-A +A

Overheid die voorafgaand aan een vergunningsprocedure reeds met één van de gegadigden contracteert schendt behoorlijk bestuur en onpartijdigheidsbeginsel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
zon, 07/02/2016
A.R.: 
235.392

Een potentiële nadelige invloed op de markt- en concurrentiepositie van een verzoeker kan een voldoende en geldig belang vormen bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning van een concurrent.

Het aangaan van verbintenissen door een overheid aangaat met een partij die meedingt naar een vergiunning en die de inhoud van de kwestieuze vergunning betreffen, verhindert de overheid om hierna in alle objectiviteit, zonder vooringenomenheid en zonder gebonden te zijn door deze eerder aangegane overeenkomsten, de vergunningsaanvragen te beoordelen. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing door deze overheid tot stand gekomen is met schending van het onpartijdigheidsbeginsel.

Het onpartijdigheidsbeginsel kan geen toepassingvinden op een orgaan van actief bestuur, zoals te dezen het college van burgemeester en schepenen, indien die toepassing onverenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van dat bestuur, en de toepassing van dit beginsel het optreden van dit orgaan onmogelijk zou maken. Dit laatste blijkt in casu echter niet op te gaan. Weliswaar is het college van burgemeester en schepenen op grond van de artt. 5 en 8 van de Handelsvestigingenwet de bevoegde overheid om over de handelsvergunningsaanvraag te beslissen, maar de verwerende partij was er geenszins toe gehouden om het kwestieuze convenant te sluiten, noch toont zij aan of maakt zij aannemelijk dat zij niet eerst nog kon terugkomen op de in het convenant aangegane verbintenissen.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
62
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 235.392

L.O. t/ Stad Hasselt en NV K.

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 17 november 2014, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt van 18 september 2014 waarbij aan de NV K. een socio-economische vergunning wordt verleend voor de opbouw van een nieuw handelsgeheel, inplanting (...) te Hasselt, als onderdeel van de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel (...).

...

III. Feiten

3.1. De bestreden beslissing kadert in de invulling en vormgeving van het stadsontwikkelingsproject (...) aan de kanaalkom aan de noordrand van het centrum van Hasselt. Het is de bedoeling om aan het gebied, dat sedert de teloorgang van de industrieel-economische activiteiten rond het water een desolate en verlaten aanblik bood, nieuwe impulsen en een nieuwe stedelijke dynamiek te geven.

3.2. Het wordt niet betwist dat de site volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij KB van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk in een gebied voor stedelijke ontwikkeling is gelegen.

Tevens zijn de stedenbouwkundige voorschriften van het bij MB van 26 april 2005 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg (...) van de stad Hasselt van toepassing.

3.3. Op 24 april 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt aan de tussenkomende partij zowel een verkavelingsvergunning als een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een binnenstedelijk project (...) aan de kanaalkom, gelegen (...).

Onder anderen verzoeker diende tegen de voormelde vergunningsbesluiten administratief beroep in bij de deputatie van de provincie Limburg. Met besluiten van 4 september 2014 heeft deze laatste de beroepen van verzoeker onontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft tegen deze laatste besluiten een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ingediend.

3.4. Op 30 juni 2014 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt een aanvraag in tot het verkrijgen van een socio-economische machtiging voor de inplanting van een handelscomplex met een netto-handelsoppervlakte van 21.669 m2, dat deel moet uitmaken van het voormelde stadsontwikkelingsproject (...).

3.5. Op 27 augustus 2014 stelt het nationaal sociaal-economisch comité voor de distributie (hierna: het «NSECD») vast dat de wettelijke termijn om een advies te verstrekken, is verstreken.

3.6. De dienst mobiliteit van de stad Hasselt verleent op 6 augustus 2014 een gunstig advies. de stedelijke dienst Economie verleent op 10 september 2014 een advies, waarvan de inhoud overwegend gunstig luidt.

