevens met betrekking tot de voornaam, achternaam, identificatienummer en rekeningnummer van de betrokken persoon, alsmede andere, voor de verlening van kredieten op afstand essentiële persoonlijke gegevens.

25. Italië is van oordeel dat de consument een economische handeling dient te verrichten en dat een zodanige handeling ontbreekt wanneer er geen betaling plaatsvindt. Polen beschouwt betaling als een essentieel bestanddeel van een piramidesysteem. Een andere uitlegging van de richtlijn zou de werkingssfeer ervan uitbreiden en de ontwikkeling van de interne markt belemmeren, zonder bij te dragen tot de bescherming van de consumenten. Litouwen is van mening dat de vraag of een consument een betaling verricht om tot een piramidesysteem toe te treden, geen beslissende factor mag zijn. Indien als voorwaarde aan de definitie van een piramidaal verkoopsysteem het verrichten van een betaling voor de toetreding werd toegevoegd, zou de werkingssfeer van het verbod onnodig worden beperkt.

26. De Commissie betoogt dat oneerlijke praktijken onder de richtlijn vallen wanneer zij een commercieel karakter hebben. Wanneer een consument betaalt voor toetreding tot een systeem, verricht hij een commerciële transactie die als zodanig onder de richtlijn valt.

27. Volgens vaste rechtspraak moet, wanneer er verschillen bestaan tussen de taalversies van een bepaling van Unierecht, bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan deze een onderdeel vormt.(9) Zo gebiedt het vereiste van uniforme toepassing en uitlegging van de Uniewetgeving, dat een tekst niet op zichzelf in een van zijn versies wordt beschouwd, maar wordt uitgelegd naar de werkelijke bedoeling van de wetgever en het door deze laatste nagestreefde doel, in het licht van met name de in alle talen geredigeerde versies.(10)

28. Naar mijn mening is er slechts sprake van een piramidesysteem in de zin van punt 14 van bijlage I wanneer consumenten een betaling verrichten om tot dit systeem toe te treden.

29. Deze uitlegging van punt 14 van bijlage I wordt bevestigd door de context en de doelstelling ervan.

30. De richtlijn is volgens artikel 3, lid 1, ervan van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. Een piramidesysteem is een dergelijke praktijk.

31. Wanneer een praktijk onder de zwarte lijst van bijlage I valt, moet deze (volgens artikel 5, lid 5) „onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd”. Toetsing aan artikel 5, lid 2, om uit te maken of de bewuste praktijk in de zin van die bepaling in strijd is met de professionele toewijding en het economische gedrag van de gemiddelde consument kan verstoren, is niet nodig. Bijlage I geeft een opsomming van de praktijken die onder alle omstandigheden misleidend worden geacht. Daaronder valt uiteraard ook elke praktijk die volgens punt 14 van de bijlage een piramidesysteem is. De praktijken van de zwarte lijst worden automatisch beschouwd als oneerlijke handelspraktijken die zijn verboden uit hoofde van artikel 5, lid 1.(11)

32. De richtlijn verbiedt het gebruik van een handelspraktijk om „het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar te beperken, waardoor de consument tot een transactie besluit waartoe hij anders niet had besloten”.(12) Een „besluit over een transactie” wordt gedefinieerd als „een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt [...], behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product [...]”.(13) Het gaat er de richtlijn om, of het vermogen van de consument om een economisch besluit te nemen dat in zijn eigen belang is, wordt belemmerd door de praktijken die het bedrijf in kwestie hanteert. Uit deze twee definities volgt, dat de richtlijn betrekking heeft op praktijken waarbij van consumenten een betaling als tegenprestatie wordt verlangd, en niet op situaties waarin de consument zich niet financieel verbindt. Een definitie waarvan het doen van een betaling deel uitmaakt, valt goed te rijmen met de bescherming van consumenten wanneer zij besluiten nemen die hun economische belangen raken. Bij het ontbreken van een betaling komt de identificatie van het economische gedrag dat de richtlijn beoogt te beschermen, op losse schroeven te staan.

