-A +A

Overschrijding redelijke termijn geen verval van strafvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 09/12/1997
A.R.: 
P960448N

Wanneer de feitenrechter vaststelt dat de verdachte niet is berecht zonder onredelijke vertraging, zoals vereist door art. 14.3, aanhef en c, IVBPR, of dat de in art. 6.1 EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden, mag hij de strafvordering op deze grond niet onontvankelijk of vervallen verklaren; wanneer hij regelmatig vaststelt dat de schending van de verdragsbepalingen zo buitensporig is dat ook de minimumstraf zelfs met uitstel geen passend herstel zou vormen, kan hij volstaan met een schuldigverklaring.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1998-1999
Pagina: 
14
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

HET HOF,

Gelet op het bestreden arrest, op 4 maart 1996 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;

A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering, die tegen verweerster is ingesteld wegens de telastleggingen C en E, en tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen die op voornoemde telastleggingen gegrond zijn :

Overwegende dat eiser geen hoedanigheid heeft om zich tegen die beslissingen in cassatie te voorzien;

Dat de voorziening niet ontvankelijk is;

B. Wat het overige van de voorziening betreft :

Over het eerste middel : schending van de artikelen 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, enig lid, c, van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, 3 en 4 van de Wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering,

doordat het hof van beroep in de bestreden beslissing, na te hebben vastgesteld dat de beklaagde "met reden (...) aanvoert dat haar recht op de behandeling van de 'gegrondheid' van de tegen haar ingestelde strafvervolging binnen een 'redelijke termijn' en zonder 'onredelijke vertraging' geschonden werd" (arrest p. 19-20), oordeelt dat "de artikelen 14.3.c IVBPR en 6.1 EVRM op manifeste wijze werden geschonden", de "strafvervolging vervallen (verklaart), alsmede de nog aan de strafvordering gekoppelde burgerlijke vorderingen", de kosten aan de zijde van het openbaar ministerie ten laste van de Staat laat en de burgerlijke partijen elk in hun eigen kosten van beide aanleggen veroordeelt, op volgende gronden :

"De fundamentele doelstelling van de 'redelijke termijn' bestaat in de bescherming van de 'Menselijke waardigheid' die er zich tegen verzet dat een ieder die het voorwerp uitmaakt van een tegen hem ingestelde strafvervolging al te lang zou moeten leven onder de druk die daarvan uitgaat en met de onzekerheid omtrent de afloop ervan.

De mate waarin de onredelijke vertraging bij de behandeling van de zaak, de menselijke waardigheid heeft aangetast, zal als maatstaf moeten worden gehanteerd voor het bepalen van de eraan te verbinden sanctie.

Het wordt immers niet toegelaten geacht een van een misdrijf verdacht persoon in de onzekerheid te laten omtrent zijn lot, zodat hem het recht toekomt zo spoedig mogelijk bescheid te krijgen teneinde het morele en fysieke leed waartoe een strafzaak aanleiding kan geven, in de tijd te beperken. (...)

De gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn doen afhangen van het mogelijk teloorgaan van bewijzen, leidt tot een juridische non-orthodoxie :

Zouden de bewijselementen ten voordele van beklaagde teloor zijn gegaan zelfs door het verstrijken van een zekere termijn - of die nu redelijk is of niet - dan is er aanleiding om de beklaagde eenvoudig te ontslaan van rechtsvervolging.

Die conclusie is echter vreemd aan de finaliteit welke aan het vereiste van de 'redelijke termijn' ten grondslag ligt, maar volgt uit de toepassing van het algemeen beginsel betreffende het recht van verdediging dat ten ander deels vervat ligt in het door artikel 6.1 EVRM bepaalde recht op een 'eerlijke' behandeling van de zaak.

De bescherming tegen gebeurlijke teloorgang van bewijzen wordt verder mede genoegzaam gevrijwaard door de instelling van de verjaring.

De instelling van de verjaring en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging zijn evenwel te onderscheiden van de 'redelijke termijn'. Behoort de verjaring van de strafvordering tot de techniciteit van het strafrecht, dan behoedt de redelijke termijn 'hogere waarden' in het bijzonder de menselijke waardigheid. (...)

