-A +A

Peildatum bepalen schade vaststaande schade die in haar geheel op een vroeger tijdstip dan vonnis kan worden begroot

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 07/09/2005
A.R.: 
P050500F

De regel dat de rechter de schade moet ramen op het ogenblik van de uitspraak, verbiedt hem niet het hoofdbedrag van de vergoeding te berekenen op een vroeger tijdstip, zo hij van mening is dat de schade op dat ogenblik al vaststond en voor begroting vatbaar was en bijgevolg tot herstel aanleiding kon geven, noch om in dat geval op dat bedrag compensatoire interesten toe te kennen om de bijkomende schade wegens het uitstel van betaling van het hoofdbedrag te vergoeden (1). (1) Zie Cass., 13 sept. 2000, AR P.99.1485.F, nr 464, met concl. adv.-gen. SPREUTELS.

De compensatoire interesten maken een integrerend deel uit van de vergoeding die voor het herstel van de door een fout veroorzaakte schade wordt toegekend; zij zijn een aanvullende vergoeding ter compensatie van de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen (1). (1) Zie Cass., 23 sept. 1986, AR 9927, nr 41.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.05.0500.F.-
C. A.,
tegen
D. S.,

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 7 maart 2005 door de Correctionele Rechtbank te Dinant in hoger beroep gewezen.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddelen

Eiser voert vijf middelen aan in een memorie, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

IV. Beslissing van het Hof

Over het eerste middel :

Overwegende dat het vonnis, met geen enkele considerans, eisers conclusie beantwoordt waarin hij de appelrechters verzoekt om van de vergoeding die aan verweerder voor de hulp van een derde tijdens de periode van volledige tijdelijke ongeschiktheid is toegekend, de reeds door het ziekenfonds daartoe betaalde bedragen af te trekken ; dat de appelrechters aldus hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleden ;

Dat het middel gegrond is ;

Over het tweede middel :

Eerste onderdeel :

Overwegende dat het vonnis de conclusie van eiser niet beantwoordt, die aanvoert dat op de vergoeding die aan verweerder voor de toekomstige schade die voortvloeit uit de hulp van een derde ten gevolge van zijn blijvende ongeschiktheid, geen compensatoire interesten mochten worden toegekend ; dat de appelrechters aldus hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleden ;

Dat dit onderdeel gegrond is ;

Over het derde middel :

Overwegende dat de compensatoire interesten een integrerend deel uitmaken van de vergoeding die voor het herstel van de door een fout veroorzaakte schade wordt toegekend ; dat zij een aanvullende vergoeding zijn ter compensatie van de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen;

Overwegende dat de regel dat de rechter de schade moet ramen op het ogenblik van de uitspraak, hem niet verbiedt het hoofdbedrag van de vergoeding te berekenen op een vroeger tijdstip, zo hij van mening is dat de schade op dat ogenblik al vaststond en voor begroting vatbaar was en bijgevolg tot herstel aanleiding kon geven, noch om in dat geval op dat bedrag compensatoire interesten toe te kennen om de bijkomende schade wegens het uitstel van betaling van het hoofdbedrag te vergoeden ;

Overwegende dat het bestreden vonnis om het inkomensverlies te ramen dat met de blijvende ongeschiktheid van eiser gepaard gaat, een onderscheid maakt tussen schade in het verleden, geleden van 1 juli 2000, tijdstip van de consolidatie, tot 7 maart 2005, datum van de uitspraak van het vonnis, en de toekomstige schade, die vanaf die laatste datum wordt geleden en die het door kapitalisatie begroot ;

Dat de appelrechters aldus noodzakelijkerwijze beslissen dat die toekomstige schade op het ogenblik van de consolidatie niet kon worden begroot zoals ze werd begroot en dat zij dus niet vanaf die dag kon worden vergoed ;

Dat zij bijgevolg geen compensatoire interesten konden toekennen op de herstelvergoeding ;

Dat zij door die interesten aan verweerder toe te kennen, hem een vergoeding toekennen die de daadwerkelijk geleden schade overstijgt en hun beslissing niet naar recht verantwoorden ;

Dat het middel gegrond is ;

Over het vierde middel :

Eerste onderdeel :

Overwegende dat het vonnis, met geen enkele considerans, eisers conclusie beantwoordt waarin hij aanvoert dat de vergoeding, voor een toekomstige schade, waarop verweerder recht heeft ten gevolge van de morele schade die uit zijn permanente ongeschiktheid vanaf 7 maart 2005 voortvloeit, geen compensatoire interesten mag opleveren ; dat de appelrechters aldus hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleden ;

Dat dit onderdeel gegrond is ;

Over het vijfde middel :

Eerste onderdeel :

Overwegende dat het vonnis de conclusie van eiser niet beantwoordt die opkomt tegen het feit dat compensatoire interesten worden berekend op de vergoedingen die, vanaf 7 maart 2005, de huishoudelijke schade van verweerder en zijn verplaatsingsonkosten moeten dekken, aangezien het respectievelijk om schade "voor een toekomstige periode" en voor een "toekomstige uitgave" gaat ; dat de appelrechters aldus hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleden ;

Dat dit onderdeel gegrond is ;

Tweede onderdeel :

Overwegende dat de appelrechters, die vaststellen dat de schade door gederfde levensvreugde die voortvloeit uit de blijvende ongeschiktheid van verweerder vanaf 7 maart 2005, de datum van hun uitspraak, een toekomstige schade was, hun beslissing om het bedrag tot vergoeding van die schade door gederfde levensvreugde vanaf 7 maart 2005, vanaf 1 juli 2000 met compensatoire interesten te verhogen, om gelijkaardige redenen als deze in antwoord op het derde middel vermeld, niet naar recht verantwoorden ;

Dat dit onderdeel gegrond is ;

En overwegende dat er geen grond is tot onderzoek van de tweede onderdelen van het tweede en vierde middel, die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eiser veroordeelt om aan verweerder een schadevergoeding van 17.478,84 euro te betalen voor de hulp van een derde tijdens de volledige tijdelijke ongeschiktheid en in zoverre het vanaf de gemiddelde datum van 1 juli 2000, de schadevergoeding van 367.981,15 euro voor hulp van een derde vanaf 7 maart 2005, de schadevergoeding van 413.983,21 euro voor het inkomensverlies voor het tijdvak van blijvende ongeschiktheid dat vanaf dan begon te lopen, deze van 201.362,29 euro voor de morele schade van verweerder ten gevolge van diens blijvende ongeschiktheid geleden vanaf diezelfde datum, en de schadevergoedingen van 89.494,35 euro, 44.747,18 euro en 80.544,92 euro, die respectievelijk overeenkomen met de huishoudelijke schade van verweerder, zijn verplaatsingsonkosten en zijn schade door gederfde levensvreugde, voor hetzelfde tijdvak vanaf 7 maart 2005, met 5 % compensatoire interesten verhoogt ;

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ;

Veroordeelt eiser in de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en verweerder in de andere helft ervan ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van zeven september tweeduizend en vijf uitgesproken

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 30/12/2017 - 14:43
Laatst aangepast op: za, 30/12/2017 - 14:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.