-A +A

Pauliaanse vordering - ondeelbaarheid van de bestreden rechtshandeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 26/10/2009
A.R.: 
2007/AR/2802

De "Pauliaanse vordering" behoort tot het leerstuk van de buitencontractuele aansprakelijkheid - vijfjarige verjaring van artikel 2262 § 1 B.W. van toepassing - beginpunt is de datum van vaststelling van de onuitvoerbaarheid van de titel die de benadeelde heeft - het niet tegenwerpbaar verklaren van een rechtshandeling treft deze rechtshandeling volledig en ondeelbaar.

Tot toekenning van de Pauliaanse vordering dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:
- anterioriteitsvoorwaarde;
- verarming van de schuldenaar;
- bedrog van de schuldenaar;
- medeplichtigheid van de derde.

De Pauliaanse vordering mag echter niet een bron van verrijking zijn voor de benadeelde schuldeiser (zie verder arrest).

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest

2007/AR/2802 - In de zaak van:

V. B. I., wonende te ..................................................,

appellante,

hebbende als raadsman mr. VAN PARYS Luc, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5,

tegen:

1.W. H., advocaat, met kantoor gevestigd te ............................, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van DECOTEX-EUROLUX BVBA, met zetel te 8500 Kortrijk, Kon. Elisabethlaan 2/bus D4, met KBO nr. 0421.749.070,

eerste geïntimeerde q.q., in persoon, (uw referte 991158)

2. D. S., wonende te ....................................................

tweede geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DE NEVE Elfri, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Stationsstraat 29, (uw referte 06663/03)

velt het hof het volgend arrest:

De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten.

Het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 21 november 2007 tegen het vonnis d.d. 23 oktober 2007 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer, is tijdig en regelmatig naar de vorm.

Het is ontvankelijk.

Het (impliciete) incidenteel beroep van S. D. is eveneens ontvanke-lijk.

ANTECEDENTEN

I.

A.

S. D., alhier de tweede geïntimeerde, en I. V. B., alhier de appellante, zijn op 28 juni 1985 gehuwd. Met huwelijkscontract van 18 juni 1985 hebben zij het wettelijk stelsel aangenomen; dit huwelijksstelsel hebben zij sedertdien niet gewijzigd.

Tijdens het huwelijk, met name op 21 september 1989, hebben zij samen de aankoop verricht van een onroerend goed, gelegen aan de ......... te Zwevegem - zijnde een woonhuis met aanhorigheden, op en met medegaande grond, gekadastreerd onder Zwevegem, eerste afdeling, sectie A, nummer 967/G met een oppervlakte van 14 aren 93 centiaren -, blijkbaar voor de prijs van 2.500.000 BEF (= 61.973,38 EUR), te vermeerderen met de kosten.

S. D. was destijds actief in de BVBA Decotex-Eurolux, samen met zijn broer (J. D.) en vader (J. D.).

De BVBA Decotex-Eurolux werd in staat van faillissement verklaard door de rechtbank van koophandel te Kortrijk bij vonnis van 17 mei 1999. Meester H. W. werd aangesteld als curator.

S. D. werd samen met J. en J. D., eerst door de correctionele rechtbank te Kortrijk bij vonnis van 14 mei 2003 en later door het hof van beroep te Gent op 6 december 2005, strafrechtelijk veroordeeld onder meer wegens bedrieglijk wegmaken van goederen ten nadele van de BVBA Decotex-Eurolux waarop beslag was gelegd en eveneens wegens verduistering of verberging van activa van de BVBA Decotex-Eurolux.

Op burgerlijk vlak heeft Mr.H. W. q.q. hun solidaire veroordeling bekomen tot betaling van 164.330 EUR provisioneel, in hoofdsom, dit op grond van wegmaken van goederen en verduistering of verberging van activa.

Uit het gerechtsdeurwaarderexploot van ‘betekeningbevel' ten verzoeke van Mr.H.W. q.q. d.d. 23 en 24 januari 2006 ten laste van de drie voormelden, blijkt dat de openstaande schuldvordering, kosten en intresten inbegrepen, alsdan reeds 252.995,80 EUR bedraagt.

