-A +A

Overschrijvingsopdracht is een lastgeving aan de bank

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 12/06/2012
A.R.: 
A.R.nr.2009/AR/2881

Een overschrijvingsopdracht dient als een lastgeving te worden gekwalificeerd, waarbij de financiële instelling van de opdrachtgever als lasthebber optreedt. Het is de opdrachtgever die, via de overschrijvingsopdracht, zijn financiële instelling ermee belast een rechtshandeling te verrichten.

De overschrijvingsopdracht belast de financiële instelling met de taak om, door het debiteren van de rekening van de opdrachtgever, de schuldvordering van de opdrachtgever ten aanzien van de financiële instelling te verminderen teneinde de schuldvordering die de begunstigde heeft ten aanzien van zijn financiële instelling, door het crediteren van diens rekening, te vergroten.

Ook de overschrijvingsopdracht die de tussenkomst vereist van meerdere financiële instellingen moet worden gekwalificeerd als een lastgeving. De overschrijving is dan de uitvoering van de lastgeving. Indien de opdrachtgever en de begunstigde van de overschrijving beschikken over rekeningen bij verschillende financiële instellingen, deelt men deze vierpartijenverhouding (opdrachtgever, begunstigde en hun respectieve financiële instellingen) op in twee mandaten.

De verhouding tussen de opdrachtgever en zijn bank wordt gekwalificeerd als een eerste lastgeving.

De bank van de begunstigde wordt dan meestal gekwalificeerd als de plaatsvervangende lasthebber van de eerste bank. Deze theorie situeert het tijdstip van de overschrijving bij de creditering van de rekening van de begunstigde-overnemer.

Dit vloeit voort uit de kwalificatie van gesubstitueerd mandaat, waardoor de lastgever slechts bevrijd is indien de lasthebber in zijn naam en voor zijn rekening heeft betaald (B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, « Overzicht van rechtspraak bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009 », TPR 2010, 607-608, nr. 11).

De bank van de begunstigde handelt derhalve in opdracht van de opdrachtgevende klant en niet als uitvoeringsagent van de bank van de opdrachtgever.
 

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
384
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Brussel (8ste k.) 12 juni 2012

A.R.nr.2009/AR/2881

I. Overschrijvingsopdracht - Kwalificatie - Lastgeving - Toepassing van artikel 1994, tweede lid BW - Gevolgen voor de verjaringstermijn

II. Bank - Overschrijvingsopdracht - Geen controle van de overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde - Tekortkoming

III. Opdrachtgever van een overschrijvingsorder - Vermelding van een verkeerd rekeningnummer - Fout - Gedeelde aansprakelijkheid met de bank die de overschrijvingsorder uitvoerde

I. Een overschrijvingsopdracht dient als een lastgeving te worden gekwalificeerd, waarbij de financiële instelling van de opdrachtgever als lasthebber optreedt. Ook de overschrijvingsopdracht die de tussenkomst van meerdere financiële instellingen vereist, moet worden aangemerkt als een lastgeving. De bank van de begunstigde is dan de plaatsvervangende lasthebber van de financiële instelling van de opdrachtgever. De bank van de begunstigde handelt in opdracht van de opdracht gevende bank en niet als uitvoeringsagent van de bank van de opdrachtgever.

De lastgever kan de persoon die de lasthebber in zijn plaats heeft gesteld op grond van artikel 1994, tweede lid BW rechtstreeks aanspreken. Dit vorderingsrecht is van contractuele aard, zodat niet de vijfjarige verjaringstermijn uit artikel 2262, § 1, tweede lid BW van toepassing is, maar de tienjarige termijn van artikel 2262, § 1, eerste lid BW.

Il. Op de bankier van de begunstigde van een overschrijvingsopdracht rust de verplichting om controle uit te oefenen op mogelijke tegenstrijdigheden die de overschrijvingsopdracht bevat. Indien de aangeduide rekening niet overeenstemt met de vermelde identiteit van de begunstigde, kan de opdracht niet worden uitgevoerd, zo lang geen verduidelijking wordt gegeven. De bank van de begunstigde is aansprakelijk voor de schade die door haar fout is ontstaan, zo zij de controle niet doorvoerde.

III. De opdrachtgever van een overschrijvingsorder die een verkeerd rekeningnummer vermeldt begaat een fout, die in oorzakelijk verband staat met de door hem geleden schade. Deze kan, in de gegeven omstandigheden even zwaarwichtig zijn als de fout van de financiële instelling, zodat ze in gelijke mate aansprakelijk zijn voor het ontstaan van de geleden schade.

