-A +A

Overschrijding redelijke termijn bij niet-toerekeningsvatbaarheid van geestesgestoorde - gevolg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 19/04/2016
A.R.: 
P.16.0132.N

Artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering regelt de mogelijke gevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn en dit wetsartikel, dat andere mogelijke vormen van rechtsherstel door de overheid, zoals een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijk termijn, niet uitsluit, houdt in dat de beklaagde schuldig wordt verklaard aan de hem telastgelegde feiten; aangezien deze schuldigverklaring onverenigbaar is met de niet-toerekeningsvatbaarheid van geestesgestoorden kan die wetsbepaling geen toepassing vinden wanneer de rechter vaststelt dat de beklaagde op het ogenblik van de feiten in één van de bij artikel 1 van de Wet Bescherming Maatschappij bepaalde staten verkeerde en op het ogenblik van de uitspraak nog steeds in die staat verkeert (1). (1) J. ROZIE, 'Het nieuwe artikel 21ter van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering: de rechtsgevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn',T.Strafr. 2001, (3-7), nr. 8 p. 7.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.16.0132.N

C.B. t/ I. en Gemeente Sint-Gillis-Waas

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 december 2015.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van de artt. 6 en 13 EVRM en art. 21ter Voorafgaande Titel Sv.: het arrest koppelt geen sanctie aan het feit dat de redelijke termijn ten aanzien van de eiser werd overschreden; het arrest reduceert de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn tot een louter theoretisch gegeven zonder enige praktische gevolgen.

4. De bepaling van art. 13 EVRM houdt in dat hij die klaagt over een schending van art. 6.1 EVRM omdat zijn recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend, zich moet kunnen richten tot zijn nationale rechter teneinde dit te laten vaststellen en een adequaat rechtsherstel te krijgen.

5. Art. 21ter Voorafgaande Titel Sv. regelt de mogelijke gevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn. Deze bepaling, die andere mogelijke vormen van rechtsherstel door de overheid, zoals een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, niet uitsluit, houdt in dat de beklaagde schuldig wordt verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten. Dit is evenwel onverenigbaar met de niet-toerekeningsvatbaarheid van geestesgestoorden, zodat die wetsbepaling geen toepassing kan vinden wanneer de rechter vaststelt dat de beklaagde op het ogenblik van die feiten in een van de bij art. 1 Wet Bescherming Maatschappij bepaalde staten verkeerde en op het ogenblik van de uitspraak nog steeds in die staat verkeert. In zoverre het schending van art. 21ter Sv. aanvoert, faalt het onderdeel naar recht.

6. Het arrest stelt vast dat de eiser zich op het ogenblik van de ten laste gelegde feiten in een van de bij art. 1 Wet Bescherming Maatschappij bepaalde staten verkeerde en op het ogenblik van de uitspraak nog steeds in die staat verkeert en beveelt bijgevolg zijn internering. Het stelt ook vast dat de redelijke termijn waarbinnen eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden. Die authentieke vaststelling door het arrest is een passend rechtsherstel dat eisers rechten waarborgt. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van de artt. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met de artt. 6 en 13 EVRM: art. 21ter Voorafgaande Titel Sv. bepaalt geen rechtsherstel in het voordeel van beklaagden die zich op het ogenblik van hun berechting in een staat van ernstige geestesstoornis bevinden.

Het onderdeel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: «Schendt art. 21ter Voorafgaande Titel Sv. de artt. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met de artt. 6 en 13 EVRM, in zoverre dat dit artikel slechts van toepassing is op schuldbekwamen en slechts in sancties voorziet voor de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken ten opzichte van schuldbekwamen en dit artikel derhalve in géén enkel effectief rechtsmiddel voorziet met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken ten opzichte van verdachten die bij de berechting van hun zaak in staat van ernstige geestesstoornis verkeren?»

8. De geestesgestoorde die niet toerekeningsvatbaar is en ten aanzien van wie met toepassing van de Wet Bescherming Maatschappij een beschermingsmaatregel wordt gelast, bevindt zich niet in een vergelijkbare rechtstoestand als een beklaagde die schuldig wordt verklaard en hiervoor gestraft wordt.

De voorgestelde prejudiciële vraag die geen betrekking heeft op vergelijkbare rechtstoestanden die verschillend worden behandeld, wordt niet gesteld.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van art. 149 Gw.: het arrest antwoordt niet op het middel dat de strafvordering niet ontvankelijk is omdat het recht van verdediging van de eiser onherstelbaar werd aangetast door het intreden van een geestesziekte en het overschrijden van de redelijke termijn; door zijn geestesziekte was het voor de verdediging bijna onmogelijk om de telastleggingen met de eiser te bespreken en een verweer ten gronde voor te bereiden.

10. Het arrest oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de mogelijkheid tot bewijswaardering niet heeft aangetast en de eiser de gevorderde internering heeft betwist en de appelrechters als gevolg hiervan een deskundige-psychiater hebben aangesteld. Het stelt tevens onaantastbaar vast dat het recht van verdediging tijdens het onderzoek van de zaak op de terechtzittingen ten volle werd geëerbiedigd. Op die grond oordeelt het arrest dat eisers recht van verdediging niet is miskend. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer, zonder dat het nader dient te antwoorden op de in het middel aangevoerde argumenten die enkel werden aangewend tot ondersteuning van dat verweer maar geen zelfstandig middel uitmaakten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van art. 211bis Sv.: zonder vast te stellen dat dit met eenparigheid van stemmen gebeurde, hebben de appelrechters de opgelegde straffen verzwaard door, enerzijds, de gevangenisstraf van achttien maanden te hervormen en een titel van vrijheidsberoving van onbepaalde en onbeperkte duur af te leveren en door, anderzijds, de bijzondere verbeurdverklaring van 50.000 euro naar 75.000 euro op te trekken; de internering levert een titel van vrijheidsberoving op die qua duur volledig equivalent is met de criminele straf van levenslange opsluiting; het feit dat een deel van de verzwaarde bijzondere verbeurdverklaring met uitstel wordt opgelegd, doet geen afbreuk aan het feit dat de verhoging van het bedrag ervan een verzwaring uitmaakt.

14. Art. 211bis Sv. bepaalt onder meer dat eenstemmigheid vereist is voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te verzwaren.

15. De internering van personen met een geestesstoornis is geen straf, maar een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de internering een straf is en dat het arrest dat het beroepen vonnis, dat de eiser tot een gevangenisstraf en een geldboete veroordeelt, hervormt en zijn internering gelast, een strafverzwaring uitspreekt die eenstemmigheid vereist, faalt het naar recht.

16. Het arrest dat oordeelt zoals hierboven vermeld, dient evenmin vast te stellen dat het met eenstemmigheid is uitgesproken omdat het vervolgens het bedrag van de bijzondere verbeurdverklaring verhoogt.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...

 

Noot: 

Lientje Van den Steen, De overschrijding van de redelijke termijn en de internering: het één sluit het ander niet uit, RW 2016-2017, 499

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 27/11/2017 - 12:08
Laatst aangepast op: ma, 27/11/2017 - 12:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.