Alhier zij er meteen vastgesteld dat uit de door de curator voorgelegde stukken blijkt dat de curator de aldus bekomen veroordeling vergeefs heeft pogen te doen uitvoeren ten laste van J. en J. D. (zie stuk nr. 11, dossier curator: schrijven gerechtsdeurwaarder d.d. 3 april 2006) en eveneens vergeefs ten laste van S. D. (zie stukken nrs. 11 en 12, dossier curator - nr.12: ontwerp van verdeling d.d. 26 juni 2006 door de gerechtsdeurwaarder).

De werkelijkheidswaarde en de relevantie van de voormelde overtuigingsstukken nr. 11 en 12 zoals voorgelegd door de curator, wor-den door I. V. B. en S. D. niet betwist.

I. V. B. en S. D. zijn met vonnis van 2 maart 2000 overgeschreven op 12 april 2000 te Waregem, uit de echt gescheiden met onderlinge toestemming.

In de voorafgaande notariële regelingsakte van 30 september 1999 werd de hierboven reeds vermelde woning met grond volledig aan I. V. B. toebedeeld.

B.

Er zij voorts vermeld dat zekere BVBA Weverij Coucke die ten laste van S. D. een in kracht van gewijsde gegaan vonnis (5 mei 2000) van veroordeling had bekomen ten bedrage van 2.049.390 BEF (= 50.803,05 EUR) meer intresten en kosten, in rechte reeds een pau-iaanse vordering heeft ingeleid ten laste van I. V. B. en S. D., met respectieve dagvaardingsexploten van 27 juli 2001 en 8 augustus 2001.

De vordering van de BVBA Weverij Coucke strekte er toe te horen zeggen voor recht dat de toebedeling van het onroerend goed, ge-legen aan de .............. te Zwevegem - zijnde een woonhuis met aanhorigheden, op en met medegaande grond, gekadastreerd onder Zwevegem, eerste afdeling, sectie A, nummer 967/G met een oppervlakte van 14 aren 93 centiaren - aan I. V. B., zoals overeengekomen tussen laatstgenoemde en S. D. in de akte van 30 sep-tember 1999 (verdeling en overeenkomst echtscheiding door onderlinge toestemming) verleden door notaris Cloet te Oostrozebeke, niet aan de BVBA Weverij Coucke kan worden tegengesteld.

Met arrest van het hof van beroep te Gent, 11b kamer, d.d. 30 maart 2006, wordt de vordering van de BVBA Weverij Coucke tot het niet tegenwerpbaar verklaren van de voormelde toebedeling, onverkort toegekend.

Dit arrest is blijkbaar niet nader bestreden geworden.

Anderzijds blijkt uit de uiteenzetting van I. V. B. dat zij de uitvoering van voormeld arrest heeft tegengehouden door de aan de BVBA Weverij Coucke verschuldigde bedragen te betalen.

II.

A.

Met dagvaarding van 14 december 2006 betekend aan S. D. en I. V. B. vordert Mr.H. W. q.q. dat de rechtbank voor recht zegt dat de toebedeling van het onroerend goed, gelegen aan de .................te Zwevegem - zijnde een woonhuis met aanhorigheden, op en met medegaande grond, gekadastreerd onder Zweve-gem, eerste afdeling, sectie A, nummer 967/G met een oppervlakte van 14 aren 93 centiaren - aan I. V. B., zoals overeengekomen tussen de laatst genoemde en S. D. in de akte van 30 september 1999 (verdeling en overeenkomst echtscheiding door onderlinge toestemming) verleden door notaris Cloet te Oostrozebeke, niet aan de hem q.q. kan worden tegengesteld.

De dagvaarding is gekantmeld geworden op het hypotheekkantoor.

B.

De eerste rechter verklaart de vordering van Mr. H. W. q.q. ontvan-kelijk en gegrond en kent de pauliaanse vordering onverkort toe.

Hij veroordeelt S. D. en I. V. B. elk tot de helft van de gerechtskos-ten.

Hij verklaart ten slotte dat er geen aanleiding is om het vonnis uit-voerbaar bij voorraad te verklaren.

III.

I. V. B., de appellante, vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de cu-rator als verjaard en dienvolgens ontoelaatbaar, ondergeschikt als ongegrond.

St. D. sluit zich volledig aan bij de vordering en besluiten van I. V. B.

Hij vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de curator als ontoelaatbaar, ondergeschikt als ongegrond.

Hiermee formuleert hij impliciet doch duidelijk een incidenteel hoger beroep.

