-A +A

Overschrijding redelijke termijn in strafzaken en niet-toerekeningsvatbare geestesgestoorden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 19/04/2016
A.R.: 
P.16.0132.N

rtikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering regelt de mogelijke gevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn en dit wetsartikel, dat andere mogelijke vormen van rechtsherstel door de overheid, zoals een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijk termijn, niet uitsluit, houdt in dat de beklaagde schuldig wordt verklaard aan de hem telastgelegde feiten; aangezien deze schuldigverklaring onverenigbaar is met de niet-toerekeningsvatbaarheid van geestesgestoorden kan die wetsbepaling geen toepassing vinden wanneer de rechter vaststelt dat de beklaagde op het ogenblik van de feiten in één van de bij artikel 1 van de Wet Bescherming Maatschappij bepaalde staten verkeerde en op het ogenblik van de uitspraak nog steeds in die staat verkeert (1). (1) J. ROZIE, 'Het nieuwe artikel 21ter van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering: de rechtsgevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn',T.Strafr. 2001, (3-7), nr. 8 p. 7.

Wanneer voor het Hof van Cassatie de vraag rijst of artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 13 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in zoverre dit artikel slechts toepasselijk is op schuldbekwamen en slechts sancties voorziet voor de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken opzichtens schuldbekwamen zodat dit artikel derhalve in geen effectief rechtsmiddel voorziet met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken opzichtens verdachten die bij de berechting van hun zaak in staat van ernstige geestesstoornis verkeren, dient het Hof deze prejudiciële vraag niet te stellen aangezien de geestesgestoorde die niet toerekeningsvatbaar is en ten aanzien van dewelke met toepassing van de Wet Bescherming Maatschappij een beschermingsmaatregel wordt gelast zich niet in een vergelijkbare rechtstoestand bevindt als een beklaagde die schuldig wordt verklaard en hiervoor gestraft wordt.

rtikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer dat eenstemmigheid vereist is voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te verzwaren; de internering van personen met een geestesstoornis is geen straf, maar een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij zodat het arrest dat het beroepen vonnis, dat de eiser tot een gevangenisstraf en een geldboete veroordeelt, hervormt en zijn internering gelast, geen strafverzwaring uitspreekt die eenstemmigheid vereist en er evenmin eenstemmigheid is vereist omdat het vervolgens het bedrag van de bijzondere verbeurdverklaring verhoogt (1). (1) Cass. 28 januari 2004, JLMB 2004, p. 1360.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.0132.N
C B,
beklaagde, geïnterneerd,
eiser,
tegen
1. INTERGEM opdrachthoudende vereniging, met zetel te 9200 Dender-monde, Administratief Centrum, Franz Courtensstraat 11,
burgerlijke partij,
2. GEMEENTE SINT-GILLIS-WAAS, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen te 9170 Sint-Gillis-Waas, Bur-gemeester Omer De Meyplein 1,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 22 december 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cas-satieberoep van de eiser aan de verweerders is betekend.

2. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde bur-gerlijke rechtsvorderingen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM en arti-kel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest koppelt geen sanctie aan het feit dat de redelijke termijn in hoofde van de eiser werd overschre-den; het arrest reduceert de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn tot een louter theoretisch gegeven zonder enige praktische gevolgen.

4. De bepaling van artikel 13 EVRM houdt in dat hij die klaagt over een schending van artikel 6.1 EVRM omdat zijn recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend, zich moet kunnen richten tot zijn nationale rechter teneinde dit te laten vaststellen en een adequaat rechtsherstel te krijgen.

5. Artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering regelt de mo-gelijke gevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn. Dit wetsartikel dat andere mogelijke vormen van rechtsherstel door de overheid, zoals een schade-vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, niet uitsluit, houdt in dat de beklaagde schuldig wordt verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten. Dit is evenwel onverenigbaar met de niet-toerekeningsvatbaarheid van geestesge-stoorden zodat die wetsbepaling geen toepassing kan vinden wanneer de rechter vaststelt dat de beklaagde op het ogenblik van die feiten in één van de bij artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij bepaalde staten verkeerde en op het ogenblik van de uitspraak nog steeds in die staat verkeert.
In zoverre het schending van artikel 21ter Wetboek van Strafvordering aanvoert, faalt het onderdeel naar recht.

6. Het arrest stelt vast dat de eiser zich op het ogenblik van de ten laste gelegde feiten in één van de bij artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij bepaalde staten verkeerde en op het ogenblik van de uitspraak nog steeds in die staat verkeert en gelast bijgevolg zijn internering. Het stelt ook vast dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden. Die authentieke vaststelling door het arrest is een passend rechtsherstel dat eisers rechten waarborgt. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 EVRM: artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt geen rechtsherstel in het voordeel van beklaagden die zich op het ogenblik van hun berechting in een staat van ernstige geestesstoornis bevinden.

