-A +A

Overnemen van het stuur van een zieke, bestuurder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Turnhout
Datum van de uitspraak: 
vri, 27/02/2015

Wanneer een bestuurder ziek wordt en een derde neemt de taak van bestuurder op zich, behelst dit noch bewaargeving, noch bruikleen, aldus ontstaat gen contract maar wel een “acte de complaisance”

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1423
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C.I. t/ Van G.F.

...

4. Ten gronde

4.1. De feiten

De vordering van appellante heeft betrekking op een verkeersongeval dat zich voordeed op 28 oktober 2001 omstreeks 15.01 u, te Goirle (Nederland) op de Turnhoutsebaan nabij de Belgische grens.

Het enige hierbij betrokken voertuig was de personenwagen Seat Ibiza, eigendom van appellante. Volgens appellante reed geïntimeerde met het voertuig. Geïntimeerde betwist dit en voert aan dat hij zoals appellante passagier was.

Over het ongeval werd een proces-verbaal opgesteld door de politie Midden- en West-Brabant, district Tilburg. Daarvan ligt een afschrift of uittreksel voor, afkomstig van de Stichting Processen-Verbaal. Volgens de verbalisant was het voertuig met het rechterwiel in de berm beland en daardoor tegen twee bomen gebotst. Voorts noteerde hij: “De vrouwelijke passagier was gewond. De bestuurder heeft kort na het ongeval de plaats van de aanrijding verlaten, is overgestapt in een andere auto en heeft de gewonde passagier achtergelaten. Later die dag heeft hij zich op verzoek van de rijkswacht te Turnhout gemeld op het politiebureau aldaar. Verdachte verklaarde als passagier in het voertuig te hebben gezeten, maar uit diverse getuige verklaringen blijkt dat 14.1 de bestuurder is geweest”.

Rubriek 14.1 vermeldt de gegevens van geïntimeerde. Het proces-verbaal vermeldt als getuigen L. en R.S., met adres en telefoonnummer. Het vermeldt geen andere inzittenden dan de gedingpartijen. Van de vermelde getuigen liggen geen verklaringen voor.

Er ligt geen verklaring voor van geïntimeerde. Appellante verklaarde op 2 mei 2002 bij de lokale politie te Turnhout:

“Op last van de verzekering dien ik aangifte te doen van een ongeval en tevens klacht te doen tegen de bestuurder die het ongeval heeft veroorzaakt en nadien is vertrokken zonder zich verder om mij te bekommeren. Het ongeval is gebeurd op 28 oktober 2001 te Goirle in Nederland, en dit omstreeks 14 u. Ik was toen gezeten in het voertuig, Seat Ibiza met de plaat (...) en met chassisnr. (...) dat mijn eigendom was, en dit vooraan op de passagierszetel. Het voertuig werd bestuurd door een kennis van mij, Van G.F. Deze reed met mijn voertuig omdat ik mij niet goed voelde. Van G. had, zowel als ikzelf, geen alcoholische dranken verbruikt. Wij waren voordien met nog enkele andere personen en voertuigen vertrokken te Tilburg. Maar omdat ik mij niet goed voelde had ik aan hem gevraagd of hij mijn voertuig wilde besturen. Ik wist dat hij een voertuig kan besturen, daar ik hem reeds verschillende malen met een voertuig had zien rijden. Ik heb niet gevraagd of hij in het bezit was van een rijbewijs.

“Op zeker ogenblik, ik was toen juist iets aan het nemen, en had mijn hoofd naar beneden, voelde ik een hevige klap. Ik wist aanvankelijk niet wat er gaande was. Het duurde even voordat ik besefte dat ik betrokken was bij een ongeval en dat ik hierbij geklemd zat in mijn voertuig. Het heeft even geduurd voordat Nederlandse mensen mij uit het voertuig hadden bevrijd. Van G. is dan in een ander voertuig gestapt, dat bij ons bij was. Dit voertuig werd bestuurd door J.L., wonende (...)”.

De rest van het strafdossier ligt niet voor. Volgens mededeling van de procureur des Konings werd het tot beschikking bezorgd aan het Nederlandse parket.

Bij exploot van 27 oktober 2006 liet appellante NV I., verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid en eigen schade van het voertuig, dagvaarden voor de Politierechtbank te Turnhout.

Met vonnis van 9 maart 2009 verklaarde deze rechtbank de vordering op grond van art. 29bis WAM reeds deels gegrond. Zij veroordeelde NV I. tot betaling van één euro provisioneel en stelde dr. C.V. aan als gerechtsdeskundige om appellante te onderzoeken.

Wat de vordering voor eigen schade betreft, verzocht de Politierechtbank aan de procureur de Konings om het strafdossier te voegen.

