-A +A

Pauliaanse vordering vergt geen dagvaarding schuldenaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
zon, 29/11/2015
A.R.: 
C.15.0060.N

De vordering ingesteld door de schuldeiser op grond van art. 1167 BW tegen de derde-verkrijger, strekkende tot de niet-tegenwerpelijkheid aan de schuldeiser van de overdracht van een onroerend goed, verricht door de schuldenaar aan de derde, betreft geen onsplitsbaar geschil.

Het is bijgevolg niet noodzakelijk om de schuldenaar of diens rechtsopvolgers in het geding te betrekken, opdat de pauliaanse vordering ontvankelijk zou zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
950
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

diens rechtsopvolgers in het geding te betrekken, opdat de pauliaanse vordering ontvankelijk zou zijn.

AR nr. C.15.0060.N

Belgische Staat, minister van Financiën, e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 2 juni 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 31 Ger.W. is het geschil enkel onsplitsbaar in de zin van dit artikel, wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn.

2. Op grond van art. 1167 BW kan een schuldeiser in eigen naam opkomen tegen handelingen die zijn schuldenaar heeft verricht met bedrieglijke benadeling van zijn rechten.

Deze pauliaanse vordering strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent.

Betreft de bedrieglijke handeling de overdracht van een vermogensbestanddeel door de schuldenaar aan een derde, dan bestaat de vergoeding in beginsel hierin dat die overdracht aan de agerende schuldeiser niet tegenwerpelijk is, zodat hij tot tenuitvoerlegging op het overgedragen vermogensbestanddeel kan overgaan.

3. De vordering ingesteld door de schuldeiser op grond van art. 1167 BW tegen de derde-verkrijger, strekkende tot de niet-tegenwerpelijkheid aan de schuldeiser van de overdracht van een onroerend goed, verricht door de schuldenaar aan de derde, betreft geen onsplitsbaar geschil.

Het is bijgevolg niet noodzakelijk om de schuldenaar of diens rechtsopvolgers in het geding te betrekken, opdat de pauliaanse vordering ontvankelijk zou zijn.

4. De appelrechters stellen vast dat de pauliaanse vordering werd ingesteld door de eisers tegen de verweerders als derde-verkrijgers van het onroerend goed dat hen door de schuldenaar werd geschonken en oordelen dat aangezien de schuldenaar niet in het geding werd betrokken, dit “gelet op het onsplitsbaar karakter van het geding, de niet-ontvankelijkheid tot gevolg [heeft] van de door de eisers ingestelde pauliaanse vordering”.

5. Door op die gronden te oordelen dat de pauliaanse vordering niet ontvankelijk is, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.


C.15.0060.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De betwisting betreft de door eisers, op grond van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek, gestelde vordering ten aanzien van een schenking van de naakte eigendom van een onroerend goed door de schuldenaar van eisers aan zijn drie kinderen (elk voor een derde).

2. Het bestreden arrest is van oordeel dat de omstandigheid dat de schuldenaar niet in het onderhavige geding werd betrokken, gelet op het onsplitsbaar karakter van dat geding, de niet ontvankelijkheid van de door eisers ingestelde pauliaanse vordering tot gevolg heeft.

3. Tegen deze beslissing voeren eisers een enig middel tot cassatie aan.

II. BESPRREKING VAN HET MIDDEL

1. Artikel 1167 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schuldeisers in hun eigen naam kunnen opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke benadeling van hun rechten.

2. Reeds eerder oordeelde uw Hof(1) dat deze pauliaanse vordering strekt tot de vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent. Betreft de bedrieglijke handeling de overdracht van een vermogensbestanddeel aan een derde, dan bestaat volgens uw Hof de vergoeding in beginsel hierin dat die overdracht aan de agerende schuldeiser niet tegenwerpelijk is, zodat hij tot executie op het overgedragen vermogensbestanddeel kan overgaan.

3. Waar het welslagen van de pauliaanse vordering alleen tot gevolg heeft dat de bestreden handeling niet aan de schuldeiser kan worden tegengeworpen, wordt de aangevochten handeling echter niet nietig verklaard en blijft zij dan ook bestaan tussen de schuldenaar en zijn medecontractant(en).

