-A +A

Overmacht en andere wettige redenen van verschoning ter rechtvaardiging van verstek in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 19/12/2017

Door overmacht te combineren met een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van het verstek bij de bestreden rechtspleging, beoogt de wetgever de gevallen van overmacht uit te breiden met de gevallen waarin de verzetdoende partij een wettige reden opgeeft die wordt erkend door het rechtscollege waarvoor hij is opgeroepen. Overmacht heeft betrekking op een onvoorzienbare en onoverkomelijke hindernis, waardoor de afwezigheid van de verzetdoende partij in de procedure op verstek die tot de bestreden verstekbeslissing heeft geleid, hem niet toerekenbaar is. Een wettige reden van verschoning is elke ter verklaring van deze afwezigheid aangevoerde omstandigheid waarvoor enig begrip kan worden opgebracht en zonder dat de verzetdoende partij een fout of nalatigheid kan worden verweten.

De rechter oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, over de door de verzetdoende partij aangevoerde omstandigheid een wettige reden van verschoning. Het Hof gaat enkel na of uit de aangevoerde omstandigheid een wettige reden van verschoning kan worden afgeleid.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/6
Pagina: 
484
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(C.R. / S.K. - Rolnr.: P. 17.0340.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 februari 2017.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer I. Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht A. Winants heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
(…)

- hij van oordeel was dat deze handelwijze, die algemeen wordt aanvaard in de burgerlijke procedure, in overeenstemming was met het recent in werking getreden artikel 152 Wetboek van Strafvordering, vermits deze bepaling quasi woordelijk is geënt op de burgerlijke procesregels ter zake;

(…)

Tweede middel
Eerste onderdeel
5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het vaststaat dat eisers raadsman wist dat zijn aanwezigheid of deze van een door hem aangeduide raadsman op de inleidingszitting van 26 april 2016 was vereist voor het verkrijgen van conclusietermijnen en leidt anderzijds deze kennis af uit het schrijven van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent van 30 juni 2016 dat regels inzake het vaststellen van conclusietermijnen in strafzaken vastlegt.

6. Het arrest oordeelt, eensdeels, dat artikel 152 Wetboek van Strafvordering de artikelen 185 en 186 van dit wetboek niet heeft gewijzigd, zoals ook bevestigd door het voormeld schrijven van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent en, anderdeels, dat eisers raadsman aldus wist dat hijzelf dan wel een door hem aangeduide raadsman aanwezig diende te zijn op de inleidingszitting om conclusietermijnen te vragen. Deze redenen zijn niet tegenstrijdig.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 187, § 1, 6° en 208 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de eiser aangehaalde redenen van verstek geen wettige redenen van verschoning vormen; uit deze redenen blijkt immers dat de eiser geenszins doelbewust verstek heeft laten gaan noch blijk heeft gegeven van een fout of nalatigheid waarvoor geen begrip kan worden opgebracht; integendeel, met zijn brief van 25 april 2016 heeft de eiser uitdrukkelijk te kennen gegeven zijn medewerking te willen verlenen aan een procedure op tegenspraak, waarbij hij er te goeder trouw van uitging dat artikel 152 Wetboek van Strafvordering op eenzelfde wijze zou worden toegepast als de overeenstemmende bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek; de appelrechters houden bij hun beoordeling van de aangehaalde redenen van verstek bovendien onvoldoende rekening met eisers hoedanigheid als burgerlijke partij, die alle belang heeft bij een snelle afwikkeling van de procedure.

8. Artikel 187, § 6, 1° Wetboek van Strafvordering bepaalt: “§ 6. Het verzet

wordt als ongedaan beschouwd: 1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.”

9. Door overmacht te combineren met een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van het verstek bij de bestreden rechtspleging, beoogt de wetgever de gevallen van overmacht uit te breiden met de gevallen waarin de verzetdoende partij een wettige reden opgeeft die wordt erkend door het rechtscollege waarvoor hij is opgeroepen. Overmacht heeft betrekking op een onvoorzienbare en onoverkomelijke hindernis, waardoor de afwezigheid van de verzetdoende partij in de procedure op verstek die tot de bestreden verstekbeslissing heeft geleid, hem niet toerekenbaar is. Een wettige reden van verschoning is elke ter verklaring van deze afwezigheid aangevoerde omstandigheid waarvoor enig begrip kan worden opgebracht en zonder dat de verzetdoende partij een fout of nalatigheid kan worden verweten.

De rechter oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, over de door de verzetdoende partij aangevoerde omstandigheid een wettige reden van verschoning. Het Hof gaat enkel na of uit de aangevoerde omstandigheid een wettige reden van verschoning kan worden afgeleid.

10. Het arrest oordeelt dat artikel 152 Wetboek van Strafvordering de artikelen 185 en 186 van dit wetboek, die eveneens gelden voor de burgerlijke partij, niet heeft gewijzigd zodat eisers raadsman wist dat hijzelf dan wel een door hem aangeduide raadsman aanwezig diende te zijn op de inleidingszitting om een behandeling op tegenspraak mogelijk te maken. Met deze redenen zijn de beslissing dat de door de eiser aangehaalde redenen van verstek geen wettige redenen van verschoning uitmaken en de beslissing het verzet ongedaan te verklaren, naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel
(…)

Hieruit volgt dat een appelrechter bij de beoordeling of een door de eiser aangehaalde reden van verstek een wettige reden van verschoning vormt, dezelfde criteria dient te hanteren als een rechter in eerste aanleg.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Het recht op tegenspraak, als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, belet niet dat de wetgever beperkende voorwaarden oplegt voor het aanwenden van het rechtsmiddel verzet.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.

(…)

Noot: 

• B. De Smet, «Verstek en verzet», T.Strafr. 2016, (34), p. 36, nr. 74; S. Van Overbeke, «Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie («Potpourri II»), RW 2015-16, (1403), p. 1410-1411, nrs. 23-24.

• De Juristenkrant DECAIGNY, Tom; Noot 'Wettige reden bij verzet krijgt vorm' 2018, n° 366, p. 7. zie ook Cass. 25/04/2017, P. 17.0066.N; GWH 21/12/2017, nr. 148/2017 en Cass. 27/02/2018, P. 171074N.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 10/05/2018 - 13:32
Laatst aangepast op: di, 15/05/2018 - 17:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.