-A +A

Overhangende takken en bovengrondse elektriciteitskabels

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Bree
Datum van de uitspraak: 
don, 05/06/2014

De netwerkbeheerder is gehouden om toezicht te houden op de groei van boomtakken in de nabijheid van zijn bovengrondse leidingen en dint bij risico  de eigenaar van de bomen op de hoogte te brengen zodat deze tot snoei of inkorting kan overgaan. Deze zienswijze van de wetgever is logisch, aangezien de plaatsing van elektriciteitsleidingen in de nabijheid van bomen niet zonder risico is en een bijzondere toezichtsplicht meebrengt voor de netwerkbeheerder. A

Van de netwerkbeheerder kan of mag verwacht worden dat zij controle of toezicht zou gaan houden op de begroeiing in de nabijheid van haar bovengronds leidingnet.

Een eigenaar van een perceel waarop bomen staan die schade hebben toegebracht aan elektrische ledingen kan slechts aansprakelijk gesteld wanneer deze eigenaar vooraf  op de hoogte zou zijn gebracht dat er een probleem zou geweest zijn inzake uitgroei van de beplanting. Zonder wettelijk bepaalde voorafgaande ingebrekestelling  kan de eigenaar van een perceel met bomen niet aansprakelijk worden gesteld voor schade veroorzaakt door zijn bomen aan de bovengrondse bekabeling van de netbeheerder.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1113
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

CVBA I.L. t/ Vlaams Gewest

I. De feiten en de rechtsgronden

Aanleggende partij voert aan schade te hebben geleden als gevolg van wrijving van takken van bomen, zich bevindend naast de Gewestweg N711 en eigendom van verwerende partij, tegen haar elektriciteitsleidingen.

Aanleggende partij acht verwerende partij aansprakelijk voor de schade op grond van art. 37 Veldwetboek, art. 1384, eerste lid BW, art. 544 BW en art. 1382-1383 BW en vordert bijgevolg na herleiding van de eis nog uitsluitend schadeloosstelling ten bedrage van 1.106,35 euro.

Verwerende partij concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

II. Beoordeling

1. Aansprakelijkheid op grond van art. 37 Veldwetboek

Art. 37 Veldwetboek bepaalt dat degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, deze nabuur kan noodzaken die takken af te snijden.

Verwerende partij werpt op dat enkel de nabuur een beroep kan doen op de bepalingen van art. 37 Veldwetboek en dat deze voorwaarde in casu niet vervuld is.

Algemeen wordt inderdaad aangenomen dat de term nabuur betekent dat degene die de sanctie wenst in te roepen een houder moet zijn van een zakelijk recht.

Niettegenstaande dit ingeroepen middel van verwerende partij, laat aanleggende partij na aan te tonen dat zij beschikt over een zakelijk recht, zoals het eigendomsrecht, vruchtgebruik, erfpachtrecht of opstalhouderschap.

Bovendien herformuleert art. 37 Veldwetboek in feite het gemeenrechtelijke systeem, nl. dat men de buur aanmaant om zelf de takken te verwijderen en dat, indien deze dit nalaat, men zich tot de rechtbank kan melden om hem hiertoe te doen veroordelen, waarbij overeenkomstig het gemene recht gevraagd kan worden een dwangsom op te leggen en/of zich te doen machtigen om bij het in gebreke blijven van de buur zelf op kosten van de buur tot verwijdering over te gaan (J. Kokelenberg, “Bomen bron van gezonde lucht en van ongezonde spanningen”, TBBR 2011, 373).

Verwerende partij merkt dan ook terecht op dat zij door aanleggende partij nooit in gebreke werd gesteld om over te gaan tot het afsnijden van de overhangende takken.

Aanleggende partij kan zich in casu m.a.w. niet op art. 37 Veldwetboek beroepen om zonder meer te concluderen tot de aansprakelijkheid van verwerende partij voor de geleden schade.

2. Aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW

Art. 1384, eerste lid BW bepaalt dat men aansprakelijk is voor de zaken die men onder zijn bewaring heeft. Deze bepaling schept geen vermoeden van fout maar wel een vermoeden van aansprakelijkheid (Cass. 2 september 1976, Arr.Cass. 1977, 6; Cass. 4 juni 2007, Pas. 2007, 1058; Cass. 26 september 2002, Pas. 2002, 1756).