33. Litouwen betoogt dat een voorwaarde dat consumenten moeten betalen voor toetreding tot een piramidesysteem, de werkingssfeer van het verbod van punt 14 van bijlage I inperkt. Dat zou het effect van artikel 3, lid 9, ondermijnen en niet te rijmen zijn met het doel van de richtlijn.

34. Ik ben het daar niet mee eens.

35. Artikel 3, lid 9, geeft de lidstaten de mogelijkheid strengere vereisten in te voeren voor financiële diensten. Een vereiste dat consumenten moeten betalen voor toetreding tot een piramidesysteem heeft, ongeacht de materie in kwestie, tast op geen enkele manier de bevoegdheden van de lidstaten aan om meer prescriptieve wetgeving in te voeren voor financiële diensten.

36. Inderdaad beperkt het de toepassingssfeer punt 14 van bijlage I, wanneer betaling als een noodzakelijk bestanddeel van de definitie wordt gezien. Ik ben echter niet van mening dat een uitlegging van die strekking de doelstelling van de richtlijn ondermijnt.

37. De richtlijn beoogt handelspraktijken te verbieden die rechtstreeks van invloed zijn op de beslissingen van consumenten over transacties met betrekking tot producten, en hun economische belangen te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten,(14) in het kader van de totstandbrenging van een hoog niveau van consumenten bescherming op het gehele grondgebied van de Europese Unie.(15) De punten 12 en 17 van de considerans maken evenwel tevens duidelijk dat de wetgever de rechtszekerheid, als wezenlijk element voor de werking van de interne markt,(16) evenzeer voor de consumenten als voor de ondernemingen wenste te vergroten, met name door aanwijzing van de handelspraktijken die onder alle omstandigheden oneerlijk zijn, zoals piramidesystemen.

38. Met het opstellen van de in bijlage I vervatte zwarte lijst van handelspraktijken die volgens artikel 5, lid 5, „onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd”, wilde de wetgever waarschijnlijk de praktijken uitsluiten die het meest verwerpelijk waren. Er zij aan herinnerd dat de richtlijn een volledige harmonisatie tot stand brengt(17) en dat de lidstaten niet van de zwarte lijst mogen afwijken: deze mag alleen worden aangepast door herziening van de richtlijn zelf.(18) Er wordt niet van geval tot geval beoordeeld of een praktijk die onder een van de punten van bijlage I valt, ook werkelijk voldoet aan de criteria voor een oneerlijke handelspraktijk in artikel 5, leden 2 en 4: een praktijk van de zwarte lijst is louter op die grond in alle lidstaten verboden.

39. Deze factoren pleiten mijns inziens ervoor om, wanneer verschillende taalversies van elkaar afwijken (zoals hier), die versie als gezaghebbend te beschouwen die de aanwezigheid van meer in plaats van minder elementen vereist alvorens een bepaalde praktijk automatisch als illegaal wordt aangemerkt omdat deze beantwoordt aan een van de punten van bijlage I. Een praktijk die niet automatisch illegaal is, kan nog altijd worden verboden wanneer een individuele beoordeling aantoont dat deze voldoet aan een van de individuele criteria voor een oneerlijke praktijk genoemd in artikel 5. Deze uitlegging ondermijnt derhalve niet het doel een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, maar levert wel een positieve bijdrage aan de rechtszekerheid over wat onder de zwarte lijst van bijlage I valt.(19)

40. Ik ben daarom van oordeel dat een systeem slechts onder de definitie van punt 14 van bijlage I kan vallen wanneer een consument betaalt voor toetreding tot het systeem in kwestie.

Derde vraag

41. De tweede en de derde vraag houden nauw met elkaar verband. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het nodig is een verband aan te tonen tussen de door nieuwe deelnemers gedane betaling en de vergoeding die wordt uitgekeerd aan bestaande leden (de derde vraag), en, zo ja, of het bedrag van die betaling relevant is (de tweede vraag). Het lijkt mij logischer om de vragen van de verwijzende rechter in deze volgorde te beantwoorden.

