-A +A

Persoonlijk onderhoudsgeld criterium economische terugval enkel bij bijzondere omstandigheden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 01/01/2015

Vermits - zoals blijkt uit de echtscheidingshervorming - het actuele huwelijksconcept niet langer uitgaat van een levenslange verbintenis, kan ook niet langer worden uitgegaan van het levenslange genot van de huwelijkse levensstandaard na beëindiging van het huwelijk. Tijdens het huwelijk geniet de economisch zwakkere echtgenoot weliswaar mee van de hogere welvaart van de economische sterkere echtgenoot, maar bij beëindiging van het huwelijk moet deze terug in zijn eigen levensonderhoud voorzien, overeenkomstig diens eigen financiële draagkracht.

De economische zelfredzaamheid van de gewezen echtgenoten is sinds de wet van 27 april 2007 dan ook het uitgangspunt en tevens de minimumnorm. Het betreft een verwijzing in abstracto naar de normale of gemiddelde levensstandaard van om het even welke uitkeringsgerechtigde in een soortgelijke situatie (met die welbepaalde opvoeding, sociale status, opleiding, leeftijd en gezondheidstoestand) en niet naar de levensstijl in concreto van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot. Zo niet, wordt de notie 'staat van behoefte'uitgehold en geassimileerd met de huwelijkse levensstandaard van de uitkeringsgerechtigde. De formulering in artikel 301, § 3, lste lid BW dat de uitkering ten minste de staat van behoefte moet dekken, verliest bovendien elke zin van betekenis wanneer deze enkel zou worden gedetermineerd door de (vroegere) levensstandaard.

Artikel 301 BW voorziet in een basissolidariteit na het huwelijk via de alimentaire functie van de uitkering na echtscheiding, waarbij de mogelijkheid tot uitgebreide(re) solidariteit slechts aan de orde is bij zgn. economische terugval, die bovendien aanzienlijk moet zijn en geheel of gedeeltelijk kan worden gecompenseerd wanneer hiertoe bijzondere redenen voorhanden zijn. De wet somt op exemplatieve wijze een aantal redenen op, op basis waarvan een beroep kan worden gedaan op een uitgebreidere solidariteit, met name de duur van het huwelijk, de leeftijd van de partijen en de gekozen taakverdeling en het daarmee gepaard gaande verlies van verdienvermogen.

De aanzienlijke economische terugval houdt een vergelijking in van de daadwerkelijke economische situatie van de onderhoudsgerechtigde op het ogenblik van de echtscheiding, enerzijds, en de economische situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zou hebben verkeerd indien hij tijdens of ingevolge het huwelijk met de onderhoudsplichtige niet de keuzes had gemaakt die een invloed hebben gehad op zijn verdienvermogen, anderzijds.

Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. Uit de bepalingen van artikel 301 BW volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding (zie ook Cass. 6 maart 2014, C.12.0184.N).

De terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde kan m.a.w. het gevolg zijn van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar ook van de echtscheiding zelf. Daaruit volgt dat de mogelijkheid van toekenning van een hogere uitkering dan wat nodig is om de staat van behoefte te dekken, niet uitsluitend bestaat in geval de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde wegens het huwelijk is verminderd, maar eveneens, om bijzondere redenen van redelijkheid en billijkheid, wanneer er - zonder verlies aan verdienvermogen - een aanzienlijke terugval door de echtscheiding wordt veroorzaakt.

De rechter houdt in essentie rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten : het inkomen van de ex-echtgenoten dat vergeleken wordt is hun netto- inkomen, i.e. het bedrag dat zij overhouden, na aftrek van de lasten die opgelegd worden door de sociale en fiscale wetten.

Voor het bepalen van de maximumgrens van de uitkering na echtscheiding tot één derde van de inkomsten (art. 301 § 3 in fine BW) moet worden uitgegaan van de netto- inkomsten, d.i. het bedrag dat de onderhoudsplichtige overhoudt na aftrek van de sociale en fiscale lasten, zonder dat rekening wordt gehouden met andere lasten waartoe de onderhoudsplichtige gehouden is in het kader van zijn bestedingspatroon of ten behoeve van anderen.