(NV KBC t. NV VMSW en mrs. R. Vanosselaer en F. De Keersmaecker q.q.)

[ ... ]

Overzicht van de relevante feiten

13. In de loop van het jaar 1996 diende het Vlaams Gewest nog aanzienlijke subsidies uit te keren aan de stad Gent in het kader van een project van woningbouw « Scheldeoord » en van een renovatieproject « Rustoord Van Horebeke », waarvan deze laatste de opdrachtgeefster was.

De werken werden uitgevoerd door de aannemer NV D., die bij vonnis van 16 november 1995 failliet werd verklaard door de rechtbank van koophandel te Mechelen.

Op dat ogenblik waren er nog verschillende grote werken in uitvoering in opdracht van het Vlaams Gewest en van de Stad Gent. De meeste van deze opdrachten werden in de loop van 1996 met instemming van de opdrachtgevers overgedragen aan andere aannemers en enkele van deze werken werden afgewerkt onder het beheer van de curatoren. Het Vlaams Gewest diende bijgevolg ook nog gelden te betalen aan de curatele van de failliet verklaarde aannemer D. op basis van vorderingsstaten en ter plaatse gedane vaststellingen, maar ook voor werken die na de datum van het faillissement verder moesten worden uitgevoerd.

14. In de loop van het jaar 1996 gaf het Vlaams Gewest een aantal betalingsopdrachten aan haar bankier (het toenmalige Gemeentekrediet) om in het kader van het project « Scheldeoord » de subsidies over te maken aan de stad Gent.

Op deze betalingsopdrachten werd de Stad Gent als begunstigde vermeld, alsook het rekeningnummer van de NV D. bij de toenmalige bank Cera (nu KBC Bank, appellante).

In uitvoering van deze opdrachten werd een totaal bedrag van 1.386.682,99 EUR overgeschreven op de rekening van de NV D., ondanks het feit dat de stad Gent de werkelijke begunstigde was van de overgeschreven sommen (371.349,20 EUR betaald op 14maart 1996, 463.587,79 EUR betaald op 18juli 1996, 207.210,88EUR betaald op 10 oktober 1996 en 344.535,22 EUR betaald op 7 november 1996).

15. Op 18 januari 1996 en 2 3 maart 1996 gaf het Vlaams Gewest eveneens opdracht aan het Gemeentekrediet om in het kader van voormeld project en van het project « renovatie Rustoord Van Horebeke» de bedragen van respectievelijk 281.039,69 EUR en 21.191,33 EUR te betalen aan de stad Gent.

Op deze betalingsopdrachten was eveneens het rekeningnummer vermeld van de NV D. Het bedrag van 21.191,33 EUR werd overgeschreven op de rekening van deze NV. De som van 281.039,69 EUR werd door Cera niet overgeschreven op de rekening van deze NV, maar werd door deze bank blijkbaar gecompenseerd met een schuldvordering die zij bezat op de NV. D. De curatele van het faillissement van deze NV bevestigde op 26 april 1996 dat dit bedrag van 281.039,69 EUR onder alle voorbehoud als provisionele uitkering kon worden beschouwd.

16. Na een aanmaning van 16 januari 1997 liet de stad Gent op 12 augustus 1997 het Vlaams Gewest dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent tot betaling van de subsidies ten bedrage van 1.386.682,99 EUR en 21.191,33 EUR, meer interest op de som van 1.386.682,99 EUR.

In een op 17 juni 2002 neergelegde conclusie vorderde de stad Gent ook de som van 281.039,69 EUR, bedrag dat door Cera was aangewend ter compensatie met een schuldvordering van deze bank op de NV D.

17. In de loop van deze procedure heeft de curatele van de NV D., die op 29 augustus 1997 door het Vlaams Gewest was gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring, de volgende bedragen overgemaakt aan de stad Gent

[ ... ]

18. Bij vonnis van 29 juni 2005 werd het Vlaams Gewest veroordeeld tot het betalen aan de Stad Gent van het saldo( ... ).

De curatele van het faillissement D. werd veroordeeld tot het vrijwaren van het Vlaams Gewest voor het saldo van de hoofdsom, hoewel deze laatste eveneens de vrijwaring had gevorderd, wat de interesten betreft.

Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep ingesteld.

19. Inmiddels had de raadsman van het Vlaams Gewest op 15 maart 2004 appellante in gebreke gesteld om het bedrag terug te betalen van 281.039,69 EUR, dat zij volgens het Vlaams Gewest wederrechtelijk had gecompenseerd met een nog openstaande debetsaldo op de rekening van de gefailleerde vennootschap D., meer de interest op dit bedrag vanaf 18 januari 1996.

Appellante, die in haar schrijven van 7 april 2004 erkende « een gebrekkige naamcontrole » te hebben uitgevoerd, maakte de gevorderde hoofdsom over aan de curatele, die dit bedrag op 2 september 2004 doorstortte aan de stad Gent. Appellante betwistte wel interest verschuldigd te zijn.

Naar aanleiding van deze briefwisseling heeft appellante een kopie van alle procedurestukken opgevraagd en bekomen met betrekking tot de procedure die werd gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

20. Ingevolge het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2006 houdende de regeling van de rechtsopvolging van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, is de VMSW in de rechten en plichten getreden van het Vlaams Gewest.

21. De VMSW houdt voor dat appellante ingevolge de miskenning van haar controleverplichting gehouden is tot betaling van de vergoedende interest vanaf de data van de respectieve doorstortingen aan D., waartoe het Vlaams Gewest werd veroordeeld, alsook tot het betalen van de vergoedende interest op de bedragen die appellante voor eigen gebruik heeft aangewend.

Rekening houdend, enerzijds, met de door de toenmalige Cera destijds foutief doorgestorte bedragen en de voor eigen gebruik aangewende bedragen, en, anderzijds, met de bovenvermelde gerecupereerde en/of teruggestorte bedragen, vordert zij van appellante de volgende bedragen, telkens berekend op basis van de wettelijke rentevoet: ( ... )

[ ... ]

Bespreking

22. Appellante werpt in hoofdorde op dat de eis van de VMSW verjaard dient te worden verklaard op grond van artikel 2262bis, § 1 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, waarbij voormeld artikel werd ingevoerd in het BW en dat in werking is getreden op 27 juli 1998, bepaalt dat wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding, maar dat de totale duur van de verjaringstermijn evenwel niet meer dan dertig jaar mag bedragen.

De eerste rechter heeft hierover geoordeeld dat de VMSW een vorderingsrecht heeft tegen appellante op grond van artikel 1994 BW.

Aangezien deze eis een contractuele grondslag heeft, geldt volgens hem de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid. Doordat de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, waarbij ook deze bepaling werd ingevoerd, is de verjaringstermijn van tien jaar beginnen lopen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, namelijk 27 juli 1998, en is de op 5 juli 2007 ingeleide vordering bijgevolg niet verjaard.

Het hof overweegt hierover het volgende. 23. Een overschrijvingsopdracht dient als een lastgeving te worden gekwalificeerd, waarbij de financiële instelling van de opdrachtgever als lasthebber optreedt. Het is de opdrachtgever die, via de overschrijvingsopdracht, zijn financiële instelling ermee belast een rechtshandeling te verrichten. De overschrijvingsopdracht belast de financiële instelling met de taak om, door het debiteren van de rekening van de opdrachtgever, de schuldvordering van de opdrachtgever ten aanzien van de financiële instelling te verminderen teneinde de schuldvordering die de begunstigde heeft ten aanzien van zijn financiele instelling, door het crediteren van diens rekening, te vergroten.

Ook de overschrijvingsopdracht die de tussenkomst vereist van meerdere financiële instellingen moet worden gekwalificeerd als een lastgeving. De overschrijving is dan de uitvoering van de lastgeving. Indien de opdrachtgever en de begunstigde van de overschrijving beschikken over rekeningen bij verschillende financiële instellingen, deelt men deze vierpartijenverhouding (opdrachtgever, begunstigde en hun respectieve financiële instellingen) op in twee mandaten.

De verhouding tussen de opdrachtgever en zijn bank wordt gekwalificeerd als een eerste lastgeving. De bank van de begunstigde wordt dan meestal gekwalificeerd als de plaatsvervangende lasthebber van de eerste bank. Deze theorie situeert het tijdstip van de overschrijving bij de creditering van de rekening van de begunstigde-overnemer. Dit vloeit voort uit de kwalificatie van gesubstitueerd mandaat, waardoor de lastgever slechts bevrijd is indien de lasthebber in zijn naam en voor zijn rekening heeft betaald (B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, « Overzicht van rechtspraak bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009 », TPR 2010, 607-608, nr. 11).