Mr.H. W. q.q. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van I. V. B. en/of S. D. tot de kosten verbonden aan de beroepsprocedure.

BEOORDELING

I.

Voor de middelen en argumenten van de respectieve partijen zij er verwezen naar het bestreden vonnis.

De partijen hernemen deze grotelijks in de voorliggende beroeps-procedure.

Zij zullen hierna aan bod komen.

II.

De vordering is niet verjaard.

A.

Het leerstuk van de pauliaanse vordering behoort tot de materie van de buitencontractuele aansprakelijkheid (zie o.m. E.Dirix onder Cass., 15 mei 1992, R.W., 1992-1993, 331, eerste kolom, rand-nummer 2).

Enerzijds is er de verhouding tussen de schuldeiser en de schulde-naar en anderzijds de verhouding tussen de schuldenaar en de derde waartussen er sprake is van een handeling met bedrieglijke benadeling verricht.

De handeling met bedrieglijke benadeling van de schuldeiser staat in beginsel buiten de eigenlijke verhouding tussen de schuldeiser en de schuldenaar. De derde heeft bij veronderstelling meegewerkt aan de bedrieglijke benadeling van de schuldeisers van zijn medecontractant (de schuldenaar). Dit maakt een onrechtmatige daad uit.

De gebeurlijk contractuele oorsprong van de schuldeiser-schuldenaarverhouding brengt niet met zich mee dat de pauliaanse vordering ook contractueel van oorsprong zou zijn / worden.

B.

a.

Art. 2262 bis § 1 BW bepaalt:

" Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aanspra-kelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelij-ke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. "

Waar de pauliaanse vordering buitencontractueel van aard is, is de vijfjarige verjaring van toepassing.

b.

Het schadeverwekkende feit is in onderhavige betwisting de door de curator q.q. gelaakte toebedeling van het onroerend goed aan de appellante, bij de voormelde notariële akte van 30 september 1999.

De schuldvordering van de curator q.q. ten laste van S. D. is defini-tief komen vast te liggen bij arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 6 december 2005.

Die schuldvordering is echter niet de schade binnen de rechtsfiguur van de pauliaanse vordering en dus ook niet de schade binnen het vraagstuk van de verjaring zoals omschreven in art. 2262 bis § 1 BW, tweede lid.

Binnen de rechtsfiguur van de pauliaanse vordering is "de schade" die welke het gevolg is van de beweerd bedrieglijke benadeling, in casu de toebedeling van het onroerend goed, waarvan de curator voorhoudt dat deze de massa van het faillissement van de NV De-cotex-Eurolux heeft "verarmd" (zie ook verder hierna).

Die schade is aan de curator pas duidelijk geworden wanneer hij moest vaststellen dat de aan de massa toegekende schuldvordering onuitvoerbaar was, met name - nadat hij met de gepaste dili-gentie de gerechtsdeurwaarder had aangesproken tot uitvoering - bericht kreeg van de gerechtsdeurwaarder op 3 april 2006 (stuk nr. 11, dossier curator) met bevestiging van vergeefse uitvoering ten laste van J., J. én S. D. - wat later is dan een ontwerp van verdeling d.d. 26 juni 2006 door de gerechtsdeurwaarder bezorgd aan de curator, inzake uitvoering ten laste van S. D. -.

Met voormeld schrijven van 3 april 2006 van de gerechtsdeurwaar-der moest de curator redelijkerwijze kennis hebben gekregen van de schade die de massa leed ten gevolge van de beweerd bedrieg-lijke benadeling van haar rechten als schuldeiser van S. D., met name toen moest hij weten dat de massa "verarmd" was.

Voordien was er nog geen sprake van kennis van schade in hoofde van de curator: zelfs wanneer hij wist dat er een toebedeling was van het onroerend goed aan I. V. B., dan volgde daaruit nog niet dat de schade voor hem duidelijk moest zijn.

Immers, het was goed mogelijk dat de curator bij de uitvoering mocht vaststellen dat de gerechtsdeurwaarder voldoende (ander) onderpand in beslag kon nemen of dat S. D. vrijwillig zou betalen.

De datum van de vaststelling van de onuitvoerbaarheid is de datum van de vaststelling van de schade.

c.

