-A +A

Overmacht als verschoning van verzet in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 25/04/2017
A.R.: 
163/2014

Overmacht heeft betrekking op een onvoorzienbare en onoverkomelijke hindernis, waardoor de afwezigheid van de verzetdoende partij in de procedure op verstek die tot de bestreden verstekbeslissing heeft geleid, hem niet toerekenbaar was terwijl een wettige reden van verschoning elke ter verklaring van deze afwezigheid aangevoerde omstandigheid is waarvoor enig begrip kan worden opgebracht en zonder dat de verstekdoende partij een fout of nalatigheid kan worden verweten.

Door overmacht te combineren met een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van het verstek bij de bestreden rechtspleging, beoogt de wetgever de gevallen van overmacht uit te breiden met de gevallen waarin de beklaagde een wettige reden opgeeft die wordt erkend door het rechtscollege waarvoor hij is opgeroepen.

De beslissing tot ongedaanverklaring van het verzet van een door een advocaat vertegenwoordigde beklaagde, die kennis had van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, omdat de door deze laatste aangevoerde gebrekkige of afwezige communicatie door zijn vorige raadsman geen overmacht noch een wettige reden van verschoning uitmaakt, is naar recht verantwoord.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1413
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.17.0066.N

M.E.W.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep (nr. 4875) van de Correctionele Rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 2 december 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van art. 149 Gw. en art. 187, § 6, 1o Sv.: het bestreden vonnis oordeelt dat de door de eiser aangevoerde reden van verstek geen overmacht noch een wettige reden van verschoning vormt; deze beslissing is dermate vaag en onduidelijk gemotiveerd dat de wettigheid ervan niet kan worden nagegaan; uit de brief van de toenmalige raadsman van de eiser blijkt dat hij niet voorafgaandelijk aan de terechtzitting van 6 juni 2016 in kennis werd gesteld van het uitstel; de eiser was dan ook buiten zijn wil om niet aanwezig op deze terechtzitting en dit vormt een wettige reden van verschoning.

2. Art. 187, § 6, 1o Sv. bepaalt: «§ 6. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd:

1o indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter;»

Door overmacht te combineren met een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van het verstek bij de bestreden rechtspleging, beoogt de wetgever de gevallen van overmacht uit te breiden met de gevallen waarin de beklaagde een wettige reden opgeeft die wordt erkend door het rechtscollege waarvoor hij is opgeroepen. Overmacht heeft betrekking op een onvoorzienbare en onoverkomelijke hindernis, waardoor de afwezigheid van de verzetdoende partij in de procedure op verstek die tot de bestreden verstekbeslissing heeft geleid, hem niet toerekenbaar was. Een wettige reden van verschoning is elke ter verklaring van deze afwezigheid aangevoerde omstandigheid waarvoor enig begrip kan worden opgebracht en zonder dat de verstekdoende partij een fout of nalatigheid kan worden verweten.

De rechter oordeelt in feite en bijgevolg onaantastbaar over de door de beklaagde aangevoerde overmacht of wettige reden van verschoning. Het Hof gaat enkel na of uit de aangevoerde omstandigheid overmacht of een wettige reden van verschoning kon worden afgeleid.

3. Het bestreden vonnis oordeelt, eensdeels, dat op grond van het rechtsplegingsdossier de eiser in de persoon van een advocaat is verschenen en kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, en, anderdeels, dat de eiser aanvoert dat het verstek te wijten is aan een gebrekkige of afwezige communicatie door zijn vorige raadsman. Met deze redenen zijn de beslissing dat de door de eiser aangevoerde reden van verstek geen overmacht noch een wettige reden van verschoning uitmaakt en de beslissing het verzet ongedaan te verklaren, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

P.17.0066.N
Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier:

1. Eiser tekende tijdig en regelmatig cassatieberoep aan tegen twee vonnissen van 2 december 2016 waarbij de correctionele rechtbank van Antwerpen, zetelend in graad van hoger beroep, zijn verzet tegen de verstekvonnissen van 10 juni 2016 ongedaan verklaarde.