Om de bewaarder van de zaak aansprakelijk te kunnen stellen, moet de derde-benadeelde, zijnde aanleggende partij, wel het bewijs leveren van een gebrekkige zaak en van het causaal verband van de gebrekkige zaak en de schade die aan de aangesprokene, zijnde verwerende partij, aanrekenbaar is omdat zij er de bewaarder van is (H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak: Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 2000-2008”, TPR 2011, p. 357, nr. 125).

Aanleggende partij toont in deze zaak niet aan dat de bomen van verwerende partij een abnormaal kenmerk zouden vertonen dat van aard is schade te veroorzaken. Bijgevolg is de aansprakelijkheid van verwerende partij op grond van art. 1384, eerste lid BW evenmin betrokken.

3. Burenhinder op grond van art. 544 BW

In de rechtspraak vindt men enkele toepassingen waarbij bovenmatige hinder veroorzaakt wordt aan elektriciteitsleidingen.

Zo oordeelden de rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel en de vrederechter te Roeselare dat er bovenmatige hinder is wanneer door het vallen van een tak een elektrische luchtleiding wordt beschadigd (Vred. Roeselare 1 februari 1985, Rechtspraak BFE 1986, 5; Rb. Nijvel 2 mei 1994, Iuvis 1994, 253).

Ook volgens het Hof van Beroep te Brussel had het gebrek aan snoei het evenwicht tussen de naburige erven verbroken nadat een boom was omgewaaid tegen een andere boom en er bij het opruimen door de brandweer een tak van de omgewaaide boom was terechtgekomen op de elektriciteitsleidingen (Brussel 11 april 1988, Res Jur. Imm. 1987, 79, nr. 6.115).

In het door verwerende partij voorgebrachte vonnis van het Vredegerecht te Dendermonde werd n.a.v. een soortgelijk schadegeval als onderhavig geding, geoordeeld dat de vordering op grond van art. 544 BW niet kon worden toegekend daar het in casu geenszins om twee naburige erven gaat (Vred. Dendermonde 29 december 1998, TGR 1999, 144). De vrederechter te Dendermonde oordeelt in dit vonnis dat een elektriciteitsmaatschappij de plicht heeft toezicht uit te oefenen op haar installaties, zelfs wanneer deze zich op het eigendom van een derde bevinden. Het is dus veeleer wegens een fout van het slachtoffer, nl. een gebrek aan toezicht, dat de vordering van de elektriciteitsmaatschappij wordt afgewezen. In die zin gelezen, besliste de vrederechter veeleer dat de bovenmatige hinder uitsluitend te wijten was aan een fout van het slachtoffer en de schadeverwekker dus niet compensatieplichtig is (aldus S. Stijns en H. Vuye, Burenhinder in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, V, Zakenrecht, Boek IV, Antwerpen, Story-Scientia, 2000, p. 426, nr. 244).

De rechtbank is in deze zaak ook van oordeel dat, inzoverre het evenwicht tussen beide naburige erven verstoord zou zijn geweest door de overhangende takken die op de elektrische leidingen zouden hebben geschuurd, deze bovenmatige hinder uitsluitend het gevolg was van de fout van aanleggende partij (zie onder punt 4).

4. Aansprakelijkheid op grond van art. 1382-1383 BW

Er is sprake van onrechtmatig handelen in de zin van art. 1382-1383 BW wanneer de schadeverwekker een norm schendt die een welbepaald gebod of verbod oplegt of wanneer hij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen heeft.

Art. 4.1.23 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 (BS 7 juli 2009) bepaalt onder “Afdeling X. Prerogatieven van de netbeheerder” (ingevoerd bij decreet van 16 maart 2012, art. 6, I):

Ҥ 1. De netbeheerders hebben als erfdienstbaarheid het recht:

...

3o boomtakken af te hakken die te dicht bij de bovengrondse elektrische lijnen komen en die kortsluitingen of schade aan de lijn zouden kunnen veroorzaken;

...