3.7. Met het bestreden besluit van 18 september 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt de gevraagde handelsvestigingsvergunning. Dit besluit luidt als volgt:

«Uittreksel uit het register van de beraadslagingen van het college van burgemeester en schepenen

Vergadering van 18 september 2014

Aanwezig: Hilde Claes, burgemeester-voorzitter,

Karolien Mondelaers, Brigitte Smets, Tom Vandeput, Rob Beenders, Gerald Corthouts, Valerie Del Re, Wichel Froidmont, Joost Venken, Nadja Vananroye, schepenen

Jean-Paul Houben, gemeentesecretaris

Socio-economische vergunning voor opbouw nieuw handelsgeheel zones havenkwartier 1, 2 en 3 aan de Kanaalkom – Blauwe Boulevard.

Het college,

Aanleiding en doel

De aanvraag tot het verkrijgen van een socio-economische vergunning ingediend door NV K., (...), 3500 Hasselt

Het betreft een aanvraag voor opbouw nieuw handelsgeheel, inplanting zones Havenkwartiers 1, 2 en 3, als onderdeel van de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel «Blauwe Boulevard» aan de kanaalkom – 7de afdeling, Sectie G, nr. 450p, 453t, 453s, 453n, 454n, 455l5, 455n5 en 455/2

Juridische overwegingen

– de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, gewijzigd bij wet van 22 december 2009, wet tot aanpassing van sommige wetgevingen aan de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt

– Wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen – Middenstand, wijziging van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen (art. 74-77)

– Art. 18 van de wet van 22/12/2009, wijzigend het art. 7 § 2 van de wet van 13 augustus 2004, bepalende dat bij het onderzoek van het dossier men met volgende criteria rekening dient te houden: de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging, de bescherming van het stedelijk milieu, de bescherming van de consument, en het respect voor de sociale wetgeving en het arbeidsrecht.

– KB van 13 januari 2010 tot wijziging van het KB van 22 februari 2005 tot verduidelijking van de criteria bij het onderzoeken van ontwerpen van handelsvestigingen en samenstelling socio-economisch dossier

Feitelijke overwegingen

– Handelsconvenant afgesloten tussen NV K., Unizo Limburg, Unizo Hasselt en Stad Hasselt m.b.t. de realisatie van het parkeer-, woon-, winkel- en werkproject «Havenkwartier» te Hasselt.

– Datum bewijs van ontvangst van het dossier bij aangetekende zending dd. 02/07/2014.

– De ambtshalve volledige verklaring dd. 20/07/2014.

– Het gunstig advies van 24/08/2014 van NSECD, bij verstrijken van wettelijke termijnen

– Het gunstig advies van 16/09/2014 van de gemeentelijke bouwcommissie

– Het bekomen van een socio-economische vergunning ontslaat de vergunningverkrijger niet van de verplichting te voldoen aan de regelgeving inzake de Codex Ruimtelijke Ordening.

Financiële impact

Besluit

Artikel 1

De aangevraagde socio-economische vergunning ingediend door NV K., (...), 3500 Hasselt voor opbouw nieuw handelsgeheel, inplanting zones Havenkwartiers 1, 2 en 3 te Hasselt, als onderdeel van de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel «Blauwe Boulevard» aan de kanaalkom – 7de afdeling, Sectie G, nr. 450p, 453t, 453s, 453n, 454n, 4555 en 455/2, wordt toegekend.

Artikel 2

De stad Hasselt en het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Hasselt verklaren uitdrukkelijk dat de invulling van de handelsoppervlakte van het project Havenkwartier aan de Blauwe Boulevard nooit hoger mag zijn dan de invulling, zoals geformuleerd in deze socio-economische vergunning, omdat anders de invulling van het project Havenkwartier aan de Blauwe Boulevard niet complementair is aan het aanbod van de binnenstad Hasselt, overeenkomstig de betrokken stedenbouwkundige vergunning (dossiernummer: RO2014/0194/PL/NP) van 24 april 2014 en het BPA HAS1 Blauwe Boulevard 13 (artikel 26&27 BPA)

Artikel 3

Een afschrift van onderhavige beraadslaging zal worden toegezonden aan NV K., voornoemd, alsmede aan het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie.»