 

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
126
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

Feiten en retro-acten

6. Partijen zijn gehuwd op 09/10/1987.

7. Zij hebben samen 2, inmiddels meerderjarige, kinderen (J., (...) en L., O(…)).

L. is afgestudeerd, maar woont nog in bij de vader.

8. Er kwamen echtelijke moeilijkheden.

Op 10/01/2013 kwam het vonnis van echtscheiding tussen, dat vervolgens betekend werd op 06/02/2013.

Hiertegen werd - althans voor wat de echtscheiding zelf betreft - geen rechtsmiddel aangewend, zodat thans de echtscheiding definitief voltrokken is, feit dat beide partijen ook hebben bevestigd ter zitting van 16/12/2014.

Beoordeling

Ontvankelijkheid - toelaatbaarheid

9. Het bestreden vonnis van 16/05/2013 werd betekend op 12/08/2013, zo hebben partijen bij monde van hun resp. raadslieden bevestigd ter zitting van 16/12/2014.

De hogere beroepen tegen dit vonnis werden ingesteld bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van dit Hof op 19/08/2013 en op 04/09/2013 en zijn beide regelmatig naar vorm en termijn.

Het hoger beroep van zowel de man als de vrouw is ontvankelijk en toelaatbaar.

Samenvoeging

10. Partijen vragen de samenvoeging wegens samenhang van de procedures gekend onder 2013/ AR/2385 en onder 2013/ AR/252 7.

Op dit verzoek van partijen kan worden ingegaan door het Hof, gelet op de verknochtheid van beide zaken, die telkens een hoger beroep betreffen tegen het zelfde vonnis.

De uitkering na echtscheiding

11. De vrouw vraagt een uitkering na echtscheiding, door haar begroot op € 700,00 per maand, geïndexeerd, zulks voor de duur van het huwelijk.

De man vraagt de afwijzing van deze vordering.

12. Overeenkomstig artikel 301 § 3 BW legt de rechter het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet dekken.

Vermits - zoals blijkt uit de echtscheidingshervorming - het actuele huwelijksconcept niet langer uitgaat van een levenslange verbintenis, kan ook niet langer worden uitgegaan van het levenslange genot van de huwelijkse levensstandaard na beëindiging van het huwelijk. Tijdens het huwelijk geniet de economisch zwakkere echtgenoot weliswaar mee van de hogere welvaart van de economische sterkere echtgenoot, maar bij beëindiging van het huwelijk moet deze terug in zijn eigen levensonderhoud voorzien, overeenkomstig diens eigen financiële draagkracht.

De economische zelfredzaamheid van de gewezen echtgenoten is sinds de wet van 27 april 2007 dan ook het uitgangspunt en tevens de minimumnorm. Het betreft een verwijzing in abstracto naar de normale of gemiddelde levensstandaard van om het even welke uitkeringsgerechtigde in een soortgelijke situatie (met die welbepaalde opvoeding, sociale status, opleiding, leeftijd en gezondheidstoestand) en niet naar de levensstijl in concreto van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot. Zo niet, wordt de notie 'staat van behoefte'uitgehold en geassimileerd met de huwelijkse levensstandaard van de uitkeringsgerechtigde. De formulering in artikel 301, § 3, lste lid BW dat de uitkering ten minste de staat van behoefte moet dekken, verliest bovendien elke zin van betekenis wanneer deze enkel zou worden gedetermineerd door de (vroegere) levensstandaard.

Artikel 301 BW voorziet in een basissolidariteit na het huwelijk via de alimentaire functie van de uitkering na echtscheiding, waarbij de mogelijkheid tot uitgebreide(re) solidariteit slechts aan de orde is bij zgn. economische terugval, die bovendien aanzienlijk moet zijn en geheel of gedeeltelijk kan worden gecompenseerd wanneer hiertoe bijzondere redenen voorhanden zijn. De wet somt op exemplatieve wijze een aantal redenen op, op basis waarvan een beroep kan worden gedaan op een uitgebreidere solidariteit, met name de duur van het huwelijk, de leeftijd van de partijen en de gekozen taakverdeling en het daarmee gepaard gaande verlies van verdienvermogen.

De aanzienlijke economische terugval houdt een vergelijking in van de daadwerkelijke economische situatie van de onderhoudsgerechtigde op het ogenblik van de echtscheiding, enerzijds, en de economische situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zou hebben verkeerd indien hij tijdens of ingevolge het huwelijk met de onderhoudsplichtige niet de keuzes had gemaakt die een invloed hebben gehad op zijn verdienvermogen, anderzijds.

Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. Uit de bepalingen van artikel 301 BW volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding (zie ook Cass. 6 maart 2014, C.12.0184.N).

De terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde kan m.a.w. het gevolg zijn van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar ook van de echtscheiding zelf. Daaruit volgt dat de mogelijkheid van toekenning van een hogere uitkering dan wat nodig is om de staat van behoefte te dekken, niet uitsluitend bestaat in geval de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde wegens het huwelijk is verminderd, maar eveneens, om bijzondere redenen van redelijkheid en billijkheid, wanneer er - zonder verlies aan verdienvermogen - een aanzienlijke terugval door de echtscheiding wordt veroorzaakt.

De rechter houdt in essentie rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten : het inkomen van de ex-echtgenoten dat vergeleken wordt is hun netto- inkomen, i.e. het bedrag dat zij overhouden, na aftrek van de lasten die opgelegd worden door de sociale en fiscale wetten. Voor het bepalen van de maximumgrens van de uitkering na echtscheiding tot één derde van de inkomsten (art. 301 § 3 in fine BW) moet worden uitgegaan van de netto- inkomsten, d.i. het bedrag dat de onderhoudsplichtige overhoudt na aftrek van de sociale en fiscale lasten, zonder dat rekening wordt gehouden met andere lasten waartoe de onderhoudsplichtige gehouden is in het kader van zijn bestedingspatroon of ten behoeve van anderen.

13. Het huwelijk van partijen heeft ca. 25 jaar geduurd.

14. De vrouw( ... ) is thans 48 jaar oud.

Zij heeft destijds een opleiding kantoor genoten.

Tussen 1992-2005 (m.a.w. gedurende 13 jaar) is zij huisvrouw geweest (zij nam toen loopbaanonderbreking en zorgde voor de huishouding en de 2 kinderen).

Vanaf 2005 werkte zij deeltijds.

Sedert 2010 werkte zij voltijds: zij had een duobaan als poetsvrouw en thuisbegeleidster en verdiende in totaal ca. € 1.450,00/maand.

Sedert eind 2012 ontvangt de vrouw enkel nog een RIZIV-uitkering t.b.v.€ 1.000,00 à€ 1.100,00/maand. De bijgebrachte stukken maken melding van een psychiatrische behandeling. Er worden ook onderscheiden nota's van medische behandeling bijgebracht. Of deze situatie tijdelijk of permanent is kan op heden niet worden uitgemaakt. De vrouw dient daarom minstens recente stukken bij te brengen (zie infra).

De vrouw heeft ook een huurlast t.b.v. € 595,00/maand.

15. De man( ... ) is op heden 52 jaar oud.

Hij is bekister in loondienst (bij de nv VAN ROEY). Daarnaast is hij ook nog zelfstandig dakwerker in bijberoep. Hij zou ca. € 2.200,00/maand verdienen. In acht genomen het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de getrouwheidszegels is er echter minstens sprake van een maandelijks inkomen van ca. € 2.650,00, naast zijn inkomen als zelfstandige in bijberoep, dat ongeveer € 500,00 op maandbasis bedraagt (de belastingsaanslagen maken melding van inkomsten als zelfstandige, op jaarbasis, van resp. € 5.552,71 (A.J. 2012) en€ 6.518,69 (A.J. 2011)).

De vrouw schat het inkomen van de man echter op minstens € 4.160,00 op maandbasis. Volgens de vrouw zou de man immers ook nog in het zwart bijverdienen (zij spreekt in dat verband van "alternatieve" inkomsten t.b.v. € 1.500,00/ maand) : de vrouw levert van haar beweringen echter geen bewijs.

De echtelijke woonst is eigendom van de man en volledig afbetaald : de man heeft dus geen woonkost.

16. De vereffening-verdeling is nog hangende.

17. Volgens de man heeft de vrouw een kostendelende relatie met haar nieuwe partner, de heer S.S.

Volgens de man is er sprake van officieuze samenwoonst met voornoemde man, zodat de vrouw niet kan eten van 2 walletjes tegelijk.

Ter staving beroept de man zich op een PV van betrapping op overspel alsook op verslaggeving door een privé-detective. Ondergeschikt, doet de man een bewijsaanbod.