§ 5. Behalve in hoogdringende gevallen waarbij de veiligheid imminent in het gedrang komt, wordt het recht (...) boomtakken af te hakken, vermeld in § 1, 3o (...), afhankelijk gesteld van de expliciete weigering van de eigenaar of desgevallend de domeinbeheerder, pachter, huurder of een ander houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed om zelf binnen een redelijke termijn te kappen, in te korten of te rooien, of van het feit dat deze gedurende een maand het verzoek van de netbeheerder zonder gevolg heeft gelaten. In die gevallen kan de netbeheerder overgaan tot inkorten, afhakken of rooien op kosten van de eigenaar (...)”.

Art. 4.1.23 van het Energiedecreet herformuleert andermaal het gemeenrechtelijke systeem, nl. dat men de buur aanmaant om zelf de takken te verwijderen en dat, indien deze dit nalaat, de netbeheerder dit zelf mag doen op kosten van de eigenaar. Het is immers een algemeen rechtsbeginsel dat men vooraf in gebreke stelt (art. 1146 BW en Cass. 9 april 1976, RW 1976-77, 921), ongeacht of men uitvoering in natura eist dan wel vervangende of bijkomende schadevergoeding (Cass. 4 september 1975, RW 1975-76, 1561).

Aanleggende partij had weliswaar geen snoeiplicht (Brussel 29 april 1999, Iuvis 2000, 1212), maar wel de verplichting om de eigenaar van de bomen met de overhangende takken vooraf in gebreke te stellen en te verzoeken de takken in te korten.

Overeenkomstig art. 4.1.23 van het Energiedecreet had aanleggende partij het recht om – bij spoedeisendheid zonder voorafgaande ingebrekestelling, maar daarvan is in casu geen sprake – zelf de takken te snoeien na verwerende partij vooraf in gebreke te hebben gesteld, wat zij heeft nagelaten te doen (zie idem onder punt 1).

Uit de lezing van voormelde bepalingen van het Energiedecreet dient noodzakelijkerwijze besloten te worden dat de decreetgever duidelijk de mening is toegedaan dat het de plicht van de netwerkbeheerder is om toezicht te houden op de groei van boomtakken in de nabijheid van zijn bovengrondse leidingen en dat hij in voorkomend geval de eigenaar van de bomen ervan op de hoogte brengt dat deze tot snoei of inkorting dient over te gaan. Deze zienswijze van de wetgever is logisch, aangezien de plaatsing van elektriciteitsleidingen in de nabijheid van bomen niet zonder risico is en een bijzondere toezichtsplicht meebrengt voor de netwerkbeheerder. Aanleggende partij betoogt dan ook ten onrechte dat van haar niet kan of mag verwacht worden dat zij controle of toezicht zou gaan houden op de begroeiing in de nabijheid van haar bovengronds leidingnet.

Aanleggende partij toont niet eens aan dat verwerende partij op de hoogte zou zijn geweest van de aanwezigheid van de bovengrondse elektriciteitsleidingen in de nabijheid van haar bomen, laat staan dat zij ooit op de hoogte zou zijn gebracht dat er een probleem zou geweest zijn inzake uitgroei van de beplanting. Bijgevolg kan verwerende partij – zonder wettelijk bepaalde voorafgaande ingebrekestelling – ook niet aansprakelijk worden gesteld voor onderhavig schadegeval.

Nu aanleggende partij – minstens impliciet – erkent dat zij geen (voldoende) toezicht heeft gehouden op de groei van de takken in de omgeving van haar bovengrondse leidingen enerzijds en zij evenmin overeenkomstig art. 4.1.23 Energiedecreet is overgegaan tot aanmaning van verwerende partij, kan zij wegens deze eigen dubbele nalatigheid geen schadeloosstelling verkrijgen van verwerende partij.

Noot: 

Vredegerecht te Torhout, 23 november 2010, RW 2012-2013, 909

samenvatting

Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand worden geplant; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter van de scheidingslijn worden geplant. De vordering tot rooiing kan worden afgewezen bij het bewijs van een dertigjarige verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid om dichter bij de scheidingslijn te planten of bij bewijs van verkrijging van een dergelijke erfdienstbaarheid door bestemming door de huisvader, voorafgaandelijk aan het splitsen van de beide percelen. Het recht om beplantingen op minder dan de wettelijke afstand te behouden ingevolge bezit gedurende dertig jaar, doet het recht om de beplanting te snoeien tot aan de perceelgrens niet tenietgaan.