Het onderdeel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt art. 21 ter VT Sv. de artikelen 10 en 11 GW, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 13 EVRM, in zoverre dat dit artikel slechts toepasselijk is op schuldbekwamen en slechts sancties voorziet voor de overschrijding van de rede-lijke termijn in strafzaken opzichtens schuldbekwamen, en dit artikel derhalve géén enkel effectief rechtsmiddel voorziet met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken opzichtens verdachten die bij de berechting van hun zaak in staat van ernstige geestesstoornis verkeren?"

8. De geestesgestoorde die niet toerekeningsvatbaar is en ten aanzien van de-welke met toepassing van de Wet Bescherming Maatschappij een beschermings-maatregel wordt gelast, bevindt zich niet in een vergelijkbare rechtstoestand als een beklaagde die schuldig wordt verklaard en hiervoor gestraft wordt.

De voorgestelde prejudiciële vraag die geen betrekking heeft op vergelijkbare rechtstoestanden die verschillend worden behandeld, wordt niet gesteld.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest ant-woordt niet op het middel dat de strafvordering niet ontvankelijk is omdat het recht van verdediging van de eiser onherstelbaar werd aangetast door het intreden van een geestesziekte en het overschrijden van de redelijke termijn; door zijn geestesziekte was het voor de verdediging bijna onmogelijk om de telastleggingen met de eiser te bespreken en een verweer ten gronde voor te bereiden.

10. Het arrest oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de moge-lijkheid tot bewijswaardering niet heeft aangetast en de eiser de gevorderde inter-nering heeft betwist en de appelrechters als gevolg hiervan een deskundige-psychiater hebben aangesteld. Het stelt tevens onaantastbaar vast dat het recht van verdediging tijdens het onderzoek van de zaak op de rechtszittingen ten volle werd geëerbiedigd. Op die grond oordeelt het arrest dat eisers recht van verdedi-ging niet is miskend. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer, zonder dat het nader dient te antwoorden op de in het middel aangevoerde argumenten die enkel werden aangewend tot ondersteuning van dat verweer maar geen zelfstandig middel uitmaakten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt eisers verweer niet dat hij geen gevaar vormt voor de maatschappij; de motivering met nietszeggende stijlformules en standaardmotivering zet de deur open voor willekeur.

12. Met de redenen die zij vermelden (blz. 18-20), treden de appelrechters het medisch advies bij van de bij hun tussenarrest van 24 juni 2015 aangestelde ge-rechtsdeskundige psychiater, die in zijn verslag op basis van concrete gegevens, besluit dat de eiser in een ernstige staat van geestesstoornis verkeert, die hem op het ogenblik van de hem ten laste gelegde feiten en op het ogenblik van de uit-spraak van het arrest ongeschikt maakt tot het controleren van zijn daden en deze staat acht van aard te zijn gevaar op te leveren voor de maatschappij in die zin dat hij dergelijke feiten nog kan stellen in de toekomst. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer in verband met het gevaar dat zijn geestestoestand voor de maatschappij vertoont, zonder dat het in het bijzonder hoeft te antwoorden op de in het middel vermelde argumenten die enkel werden aangewend ter onder-steuning van eisers verweer, maar geen zelfstandig middel uitmaakten. Aldus is het arrest regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvorde-ring: zonder vast te stellen dat dit met eenparigheid van stemmen gebeurde, heb-ben de appelrechters de opgelegde straffen verzwaard door, enerzijds, de gevan-genisstraf van 18 maanden te hervormen en een titel van vrijheidsberoving van onbepaalde en onbeperkte duur af te leveren en door, anderzijds, de bijzondere verbeurdverklaring van 50.000,00 euro naar 75.000,00 euro op te trekken; de in-ternering levert een titel van vrijheidsberoving op die qua duur volledig equivalent is met de criminele straf van levenslange opsluiting; het feit dat een deel van de verzwaarde bijzondere verbeurdverklaring met uitstel wordt opgelegd, doet geen afbreuk aan het feit dat de verhoging van het bedrag ervan een verzwaring uit-maakt.

14. Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer dat een-stemmigheid vereist is voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te verzwaren.

15. De internering van personen met een geestesstoornis is geen straf, maar een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de internering een straf is en dat het arrest dat het beroepen vonnis, dat de eiser tot een gevangenisstraf en een geldboete veroordeelt, hervormt en zijn internering gelast, een strafverzwaring uitspreekt die eenstemmigheid vereist, faalt het naar recht.

16. Evenmin dient het arrest dat oordeelt zoals vermeld, vast te stellen dat het met eenstemmigheid is uitgesproken omdat het vervolgens het bedrag van de bij-zondere verbeurdverklaring verhoogt.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten van het cassatieberoep.
Bepaalt de kosten op 150,21 euro.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 13/06/2017 - 15:28
Laatst aangepast op: di, 13/06/2017 - 15:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.