-A +A

Overheidsbeslissing tot beëindiging van een concessie behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van state

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 14/10/2014
A.R.: 
228.744
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
262
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 228.744

NV S. t/ Gemeente Wommelgem

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 23 juni 2014, strekt tot de schorsing en de vernietiging van de beslissing van 22 april 2014 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem tot eenzijdige beëindiging van de concessieovereenkomst van 31 januari 1996 wegens contractuele wanprestaties van de NV S.

...

III. Feiten

3.1. Op 31 januari 1996 sluiten de verzoekende partij en de verwerende partij een concessieovereenkomst voor openbare werken voor de bouw en de uitbating van een sport- en trefcentrum. De overeenkomst heeft een duurtijd van dertig jaar.

De artikelen 5, 3o en 5, 5o van de concessieovereenkomst luiden:

“3o. Het bestuur kan eveneens voortijdig aan de concessie van bouwwerken een einde maken indien de concessiehouder ernstig zou tekortkomen aan de verplichtingen die uit de concessieovereenkomst voortvloeien, zowel jegens het bestuur als jegens de gebruikers van de dienst die hij moet verzekeren. In dit geval heeft de concessiehouder recht op betaling, binnen de termijn van een jaar, van een vergoeding overeenstemmend met een deel, uitgedrukt door een breuk, van de helft van de kostprijs alleen van de door hem uitgevoerde werken. Teller en noemer worden vastgesteld zoals voorgeschreven bij 2o; om echter het aantal jaren vast te stellen die verlopen zijn tussen de aanvangsdatum van de concessie en de datum waarop het bestuur er een einde heeft aan gemaakt, wordt een gedeelte van het jaar als een geheel jaar beschouwd. De betaling van deze vergoeding gebeurt na afhouding van de door de concessiehouder aan het bestuur nog verschuldigde bedragen en van de door het bestuur verstrekte toelagen, in de vorm van een lening, voor de oprichting van de gebouwen voor zover deze de kapitaalaflossing betreffen.

[...]

“5o. In geval van toepassing van 2o en 3o, verwerft het bestuur, op datum waarop voortijdig een einde wordt gemaakt aan de concessie van bouwwerken, het eigendomsrecht, onbezwaard met enigerlei recht, van de bouwwerken die door de concessiehouder werden opgericht op de terreinen waarvan het bestuur de eigenaar is.”

Nog op 31 januari 1996 sluiten de partijen een overeenkomst waarbij door de verwerende partij voor een periode van dertig jaar aan de verzoekende partij een opstalrecht wordt toegekend voor de concessiegronden met het oog op de “oprichting van een sport- en trefcentrum bij wege van concessie van bouwwerken”.

Art. 5 van de opstalovereenkomst bepaalt dat de beëindiging van de concessieovereenkomst de beëindiging van rechtswege van de opstalovereenkomst tot gevolg heeft.

3.2. Wat de uitbating van het gedeelte “polyvalente sporthal” van het sport- en trefcentrum betreft, staat de verwerende partij in voor de betaling van een jaarlijkse vergoeding ter afdekking van het exploitatieverlies door de verzoekende partij. Bedoelde vergoeding is laatst aangepast bij gemeenteraadsbesluit van 29 juni 2004 door aanpassing van art. 4, 2o van de concessieovereenkomst.

Van haar kant moet de verzoekende partij de integrale boekhouding die betrekking heeft op de polyvalente sporthal, jaarlijks aan de verwerende partij voorleggen.

3.3. Tussen de verzoekende en de verwerende partij ontstaat een discussie over de aanwending door de verzoekende partij van de betaalde vergoeding.

Sinds april 2013 zijn er tal van schriftelijke en mondeling contacten tussen de partijen met het oog op verduidelijking van de exploitatierekeningen.

Bij aangetekende brieven van de verwerende partij van 22 oktober 2013 en 23 december 2013 wordt de verzoekende partij formeel in gebreke gesteld. Voorts wordt medegedeeld dat “bij gebrek [...] aan nuttige reactie uiterlijk per 15 januari 2014 [...] de gemeente effectief dient over te gaan tot het toepassen van de contractuele sancties”.

Op 15 januari 2014 kent de gemeente een uitstel van termijn toe tot 3 februari 2014.

Een laatste vergadering tussen de partijen vindt plaats op 27 februari 2014.