IV. Ontvankelijkheid

Standpunt van de partijen

4.1. In zijn verzoekschrift doet verzoeker, wat zijn belang betreft, gelden dat hij in het centrum van Hasselt een handel uitbaat in sport- en vrijetijdskledij en dat daar geen parkeergelegenheid is. Hij wijst erop dat de vergunde nieuwe handelszone aan de kanaalkom over een zeer omvangrijke en nabije ondergrondse parking zal beschikken, «wat een niet te onderschatten commercieel voordeel is». Het nieuwe project dreigt volgens verzoeker afbreuk te doen «aan het sinds oudsher bestaande echte winkel- en wandelstadsgedeelte van Hasselt, waarvan verzoekers handelszaak deel uitmaakt». Hij vreest een «omzet- en winstdaling» en wijst erop dat zijn handelszaak zich op 500 meter «in vogelvlucht» van de site aan de kanaalkom bevindt. Ook stelt hij dat de venale waarde van zijn pand zal afnemen.

4.2. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een ontvankelijkheidsexceptie wegens gebrek aan belang op. Zij voert aan dat de handelszaak van verzoeker zich op een afstand van 650 meter van de projectsite bevindt en betoogt dat het eigen is aan handelszaken in het centrum dat zij over minder parkeergelegenheid beschikken. Dat het centrum van Hasselt deels verkeersvrij is, is volgens haar «net een troef» voor de daar gevestigde handelszaken. Zij wijst erop dat de stad een aantal randparkings telt vanwaar het centrum «binnen enkele minuten bereikbaar is». Zij werpt ook op dat verzoeker geen eigendomstitel bijbrengt en dat zijn uiteenzetting onvoldoende getuigt van een «geïndividualiseerd» belang. Het nadeel waarop verzoeker zich beroept, vloeit volgens haar enkel voort uit «de bestaande parkeercapaciteit in het stadscentrum», en een vernietiging van de bestreden beslissing kan daar geen verandering in brengen. Het beweerde commercieel nadeel berust op een «losse bewering» en het belang van verzoeker kan subsidiair hoogstens betrekking hebben op de vergunde handelsoppervlakte voor het assortiment sport en ontspanning, wat een afsplitsbaar onderdeel is van de bestreden beslissing.

4.3. Ook de tussenkomende partij betwist in haar memorie tot tussenkomst het belang van verzoeker. Zij betoogt in dezelfde zin als verwerende partij en voegt daaraan toe dat vereist is «dat het belang op een onomstootbare wijze met stukken wordt aangetoond» en dat het weren van de auto uit de stadskern «net deel uit[maakt] van de charme van winkelen in een stadscentrum». Zij voert aan dat verzoeker niet bij wijze van actio popularis voor het bestaande handelscentrum van Hasselt kan opkomen en wijst erop dat Unizo zich akkoord heeft verklaard met haar project. Zij betoogt dat economische criteria geen rol mogen spelen in handelsvestigingsbetwistingen en dat verzoeker geen nadeel kan ondervinden van de andere vergunde assortimenten dan sport en ontspanning.

4.4. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat hij niet enkel sportartikelen maar ook kledij verkoopt, dat er voor hem derhalve 11.600 m2 concurrerende verkoopsoppervlakte bij komt. Hij wijst erop dat onder het project de grootste parking van Hasselt zal komen en dat zijn belang ook te situeren is in de strijdigheid van het project met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA (...), die hem als handelaar bescherming bieden. Hij legt ook zijn eigendomstitel over.