2. De wet van 5 februari 2016 beoogde onder andere een rationalisering van de procedure van verzet(1). Hiertoe werd onder andere de sanctie van het "als ongedaan beschouwd verzet" in tweeledig opzicht uitgebreid: enerzijds tot het geval waarin de verzet doende partij niet verschijnt op de terechtzitting waar op verzet over de zaak werd beraadslaagd (Artikel 187, §6, 2° Sv.) en anderzijds tot het geval waarin de verzet doende partij, waarvan vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, wel verschijnt maar geen gewag maakt of niet aantoont dat zijn verstek te wijten was aan overmacht of aan een door de rechter erkende wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek (Artikel 187, §6, 1° Sv.). De wetgever heeft, voor wat het tweede geval betreft, bewust de bal in het kamp van de verzet doende partij willen leggen. Het is immers aan deze partij om het initiatief te nemen om overmacht of een wettige reden van verschoning ten berde te brengen en de strafrechter te overtuigen van de reden die ingeroepen wordt.

De tekst van artikel 187, §6, 1° Sv. is vrij ingewikkeld geformuleerd, en de begrippen "overmacht" en "wettige reden" werden binnen het kader van dit artikel niet nader gedefinieerd. De invulling er van wordt dus overgelaten aan de feitenrechter die op onaantastbare wijze oordeelt over het bestaan van overmacht of een wettige reden, terwijl uw Hof nagaat of de feitenrechter uit de vaststellingen die hij heeft gedaan zijn beslissing kon afleiden.

Met betrekking tot het begrip "overmacht" oordeelt Uw Hof(2) dat dit enkel kan voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van eiser om en die daardoor noch voorzien noch afgewend kon worden. De onvoorzienbare en onoverkomelijke hindernis zal de beklaagde, die er in slaagt aan te tonen dat zijn verstek het gevolg was van dergelijke hindernis dus niet toegerekend worden. Overmacht is een streng, in enge zin te interpreteren begrip, en valt vaak moeilijk aan te tonen. Het is waarschijnlijk deze strenge beoordeling die de wetgever ertoe heeft aangezet nog een andere mogelijkheid te voorzien om het verzet niet als ongedaan te beschouwen, met name wanneer de eiser in verzet een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn afwezigheid kan aantonen(3).

De terminologie "wettige reden" werd ontleend aan de terminologie van de procedure van herstel in eer en rechten(4), maar verdere inhoudelijke duiding met betrekking tot dit begrip is in de parlementaire voorbereidende werken niet te vinden. Het begrip "wettige reden van verschoning" is dus niet eenduidig te definiëren en de vaagheid van het begrip opent de deur naar uiteenlopende invulling door de feitenrechters. In de rechtsleer wordt aangenomen dat hiermee bedoeld wordt "elke ter verklaring van het verstek aangevoerde omstandigheid waarvoor enig begrip kan worden opgebracht"(5), wat uiteraard heel ruim is, en mogelijks tot gevolg heeft dat het verzet toch nog op vrij brede schaal zou worden aanvaard, waardoor de hervorming eigenlijk haar doel voorbijschiet(6).

Het is daarom zeker van belang de ratio legis van de nieuwe bepaling bij de beoordeling te betrekken.

De wetgever had bij het opstellen van de nieuwe regels en ter motivering van de beperking van het recht op verzet oog voor de belangrijkste principes zoals die aan bod komen in de rechtspraak van het EHRM en herinnerde er enerzijds aan dat "het recht om tegen een bij verstek uitgesproken beslissing verzet in te stellen, niet absoluut is"(7) en anderzijds dat het verschijnen van een beklaagde van kapitaal belang is, omwille van het recht van de beklaagde om gehoord te worden en de noodzaak om de juistheid van zijn verklaringen te controleren en ze te confronteren met de beweringen van het slachtoffer wiens belangen alsook die van de getuigen moeten worden beschermd. Derhalve mag de wetgever ongegronde afwezigheden op terechtzittingen ontmoedigen(8).

Het EHRM oordeelt ook dat "de lidstaten een zekere vrijheid hebben in de keuze van de middelen om met betrekking tot de procedure van verstek te voldoen aan de eisen van het recht op een eerlijk proces, met behoud van hun doelmatigheid. Het weigeren van verzet ten aanzien van een persoon die geen geldige reden had kunnen inbrengen voor zijn verstek, is niet in tegenspraak met het recht op een eerlijk proces. Het rechtsmiddel van verzet moet echter effectief blijken te zijn, met name indien de beschuldigde geen afstand heeft gedaan van het recht te verschijnen en hij, om zich te verdedigen, niet de intentie heeft gehad zich te onttrekken aan het gerecht(9).