Zo de strafvermindering al in principe de meest geschikte weg lijkt om de schending van het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn te herstellen - stelling tijdens de debatten voor het hof (van beroep) ontwikkeld door het openbaar ministerie ter terechtzitting van 05.02.1996 - dan kunnen er toch uitzonderlijke gevallen zijn waarin dit niet voldoende is.

De schending van de artikelen 6.1 EVRM en 14.3.c BUPO is in de zaak onderworpen aan het oordeel van het hof (van beroep), zó flagrant en zó manifest dat - voor zover de tenlasteleggingen nà onderzoek, bewezen mochten voorkomen - ook de minimumstraf zelfs met uitstel op heden nog geen passend herstel zou vormen. (...)

Het hof (van beroep) dient dan ook zijn verantwoordelijkheid op te nemen en het EVRM en het BUPO-verdrag ernstig te nemen. Bij dergelijke schending van de redelijke termijn, moet de vervolging geacht worden zo zeer in strijd te zijn met de fundamentele beginselen van een goede procesorde dat het recht tot vervolging aan het openbaar ministerie moet komen te ontvallen. Aldus dringt zich een maatregel 'sui generis' op die de strafvervolging zonder meer tot een einde brengt.

Schending van de redelijke termijn moet derhalve in casu leiden tot de stopzetting van de procedure. De enige sanctie op dergelijk vastgestelde onregelmatigheid kan enkel 'het verval van de strafvervolging' zijn. (...) De aan de strafvordering gekoppelde burgerlijke vorderingen dienen eveneens vervallen te worden verklaard nu zij pas werden ingesteld op 26.11.1993 (bundel III, procedure voor de eerste rechter, stuk 22), daar waar de flagrante miskenning van het EVRM en BUPO-verdrag daaraan voorafgaat. Hun burgerlijke partijstellingen dateren derhalve van nà het verstrijken der redelijke termijn" (arrest p. 20-21 randnummers 11 tot en met 15),

terwijl overeenkomstig artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; overeenkomstig artikel 14.3, enig lid, c, van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, eenieder, bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, in volle gelijkheid recht heeft te worden berecht zonder onredelijke vertraging; de appelrechters wegens miskenning van de door genoemde artikelen 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, respektievelijk 14.3, enig lid, c, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, bedoelde redelijke termijn voor de berechting van de zaak, vaststellen dat de strafvordering is "vervallen"; genoemde artikelen, noch enige andere bepaling van deze verdragen of van de nationale wet de gevolgen aanduiden die de feitenrechter aan een door hem vastgestelde overschrijding van de voor de behandeling van de zaak redelijke termijn zou moeten verbinden; noch de verdragen, noch de nationale wet bepalen dat de sanctie van die overschrijding zou bestaan in de niet-ontvankelijkheid van de ingestelde vervolgingen; het aan de vonnisgerechten toekomt in het licht van de gegevens van iedere zaak na te gaan of ze binnen een redelijke termijn werd behandeld en om, in ontkennend geval, de hieraan te verbinden gevolgen vast te stellen; deze gevolgen beoordeeld moeten worden in functie van het bewijs van de feiten, enerzijds, en van het aan die feiten te verbinden strafgevolg anderzijds;

dat immers de abnormale duur van de rechtspleging tot gevolg kan hebben dat bewijzen, zowel à charge als à décharge, teloorgaan, zodat de rechter niet meer kan beslissen dat de feiten bewezen zijn; dat de feitenrechter daartoe alle gegevens van de zaak moet beoordelen door uitspraak te doen over de gegrondheid van de strafvordering; de appelrechters, door uit de genoemde vaststellingen af te leiden dat de strafvordering "vervallen" was, te kennen geven dat zij van de gegevens van de zaak, voorwerp van de strafvordering, geen kennis mogen nemen en deze gegevens bij hun beoordeling naar de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn niet mogen betrekken; het verval der strafvordering slechts kan worden uitgesproken krachtens artikel 20 van de Wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering ingevolge de dood van de verdachte, krachtens artikel 21 van dezelfde wet ingevolge de verjaring van de strafvordering of krachtens de artikelen 216bis en 216ter van hetzelfde wetboek in de daarin omschreven voorwaarden; dat het hof van beroep geenszins vaststelt dat de beklaagde zou zijn overleden, noch dat aan de voorwaarden van de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, en expliciet oordelen dat "ook thans de strafvordering niet vervallen (is) door verjaring"; het verval van de strafvordering eveneens kan worden erkend na amnestie, opheffing van de strafwet, betaling van een geldsom of gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing; de appelrechter niet vaststelt dat één dezer hypothesen voorhanden was; de appelrechters derhalve niet wettig vermochten te oordelen dat de aan de strafvordering gekoppelde burgerlijke vorderingen eveneens vervallen dienden te worden verklaard; het verval van de burgerlijke rechtsvordering niet het gevolg kan zijn van een onrechtmatig vastgesteld verval van de strafvordering; de appelrechters derhalve hun beslissing niet wettig rechtvaardigen, zodat het hof van beroep de in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen schendt:

Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat de behandeling van de zaak buitensporige vertraging heeft opgelopen waardoor artikel 14.3, aanvang en c, van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten is geschonden, en dat de redelijke termijn bedoeld in artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, en op die gronden de tegen verweerster ingestelde strafvordering vervallen verklaren;

Overwegende dat zij hun beslissing laten steunen op de door hen vastgestelde schending van de vermelde verdragsbepalingen die zo flagrant en zo manifest is dat

- voor zover de telastleggingen na onderzoek bewezen mochten voorkomen - ook de minimumstraf, zelfs met uitstel, nog geen passend herstel zou vormen en dat de enige sanctie op de vastgestelde onregelmatigheid het verval van de strafvordering kan zijn;

Overwegende dat noch de artikelen 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14.3, aanvang en c, van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten, noch enige andere wettelijke bepaling aangeven welke gevolgen de feitenrechter dient te verbinden aan de door hem bij het onderzoek van de strafvordering vastgestelde buitensporige vertraging of overschrijding van de redelijke termijn; dat inzonderheid de vermelde verdragen niet bepalen dat de sanctie wegens die overschrijding het verval van de strafvordering is;

Dat de feitenrechter, wanneer hij regelmatig vaststelt dat de redelijke termijn overschreden is, de strafvordering niet op deze grond onontvankelijk of vervallen mag verklaren; dat hij in voorkomend geval de straf tot het wettelijke minimum kan terugbrengen en zelfs kan volstaan met een schuldigverklaring;

Overwegende dat de appèlrechters, nu zij beslissen dat de met de strafvordering verbonden burgerlijke rechtsvorderingen vervallen moeten worden verklaard, omdat zij de gegrondheid van de telastleggingen niet kunnen onderzoeken, hun beslissing niet naar recht verantwoorden;

Dat het middel in zoverre gegrond is;

Overwegende dat de vernietiging van de beslissing op de door eiser tegen verweerster ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen de vernietiging meebrengt van de beslissing op de tegen verweerster ingestelde strafvordering wegens de telastleggingen A, B en D, waarbij de appèlrechters zich het recht ontzeggen uitspraak te doen over de strafvordering, alsook over de op deze telastleggingen gegronde burgerlijke rechtsvorderingen van andere burgerlijke partijen;

OM DIE REDENEN,
zonder dat er grond is tot onderzoek van het tweede middel,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist over de tegen verweerster wegens de telastleggingen A, B en D ingestelde strafvordering, en over de op deze telastleggingen gestoelde burgerlijke rechtsvorderingen;
Verwerpt de voorziening voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt eiser in een vierde van de kosten; laat de overige kosten ten laste van de Staat;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Conclusie van de advocaat-generaal Bresseleers

Het cassatieberoep stelt de vraag aan de orde naar het rechtsgevolg dat moet worden verbonden aan de vaststelling van de feitenrechters dat bij het bepalen van de gegrondheid van de tegen de verweerster ingestelde strafvervolging de redelijke termijn waarvan sprake in art. 6.1. E.V.R.M. werd geschonden, en zij niet werd berecht zonder onredelijke vertraging zoals vereist door art. 14.3, aanhef en onder c, I.V.B.P.R.