42. De verwijzende rechter licht toe dat hij, om uitspraak te doen in het hoofdgeding, dient te weten of het relevant is dat de betaling voor toetreding tot het onderhavige systeem relatief gering was (0,01 LTL) in vergelijking met de premies die werden uitgekeerd voor het aanbrengen van nieuwe deelnemers (tussen de 10 en 20 LTL). De derde vraag gaat in de eerste plaats erom of een handelspraktijk misleidend is in de zin van punt 14 van bijlage I wanneer vergoedingen voornamelijk worden uitgekeerd wegens het aanbrengen van nieuwe deelnemers en minder wegens de verkoop of het verbruik van producten, en in de tweede plaats of de mate waarin een dergelijke vergoeding wordt gefinancierd uit de betalingen voor toetreding tot het systeem een relevante factor is.

43. 4finance betoogt dat er geen sprake kan zijn van een piramidesysteem wanneer de uitgekeerde vergoeding afkomstig is uit de middelen van de betrokken onderneming en niet uit de betalingen van nieuwe leden. Tsjechië is van oordeel dat er een verband dient te bestaan tussen de betaling voor toetreding tot een systeem en de uitkeringen aan bestaande leden voor het aanbrengen van nieuwe deelnemers, en dat de betaling moet volstaan om het systeem draaiende te houden. Italië, Litouwen en Polen zijn, evenals de Commissie, van mening dat een dergelijk verband voor de toepassing van punt 14 van bijlage I niet hoeft te worden aangetoond.

44. Helaas is punt 14 van bijlage I niet in alle taalversies van de tekst op dezelfde wijze geformuleerd.

45. Van de door de verwijzende rechter onderzochte teksten, bepalen de Litouwse en de Duitse tekst (de cursivering in de volgende citaten is van mijn hand) dat de consument in een piramidesysteem een vergoeding verkrijgt „voornamelijk voor” het aanbrengen van andere consumenten in het systeem, minder voor de verkoop of het verbruik van producten.(20) Ik zal deze versies aanduiden als de versies „zonder verband”.

46. Daartegenover staan de Franse tekst met „percevoir une contrepartie provenant essentiellement de l’entrée d’autres consommateurs dans le système plutôt que de la vente ou de la consommation de produits”, en de Spaanse met „la oportunidad de recibir una compensación derivada fundamentalmente de la entrada de otros consumidores en el plan, y no de la venta o el consumo de productos”. De Engelse tekst sluit aan bij deze versies door te spreken van de kans „to receive compensation that is derived primarily from the introduction of other consumers into the system rather than from the sale or consumption of products”. Ik zal deze versies aanduiden als de versies „met verband”.(21)

47. De richtlijn beoogt een volledige harmonisatie tot stand te brengen, en de praktijken op de zwarte lijst in bijlage I zijn louter op die grond verboden.(22) Er loopt evenwel een duidelijke scheidslijn tussen de versies zonder verband en die met verband. Welke weg moet het Hof in deze situatie volgen?

48. Kort gezegd, legt een benadering volgens de versies „met verband” een duidelijk economisch verband tussen de beloning voor bestaande leden en de werving van nieuwe leden. Het is een restrictieve uitlegging van de tekst. Dat spoort goed met het (door mij bij de beantwoording van de eerste vraag aangehangen) beginsel dat de zwarte lijst in bijlage I restrictief dient te worden opgevat. Juist omdat deze benadering restrictief is, laat zij ook meer ruimte voor creatieve verkoopmethoden. „Creatief” betekent niet per definitie „oneerlijk”, en er is altijd nog een vangnet, omdat een creatieve praktijk die wel oneerlijk is immers op basis van een individueel onderzoek volgens artikel 5, lid 2 of lid 4, zou moeten worden verboden. Betalingen in natura in plaats van geld kunnen bij een dergelijk onderzoek zo nodig worden beoordeeld naar hun financiële waarde (voor de consument).