Tekst vonnis

V.N. en T. t/ D.M.R.

...

II. Vorderingen van partijen

1. Bij het inleidend exploot werd volgende vordering gesteld:

– verweerster te veroordelen tot rooiing van de zes bomen die zich langsheen de grens met het perceel van eisers bevinden, binnen een maand na betekening van het te vellen vonnis; eisers te machtigen om de nodige rooiingswerken zelf te laten uitvoeren door een door hen aan te wijzen aannemer op kosten van verweerster, voor zover verweerster nalaat om voormelde rooiing tijdig uit te voeren;

– verweerster te veroordelen tot het verwijderen van haar honden uit de tuin van eisers, binnen vierentwintig uur na betekening van het te vellen vonnis, op straffe van een dwangsom van 50 euro per dag vertraging;

– verweerster te veroordelen in betaling aan eisers van een schadevergoeding ten bedrage van 1.000 euro;

...

3. Verweerster betwist de vordering om de redenen die hierna worden weergegeven en ontmoet.

III. Feiten en voorafgaande gegevens

1. Gegevens betreffende het perceel van eisers:

– aankoopakte: notariële akte van 9 november 1982

– kopers: eiser alleen

– verkopers: M.V.

– kadastrale gegevens:

Stad Torhout, 2e afdeling R Vstraat, perceel bouwgrond

sectie D, deel nummer 957/V

oppervlakte: 35 aren 58 centiaren

– wijziging huwelijksvermogensstelsel: notariële akte van 17 februari 1988: inbreng van bovenvermeld onroerend goed in het gemeenschappelijk vermogen

– akte afstand-verdeling van 16 februari 1982: voormeld onroerend goed werd toebedeeld aan mevrouw Magdalena V.

2. Gegevens betreffende het perceel van verweerster:

– aankoopakte: notariële akte van 11 september 2000

– kopers: verweerster alleen

– verkopers: V.B. Hans

– kadastrale gegevens:

Stad Torhout, 2e afdeling, woonhuis met bijgebouwen en grond

sectie D, nummer 957/H/2

oppervlakte: 27 aren 20 centiaren

– eigendomsoorsprong:

akte afstand-verdeling van 16 februari 1982: voormeld onroerend goed werd toebedeeld aan de heer Marcel V.

proces-verbaal van definitieve toewijzing van 21 mei 2000: toegewezen aan voormelde verkoper.

3. Proces-verbaal van minnelijke schikking van 27 februari 2001 tussen dezelfde partijen: akkoord van verweerster om de overhangende takken van de bomen te snoeien tegen einde maart 2001.

4. Ingebrekestellingen:

– brief van 5 januari 2007, uitgaande van eisers: verzoek tot uitvoering van snoeiwerken tegen einde januari 2007;

– brief van 17 juni 2009, uitgaande van eisers: verzoek tot beëindiging van geluidshinder door verplaatsing van het hondenpark.

5. Strafinformatie opgesteld door de lokale politie Kouter. Melding door het parket te Brugge van de seponering van de zaak.

6. Onderzoeksmaatregelen:

– tussenvonnis van 27 oktober 2009 met bevel tot plaatsopneming;

– proces-verbaal van plaatsopneming van 8 december 2009:

“in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden doen wij volgende vaststellingen:

“In de voortuin van verweerster staat een grote hondenren langs de zijde van de eigendom van eisers.

“De hond is niet aanwezig. Verweerster verklaart dat de kwestige hond een Rottweiler betreft die zij reeds een acht- à negental jaar heeft. Ze beweert dat de hond slechts gedurende drie dagen in de week op dit erf verblijft. De overige tijd zou hij bij haar verblijven op een ander adres.

“Eisers betwisten dit en zeggen dat de hond er minstens vier dagen in de week verblijft. Ze beklagen er zich over dat de hond overmatig blaft, zowel tijdens de dag als ’s nachts en op alles en nog wat reageert (voorbijrijdende fietsers, joggers ...). Ze zouden de politie reeds ’s nachts hebben opgebeld vanwege het lawaai.