4.5. De tussenkomende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat met de parking van het betrokken project ook een bijkomende, alternatieve parking voor het stadscentrum wordt gerealiseerd. Zij wijst erop dat de afstand tussen verzoekers vestiging en het betrokken project ongeveer 2 km met de auto en ongeveer 600 m te voet bedraagt, zodat op grond daarvan geenszins een commercieel verlies kan worden aangenomen. Verzoeker toont voorts geen persoonlijk nadeel aan in zoverre hij voor de aspecten betreffende de ruimtelijke ligging van de betrokken handelsvestiging en de bescherming van het leefmilieu zou opkomen. Ten slotte is de tussenkomende partij niet van oordeel dat de bestreden vergunning één en ondeelbaar is.

4.6. De verwerende partij doet in haar laatste memorie gelden dat verzoekers belang hypothetisch is. Zij wijst erop dat de bestreden beslissing slechts 2.100 m2 netto-handelsoppervlakte voor «sport en ontspanning» vergunt en dat het op heden niet bekend is welke handelszaak – en a fortiori welk assortiment – zich in het handelsgeheel zal vestigen.

4.7. Verzoeker wijst er in zijn laatste memorie op dat hij ook nog actief is in mode en dat hij nadelen ondervindt van de bestreden beslissing in haar geheel. Hij wijst er bijkomend op dat de ondeelbaarheid van de vergunning het principe is en dat in de bestreden beslissing ook geen sprake is van apart vergunde rubrieken.

Beoordeling

5.1. Een potentiële nadelige invloed op de markt- en concurrentiepositie van een verzoeker kan een voldoende en geldig belang vormen bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning van een concurrent.

Dat de Raad van State een concurrentieel nadeel als een afdoende belang bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning aanneemt, is één zaak, dat art. 14, 5) van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 «betreffende diensten op de interne markt» (hierna: «de dienstenrichtlijn»), aangenomen de toepasselijkheid ervan, economische criteria bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag tot toegang tot of tot uitoefening van een dienstenactiviteit verbiedt, een andere, waarbij het laatste het eerste niet verhindert.

Zoals de Raad van State reeds meermaals heeft geoordeeld, verhindert de wijziging van art. 7, § 2 van de wet van 13 augustus 2004 «betreffende de vergunning van handelsvestigingen» (hierna: «de Handelsvestigingenwet») bij de wet van 22 december 2009 «tot aanpassing van sommige wetgevingen aan de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt» niet dat een verzoeker zich nog steeds kan beroepen op een commercieel en/of concurrentieel belang bij het instellen van een annulatieberoep tegen een handelsvestigingsvergunning.

5.2. Verzoekers handelsvestiging bevindt zich aan de (...) in het stadscentrum van Hasselt, en betreft de verkoop van sport- en vrijetijdsartikelen en -kledij. Het door de bestreden beslissing vergunde handelscomplex bevindt zich deels in hetzelfde verkoopssegment van de sport- en vrijetijdsartikelen en -kledij. De kwestieuze projectsite is gepland aan de rand van het actuele handelscentrum van Hasselt, op ongeveer 600 m wandelafstand van verzoekers vestiging. De handelszaak van verzoeker en het door de bestreden beslissing vergunde handelsgeheel zijn duidelijk te situeren in elkaars commerciële invloedssfeer. Verzoeker toont aldus op voldoende wijze aan dat de bestreden beslissing een potentieel nadelige invloed heeft op zijn markt- en concurrentiepositie.

5.3. Tot slot kan niet worden ingegaan op het verzoek van de verwerende en de tussenkomende partij om verzoekers belang in relatie tot de bestreden beslissing te beperken tot het vergunde assortiment sport en ontspanning. De bestreden vergunning is in beginsel één en ondeelbaar, en een gebeurlijke onwettigheid tast het volledige besluit aan.

5.4. De excepties zijn ongegrond.

V. Onderzoek van de middelen

...

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

12.1. Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van «art. 51 juncto art. 27 van het Gemeentedecreet, van het beginsel nemo iudex in causa sua, van het onafhankelijkheids- en het onpartijdigheidsbeginsel (met inbegrip van het verbod op het bestaan van een schijn van partijdigheid), van het beginsel justice must not only be done but also seen to be done».