49. Anderzijds heeft een keuze voor de versies „zonder verband” de verdienste van de eenvoud. De nationale rechter hoeft dan niet te onderzoeken welk deel van de vergoeding voor het werven van nieuwe leden valt te herleiden tot de betalingen van nieuwe leden (hetzij als inschrijfgeld hetzij als latere betalingen), en hoeft evenmin van geval tot geval te vragen naar de betekenis van „eerder voortkomt uit”. De bedoeling van een vermelding in bijlage I is immers juist om dergelijke individuele beoordelingen te vermijden. Verschillende nationale gerechten in verschillende lidstaten zouden deze woorden wel eens op uiteenlopende wijzen kunnen uitleggen. Dat zou afbreuk doen aan de uniforme toepassing, en een gebrek aan uniformiteit draagt niet bij tot de werking van de interne markt.(23) Een benadering „zonder verband” zou tevens (wellicht) beter bijdragen aan het voorkomen van ontduiking in de vorm van systemen die hun werkwijze versluieren door gebruik te maken van betalingen in natura in plaats van geld.

50. Na enige aarzeling ben ik van oordeel dat een uitlegging volgens de versies „zonder verband” meer in overeenstemming is met mijn beantwoording van de eerste vraag. Ik concludeer derhalve dat een piramidesysteem slechts onder punt 14 van bijlage I valt, en bijgevolg is verboden krachtens artikel 5, lid 1, van de richtlijn, wanneer is aangetoond dat de aan de reeds bestaande leden van het systeem uitgekeerde vergoeding voornamelijk afkomstig is uit de door nieuwe leden gedane betalingen.

51. Voor het geval het Hof anders mocht oordelen, maak ik de volgende aanvullende opmerkingen. Ik behandel daarin het mogelijke argument dat de benadering „zonder verband” in bepaalde gevallen tot een onrechtvaardige uitkomst kan leiden, omdat behalve oplichtingspraktijken ook legale methoden kunnen worden getroffen.

52. Ik merk opnieuw op, dat een praktijk buiten punt 14 van bijlage I valt wanneer niet wordt voldaan aan een van de cumulatieve voorwaarden van die bepaling. Zo is het verbod bij voorbeeld niet van toepassing wanneer voor de toetreding tot een bepaald systeem geen betaling wordt verlangd.

53. Stel nu echter, dat een exploitant een inschrijfgeld wil heffen als tegemoetkoming in zijn administratiekosten (lezers betalen bij voorbeeld voor hun inschrijving in een boekenclub en ontvangen een boekenbon wanneer zij nieuwe leden werven). Zou dat verboden zijn? Mijns inziens niet, omdat er geen piramidestructuur is.

54. Het woord „piramide” komt voor in alle taalversies van de richtlijn (behalve de Duitse, die spreekt van „Schneeballsystem”), en om onder punt 14 van bijlage I te vallen, moet een systeem een piramidestructuur hebben.(24)

55. Het woord „piramidesysteem” wordt op zichzelf niet gedefinieerd in artikel 2 van de richtlijn. In de bij het Hof ingediende opmerkingen worden zulke systemen op uiteenlopende wijzen omschreven.(25) Uit deze omschrijvingen komen de volgende gemeenschappelijke minimumcriteria naar voren: (i) het systeem genereert inkomsten door de werving van nieuwe leden, (ii) het doet uitkeringen aan bestaande leden, (iii) die uitkeringen worden eerder bekostigd uit de bijdragen van die nieuwe leden dan uit de verkoop van producten, en (iv) personen die later tot het systeem toetreden (de lagere niveaus) maken minder kans op het behalen van voordeel dan personen op de hogere niveaus (de bestaande leden), omdat een eindeloze toestroom van nieuwe leden nodig zou zijn om iedere deelnemer aan het systeem daaraan te laten verdienen.