De bank van de begunstigde handelt derhalve in opdracht van de opdrachtgevende klant en niet als uitvoeringsagent van de bank van de opdrachtgever.

24. De kritiek tegen deze kwalificatie dient verworpen te worden.

Dat de financiële instelling als lasthebber niet de onderliggende beweegreden kent van de verrichting, is niet ter zake dienend.

Een lastgeving is immers een overeen - komst waarbij de ene partij de andere gelast met het stellen van een rechtshandeling. In voorliggend geval is dit het ter beschikking stellen van een bedrag ten gunste van een derde in naam en voor rekening van de opdrachtgever, en dit eventueel via de tussenkomst van de financiële instelling van de begunstigde als gesubstitueerde lasthebber. Dat de lasthebber-bank de reden zou kennen waarom dit bedrag ter beschikking wordt gesteld, is geen essentiële voorwaarde voor de totstandkoming van een geldige lastgeving. Eens de rechtshandeling is verricht door de lasthebber, wordt deze geacht te zijn verricht door de lastgever.

Dat bij de kwalificatie als lastgeving de financiële instelling de opdrachtgever zou vertegenwoordigen in een verrichting die door de opdrachtgever zelf niet kan gesteld worden, kan evenmin worden aangevoerd om de kwalificatie als mandaat te verwerpen. Dit vloeit voort uit de definitie van lastgeving.

2 5. Gelet op de door het hof toegepaste kwalificatie, beschikt de VMSW als rechtsopvolgster van het Vlaams Gewest, opdrachtgeefster van de betalingsopdrachten, over een vorderingsrecht tegen appellante op grond van artikel 1994, tweede lid BW, dat bepaalt dat in alle gevallen de persoon die door de lasthebber in zijn plaats is gesteld, rechtstreeks door de lastgever kan worden aangesproken.

Tussen de opdrachtgever en de bank van de opdrachtgever bestaat bij een overschrijvingsopdracht een overeenkomst van lastgeving. Omdat de opdrachtgever te dezen zelf heeft aangeduid welke rekening van de begunstigde moest worden gecrediteerd, heeft zij impliciet maar noodzakelijk aangeduid welke bankier in de plaats van haar eigen bank werd gesteld om de opdracht tot een goed einde te brengen. Het optreden van de bankier van de begunstigde als in de plaats gestelde lasthebber wordt niet in de weg gestaan door wettelijke regelingen omtrent het betalingsverkeer via overschrijving. Hieruit volgt dat de bank van de opdrachtgever niet aansprakelijk is voor fouten begaan door de bank van de begunstigde en dat de opdrachtgever een rechtstreeks vorderingsrecht heeft tegen de bank van de begunstigde (Antwerpen 3 oktober 2002, RW2003-2004, 1307).

Dit vorderingsrecht is van contractuele aard.

Het hof merkt overigens op dat, zelfs indien men de overschrijvingsopdracht zou kwalificeren als een allesomvattende institutionele rechtsfiguur, waartoe de diverse bij een overschrijving betrokken partijen geacht moeten worden te zijn toegetreden, de vordering van de opdrachtgever tegen de bankier van de begunstigde eveneens van contractuele aard ZOU ZIJn.

26. Uit de vorige overwegingen volgt dat niet de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2262, § 1, tweede lid BW van toepassing is, maar de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262, § 1, eerste lid BW.

Aangezien de rechtsvordering van de VMSW is ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, is deze verjaringstermijn van tien jaar slechts beginnen lopen vanaf 27 juli 1998.

De vordering van VMSW was bijgevolg niet verjaard op het ogenblik dat zij op 5 juli 2007 werd ingesteld.

27. De VMSW roept in dat appellante (het hof zal gemakkelijkheidshalve Cera aanduiden als appellante) een tekortkoming heeft begaan door de overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde niet te controleren.

Dit wordt betwist door appellante. Het hof overweegt het volgende.

28. Op de bankier van de begunstigde van een overschrijving rust de verplichting om controle uit te oefenen op mogelijke tegenstrijdigheden die de overschrijvingsopdracht bevat. Indien de aangeduide rekening niet overeenstemt met de vermelde identiteit van de begunstigde, kan de opdracht in wezen niet worden uitgevoerd zolang geen verduidelijking wordt gegeven. De bank weet immers niet of het rekeningnummer, dan wel de identiteit van de begunstigde verkeerd is. De bank van de begunstigde is aansprakelijk voor de schade die door haar fout is ontstaan (Antwerpen 3 oktober 2002, RW2003-2004, 1307).