Hij zet uiteen dat de eerste verwerende partij eigenaar is van het merendeel van de terreinen en gebouwen die het voorwerp van de bestreden vergunning uitmaken, dat deze partij voor het indienden van een verkavelingsaanvraag en met de tussenkomende partij een volmacht heeft gegeven aan de tussenkomende partij ook een «handelsconvenant» heeft gesloten waarin engagementen worden aangegaan om het project te ondersteunen. De verwerende partij moet volgens verzoeker dan ook als een «rechtstreeks belanghebbende» in het dossier worden beschouwd, die zonder gezichtsverlies te lijden geen negatieve beslissing meer over de aanvraag kon nemen.

Subsidiair zet verzoeker uiteen dat de burgemeester van de stad Hasselt minstens niet mee over de aanvraag had mogen beraadslagen, omdat zij zowel de volmacht voor de verkavelingsaanvraag, het «handelsconvenant» als de verkavelings- en de stedenbouwkundige vergunning namens de stad heeft ondertekend.

12.2. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat het «handelsconvenant» kadert in de fase van het «informeel vooroverleg», dat de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel «onverenigbaar» is met de eigen aard van de beslissingsbevoegdheid van de verwerende partij die overeenkomstig de bepalingen van de Handelsvestigingenwet over socio-economische vergunningsaanvragen moet oordelen, en dat het stadsbestuur zich immers op geen enkele wijze kan laten vervangen. Zij stelt dat de betreffende percelen slechts tijdelijk eigendom zijn van de stad ingevolge de onteigening ervan en dat er later grondoverdracht zal geschieden. Voorts betoogt zij dat de vergunningsprocedures «wettelijk/decretaal [zijn] vastgesteld» en dat de burgemeester enkel heeft gehandeld in haar hoedanigheid van burgemeester, binnen de toepasselijke wettelijke en decretale bepalingen.

12.3. De tussenkomende partij voegt daar samengevat aan toe dat de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel het nemen van een beslissing niet onmogelijk mag maken, dat «wettelijk opgelegd» wordt dat het college van burgemeester en schepenen handelsvestigingsaanvragen behandelt en dat het convenant geen garanties geeft.

12.4. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat in het «handelsconvenant» wel degelijk harde engagementen worden geformuleerd, dat naar het convenant in de bestreden beslissing wordt verwezen en dat de afgifte van de vergunning «een vaststaande premisse was». De redenering dat de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel er niet toe mag leiden dat het nemen van een rechtmatige beslissing onmogelijk wordt gemaakt, is niet aan de orde, omdat de verwerende partij maar geen convenant had moeten sluiten. Het gegeven dat de verwerende partij de bevoegde instantie is om over de kwestieuze aanvraag te oordelen, geeft haar geen «immuniteit» tegen de toepassing van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen. Hetzelfde geldt voor de burgemeester van de stad Hasselt.

Beoordeling

13.1. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden dat de verwerende partij eigenaar is van het merendeel van de terreinen en gebouwen van het kwestieuze project, dat zij aan de tussenkomende partij een volmacht heeft gegeven tot het indienen van de verkavelingsaanvraag en vervolgens een verkavelingsvergunning en stedenbouwkundige vergunning voor het kwestieuze project heeft verleend, volstaan niet om te dezen een schending van de in het middel aangevoerde beginselen aan te nemen.

13.2.1. Dit geldt evenwel niet voor wat het «convenant met betrekking tot de realisatie van het parkeer-, woon-, winkel- en werkproject «H.» te Hasselt» betreft. Luidens dit convenant stelt de verwerende partij zich – samen met de tussenkomende partij en Unizo – «tot doel het Project H. te realiseren volgens de door de partijen gekende plannen in de periode 2014-18» en «engag[eert] zich om daartoe maximaal samen te werken en alle nodige en nuttige inspanningen te leveren».