56. Gezien deze gemeenschappelijke criteria moeten er mijns inziens, om aan te tonen dat in een bepaald geval sprake is van een piramidestructuur, meerdere niveaus zijn, met de exploitant aan de top(26), alsmede een cumulatieve, exponentieel toenemende aanwas van nieuwe leden. Anders dan bij de bouwwerken uit de oudheid (de piramides van het oude Egypte) is deze neerwaarts gericht (van de top naar de basis van de piramide) in plaats van opwaarts (van de grondvesten naar de top). Deze opvatting, die zich concentreert op het aspect dat deze systemen frauduleus maakt, past goed in het doel van de richtlijn om een hoog niveau van consumentenbescherming te bereiken. De kern van de inkomsten van de onderneming wordt eerder gevormd door de opeenvolgende lidmaatschapsgelden dan door het op de markt brengen van goederen of diensten die aan consumenten worden geleverd.

57. Het is uiteraard aan de verwijzende rechter om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen. Afgaande op de informatie in de verwijzingsbeslissing, lijkt bij het door 4finance toegepaste systeem geen sprake te zijn van een piramidestructuur in de zin van punt 14 van bijlage I.

Tweede vraag

58. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de symbolische betaling, die wordt verlangd om de tot een piramidesysteem toetredende consumenten te identificeren, als „betaling” in de zin van punt 14 van bijlage I moet worden aangemerkt.

59. Ik ben het eens met het standpunt van de Commissie, Italië, Litouwen en Polen dat, volgens een letterlijke uitlegging van de richtlijn, deze niet voorziet in een minimumbedrag voor een dergelijke betaling en een dergelijk bedrag daaruit ook niet valt af te leiden. De bewoordingen van punt 14 van bijlage I zijn (althans op dit punt) duidelijk. De uitdrukking „tegen betaling” vereist niet dat het bedrag dat de consument voor de toetreding tot een piramidesysteem betaalt, van een zekere omvang is.(27)

60. Om welke reden een onderneming die een dergelijk systeem hanteert, betaling verlangt (bij voorbeeld, zoals hier, om betrouwbare gegevens te verkrijgen over personen die zich inschrijven om een krediet te ontvangen), is voor de toepassing van de richtlijn niet van belang.

61. In punt 14 van bijlage I een vereiste lezen dat een consument een minimumbetaling moet verrichten, zou voorts in strijd zijn met de door de richtlijn beoogde volledige harmonisatie en met de doeleinden van uniformiteit en rechtszekerheid.(28)

62. Hieruit volgt dat de betaling van elk bedrag, hoe gering ook, een betaling in de zin van de richtlijn is.

Conclusie

63. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de prejudiciële vragen van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas te beantwoorden als volgt:

„Punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG (‚richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) dient aldus te worden uitgelegd:

– er sprake is van een piramidesysteem in de zin van die bepaling wanneer een consument een betaling verricht om tot een dergelijk systeem toe te treden;

– bij het onderzoek of de in punt 14 van bijlage I genoemde elementen in een bepaald geval aanwezig zijn, moet worden vastgesteld dat het bewuste systeem een piramidestructuur heeft, in de zin dat er sprake is van verschillende niveaus met de exploitant aan de top, en van een cumulatieve, exponentieel toenemende aanwas van nieuwe leden. Voorts dient te worden aangetoond dat de aan bestaande leden uitgekeerde vergoeding voornamelijk afkomstig is uit de door nieuwe leden gedane betalingen;

– de betaling van elk bedrag, hoe gering ook, moet voor de toepassing van de richtlijn als betaling worden aangemerkt.”

1 – Oorspronkelijke taal: Engels.

2 – Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22).

3 – Ik vat de formulering in de Engelse tekst van de richtlijn „where a consumer gives consideration for the opportunity to receive compensation [...]” aldus op, dat de consument een betaling verricht voor de kans op een vergoeding. Ik wijs erop dat in een aantal taalversies van de richtlijn, waaronder de Litouwse, niet wordt gesproken van een dergelijke betaling.

