-A +A

Pachtopzegging eigen exploitatie -controle door de rechter over de ernst van de opzeggingsreden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 21/01/2016
A.R.: 
C.15.0155.N

De rechter moet bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging van de pacht wegens persoonlijke exploitatie rekening houden met alle feitelijke omstandigheden die de opzegging verantwoord hebben; hij moet onderzoeken of uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter het oprechte en ernstige voornemen had om vanaf het verstrijken van de opzegtermijn de persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie uit te voeren; zijn beslissing is onaantastbaar

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1389
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
AR nr. C.15.0155.N

A.B. en E.W. t/ N.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Eupen van 15 december 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

3. Art. 7 Pachtwet bepaalt dat de verpachter bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde kan maken aan de pacht, indien hij van een ernstige reden doet blijken. Ongeacht de in art. 6 bedoelde redenen kunnen als ernstige redenen uitsluitend worden aanvaard: 1o het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen.

Art. 9, eerste lid Pachtwet bepaalt dat de exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggenomen op grond van de bij artt. 7, 1o, en 8 bepaalde reden, een persoonlijke, werkelijke en ten minste negen jaar voortgezette exploitatie moet zijn door degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen of, indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders en niet alleen door hun aangestelden.

Naar luid van art. 12.6, eerste lid Pachtwet gaat de rechter bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging na of de opzeggingsredenen ernstig en gegrond zijn, en met name of uit alle omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter de als opzeggingsredenen bekend gemaakte voornemens ten uitvoer zal brengen.

Art. 12.6, derde lid van die wet bepaalt dat, in geval van betwisting over het ernstig karakter van het eigen gebruik, de verpachter moet preciseren hoe degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant is of zijn aangewezen, de persoonlijke werkelijke en voortgezette exploitatie zullen uitvoeren en bewijzen dat zij daartoe in staat zijn, alsmede dat zij aan de in art. 9 gestelde voorwaarden voldoen.

4. Krachtens die bepalingen moet de rechter bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging rekening houden met alle feitelijke omstandigheden die de opzegging verantwoord hebben. Hij moet onderzoeken of uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter het oprechte en ernstige voornemen had om vanaf het verstrijken van de opzegtermijn de persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie uit te voeren. Zijn beslissing is onaantastbaar.

5. De appelrechter oordeelt dat:

– uit de stukken die de verweerder voorlegt kan worden afgeleid dat hij de administratieve voorwaarden vervult om een landbouwbedrijf te exploiteren;

– de verweerder op de openbare zitting van 27 oktober 2014 heeft verklaard een vleeskudde te willen oprichten voor een productie van biowaren en dat dit zijn hoofdberoepsactiviteit zal worden;

– de verweerder er terecht op wijst dat het criterium dat het exploiteren van een landbouwbedrijf een overwegend deel van de beroepsactiviteit moet uitmaken, pas na afloop van de opzegtermijn vervuld moet zijn, temeer omdat de verweerder over de litigieuze gronden moet beschikken om de voorgenomen exploitatie door te voeren;

– art. 9 in strenge bepalingen voorziet wat de duur van de exploitatie door de verweerder betreft en deze bepaling de eisers in voorkomend geval zal toelaten om aanspraak te maken op een schadevergoeding, indien de verweerder zijn verplichtingen niet uitvoert.

6. De appelrechter oordeelt aldus onaantastbaar dat de verweerder in deze omstandigheden heeft aangetoond dat hij de voorwaarden vervult om een einde te maken aan de pacht voor eigen exploitatie, zonder de aangevoerde wetsbepalingen te schenden.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

 

 

Noot: 

Rechtspraak:

• Cass. 3 januari 1974, Arr.Cass. 1974, 482;
• Cass. 27 mei 1977, Arr.Cass. 1977, 992;
• Cass. 27 januari 1978, RW 1978-79, 1161;
• Cass. 31 mei 1979, Arr.Cass. 1978-79, 1148;
• Cass. 19 maart 1981, Arr.Cass. 1980-81, 805;
• Cass.14 juni 1991, Arr.Cass. 1990-91, 1026).

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 23/04/2018 - 22:19
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.