In het reglement van het Uitwisselingscentrum van te Verrekenen Verrichtingen van het Belgisch Financieel Systeem (het U.C.V.reglement) wordt bepaald dat, indien de overschrijvingsopdracht het bedrag van 2.500 EUR overschrijdt, de financiële instelling van de begunstigde de overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde dient te verifiëren. Wanneer er geen conformiteit is, mag de betrokken bank de overschrijving niet uitvoeren.

In voorliggend geval was er geen overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde. Appellante geeft uitdrukkelijk toe dat zij dit niet heeft nagegaan en dat zij toch de overschrijvingsopdrachten heeft uitgevoerd, waardoor de rekening van de verkeerde persoon werd gecrediteerd. Zij moet dan ook op grond van artikel 1994, tweede lid BW de door de opdrachtgever - het Vlaams Gewest - hierdoor geleden schade vergoeden.

29. Appellante kan niet opwerpen dat zij vermoedde dat het gebruikelijk was dat de subsidies aan de stad Gent voor uit te voeren werken, rechtstreeks werden overgemaakt op de rekening van de aannemer die zou instaan voor de werken, in casu de NV D.

Aangezien deze aannemer reeds failliet was verklaard op het ogenblik dat de betalingsopdrachten werden gegeven, wordt voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet of zeker niet meer de bedoeling kan zijn geweest om betalingen, die bestemd waren voor de stad Gent, uit te voeren ten gunste van deze failliete aannemer.

In ieder geval stelde dit vermoeden appellante niet vrij van haar verificatieverplichting. Op de overschrijvingsopdrachten stond immers telkens de naam van de stad Gent vermeld als begunstigde. Bij gebrek aan overeenstemming tussen deze naam en het rekeningnummer had zij dan ook eerst een onderzoek moeten instellen en nadere instructies vragen aan de opdrachtgever.

Bovendien kan appellante niet onwetend zijn geweest van het feit dat haar klant, de NV D., titularis van de aangeduide rekening, failliet was verklaard op het ogenblik van de betalingen. Zij kan in die omstandigheden niet voorhouden dat zij vermoedde dat er aan deze aannemer moest worden betaald. Zij heeft in een schrijven van 7 april 2004 trouwens erkend dat zij een gebrekkige naamcontrole heeft uitgevoerd.

Het hof oordeelt dat er geen reden is om de voorlegging van stukken te bevelen met betrekking tot het rekeningnummer dat werd doorgegeven door de stad Gent. Dit is, gelet op de vorige overwegingen, immers niet relevant. De VMSW betwist overigens dat zij in het bezit is van stukken in dat verband en het tegendeel wordt niet bewezen.

[ ... ]

34. Appellante werpt wel terecht op dat ook het Vlaams Gewest, in wiens rechten de VMSW is getreden, eveneens een fout heeft begaan.

Zij heeft immers een verkeerd rekeningnummer vermeld op de zes overschrijvingsopdrachten.

Deze fout staat eveneens in oorzakelijk verband met de door haar geleden schade.

Indien zij deze fout niet had begaan en het rekeningnummer van de stad Gent had vermeld in plaats van het nummer van de NV D. zou deze schade zich evenmin hebben voorgedaan.

Anderzijds staat niet met voldoende zekerheid vast dat het Vlaams Gewest na de uitvoering van de overschrijvingsopdrachten zelf onmiddellijk had moeten vaststellen dat er aan de verkeerde persoon was betaald.

3 5. Het hof oordeelt dat in de gegeven omstandigheden de door appellante begane fout en de door het Vlaams Gewest begane fout even zwaarwichtig waren en in gelijke mate hebben bijgedragen tot het ontstaan van de door laatstgenoemde geleden schade, zoals hierboven bepaald en rekening houdend met hetgeen werd overwogen in de randnummers 31 en 3 2.

De VMSW moet dan ook zelf de helft van de schade ten laste nemen, terwijl appellante slechts kan worden veroordeeld tot het vergoeden van de andere helft van deze schade.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/07/2016 - 14:07
Laatst aangepast op: za, 09/07/2016 - 14:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.