Het arrest van het Hof van 1 februari 1994 1 heeft de appèlrechters blijkbaar niet kunnen overtuigen dat zij hoe dan ook gehouden zijn alle gegevens van de zaak in acht te nemen door uitspraak te doen over de grond van de zaak, dat zij m.a.w. verplicht zijn de gegrondheid van de aangevoerde tenlasteleggingen te onderzoeken. In overeenstemming met de grote meerderheid van de rechtsleer 2 zijn zij van oordeel dat de rechter die vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden de mogelijkheid heeft, in uitzonderlijke omstandigheden, het verval van de strafvordering uit te spreken of vast te stellen dat de strafvordering niet (meer) ontvankelijk is, zonder te moeten onderzoeken of de tenlasteleggingen bewezen voorkomen.

Uit de rechtspraak van het Hof kan echter niet worden afgeleid dat het overschrijden van de redelijke termijn een dergelijke beslissing naar recht kan verantwoorden. In zijn arrest van 27 mei 1992 3 heeft het Hof zijn principieel standpunt dienaangaande herhaald: 1) het is de plicht van de vonnisgerechten om in het licht van de gegevens van iedere zaak afzonderlijk te oordelen of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld en om, in ontkennend geval, de mogelijke gevolgen daarvan te bepalen; 2) noch art. 6.1. E.V.R.M., noch enige andere bepaling van dat verdrag of van de nationale wet wijst de gevolgen aan die de feitenrechter moet verbinden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak; het verdrag bepaalt niet dat die overschrijding de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen tot gevolg heeft; 3) die gevolgen moeten worden beoordeeld in het licht van de bewijslevering enerzijds en in verband met het aan die feiten te verbinden strafgevolg anderzijds.

Ik laat het aspect «teloorgaan van het bewijs» verder ter zijde, om uitsluitend aandacht te besteden aan de grenzen van het strafgevolg, met name wat de vermindering van de straf betreft en het verval van de strafvordering.

De concrete toetsing die het Hof in het arrest van 27 mei 1992 verricht laat zeer weinig ruimte voor de niet-ontvankelijkheid. De appèlrechters hadden vastgesteld dat de zaak niet binnen een redelijke termijn was behandeld, aangezien na de beroepen beslissing meer dan drie jaar is gewacht met het bepalen van de rechtsdag in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat de vervallenverklaring van de strafvordering niet naar recht werd verantwoord, ook niet door de rechtsoverweging dat een te late sociale sanctie in combinatie met die welke het gevolg is van het feit dat een strafvordering zonder dwingende reden eigen aan de zaak onberecht is gebleven en van de daarmee gepaard gaande angsten, buiten verhouding zou staan tot de ernst van de ten laste gelegde feiten.

Het Hof bleef daarmee in de lijn van de vroegere rechtspraak. Het arrest van 22 oktober 1986 4 had reeds impliciet maar ondubbelzinnig de suggestie van procureur-generaal J.E. Krings weersproken, die in zijn conclusie had aangevoerd dat, wanneer de redelijke termijn was overschreden, het hof van assisen, zonder de jury, zich had uit te spreken over de ontvankelijkheid van de strafvervolging; 5 het Hof oordeelde dat het aan de jury was om het teloorgaan van de bewijzen te beoordelen.

Het arrest van 18 november 1986 6 besliste daarenboven dat de draagwijdte van art. 6.1. E.V.R.M. wordt miskend door de rechter die uit de vaststelling dat de voor de behandeling van de zaak redelijke termijn werd overschreden afleidt dat de strafvordering niet meer toelaatbaar «moet» worden verklaard.

Ten slotte kan ik ook verwijzen naar het arrest van 1 februari 1994, 7 dat beklemtoont dat de feitenrechter alle gegevens van de zaak moet beoordelen door uitspraak te doen over de grond van de zaak, en dat hij deze verplichting miskent door uit de omstandigheid dat bewijzen à décharge kunnen zijn teloorgaan ingevolge de abnormale duur van de rechtspleging, af te leiden dat de strafvordering ontoelaatbaar is.

Ik meen te mogen besluiten dat het Hof niet alleen steeds van oordeel is geweest dat het onderzoek of de redelijke termijn is overschreden de feitenrechter verplicht om van alle gegevens van de zaak kennis te nemen, 8 maar ook dat de sanctie die aan het overschrijden van de redelijke termijn dient te worden verbonden, van materieelrechtelijke en niet van procedurele aard is.