Deze beweringen worden betwist door de vrouw, die voorhoudt dat haar relatie louter seksueel van aard is.

Het Hof beaamt dat een loutere vaststelling van overspel geen bewijs inhoudt van een duurzame relatie of een situatie van feitelijk samenwonen of - leven.

Naar het oordeel van het Hof is het bestaan van een duurzame samenlevingsrelatie in casu evenwel voldoende bewezen.

Tot dit besluit leidt niet alleen het proces-verbaal van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder (waaruit redelijkerwijze moet worden vastgesteld dat de alsdan aangetroffen man, die weigerde zijn identiteitsgegevens over te maken aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder ook S.S. is, aangezien de vaststellingen gebeurden in zijn woning), maar ook het rapport van de privé-detective, die op verzoek van de man is opgetreden.

Het Hof ziet geen enkele reden om te twijfelen aan de bewijswaarde van beide stukken. Dat de instrumenterende openbare ambtenaar in beschonken toestand zou hebben verkeerd op het ogenblik van de vaststellingen is een loutere bewering van de vrouw, die geen steun vindt in objectieve dossierelementen of stavingsstukken. De vrouw toont niet aan dat de gerechtsdeurwaarder in de uitvoering van zijn opdracht enige wettelijke of deontologische verplichting heeft geschonden.

De vaststelling dateert nog van tijdens het huwelijk, c.q. van vóór het echtscheidingsvonnis. Het bewijsmateriaal van een observatie door een privé- detective, verricht op een openbare plaats en conform de wet tot regeling van het beroep van privé-detective, zonder aanwending van onwettige middelen en zonder de gedragingen te hebben uitgelokt, vormt evenzeer een geoorloofd bewijs. In casu is de verslaggeving van de privé-detective duidelijk : deze bevat de neerslag van enkele in tijd gespreide vaststellingen, waaruit afdoende blijkt dat de vrouw op geregelde tijdstippen de woning van deze man betreedt (met beschikking over een eigen sleutel), bovendien ook in afwezigheid van de man. O.a. het feit dat de vrouw boodschappen bijhad en de woning betrad zonder dat de man aanwezig was is niet te rijmen met de beweringen dat de verhouding louter seksueel van aard zou zijn. Ook de eigen verklaringen van de vrouw ter zitting van 16/12/2014 dat zij alsdan vergezeld werd door deze man (die weliswaar in de wandelgangen bleef, doch haar moreel steunde/bijstond, gelet op het recente overlijden van haar vader) weerleggen het beweerde exclusief seksueel karakter van de relatie.

Het feit dat de vrouw slechts fragmentarische stukken bijbrengt inzake haar nutsverbruik in het door haar gehuurde appartement is wellicht niet vreemd aan bovenstaande vaststelling.

Aangezien het Hof de samenleving voldoende bewezen acht, dient niet ingegaan te worden op het bewijsaanbod van de man, evenmin als op de andere gevorderde onderzoeksmaatregelen.

18. De rechter moet nagaan in welke mate het feitelijk samenleven daadwerkelijk de toestand van de uitkeringsgerechtigde verbetert.

Naar het oordeel van het Hof is er, mede gelet op de duur van de relatie, sprake van een voldoende duurzame en standvastige samenleving die een feitelijk vermoeden oplevert dat de toestand van de uitkeringsgerechtigde hierdoor beïnvloed wordt.

19. Het Hof is van oordeel dat, in acht genomen bovenstaande vaststelling, nog een aantal essentiële stukken in deze ontbreken.

Meer bepaald dienen de stukken inzake de financiële toestand van de partner van de vrouw bijgebracht te worden. Het betreft hier :

■ aanslagbiljet personenbelastingen laatste 2 aanslagjaren (A.J. 2014 en A.J. 2013)

■ maandelijkse loonfiches periode 2013/2014 en samenvattende loonopgaven 2013/2014.

Dergelijke stukken zijn essentieel om een inschatting met kennis van zaken te maken van de financiële mogelijkheden van partijen, c.q. de vrouw in het bijzonder.

Naar het oordeel van het Hof is dan ook sprake van een situatie waar een derde (S.S.) stukken onder zich heeft die het bewijs inhouden van ter zake dienende feiten, zoals bedoeld in artikel 877 Ger.W.