3.4. Op 22 april 2014 beslist de verwerende partij de concessieovereenkomst van 31 januari 1996 “met onmiddellijke ingang te beëindigen”. Dit is de bestreden beslissing waarvan de aanhef en de motivering luidt:

“Gelet op art. 6, § 2 van het KB van 14 november 1979 betreffende algemene voorwaarden van gunning van overheidsopdrachten bij wege van concessie van bouwwerken, zoals nu vervat in art. 114 van het KB van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken;

“Overwegende dat er geoordeeld wordt dat de NV S. om voormelde redenen ernstig tekortkomt aan haar verplichtingen jegens de gemeente zoals opgenomen in de concessieovereenkomst;

“Overwegende dat de NV S. hiervoor in gebreke gesteld werd en gevorderd werd te remediëren aan deze tekortkomingen;

“Gelet op de ernst van de contractuele wanprestaties, inzonderheid de afwending van gemeentelijke gelden van het doel waarvoor zij zijn uitgekeerd, en het uitblijven van enige remediëring (of ernstige poging daartoe) door de NV S., ondanks herhaalde aanmaningen;

“Overwegende dat op datum van beëindiging van de concessieovereenkomst de gemeente overeenkomstig art. 5, 5o van deze concessieovereenkomst, het eigendomsrecht, vrij en onbelast, op het sport- en trefcentrum verwerft;

“Overwegende dat de beëindiging van de concessieovereenkomst overeenkomstig art. 5 van de opstalovereenkomst tezelfdertijd de beëindiging van de opstalovereenkomst tot gevolg heeft en bijgevolg de eigendomsovereenkomst van de opstallen en de terugkeer van de concessiegronden naar de gemeente, zonder enige verdere vergoeding, conform de bepalingen van de concessieovereenkomst, inzonderheid art. 2, 3o en art. 5, 5o;

“Overwegende dat het bedrag van de achtergestelde lening ten belope van 35.000.000 fr. (867.627,34 euro) overeenkomstig art. 7.4 van de achtergestelde leningsovereenkomst, van rechtswege, onmiddellijk en zonder ingebrekestelling opeisbaar is bij voortijdige beëindiging wegens wanprestatie”.

Bij aangetekende brief van 23 april 2014 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van voormelde beslissing. De brief verwijst naar art. 5, 3o van de concessieovereenkomst.

3.5. Op 30 april 2014 dagvaardt de verzoekende partij de verwerende partij voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, rechtsprekend in kort geding.

Bij beschikking van 5 juni 2014 verklaart de voorzitter in kort geding de vordering van de verzoekende partij tot schorsing van de beëindigingsbeslissing en tot schorsing van een beweerde lastercampagne, ongegrond.

Op 30 mei 2014 dagvaardt de verzoekende partij de verwerende partij voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen.

Bij vonnis van 4 juli 2014 schorst de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen de beëindigingsbeslissing. Deze schorsing loopt tot de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen uitspraak heeft gedaan over de grond van de zaak. Daarbij wordt een gerechtsdeskundige aangesteld die als onafhankelijke derde moet nagaan of de vaststellingen door de gemeente in het kader van de contractuele wanprestaties begaan door de verzoekende partij correct zijn.

3.6. Inmiddels had de verzoekende partij op 22 mei 2014 klacht ingediend bij de toezichthoudende overheid tegen de bestreden beslissing van 22 april 2014.

Bij aangetekende brief van 2 juni 2014 deelt de provinciegouverneur het volgende mee:

“Zoals u weet, moet mijn ambt zich bij de uitoefening van het bestuurlijk toezicht beperken tot een toetsing aan het recht en aan het algemeen belang. In dit verband heb ik vastgesteld dat de bepaling waarop het gemeentebestuur zich baseert om de betrokken overeenkomst te beëindigen – art. 114 van het KB van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken – inderdaad toelaat dat de aanbestedende overheid voortijdig een einde maakt aan een concessie wanneer de concessiehouder ernstig tekortkomt aan zijn verplichtingen. Het college van burgemeester en schepenen, dat, overeenkomstig art. 57, § 3, 8o, c van het Gemeentedecreet, de bevoegdheid heeft om de betrokken overeenkomst met uw cliënte te beëindigen, geeft in zijn besluit van 22 april jl. omstandig weer wat de beweegredenen voor de beëindiging van de overeenkomst zijn. Inhoudelijk kan en mag ik mij niet uitspreken over deze beweegredenen. Dat komt toe aan de burgerlijke rechter.

“Wat uw vraag betreft om te worden gehoord en te bemiddelen, deel ik u mee dat het bestuurlijk toezicht daar niet in voorziet.

“Gelet op wat voorafgaat, is er voor mijn ambt dan ook geen reden om op te treden.

“Tot slot vestig ik er nog uw aandacht op dat u, zo aan de daarvoor geldende regels van ontvankelijkheid kan worden voldaan, nog een beroep tot nietigverklaring – al dan niet voorafgegaan door of vergezeld van een beroep tot schorsing – tegen het betrokken collegebesluit bij de Raad van State kan instellen. Ik verwijs in dit verband naar de betreffende regelgeving”.