4. Volgens de opvatting van de appelrechters zou er evenwel een verplichting bestaan om de schuldenaar steeds in het geding te betrekken, indien de pauliaanse vordering strekt tot de niet-tegenwerpelijkheid aan de schuldeiser van de bedrieglijke overdracht verricht door diens schuldenaar aan een derde-medecontractant.

De reden hiervoor is volgens hen dat dit geschil een onsplitsbaar karakter heeft (cf. art. 31 Ger.W.).

5. Waar het in het geding betrekken van de schuldenaar aldus op die manier een voorwaarde vormt voor de ontvankelijkheid van de pauliaanse vordering, lijkt deze opvatting echter in strijd met de oplossing die (unaniem) wordt verdedigd in de Franse(2) en Belgische(3) rechtsleer, en die impliciet blijkt uit de Franse cassatierechtspraak(4), die erop neerkomt dat het voor de ontvankelijkheid van de pauliaanse vordering niet vereist is (maar misschien wel wenselijk om latere verwikkelingen te voorkomen)(5) dat de schuldenaar in het geding wordt betrokken.

6. Hieraan wordt m.i. geen afbreuk gedaan door het arrest van uw Hof van 19 maart 1998(6) waarnaar m.b.t. het onsplitsbaar karakter van het geschil door de appelrechters wordt verwezen.

7. Waar zowel in de huidige betwisting als in het arrest waarnaar wordt verwezen alle rechtsopvolgers begunstigden waren en dus mede-contractanten van de schuldenaar, zou op basis van dit arrest als regel kunnen gelden dat de pauliaanse vordering die strekt tot de niet-tegenwerpelijkheid aan de schuldeiser van een bedrieglijke overdracht verricht door diens schuldenaar aan verschillende derden, een onsplitsbaar karakter heeft ten aanzien van deze derden in de mate dat de niet-tegenwerpelijkheid geldt in de verhouding tussen de schuldeiser en de derde-medecontractanten(7). Al deze medecontractanten moeten dus in het geding worden betrokken.

Ten aanzien van de schuldenaar zelf is het geschil daarentegen niet onsplitsbaar(8), en vormt het dus geen voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de pauliaanse vordering dat de schuldenaar in het geding moet worden betrokken(9).

8. De appelrechters die oordelen dat het geschil ook ten aanzien van de schuldenaar een onsplitsbaar karakter heeft en dat de pauliaanse vordering op die grond niet ontvankelijk is, verantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht.