4 – Uit het dossier van de nationale rechter blijkt dat consumenten maximaal 50 personen per dag en 200 personen per maand konden uitnodigen.

5 – Tijdens de campagne hebben meer dan 12 223 personen zich ingeschreven. 3 577 van hen vroegen een lening aan en 2 868 kregen die ook; sommige personen namen meer dan één kleine lening. 4finance ontving ongeveer 122 LTL aan inschrijvingsbedragen en betaalde 236 060 LTL aan „premies”.

6 – Arrest Hof van 8 september 2011, Rosado Santana (C‑177/10, Jurispr. blz. I‑7907, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

7 – Zie de in opdracht van de Europese Commissie verrichte studie van Micklitz, Monazzahian en Röẞler, Door to door selling – Pyramid selling – Multilevel marketing.

8 – Te weten de Deense, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Italiaanse, de Letse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Slowaakse, de Spaanse en de Tsjechische taalversie.

9 – Arresten Hof van 6 oktober 1982, CILFIT e.a. (283/81, Jurispr. blz. 3415, punten 18‑20); 7 december 1995, Rockfon (C‑449/93, Jurispr. blz. I‑4291, punt 28), en 1 april 2004, Borgmann (C‑1/02, Jurispr. blz. I‑3219, punt 25).

10 – Arrest Hof van 3 juni 2010, Internetportal und Marketing (C‑569/08, Jurispr. blz. I‑4871, punt 35 en aangehaalde rechtspraak). Zie, recenter, arrest van 25 april 2013, Bark (C‑89/12, punt 36).

11 – Zie ook arrest Hof van 17 oktober 2013, RLvS (C‑391/12, punt 33).

12 – Artikel 2, sub e.

13 – Artikel 2, sub k.

14 – Zie respectievelijk de punten 7 en 8 van de considerans.

15 – Punt 11 van de considerans.

16 – Arrest Hof van 18 oktober 2012, Purely Creative (C‑428/11, punt 45).

17 – Zie de punten 5 en 6 van de considerans.

18 – Artikel 5, lid 5.

19 – Wat de problemen betreft die zich voordoen wanneer betaling geen vereiste is, zie punt 31 hierboven.

20 – Zie punt 22 hierboven.

21 – Deze benamingen verwijzen naar het wel of niet voorkomen in de tekst van een voorwaarde die een verband legt tussen de door bestaande leden ontvangen vergoeding en de opbrengsten uit de toetreding van nieuwe leden.

22 – Zie mijn opmerkingen in punt 31 hierboven, met betrekking tot de eerste vraag.

23 – Zie artikel 1 van de richtlijn.

24 – Onder het woord „Schneeballsystem” („sneeuwbalsysteem”) wordt dezelfde oplichtingsmethode verstaan als onder „piramidesysteem” in alle andere taalversies van de richtlijn. Het feit dat de cumulatieve aanwas van nieuwe leden het werk is van de exploitant in het centrum en niet van het verticale traject vanaf de top van een piramide, lijkt mij niet van belang, en ik ben niet van mening dat de Duitse tekst om deze reden een ander verschijnsel op het oog zou hebben dan de andere taalversies.

25 – Zie de punten 18‑20 hierboven.

26 – Bij de „Schneeball” zou de exploitant in het midden staan, omgeven door meerdere naar buiten wijkende kringen.

27 – Zie bij voorbeeld de benadering van het Hof in het arrest Purely Creative (aangehaald in voetnoot 16, punten 30 en 34).

28 – Zie punt 2 hierboven.

Noot: 

Bert Keirsbilck, Over per se verboden piramidesystemen en andere, voorwaardelijk toegelaten promotionele systemen, DCCR 2015 |107, 110

Cass. 2 april 1998, RW 1998-99, 502, noot; Cass. 2 maart 2006, RW 2007-08, 487, noot.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 24/08/2017 - 18:19
Laatst aangepast op: do, 24/08/2017 - 18:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.