IV. Rechtsmacht van de Raad van State

4. In het inleidend verzoekschrift betoogt de verzoekende partij, anticiperend op een exceptie wat de rechtsmacht van de Raad van State betreft, dat deze rechtsmacht betreffende eenzijdige beëindigingsbeslissingen die een overheid neemt met betrekking tot concessieovereenkomsten niet geheel duidelijk is: “Enerzijds heeft uw Raad reeds besloten dat de uitoefening door de overheid van haar contractueel gestipuleerd recht om eenzijdig een einde te maken aan een domeinconcessie of om een goed aan een dergelijke concessie te onttrekken buiten zijn beoordelingsbevoegdheid valt. Anderzijds heeft uw Raad zich wel bevoegd geacht wanneer de mogelijkheid tot eenzijdige beëindiging niet in het contract is gestipuleerd en de overheid zich dus zuiver op de gezagscomponent van de concessie baseert en de verzoeker alleen de objectieve wettigheid van de beëindigingsbeslissing aanvecht”.

De verzoekende partij verduidelijkt voorts dat zij zich “om haar rechten te vrijwaren [...] verplicht [ziet] om onderhavig verzoekschrift bij uw Raad in te dienen”. Daarbij verwijst zij naar de syntheseconclusies van de verwerende partij voor de burgerlijke rechter in kort geding die melding maken van art. 1794 BW en waaruit zou blijken dat deze “op twee fronten wenst te spelen” en de inhoud van de beslissing van de provinciegouverneur van 2 juni 2014.

5. De verwerende partij betwist in een exceptie de rechtsmacht van de Raad van State. Zij voert aan dat de zaak louter een geschil over subjectieve rechten betreft. De beëindigingsmogelijkheid op grond van contractuele wanprestaties is uitdrukkelijk bedongen in art. 5, 3o van de concessieovereenkomst.

Beoordeling

6. Krachtens art. 144 en 145 Gw. behoren geschillen die betrekking hebben op de rechten en verplichtingen uit een contract tot de rechtsmacht van de rechterlijke orde.

7. De bestreden beslissing bevat de volgende overweging betreffende haar rechtsgrond: “Gelet op art. 6, § 2 van het KB van 14 november 1979 betreffende algemene voorwaarden van gunning van overheidsopdrachten bij wege van concessie van bouwwerken, zoals nu vervat in art. 114 van het KB van 14 januari 2013 “tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken””.

8. Krachtens de voormelde bepaling mag de aanbestedende overheid voortijdig een einde maken aan de concessie wanneer de concessiehouder ernstig zou tekortkomen aan de verplichtingen die uit de concessie voortvloeien, zowel jegens de aanbestedende overheid als jegens de gebruikers van de dienst die hij moet verzekeren.

Uit de motieven van het bestreden besluit lijkt te mogen worden afgeleid dat de verwerende partij de concessieovereenkomst heeft beëindigd wegens contractuele wanprestaties van de verzoekende partij.

9. De eenzijdige beslissing van de verwerende partij van 22 april 2014 om de concessieovereenkomst te beëindigen, lijkt aldus ten aanzien van de verzoekende partij niet een handeling die haar kracht ontleent aan het openbaar gezag dat het bestuur door of krachtens de wet is toegekend, maar integendeel aan het tussen haar en het bestuur gesloten contract.

10. In een enig middel wordt de Raad van State verzocht zich uit te spreken over de vraag of deze grondslag van beëindiging al dan niet gerechtvaardigd was.

De vordering lijkt aldus als werkelijk voorwerp een geschil aan te brengen betreffende de rechten en verplichtingen uit een contract en zijn uitvoering.

11. De argumentatie van de verzoekende partij inzake de verwijzing door de verwerende partij in haar conclusies voor de burgerlijke rechter naar art. 1794 BW, waarin wordt bepaald dat “(d)e opdrachtgever [...] de aanneming tegen vaste prijs door zijn enkele wil [kan] verbreken, ook al is het werk reeds begonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid, en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen”, mist pertinentie, omdat de bestreden beslissing er geen rechtsgrond in lijkt te vinden.

12. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de exceptie een hoge graad van ernst vertoont. De Raad van State dient zich bijgevolg reeds in de huidige stand van de procedure zonder rechtsmacht te verklaren voor de gevraagde vordering tot schorsing, omdat krachtens art. 17, § 1 RvS-Wet de schorsing enkel kan worden bevolen indien de betrokken beslissing ook vatbaar is voor nietigverklaring, wat te dezen niet het geval lijkt.

13. De inhoud van de beslissing van de provinciegouverneur van 2 juni 2014 leidt niet tot een andere conclusie. De verwijzing aldaar in fine naar de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State is immers voorwaardelijk geformuleerd, namelijk “zo aan de daarvoor geldende regels van ontvankelijkheid kan worden voldaan”.

...

NOOT onder dit arrest in het RW: Matthias De Groot – De rechtsmachtverdeling tussen de burgerlijke rechter en de Raad van State voor de eenzijdige beëindiging van overeenkomsten: de grondslag en het motief voor de beëindiging van de concessie als demarcatiecriteria

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/10/2016 - 13:15
Laatst aangepast op: za, 22/10/2016 - 13:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.