Het valt niet te ontkennen dat er ernstige argumenten bestaan ten gunste van de opvatting dat het overschrijden van de redelijke termijn, tenminste in extreme gevallen, met het verval van de strafvordering moet kunnen beteugeld worden. 9

Zo is het duidelijk dat de formele vaststelling van het verval onmiddellijk een einde maakt aan de strafvordering, zonder de voortdurende toevoeging van leed door de verdere behandeling van de zaak zelf, en onbetwist meer het voorkomen heeft van een sanctie voor het ongerechtvaardigd stilliggen van de vervolging.

Ik heb er reeds op gewezen dat naar mijn mening de beoordeling of de redelijke termijn al dan niet is overschreden niet kan geschieden door louter de chronologie van het onderzoek en de vervolging te analyseren: de rechter moet ook inhoudelijk kennisnemen van de feiten en van het onderzoek, om de ingewikkeldheid ervan en de houding van de verdachte (in zekere mate) en van de justitiële overheden te kunnen beoordelen, wat inhoudt dat hij ook oog heeft voor de beweegredenen die de onderzoekende of vervolgende magistraten zouden hebben aangezet om het onderzoek tijdelijk te laten rusten. 10

Het recht op een snellerechtsbedeling is immers, ook in strafzaken, slechts een onderdeel van het meer algemene recht op een goede rechtsbedeling. 11 De goede rechtsbedeling vereist ook oog te hebben voor het belang van de normhandhaving en voor het belang van de benadeelde.

De vaststelling door de rechter dat de redelijke termijn is overschreden zal veelal, en terecht, worden ervaren als teken van het falen van «het gerecht». Wanneer die vaststelling dan nog leidt tot de vervallenverklaring van de strafvordering wordt a.h.w. een tekortkoming toegevoegd, namelijk de weigering van de rechter om de schuld van de beklaagde te onderzoeken en daarover te oordelen. Ik denk dat het, in de hypothese dat de redelijke termijn werd overschreden, minder schokkend is voor het rechtsgevoel wanneer de rechter uitspraak doet over de strafbaarheid van de ten laste gelegde feiten en de schuld van de beklaagde vaststelt, dan wanneer hij zich de bevoegdheid ontzegt strafbaarheid en schuld te onderzoeken.

De benadeelde heeft er zeker belang bij dat de rechter die vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, niet het verval van de strafvordering vermag vast te stellen, maar uitspraak moet doen over de zaak zelf. Tot vandaag is het inzicht van de benadeelde in het gerechtelijk onderzoek immers zeer beperkt, zoals ook zijn mogelijkheden om de afhandeling ervan te doen bespoedigen.

In de opvatting van degenen die in het miskennen van de redelijke termijn een reden van verval van de strafvordering zien, moet de strafrechter die het verval vaststelt, toch nog uitspraak doen over de vordering van de benadeelde, op voorwaarde dat die zich tijdig burgerlijke partij heeft gesteld. 12 Het gaat evenwel niet om een duidelijke toestand, aangezien ‘tijdig‘ in sommige gevallen zal betekenen ‘zelfs nadat de redelijke termijn is verstreken, maar vooraleer hij dermate is overschreden dat alleen nog het verval als sanctie kan worden uitgesproken‘. 13

Indien de feitenrechter het recht heeft de strafvordering vervallen te verklaren op grond van de vastgestelde extreme schending van de redelijke termijn, kan de benadeelde slechts zijn toevlucht nemen tot een zo vroeg mogelijke stelling als burgerlijke partij, nog tijdens het gerechtelijk onderzoek, ook al is zijn kennis nog zo onnauwkeurig en zijn standpunt in rechte wellicht niet terzake. Dit komt de belangen van de benadeelde en een efficiënt verloop van het strafproces niet ten goede.

Er is nog een bezwaar van principiële aard tegen het vervallen verklaren van de strafvordering: de rechtsgevolgen die worden verbonden aan de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden dienen principieel een rechtsherstel in te houden in de zin van art. 13 E.V.R.M.

Aldus komt een essentieel verschil ter sprake met de verjaring, die zonder onderscheid geldt voor elke beklaagde, schuldig of onschuldig. Bij de vaststelling van de verjaring is er, anders dan t.a.v. de miskenning van de redelijke termijn, wettelijk geen verplichting noch mogelijkheid om aan het aspect rechtsherstel enige aandacht te schenken.