“Verweerster ontkent het storend geblaf en zegt dat de hond enkel blaft als er iemand in de nabijheid komt.

“Bij meting stellen wij vast dat de afstand van de hondenren tot aan de scheidingsgrens 4,10 m bedraagt. De afstand van de livingmuur van de eigendom van eisers tot aan de grensscheiding is ongeveer 5 meter.

“De ren staat ter hoogte van de woning van eisers op ongeveer 3 meter diep van de living en 5 meter van het terras.

“De tuin van verweerster strekt zich uit over een grote oppervlakte. Achteraan de tuin is een strook grond afgezet met draad op een 34-tal meter gemeten van de achterzijde van de woning. Het betreft een droge strook grond met wat bomen en struiken. In de gracht achter deze strook grond staat water; deze gracht is duidelijk niet onderhouden

“Verweerster beklaagt zich over wateroverlast in het achterste gedeelte van haar tuin. Eisers voeren aan dat deze gracht achter de eigendom van verweerders er oorspronkelijk niet lag en destijds door verweerster zelf werd gedolven en sedert jaren niet wordt onderhouden. Verweerster ontkent dit.

“Eisers beweren de steeds bestaande gracht tegenaan de grensscheiding te onderhouden en dat deze niet de oorzaak is van wateroverlast. De buis wordt onderzocht; ze is slijkvrij.

“Wij stellen vast dat, niettegenstaande de grote regenval van de laatste dagen, het achterste gedeelte van de tuin van verweerster niet drassig ligt.

“Voorts wordt vastgesteld dat diverse hoogstammige bomen zich bevinden op minder dan twee meter van de scheidingsgrens. Het betreft zes bomen en een paar vlinderstruiken.

“Bij afstapping vanaf de straatzijde meten wij op ongeveer 28 een eerste boom, een tweede op 32 meter, een derde op 34 meter, een vierde op 36 m, een vijfde op 37,50 m en een zesde op 39 meter. Deze laatste boom bevindt zich helemaal tegen de grensscheiding.

“Het betreft met uitzondering van één boom allemaal elzen. De grote boom (Canadese populier) vooraan is naar alle waarschijnlijkheid meer dan dertig jaar oud. Eisers vorderen dan ook niet verder meer dat deze boom gerooid wordt.

“Verweerster voert aan dat eisers geen bewijs leveren dat haar hond voor lawaai- en burenhinder zorgt en is voorlopig niet bereid in te gaan op ons voorstel om de hondenren te verplaatsen in een ander gedeelte van de tuin op die wijze dat de buren niet meer gestoord worden”.

IV. Beoordeling

...

B. Rooien van bomen

1. Eisers vorderen de rooiing van de zes bomen die zich langsheen de grens met hun perceel bevinden op grond van art. 35 Veldwetboek, dat bepaalt: “Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant”.

2. Voor de bomen, waarover de vordering gaat, bestaat geen vast en erkend gebruik in het kanton. In principe geldt aldus de 2m-regel.

3. Verweerster beroept zich op art. 692 en 694 BW om de vordering te doen afwijzen. De percelen waarover het geding loopt, zouden vroeger hebben toebehoord aan één en dezelfde eigenaar, namelijk de ouders van V. Marcel. De bomenrij zou reeds in mei 1982 aanwezig zijn geweest toen de verkavelde percelen werden verdeeld.

4. Wanneer een eigenaar van een stuk grond daarop een rij bomen plant en daarna overgaat tot splitsing van dit perceel waarbij een kavel ervan onmiddellijk paalt aan de rij bomen, kan de eigenaar die deze kavel aankoopt de rooiing van die rij bomen niet vorderen wegens de vestiging van erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

5. Uit volgende elementen wil verweerster het bewijs halen van de vestiging van een dergelijke erfdienstbaarheid:

– verweerster zelf heeft geen enkele boom van deze bomenrij aangeplant;

– de aanwezigheid van de bomenrij is een zichtbaar teken van erfdienstbaarheid onder verwijzing naar art. 694 BW;

– de door eiser opgestelde verklaring van 15 augustus 1982;

– de vermelding in de eigendomstitel van eisers dat de bestaande erfdienstbaarheden zouden worden geëerbiedigd en zullen worden opgelegd aan al zijn erfgenamen en rechthebbenden in welke hoedanigheid ook.