Vergeefs verwijst de appellante naar de procedure (zie hierboven: eveneens een pauliaanse vordering) die de BVBA Weverij Coucke tegen S. D. en I. V. B. heeft gevoerd, die uitgemond is in het arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 30 maart 2006 en waarvan de appellante voorhoudt dat de curator van in den beginne op de hoogte van was en dus ook van de regelingsakte van 30 september 1999.

De schade als aanvangspunt voor de verjaring is pas het ogenblik waarop de curator voor hem (q.q.) vaststelt dat de schuldvordering van de massa onuitvoerbaar is en niet de datum regelingsakte.

Voorts, wat verder het lot van de schuldvordering van de BVBA Weverij Coucke ten laste van S. D. is geweest, is hoegenaamd niet determinerend voor het lot van de schuldvordering van de massa.

De schuldvordering van de massa is overigens definitief pas komen vast te staan bij arrest van het hof van beroep te Gent van 6 de-cember 2005.

Noch het bestaan noch het verloop van de procedure van de BVBA Weverij Coucke leiden ertoe dat - zelfs als de curator ervan op de hoogte was - hiermee ook de schade voor de massa ten opzichte van de curator moest vaststaan.

Hoogstens kan het samenbrengen van de procedure van de BVBA Weverij Coucke én de definitieve vastlegging van de schuldvordering bij arrest van 6 december 2005, ertoe leiden dat de verjaring ten opzichte van de curator q.q. zou zijn begonnen op 6 december 2005.

In dat geval is er nog altijd geen sprake van verjaring - in onderha-vige procedure dateert de inleidende dagvaarding van 14 december 2006 -.

d.

Tenslotte verwart de appellante enerzijds de datum van kennisne-ming van de schade als aanvangsdatum voor de verjaringstermijn en anderzijds de datum die in aanmerking kan worden genomen bij het onderzoek van de anterioriteit als voorwaarde voor het slagen van de pauliaanse vordering.

Aan de anterioriteitsvoorwaarde van de pauliaanse vordering is vol-daan als de oorzaak van de schuldvordering dateert van de gelaakte bedrieglijke handeling. Alhier liggen de oorzaken van de schuld-vordering in de strafrechtelijk beteugelde daden gepleegd door S. D. vóór het faillissement van de BVBA Decotex-Eurolux d.d. 17 mei 1999, terwijl de gelaakte toebedeling van het onroerend goed is opgenomen in de regelingsakte van 30 september 1999.

Aan de anterioriteit als voorwaarde voor de pauliaanse vordering is voldaan (zie ook verder hieronder).

De datum die in aanmerking wordt genomen voor het vervuld ach-ten van de voorwaarde van anterioriteit, heeft niets te maken met de datum die in aanmerking wordt genomen als begindatum voor de verjaring.

De eerste datum heeft te maken met de oorzaak / grondslag van de schuldvordering en de tweede datum met de vraag naar de kennis van de schade ten gevolge van de gelaakte benadelende hande-ling.

e.

De dagvaarding vanwege de curator q.q. inhoudende de pauliaanse vordering ten laste van S. D. en I. V. B. dateert van 14 december 2006, bijgevolg zonder enige twijfel binnen de verjaringstermijn van vijf jaar die pas begon te lopen vanaf 3 april 2006.

III.

S. D. werpt de "theorie van de onderverkrijger" op.

Hij wijst erop dat I. V. B. reeds eigenares was van het onroerend goed voor "minstens de helft" en dat de pauliaanse vordering slechts kan uitgeoefend worden voor het onverdeeld aandeel.

Verder poneert hij : " De belangen van mw.V. B. en de kinderen worden nodeloos geschonden als onderverkrijger te goeder trouw, wanneer de actio pauliana ontvankelijk wordt verklaard ". (zie be-sluiten voor S. D., neergelegd op 4 januari 2008, blz. 2, derde alinea)

Het hof herneemt desbetreffend wat reeds in het arrest van 30 maart 2006 in de hierboven reeds aangestipte procedure tegen de BVBA Weverij Coucke is overwogen en acht deze overwegingen alhier als herhaald.

De pauliaanse vordering is gericht tegen I. V. B. omwille van de be-drieglijke deelname door haar aan de verdeling, waardoor ze uitslui-tend eigenares werd van het onroerend goed. Zij bevindt zich dus niet in een toestand van een onderverkrijger tegen wie geen actio pauliana kan worden ingesteld omdat er na de aangevochten rechtshandeling, gesteld door de schuldenaar met medeplichtigheid van een derde, een nieuwe rechtshandeling wordt gesteld zonder bedrieglijk inzicht van de nieuwe verkrijger.