13.2.2. De tussenkomende partij engageert zich met het convenant, onder meer, om voor het winkelgedeelte van het project K. een socio-economische vergunning aan te vragen, waarin onder andere de beperkingen worden opgenomen dat de totaal aan te vragen netto-handelsoppervlakte 21.699 m2 zal bedragen. Binnen deze oppervlakte worden «qua m2 mode-artikelen», «[m]aximum 6.000 m2 nettohandelsoppervlakte in modules kleiner dan 2.000 m2» en «[m]aximum 3.500 m2 nettohandelsoppervlakte in modules groter dan 2.000 m2» als beperkingen voorzien. Opgemerkt moet worden dat de kwestieuze aanvraag, overeenkomstig het engagement van de tussenkomende partij, effectief in een nettohandelsoppervlakte van 21.699 m2 voorziet en dat de nettohandelsoppervlakte, wat modeartikelen betreft, eveneens overeenkomstig dit engagement, 9.500 m2 bedraagt.

13.2.3. De verwerende partij van haar kant engageert zich – naast Unizo – «om deze socio-economische aanvraag te ondersteunen en waar nodig (o.a. Nationaal Sociaal-Economisch Comité en in voorkomend geval het Interministerieel Comité voor de Distributie en/of de Raad van State) te bevestigen dat deze aanvraag tot socio-economische vergunning met bovenvermelde beperkingen het resultaat is van uitgebreid voorafgaand overleg en in de visie van alle partijen voldoet aan de vereisten voor een complementair en kwalitatief en kernversterkend project dat zal bijdragen tot een grotere uitstraling van Hasselt als winkelstad».

13.2.4. De voormelde engagementen worden in het convenant «het resultaat» genoemd «van uitgebreid voorafgaand overleg van de eigenaar/projectontwikkelaar met het stadsbestuur en de vertegenwoordigers van de middenstandsorganisaties», en «bieden alle partijen de nodige garanties dat het project Kanaalkom zich niet alleen op het vlak van parkeergelegenheid en woongelegenheid als een vernieuwd stadsdeel zal verweven met de bestaande binnenstad, maar ook op commercieel vlak zich als complementair en kernversterkend project zal ontwikkelen dat op duurzame wijze zal bijdragen tot een grotere en kwalitatievere uitstraling van Hasselt als winkelstad».

13.3. Gelet in randnummers 13.2.3 en 13.2.4 beschreven verbintenissen die de verwerende partij in dit convenant heeft aangegaan en die de inhoud van de kwestieuze handelsvestigingsvergunning betreffen, valt niet in te zien hoe zij in alle objectiviteit, zonder vooringenomenheid en zonder gebonden te zijn door deze eerder aangegane overeenkomsten, de kwestieuze vergunningsaanvraag heeft kunnen beoordelen. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing tot stand gekomen is met schending van het onpartijdigheidsbeginsel.

13.4. De tussenkomende en de verwerende partij voeren terecht aan dat het onpartijdigheidsbeginsel geen toepassing kan vinden op een orgaan van actief bestuur, zoals te dezen het college van burgemeester en schepenen, indien die toepassing onverenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van dat bestuur, en de toepassing van dit beginsel het optreden van dit orgaan onmogelijk zou maken. Dit laatste blijkt in casu echter niet op te gaan. Weliswaar is het college van burgemeester en schepenen op grond van de artt. 5 en 8 van de Handelsvestigingenwet de bevoegde overheid om over de handelsvergunningsaanvraag te beslissen, maar de verwerende partij was er geenszins toe gehouden om het kwestieuze convenant te sluiten, noch toont zij aan of maakt zij aannemelijk dat zij niet eerst nog kon terugkomen op de in het convenant aangegane verbintenissen.

13.5. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 03/09/2017 - 13:26
Laatst aangepast op: zo, 03/09/2017 - 13:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.