T.a.v. de rechtsmiskenning die de beklaagde heeft geleden doordat de redelijke termijn werd overschreden, houdt de stopzetting van de strafvervolging slechts herstel in als de beklaagde schuldig is. 14

Wanneer de beklaagde onschuldig is, blijft hij na de vaststelling van het verval van de strafvordering wel van het vermoeden van onschuld genieten, maar daardoor wordt tegenover hem niets goedgemaakt. Zijn «voordeel» bestaat er slechts in dat de kans om veroordeeld te worden verdwenen is, terwijl hij, bijvoorbeeld in zaken die de publieke opinie hebben beroerd, er belang aan kan hechten dat zijn onschuld door de rechter wordt vastgesteld.

In dit verband verdient aandacht dat de auteurs die in het arrest Eckle van het E.H.R.M. 15 lezen dat volgens dit Hof het stopzetten van de vervolgingen herstel van de schending van de redelijke termijn kan inhouden (r.o. 70), lijken voorbij te gaan aan de omstandigheid dat het Hof te Straatsburg vaststelt dat de stopzetting in die zaak geschiedde met instemming van de beklaagden (r.o. 94). De mogelijkheid om vervallenverklaring van de strafvordering te laten afhangen van de instemming van de beklaagde lijkt mij niet te verenigen met de beginselen van het Belgisch strafrecht.

Op grond van deze beschouwingen komt het mij voor dat er, terzake van de rechtsgevolgen die te verbinden zijn aan de vaststelling dat in een strafzaak de redelijke termijn is overschreden, geen reden is tot nuancering of verfijning van de rechtsregels zoals die in het verleden door het Hof zijn duidelijk gemaakt.

Bijgevolg lijkt het eerste middel gegrond, dat de eiser aanvoert tegen de beslissing van de appèlrechters dat de schending van de redelijke termijn in deze zaak zo flagrant en manifest is dat — voor zover de tenlasteleggingen na onderzoek bewezen mochten voorkomen — de minimumstraf zelfs met uitstel nog geen passend herstel zou vormen, de enige sanctie slechts het verval van de strafvordering kan zijn en de aan de strafvordering gekoppelde burgerlijke vorderingen eveneens vervallen dienen te worden verklaard. Mijn conclusie strekt derhalve tot vernietiging van het bestreden arrest.

Ik wil er echter nog op wijzen dat de feitelijke vaststelling van de appèlrechters ook tot een andere conclusie kan leiden.

Wanneer, na onderzoek van de feiten zelf, wordt vastgesteld dat de beklaagde het slachtoffer is van een zo belangrijke termijnoverschrijding dat de minimumstraf, zelfs met uitstel, geen passend herstel zou zijn, waarom zou, in dergelijk extreem geval, geen lagere straf kunnen worden opgelegd, of zelfs geen schuldigverklaring kunnen worden uitgesproken zonder straf?

Volgens de rechtspraak van het Hof dienen de gevolgen die de feitenrechter moet verbinden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, eventueel te worden beoordeeld in verband met het aan die feiten te verbinden strafgevolg. Houdt deze stellingname niet in dat de rechter in uitzonderlijke gevallen een straf lager dan de wettelijke minimumstraf kan uitspreken?

Wat staat de strafrechter te doen die oordeelt, in een concreet geval, dat de beklaagde op grond van de ten laste gelegde feiten zou moeten worden gestraft met de minimumstraf met uitstel, maar die nog rekening dient te houden met de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn?

Sluit uw rechtspraak niet in dat de rechter alsdan wettelijk 16 de mogelijkheid heeft om een straf lager dan de minimumstraf uit te spreken, of om eventueel uitstel te verlenen, ook indien het krachtens art. 8, § 1, van de Probatiewet niet meer mogelijk is? 17 Houdt dit tevens niet in dat in de meest uitzonderlijke gevallen de rechter het recht heeft de schuldigverklaring uit te spreken zonder een straf op te leggen? 18

Ik meen dat een dergelijke rechtsopvatting niet strijdig is met de rechtspraak van het E.H.R.M., inzonderheid m.b.t. het rechtsherstel en meer dan het door de appèlrechters uitgesproken verval van de strafvordering het belang dient dat de maatschappij heeft bij normhandhaving, en meer oog heeft voor de soms schrijnende noden van de benadeelde.