6. De percelen van de partijen behoorden destijds inderdaad toe in grotere oppervlakte en in één geheel aan de echtgenoten J.V.-M. Deze waren de ouders van de rechtsvoorgangers van beide partijen. Jules V. overleed op 26 februari 1964 en zijn echtgenote op 19 januari 1981. Samen met hun broer Henri werden zij ingevolge erfopvolging onverdeelde eigenaars van het geheel.

7. Er werd een verkavelingsplan opgesteld dat echt werd verklaard op 18 juni 1981 door de landmeter. Bij de daaropvolgende akte van verkaveling en verdeling van 16 februari 1982 werd het perceel, thans eigendom van eisers, toebedeeld aan hun verkoopster Magdalena V. Het perceel, thans eigendom van verweerster, werd toebedeeld aan Marcel V.

8. Magdalena V. ging snel over tot verkoop van het haar toebedeelde onroerend goed, namelijk op 9 november 1982 aan eiser, destijds alleen.

9. Merkwaardig genoeg dateert de door verweerster voorgelegde verklaring van eiser, opgenomen in het document van 15 augustus 1982, van vóór de verkoping van het perceel. Eiser was derhalve op dat ogenblik nog geen eigenaar, althans wordt daarvan geen bewijs voorgelegd. Wellicht was hij wel de kandidaat-koper, omdat zijn naam al vermeld staat op het verkavelingsplan. In de eigendomstitel van eiser van 9 november 1982 is vermeld onder de algemene voorwaarden dat hij er de eigendom, het genot en het vrij gebruik vanaf dat ogenblik van had.

10. Eiser heeft aldus deze verklaring afgelegd op een ogenblik dat hij nog geen eigenaar was. Dit document kan dan ook niet als bewijs dienen van de vestiging van een conventionele erfdienstbaarheid, omdat hij toen nog geen eigenaar was. Evenmin kan het tot bewijs dienen van het verlenen of het erkennen van een recht waarover hij op dat ogenblik nog niet beschikte of kon beschikken, zelfs geen persoonlijk recht (L. Lindemans, Erfdienstbaarheden in APR, Brussel, Larcier, 1958, p. 218, nrs. 480 e.v.; G. Blockx, “Erfdienstbaarheden. Vestiging van erfdienstbaarheden” in P. Hamelink en G. Blockx, Erfdienstbaarheden: algemene leer en erfdienstbaarheden door ’s mensens toedoen in Onroerend goed in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, losbladig, I.M.6 – 1, nr. 1). De enige die op dat ogenblik een recht had kunnen verschaffen aan de rechtsvoorganger van verweerster, was de rechtsvoorgangster van eiser, namelijk Magdalena V.

11. Voorts wil verweerster uit de loutere aanwezigheid van de bomenrij in augustus 1982 langsheen de grensscheiding met het perceel van eisers het bewijs halen dat deze bomenrij er reeds zou zijn geweest toen beide percelen nog in één hand verenigd waren en eigendom waren van de erfgenamen V. in onverdeeldheid of van de rechtsvoorgangers van deze erfgenamen.

12. Voor deze bewering wordt geen enkel bewijselement voorgebracht. Daarentegen zien wij op het verkavelingsplan dat de percelen van partijen gescheiden werden door een gracht. Er is geen enkele aanduiding van aangeplante bomen. Het bewijs moet immers worden geleverd dat de gemeenschappelijke eigenaar die toestand heeft geschapen of wanneer de erfgenamen mede-eigenaars deze toestand voor hun rekening hebben overgenomen. De toestand moet aldus worden beoordeeld vanuit het standpunt van de onverdeelde erfgenamen V., hoe zij het gezamenlijk blok hebben geërfd en behouden tot de splitsing.

13. Het moet voorts bewezen zijn dat deze toestand bestond bij de scheiding van de erven. Dit is aldus op het ogenblik van de akte verkaveling-verdeling van 16 februari 1982.