20. Het gegeven dat voormelde persoon vreemd is aan onderhavige procedure vormt geen beletsel.

Uiteraard kan het Hof zelf geen derden in het geding betrekken, zo I uidt het voorschrift vervat in artikel 811 Ger. W. Het voorgaande doet evenwel geen afbreuk aan het feit dat toepassing gemaakt wordt van artikel 877 Ger.W. De rechter kan ambtshalve toepassing maken van de overlegging van stukken (zie ook: D. Mougenot, "La procédure de production de documents au secours d'une expertise en panne", P&B 2006, afl. 1, (78), p. 79, nr. 2; J. Van Compernolle, "La production forcée de documents dans le Code judiciaire", Ann. dr. Louvain 1981, p. 94).

In de huidige stand van het recht is trouwens het principe algemeen aanvaard dat ook derden moeten meewerken aan de bewijsvoering, minstens wanneer zij door de rechter worden aangesproken. Rechtsbedeling, waarheidsvinding en eerbiediging van het recht op bewijs zijn van dermate groot belang voor de samenleving, dat ook buitenstaanders moeten aanvaarden dat zij kunnen verplicht worden daartoe bij te dragen (zie ook B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 451, nr. 147; vgl. voorts Koninklijk commissaris Ch. Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, 359 alsook A. Fetweiss, Manuel de procédure civile, Fac. Dr. Liège, Luik, 1987, nr. 484). Dit geldt a fortiori, in acht genomen het feit

dat deze derde een relatie aangeknoopt heeft met een van de proces parti jen.

21. Vooraleer een dwingend rechterlijk overleggingsbevel uit te spreken wordt de heer S.S. uitgenodigd om de bedoelde stukken vrijwillig af te geven of te overleggen, niettegenstaande het feit dat de heer S.S. ongetwijfeld op de hoogte is van onderhavige gerechtelijke procedure (zie supra, randnummer 17).

In het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest wordt toegelicht welke modaliteiten en termijnen in acht genomen dienen te worden door de heer S.S., voornoemd, voor de overmaking van de aangeduide stukken.

22. De grief van de vrouw dat de man zou nalaten de meest recente inkomensgegevens bij te brengen is niet geheel onterecht.

De man wordt daarom verzocht volgende stukken bij te brengen:

■ aanslagbiljet personenbelastingen laatste 2 aanslagjaren (A.J. 2014 en A.J. 2013)

■ maandelijkse loonfiches periode 2013/2014 en samenvattende loonopgaven 2013/2014.

23. Aan de vrouw wordt verzocht recente stukken bij te brengen inzake haar medische toestand en (hieraan gekoppeld) haar inkomsten, gelet op het feit dat de terzake bijgebrachte stukken reeds van eind 2013 dateren.

24. De beslissing nopens de kosten blijft aangehouden. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Voegt de zaken gekend onder 2013/AR/2385 en 2013/ AR/2527 samen.

Verklaart het hoger beroep in de zaak 2013/ AR/2385 ontvankelijk.

Verklaart het hoger beroep in de zaak 2013/ AR/2527 ontvankelijk.

Heropent de debatten teneinde partijen toe te laten de stukken bij te brengen, zoals verzocht in de randnummers 22 en 23 van onderhavig arrest.

Verzoekt bij toepassing van artikel 878 Ger.W. dat de heer S.S., wonende( ... ), tegen uiterlijk 31 maart 2015, door neerlegging ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, aan dit Hof (3de kamer-familiekamer) zal overleggen in origineel of afschrift, teneinde er bij het dossier van de rechtspleging in de zaak met algemene rolnummers 2013/AR/2385 en 2013/AR/2527 te worden gevoegd:

■ het op zijn naam gevestigde aanslagbiljet personenbelastingen laatste 2 aanslagjaren (A.J. 2014 en A.J. 2013)

■ zijn maandelijkse loonfiches periode 2013/2014 en zijn samenvattende loonopgaven 2013/2014.

Zegt dat het de heer S.S., voornoemd, overeenkomstig artikel 878, tweede lid Ger.W., vrij staat zijn gebeurlijke opmerkingen bij geschrift of in raadkamer voor te dragen.

( ... )

Noot: 

• Steven Brouwers, “Levensstijl” of “levensstandaard”: het is maar een woord », R.A.B.G., 2017/4, p. 294-295

• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)



• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/06/2018 - 15:45
Laatst aangepast op: zo, 17/06/2018 - 15:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.