Vervolgens stelde de Politierechtbank met vonnis van 11 mei 2009 vast dat dit verzoek niet kon worden ingewilligd, omdat het strafdossier tot beschikking naar Nederland was overgebracht. Daarop verzocht de Politierechtbank aan de FOD Mobiliteit, dienst Rijbewijzen, om mee te delen of geïntimeerde op 28 oktober 2001 houder was van een rijbewijs en eventueel op die dag vervallen was van het recht tot sturen.

De FOD Mobiliteit antwoordde op 26 mei 2009 dat geïntimeerde op 28 oktober 2001 geen rijbewijs had.

De procedure werd vervolgens beëindigd met een vonnis van de Politierechtbank van 18 april 2011. De Rechtbank begrootte de schade van appellante met toepassing van art. 29bis WAM en verklaarde de vordering voor eigen schade ongegrond omdat dekking was uitgesloten wanneer de bestuurder geen houder was van een rijbewijs.

4.2. De eerste rechter

Appellante liet geïntimeerde met exploot van 12 oktober 2011 dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. Met vonnis van 21 februari 2013 verklaarde die zich onbevoegd en verwees zij de zaak naar de Politierechtbank te Turnhout.

Daar stelde appellante dezelfde vordering als thans in beroep.

De eerste rechter verklaarde de vordering onontvankelijk wegens verjaring. Bij gebreke van overeenkomst tussen de gedingpartijen kon geen vordering op contractuele grond worden gesteld.

4.3. Beoordeling

4.3.1. Buitencontractuele vordering

1. De eerste rechter verklaarde de vordering onontvankelijk wegens verjaring. Volgens hem had appellante op 28 oktober 2001 kennis van de beweerd aansprakelijke en van de schade en liep de verjaringstermijn dus vanaf dan.

Appellante meent dat de verjaringstermijn pas begon te lopen op 26 mei 2009, omdat toen werd gemeld dat geïntimeerde geen rijbewijs had, waaruit volgde dat NV I. geen dekking zou verlenen in eigen schade.

2. Appellante kende op 28 oktober 2001 de identiteit van de aansprakelijke persoon. Zij was passagier in de auto, beweerdelijk bestuurder door geïntimeerde, en wist dus op dat ogenblik dat geïntimeerde aansprakelijk was voor ongeval en schade.

Ten onrechte stelt appellante dat zij geïntimeerde slechts kon aanspreken nadat was gebleken dat NV I. geen dekking zou moeten verlenen. Appellante kon geïntimeerde integendeel onmiddellijk aanspreken en kon daarnaast hopen dat ook NV I. gehouden zou zijn tot betaling.

Het onderzoek van de voertuigschade werd administratief afgesloten op 6 december 2001, met totaal verlies. Uiterlijk op dat ogenblik of kort nadien kende appellante dus ook de omvang van de schade.

De schade is nadien ook niet vergroot doordat bleek dat NV I. geen vergoeding zou moeten betalen in eigen schade. De schade bleef even groot, maar kon op minder tegenpartijen verhaald worden.

3. De eerste rechter besloot aldus terecht tot de verjaring.

4.3.2. Contractuele vordering

1. Subsidiair beroept appellante zich op een overeenkomst van bruikleen dan wel bewaargeving uit noodzaak tussen partijen.

De eerste rechter verwierp deze vordering omdat tussen partijen louter sprake was van een “acte de complaisance” en partijen niet de bedoeling hadden juridische gevolgen te doen ontstaan toen geïntimeerde op verzoek van appellante het stuur overnam.

2. Geïntimeerde betwist dat hij het voertuig bestuurde.

De Rechtbank acht dit gegeven evenwel bewezen op basis van de vermelding in het Nederlandse proces-verbaal, waarbij geïntimeerde werd vermeld als bestuurder en waarbij werd verwezen naar bevestigde getuigenverklaringen.

Geïntimeerde voert niet aan dat appellante reed. Het proces-verbaal maakte geen melding van andere inzittenden.

3. Van noodzaak in de zin van art. 1949 BW was in deze zaak geen sprake. Mogelijk kon appellante niet meer verder rijden, maar dan was er nog geen reden waarom geïntimeerde, geen houder van een rijbewijs, het stuur moest overnemen. Partijen hadden bv. ook een taxi kunnen bellen of het openbaar vervoer kunnen nemen.

4. Het overnemen van het stuur door geïntimeerde kan niet als bruikleen worden beschouwd. Er was immers geen sprake van de wil van geïntimeerden om een appellante een dienst te bewijzen zonder zelf een voordeel te genieten. Appellante gaf de zaak af in haar eigen belang en het was geïntimeerde als lener die aan appellante als uitlener kosteloos een dienst bewees. Aldus was de regeling kosteloos voor geïntimeerde in plaats van voor appellante (B. Tilleman en A. Verbeke, Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, Antwerpen, Intersentia, 2005, nr. 779).

5. De eerste rechter besloot aldus terecht dat partijen geen overeenkomst hebben gesloten.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/05/2016 - 18:45
Laatst aangepast op: zo, 01/05/2016 - 18:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.