De actio pauliana is overigens een persoonlijke (en niet zakelijke) vordering die gebaseerd is op het oneigenlijke misdrijf door de derde bedreven. Deze derde had niet mogen handelen zoals hij deed.

De schadelijke gevolgen van de onrechtmatig verrichte rechtshan-deling, moet hij vergoeden ten bate van de schuldeisers. Om die reden reeds is de aanmerking onjuist dat de actio pauliana slechts kan worden uitgeoefend op het onverdeeld aandeel dat I.V. B. heeft verworven.

Overigens kan het niet-tegenwerpbaar verklaren van een rechtshandeling niet als een deelbaar gegeven worden aangezien: het gevolg van de niet-tegenwerpbaarheid betreft de volledige en on-deelbare handeling.

Bij toekenning van de pauliaanse vordering - zoals in casu ge-schiedt - komt de curator q.q. in de toestand van schuldeiser q.q. alsof de rechtshandeling niet had plaatsgevonden. Het onroerend goed komt weer terecht in de toestand zoals deze was vóór de toebedeling, met name alsof het zich nog in de gemeenschap van S. D.-I. V. B. zou bevinden en bijgevolg onderworpen aan de beslagmogelijkheden vandien.

IV.

Anterioriteitsvoorwaarde voor de pauliaanse vordering

De schuldeiser die de pauliaanse vordering instelt, moet titularis zijn van een schuldvordering van vóór de datum waarop de aangevochten handeling werd verricht.

Zoals hierboven (randnummer II.B.d) reeds aangestipt, is aan de anterioriteitsvoorwaarde voldaan als de oorzaak / grondslag van de schuldvordering dateert van de gelaakte bedrieglijke handeling. Het is niet vereist dat het bedrag van deze schuldvordering op dat tijdstip (datum van de gelaakte bedrieglijke handeling) reeds is bepaald of dat de schuldvordering werd vastgesteld in een rechterlijke beslissing (cf. Cass., 20 maart 2008, R.W. 2008-2009, 362 e.v. met advies O.M.; zie ook Cass., 5 januari 2006, R.W., 2008-2009, 361 - in korte inhoud - internet: cass.be -deze laatste zaak heeft een fei-telijke achtergrond die zeer vergelijkbaar is met de voorliggende zaak).

Alhier ligt de grondslag van de schuldvordering van de curator q.q. in de (strafrechtelijk beteugelde) handelingen gepleegd door S. D. vóór het faillissement van de BVBA Decotex-Eurolux (uitgesproken bij vonnis van 17 mei 1999), terwijl de gelaakte toebedeling van het onroerend goed is opgenomen in de regelingsakte van 30 september 1999.

De oorzaak / grondslag van de schuldvordering van de curator q.q. is onmiskenbaar voorafgaand aan de gelaakte handeling van 30 september 1999.

I. V. B. en S. D. betwisten dan ook ten onrechte dat aan de anterioriteitsvoorwaarde is voldaan.

V.

Verarming van S. D.

A.

‘De handeling van de schuldenaar waartegen diens schuldeiser op-komt moet tot een verarming van de schuldenaar hebben geleid of de schuldenaar anderszins in zijn verhaalsmogelijkheden hebben benadeeld. De verarming of benadeling wordt bewezen door de huidige situatie van de schuldeiser te vergelijken met zijn situatie bij afwezigheid van de betwiste handeling' (Verbintenissenrecht, W.van Gerven en S.Covemaeker, uitg. 2006, blz. 228; zie ook DEKKERS-VERBEKE, Handboek Burgerlijk Recht, III, nr. 440, blz. 259-260).

Uit wat voorafgaat volgt dat het reeds voldoende is om als verar-ming van de schuldenaar te bestempelen, de handeling waardoor de schuldeiser op enige wijze in zijn verhaalsmogelijkheden wordt bemoeilijkt.

In alle geval zij er, binnen het kader van de voorliggende betwisting, vastgesteld dat het onroerend goed dat tot de gemeenschap van de (thans gewezen) echtelieden S. D. - I. V. B. behoorde en bijgevolg vóór de echtscheiding (die de toebedeling definitief bezegelde) ook het onderpand was van de schuldvordering van de curator q.q., door die toebedeling verdwenen is.