Arrest

Gelet op het bestreden arrest, op 4 maart 1996 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;

Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat de behandeling van de zaak buitensporige vertraging heeft opgelopen waardoor art. 14.3, aanvang en c, van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten is geschonden, en dat de redelijke termijn bedoeld in art. 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, en op die gronden de tegen verweerster ingestelde strafvordering vervallen verklaren;

Overwegende dat zij hun beslissing laten steunen op de door hen vastgestelde schending van de vermelde verdragsbepalingen die zo flagrant en zo manifest is dat — voor zover de ten lasteleggingen na onderzoek bewezen mochten voorkomen — ook de minimumstraf, zelfs met uitstel, nog geen passend herstel zou vormen en dat de enige sanctie op de vastgestelde onregelmatigheid het verval van de strafvordering kan zijn;

Overwegende dat noch de artikelen 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14.3, aanvang en c, van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten, noch enige andere wettelijke bepalingen aangeven welke gevolgen de feitenrechter dient te verbinden aan de door hem bij het onderzoek van de strafvordering vastgestelde buitensporige vertraging of overschrijding van de redelijke termijn; dat inzonderheid de vermelde verdragen niet bepalen dat de sanctie wegens die overschrijding het verval van de strafvordering is;

Dat de feitenrechter, wanneer hij regelmatig vaststelt dat de redelijke termijn overschreden is, de strafvordering niet op deze grond onontvankelijk of vervallen mag verklaren; dat hij in voorkomend geval de straf tot het wettelijke minimum kan terugbrengen en zelfs kan volstaan met een schuldigverklaring;

Overwegende dat de appèlrechters, nu zij beslissen dat de met de strafvordering verbonden burgerlijke rechtsvorderingen vervallen moeten worden verklaard, omdat zij de gegrondheid van de telastleggingen niet kunnen onderzoeken, hun beslissing niet naar recht verantwoorden;

...

Noot: 

• J. ROZIE «Schuldigverklaring bij overschrijding van de redelijke termijn»., RW 1998-1999, 2

• Lambrechts, F., «De achterstand in gerechtszaken en de rechten van de mens», R.W., 1984-85, 791;

• Defourny, P., «L‘article 6 de la convention européenne des droits de l‘homme et des libertés fondamentales et le délai raisonnable, un argument... déraisonnable?», J.L.M.B., 1987, 7;

• Caeymaex, J., «Observations», J.L.M.B., 1987, 1022;

• Lemmens, P., «De invloed van het Europees verdrag over de rechten van de mens op bepaalde aspecten van de strafprocedures in België», R.W., 1988-89, (793), 807, nr. 40;

• De Nauw, A. en Vandebotermet, M., «De gevolgen van de overschrijding van de ‘redelijke termijn‘ van artikel 6.1. E.V.R.M.», R.W., 1988-89, 1281;

• De Swaef, M., «De redelijke verjaringstermijn», in Liber Amicorum M. Châtel, Antwerpen, Kluwer, 1991, 117;

• Masset, A., «La sanction, en procédure pénale, du dépassement du ‘délai raisonnable‘ de l‘article 6, paragraphe premier, de la Convention européenne des droits de l‘Homme», J.L.M.B., 1992, 782 en 984;

• Verstraeten, R., Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 1994,366;

• Traest, Ph., «Einde van de ontvankelijkheidssanctie bij overschrijding van de redelijke termijn?, T.G.R., 1994; 126;

• Arnou, L., «Is er nog toekomst voor de onontvankelijkheid van de strafvordering als sanctie van het overschrijden van de redelijke termijn in strafzaken?», A.J.T., 1995-96, 548.

• Velu, J., en Ergec, R., v° Convention européenne des droits de l‘homme, R.P.D.B., Compl. VII, nr. 529;

• Declercq, R., Beginselen van strafrechtspleging, Antwerpen, Kluwer, 1994, nr. 1108).

• Dedullen, X., Mosseray, W., en Tilleman, B., «Gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in strafzaken», Jura Falconis, 1986-87, (111), 113.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 18/01/2018 - 11:52
Laatst aangepast op: do, 18/01/2018 - 11:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.