9. Het middel is gegrond.

III. CONCLUSIE: VERNIETIGING.
___________________
(1) Cass. 25 oktober 2001, AR C.99.0038.N, AC 2001, nr. 572; Cass. 9 februari 2006, AR C.03.0074.N, AC 2006, nr. 86; zie ook Cass. 13 maart 2015, AR C.14.0415.N.
(2) Wat de Franse rechtsleer betreft: zie J. GHESTIN e.a., Traité de droit civil, Les effets du contrat, Parijs, LGDJ, 2001, 877, nr. 820; H., L. en J. MAZEAUD en F. CHABAS, Leçons de droit civil. Obligations, Théorie générale, Parijs, Montchrestien, 1998, 1081, nr. 999; B. STARCK, H. ROLAND en L. BOYER, Obligations, Régime général, Parijs, Litec, 1997, 300, nr. 720; F. TERRE, P. SIMLER en Y. LEQUETTE, Droit civil, Les obligations, Parijs, Dalloz, 2002, 1096, nr. 1178.
(3) M.b.t. de Belgische rechtsleer: zie H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, nr. 241; A. KLUYSKENS, Beginselen van burgerlijk recht, I, Gent, Erasmus, 1925, 88, nr. 97; R. VANDEPUTTE, De overeenkomst, Brussel, Larcier, 1977, 363-364; I. BANMEYER, "L'action paulienne et la tierce complicité: points de contact" in P. WÉRY (ed)., La théorie générale des obligations, Luik, CUP, 1998, 253; S. BAR en C. ALTER, "Les effets du contrat" in Pratique du droit, Waterloo, Kluwer, 2006, 156, nr. 289; C. CAUFFMAN, "Pauliaanse vordering" in Bijzondere overeenkomsten, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 55; E. DIRIX en A. VAN OEVELEN, Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992), RW 1992-93, 1254, nr. 81; S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, I, Brugge, die Keure, 2005, 232; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, III, Brussel, Bruylant, 2010, 2127, nr. 1539; J. VERSTAPPEN, "De pauliaanse vordering en de ontvangers van directe belastingen en van B.T.W.", T.Not. 1996, nr. 6.
(4) Zo oordeelde het Franse Hof van Cassatie in een arrest van 6 november 1990 dat de pauliaanse vordering ingesteld moet worden jegens de derde-medecontractant. De pauliaanse vordering die ingesteld wordt jegens de schuldenaar is niet-ontvankelijk (Cass. Fr. Civ. 6 november 1990, JCP 1992, II, nr. 21905, met noot G. BOLARD). In een arrest van 15 oktober 1991 oordeelde het Franse Hof van Cassatie bovendien, in het kader van een zijdelingse vordering, dat geen enkele wettelijke bepaling de ontvankelijkheid van de zijdelingse vordering onderwerpt aan de voorwaarde dat de schuldenaar in het geding wordt betrokken (Cass. Fr. com. 15 oktober 1991, JCP 1992, II, nr. 21905). Dit geldt ook voor de pauliaanse vordering (zie eveneens de noot van G. BOLARD).
(5) G. BOLARD, La qualité pour défendre, l'action oblique et l'action paulienne (noot onder Cass. Fr. civ. 6 november 1990 en Cass. Fr. com. 15 oktober 1991, JCP 1992, II, nr. 21905).
(6) Cass. 19 maart 1998, AR C.94.0422.N, AC 1998, nr. 156.
(7) Zie P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, II, 2010, 2127, nr. 1539; zie i.v.m. het gevolg van de niet-tegenwerpelijkheid eveneens: S. BAR en C. ALTER, Les effets du contrat, in Pratique du droit, Waterloo, Kluwer, 2006, 153, nr. 281; C. CAUFFMAN, Pauliaanse vordering, in Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2007, nr. 60.
(8) Zie over dit begrip: A. FETTWEIS, L'indivisibilité du litige en droit judiciaire privé, JT 1971, 271, nr. 10; E. KRINGS en M. STORME, Onsplitsbaarheid, Preadvies in Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Jaarboek 1969-1970, 307-312; F. PETILLION, Samenvoeging ingevolge onsplitsbaarheid en bevoegdheidsafwijzing ingevolge splitsbaarheid, RW 1990-91, 1137.
(9) Indien, in de verhouding tussen de schuldeiser en de derde, een pauliaanse vordering wordt ingewilligd en tot de niet-tegenwerpelijkheid van de overdracht wordt besloten, kan de schuldeiser in elk geval uitwinnen op het vermogen van de derde. Een andersluidende beslissing ten aanzien van de schuldenaar, die de voorwaarden van de pauliaanse vordering opnieuw ter discussie stelt, maakt de executie op het overgedragen vermogensbestanddeel, dat zich effectief in het vermogen van de derde bevindt, niet materieel onmogelijk (cf. art. 31 Ger. W.). In de praktijk zal de schuldenaar die niet betrokken werd bij het geding, de voorwaarden van de pauliaanse vordering pas opnnieuw in vraag stellen wanneer de derde-medecontractant, na uitwinning door de schuldeiser, jegens de schuldenaar een vrijwaringsvordering instelt (in de verhouding tussen de schuldenaar en de derde-medecontractant blijft de bedrieglijke rechtshandeling immers bestaan). Op dat ogenblik is de executie door de schuldeiser op het vermogen van de derde echter reeds gebeurd, zodat de gelijktijdige tenuitvoerlegging van tegenstrijdige beslissingen niet materieel onmogelijk wordt gemaakt.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 10/03/2017 - 12:21
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 12:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.