Op een onroerend goed is het verregaand makkelijker uit te voeren dan op roerende (inbegrepen gebeurlijke schuldvorderingen).

De verarming van S. D. staat vast en meteen die van de curator q.q. als schuldeiser van S. D.

B.

De appellante werpt op dat de curator "afstevent" "middels pauli-aanse vordering [...] op een verrijking".

Dit verweer is niet nuttig tot afweer van de pauliaanse vordering als zodanig.

Wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van de pauliaanse vordering is voldaan, spreekt de rechter de niet-tegenwerpbaarheid uit ten aanzien van de eisende schuldeiser, van de betwiste rechtshandeling en dit met toepassing van art. 1167 BW.

Desbetreffend overweegt het hof wat het Hof van Cassatie eerder als ‘obiter dictum' heeft opgenomen is in zijn arrest van het Hof van Cassatie d.d. 15 mei 1992 (R.W., 1992-1993, 330 e.v., met noot van Eric Dirix):

" Dat evenwel de pauliaanse vordering voor de agerende schuldeiser geen bron van winst kan zijn, waardoor zijn positie voordeliger wordt dan indien de aangevochten handeling door de schuldenaar niet was verricht; dat met name wanneer het onroerend goed ten tijde van de vervreemding bezwaard was met hypotheek, een niet preferente schuldeiser bij de uitvoering slechts aanspraak kan maken op het verschil tussen de opbrengst van de gedwongen ver-koop en het bedrag van die hypothecaire schuldvorderingen; ".

De vraag naar verbod van verrijking heeft te maken met de gevolgen van een toegekende pauliaanse vordering en meteen met de uitvoering ervan, doch niet met de toekenning ervan op zich.

Uit wat voorafgaat volgt dat bij de uitvoering van onderhavig arrest dat de bevestiging zal zijn van het bestreden vonnis, de curator q.q. niet zomaar de volle opbrengst van de tegeldemaking van het onroerend goed tot zich zal kunnen nemen.

Het hof stelt in deze context vast dat de hypotheek t.v.v. van de ASLK die op het ogenblik van de toebedeling van het onroerend goed aan I. V. B. rustte op het onroerend goed, niet het voorwerp is geweest van enige betwisting (alhier verwijst het hof o.m. ook naar Cass., 25 oktober 2001, R.W., 2002-2003, 940 e.v.).

VI.

Bedrog van de schuldenaar

De curator q.q. toont voldoende naar recht aan dat S. D. wist, min-stens redelijkerwijze moest weten dat hij, door de toebedeling van het onroerend goed in de aan de echtscheiding door onderlinge toestemming voorafgaande regelingsakte, zichzelf verarmde door de verhaalsmogelijkheden van zijn schuldeisers te beknotten.

De regelingsakte dateert van nà het faillissement.

Inherent levert zij als dusdanig aan S. D. geen enkel tastbaar voordeel op als tegenprestatie voor de toebedeling van het onroerend goed aan I. V. B. Integendeel, S. D. nam zelfs de volledige hypothecaire schuld over; dat uiteindelijk is gebleken dat S. D. zijn verbintenissen, spruitende uit de regelingsakte niet honoreerde, heeft geen invloed op de vaststelling dat de regelingsakte inclusief de toebedeling van het onroerend goed, alleszins als een als een ab-normale zaak voorkomt.

Deze handelswijze is al evenmin verklaarbaar door de - bij hypo-these aanwezige - wil van de appellant om zijn schuld voor de breuk in het huwelijk te compenseren.

Het hof neemt hierbij eveneens een overweging uit het arrest van 30 maart 2006 over - inzake de BVBA Weverij Coucke - die het ook tot de zijne neemt:

" Er mag hier opgemerkt worden dat de appellant zich voor de twee minderjarige kinderen verbonden had tot betaling van een onder-houdsbijdrage van 25.000 oude BEF per kind en van een persoonlijk onderhoudsgeld [voor I. V. B.] van 50.000 oude BEF. Appellant wist dat hij al die verbintenissen niet kon nakomen en dat is ook vlug gebleken voor wat betreft de onderhoudsgelden en de hypo-thecaire aflossingen. Het hof moet besluiten dat de regeling tussen de echtgenoten abnormaal was en dat appellant handelde met de wetenschap dat de schuldeisers werden benadeeld ".