Het Hof van Justitie oordeelt dat een beklaagde uit eigen beweging afstand kan doen van dit recht om te verschijnen, en die afstand uitdrukkelijk of stilzwijgend kan gebeuren maar alleszins ondubbelzinnig moet vaststaan. Er is geen schending van het recht op een eerlijk proces, ook als is de verdachte niet in persoon verschenen, wanneer hij op de hoogte is gebracht via persoonlijke dagvaarding van tijdstip en plaats van het proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces of verdedigd is door een raadsman die hij daartoe gemachtigd heeft(10).

Met deze juridische context voor ogen, was het niet de bedoeling van de Belgische wetgever om de mogelijkheid om verzet aan te tekenen op blinde wijze in te perken, maar wel om een sanctie op te leggen voor onverantwoorde verstekprocedures, dit zijn procedures waarbij een procespartij op een niet-verantwoorde wijze, doelbewust verstek heeft laten gaan(11). De wetgever wou hierdoor het misbruik tegen gaan dat werd gemaakt door beklaagden wiens verstek ofwel te wijten was aan hun eigen onachtzaamheid of aanzien kon worden als vertragingsmaneuver in hun verdedigingsstrategie(12). In die zin lijken een aangevoerde foute communicatie tussen opeenvolgende raadslieden of tussen de raadsman en zijn cliënt, ziekte of belet van de verzetdoende partij (die zich kan laten vertegenwoordigen door een advocaat), een verkeerde agendering... geen valabele, wettige redenen om het verzet niet ongedaan te verklaren.

3. In de zaken die voorliggen blijkt uit de stukken waarop mag acht geslaan worden dat eiser kennis had van de initiële dagvaarding en hij op de inleidingszitting van 3 juni 2016 werd vertegenwoordigd door een raadsman die om een uitstel verzocht. De behandeling van de zaak werd uitgesteld tot 6 juni 2016. Op die datum verscheen de raadsman niet. De appelrechters oordelen dat de reden van verstek zoals aangehaald door de verdediging, namelijk een gebrekkige /geen communicatie door de vorige raadsman van beklaagde geen overmacht dan wel een wettige reden van verschoning uitmaakt, zodat het verzet ongedaan wordt verklaard.

Met die beoordeling verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het middel dat een schending aanvoert van artikel 149 Gw. en artikel 187, §6, 1° Sv. kan niet worden aangenomen.

Conclusie: Verwerping.
____________________
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers, Doc 54/1418/001, 3.
(2) Cass. 29 april 2015, P.15.0158.F, AC 2015, nr. 284.
(3) WINANTS A., "Potpourri-II: de nieuwe regels inzake verstek en verzet in strafzaken", Nullum crimen, 2016, 337.
(4) Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc. 54 1418/001, 79-8.
(5) VAN OVERBEKE S., Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), RW, 2015-16, nr.36, 1410.
(6) WINANTS A., "Potpourri-II: de nieuwe regels inzake verstek en verzet in strafzaken", Nullum crimen, 2016, 337.
(7) Kamer van volksvertegenwoordigers, Doc 54/1418/005, 13.
(8) EHRM, 23 november 1993, Poitrimol t. Italië, §35; EHRM, 23 augustus 2000, Van Pelt t. Italië, §66; EHRM, 13 mei 2001, Krombach t. Italië, §84.
(9) EHRM, 7 mei 2001, Medenica t. Zwitserland, §55.
(10) HvJ, 26 februari 2013, Melloni, C-399/11, §49.
(11) VAN OVERBEKE S., Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), RW, 2015-16, nr. 36, 1409.
(12) Kamer van volksvertegenwoordigers, Doc. 54/1418/001, 73 en Doc. 54/1418/005, 13.
 

Noot: 

• B. De Smet, «Verstek en verzet», T.Strafr. 2016, (34), p. 36, nr. 74; S. Van Overbeke, «Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie («Potpourri II»), RW 2015-16, (1403), p. 1410-1411, nrs. 23-24.

• De Juristenkrant DECAIGNY, Tom; Noot 'Wettige reden bij verzet krijgt vorm' 2018, n° 366, p. 7.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 03/05/2018 - 14:34
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.