Het onroerend goed werd "pro fisco" geschat op 10.000.000 BEF (= 247.893,52 EUR). Dat de meerwaarde van 7.500.000 BEF (= 185.920,14 EUR) sedert de aankoop te danken zou zijn aan fi-nanciële inbrengen / investeringen vanuit het persoonlijk vermogen van I. V. B. (of haar ouders), wordt niet aangetoond.

Wat nadien (na de regelingsakte) gebeurd is (zoals het niet honoreren van de verbintenissen door S. D., met als gevolg de tussenkomst van de ouders van I. V. B.), is zonder invloed op de vaststelling van het onevenwicht in de regelingsakte.

Er is in de regelingsakte een dermate opvallend onevenwicht van de wederzijdse verbintenissen ten nadele van S. D. vast te stellen, dat deze niet anders kan verklaard worden dan door een bedrieglijke ingesteldheid aan de zijde van S. D.

De notaris is niet inzake. De aanmerkingen vanwege I. V. B. dat de notaris een en ander zou hebben aangeprezen in zijn regeling en in zijn formulering, is dan ook niet aan de orde.

VII.

Medeplichtigheid van I. V. B.

Wanneer de derde, in casu I. V. B., de beweegredenen van de schuldenaar, in casu, S. D., kende of die redelijkerwijze behoorde te kennen en hierbij bewust hielp, is voldaan aan de desbetreffende voorwaarde voor de toepassing van de pauliaanse vordering.

Het is niet vereist dat de derde een persoonlijk voordeel nastreeft.

Uit het abnormale karakter van de regelingsakte, zoals hierboven onder VI beschreven, wist de appellante, minstens moest zij weten dat zij meewerkte aan een handeling met als gevolg dat de schuldeisers van S. D. geen tastbaar onderpand meer hadden.

Daarenboven:

- hoewel het bedrijfsleven haar persoonlijk volledig vreemd was gebleven, heeft ze op 15 juli 1998 met eigen kapitaal, zoals blijkt uit haar verklaringen tijdens het strafonderzoek, de BVBA Creativa opgericht (zie stuk nr. 7, dossier curator), met haarzelf als zaakvoer-der, doch S. D. als feitelijk bestuurder;

- S. D. had al acht jaar een relatie met iemand anders, doch bleef tot 17 augustus 2000 officieel woonplaats houden bij de appellante (zie stuk nr. 6, dossier curator - dus nog meer dan vier maanden na het definitief worden van de echtscheiding); de regelingsakte be-paalt dat de partijen gedurende de proeftijd op hetzelfde adres woonplaats houden.

Waar de appellante onder haar overtuigingstuk nr. 10 een medisch attest voorlegt van zeer veel verwondingen die wijzen op een ruzie, wil het hof dit geenszins minimaliseren, doch het hof moet ook opmerken dat het attest dateert van 19 augustus 1998 (de regelingsakte dateert van 30 september 1999), terwijl het attest niets vermeldt in verband met wie de appellante ruzie zou hebben gehad (al zou het "slechts" de opneming van een verklaring zijn geweest). Van dit stuk kan geen enkele overtuigingskracht uitgaan.

Alle voormelde elementen samen doen het hof besluiten dat er niet alleen in hoofde van S. D. maar ook in hoofde van de appellante sprake was van een daadwerkelijk met bedrieglijke bedoelingen bewust meewerken aan de benadeling van de schuldeisers van S. D.

VIII.

Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden vonnis wordt bevestigd.

IX.

De gerechtskosten

Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt voor recht gezegd dat I. V. B. en S. D. hun eigen respectieve beroeps-procedurekosten zullen dragen en verder dat I.V. B. wordt veroordeeld tot de gerechtskosten aan de zijde van de curator.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het principaal hoger beroep vanwege I. V. B. en het incidenteel beroep vanwege S. D. ontvankelijk doch ook beide ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt I. V. B. en S. D. elk tot hun gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan hun zijde daar zij respectievelijk te hunnen laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de curator over het faillissement van de BVBA Decotex-Eurolux op nihil.

Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken

Noot: 

Verlooy, B., « De tenuitvoerlegging na een pauliaanse vordering, meer bepaald de executie in het kader van de onbeheerde nalatenschap van de schuldenaar », R.A.B.G., 2017/6, p. 488-495

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 09/08/2017 - 12:59
Laatst aangepast op: wo, 09/08/2017 - 12:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.