14. Magdalena V. was één van de mede-eigenaars bij de splitsing. Zij was er aldus perfect van op de hoogte hoe de toestand toen was en uiteraard ook bij de verkoop die zeer snel volgde op de splitsing. Bovendien werd zij ook mede-erfgenaam van de nalatenschap van haar broer Marcel op het ogenblik van diens overlijden op 20 februari 2000. Toch laat zij in de verkoopakte met eiser van 9 november 1982 opnemen dat bij haar weten geen enkele erfdienstbaarheid het verkochte goed bezwaarde, behalve die welke zouden kunnen voortvloeien uit de akte zelf of uit vroegere titels waarvan sprake in de oorsprong van eigendom. Noch in de verkoopakte, noch in de titels vermeld in de oorsprong van eigendom is sprake van enige erfdienstbaarheid. De clausule in notariële akten waarin gemeld wordt dat het goed verkocht wordt met alle heersende en lijdende, voortdurende en niet-voortdurende, zichtbare en onzichtbare erfdienstbaarheden kan enkel worden beschouwd als een stijlclausule die niets zegt over het werkelijk bestaan van een of andere erfdienstbaarheid.

15. Het document met de verklaring van eiser van 15 augustus 1982 werd opgesteld een zestal maanden na de verdeling van de eigendom van de rechtsvoorgangers van Marcel V. Aan te nemen is dat juist deze laatste de bomen langs de scheidingsgrens heeft geplant. Dit kan ook worden afgeleid uit het door verweerster aangevoerde middel van de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader. Daaruit mag de erkenning door verweerster worden afgeleid dat de bomen zoals ook beschreven in de plaatsopneming daar nog geen dertig jaar staan. Mocht dit wel het geval zijn geweest, dan had verweerster zich simpelweg kunnen beroepen op de dertigjarige verjaring. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de mede-eigenaars deze bomen zelf zouden hebben aangeplant, gelet op de snelle verkaveling-verdeling na het overlijden van hun moeder in 1981.

16. Overigens wordt geen enkel bewijs aangedragen van de aanwezigheid van de bomen op het ogenblik van de scheiding van de percelen. Aldus zijn de voorwaarden niet vervuld voor de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

17. Bijgevolg kan men zich ook niet beroepen op art. 694 BW. In dat geval gaat het trouwens om een vroeger bestaande zichtbare erfdienstbaarheid, die tijdelijk niet meer werd uitgeoefend doordat de beide erven in handen van dezelfde eigenaar zijn gekomen, maar die herleefde vanaf de dag dat die eigenaar over één van die erven beschikt zonder hierover in de akte van vervreemding iets te bedingen (Cass. 9 noember 1905, Pas. 1906, I, 44; Cass. 29 juni 1905, Pas. 1905, I, 276). In deze zaak gaat het niet om een dergelijk geval.

18. De rechtbank komt dan ook tot het besluit dat de bomen zoals vermeld in het proces-verbaal van plaatsopneming van 8 december 2009 na de scheiding-deling en in strijd met art. 37 Veldwetboek werden aangeplant, dus minder dan 2 m van de scheidingsgrens. De vordering tot de rooiing van deze zes bomen is dan ook gegrond.

C. Snoeien overhangende takken Canadese populier

1. Eisers vorderen de rooiing van deze boom niet, maar wel het snoeien van de overhangende takken ervan.

2. In art. 37 Veldwetboek wordt bepaald:

“Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden.

“Vruchten die vanzelf op het eigendom van de nabuur vallen, behoren de nabuur toe. Degene op wiens erf wortels doorschieten, mag ze aldaar zelf weghakken.

“Het recht om de wortels weg te hakken of de takken te doen afsnijden verjaart niet”.

3. Ter plaatse hebben we inderdaad moeten vaststellen dat de takken van de populier overhingen op het perceel van eisers.

4. Het recht om beplantingen op minder dan de wettelijke afstand te behouden, ingevolge bezit gedurende dertig jaar, doet de rechten bepaald in art. 37 Veldwetboek niet tenietgaan (H. Bocken, I. Traest en L. De Jager, Bomen in het recht, Gent, Kluwer – Story-Scientia, 1992, p. 68, nr. 102; R. Derine, F. Van Neste en H. Vandenberghe, Zakenrecht in Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, Deel I, B, Antwerpen, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1974, p. 609 e.v., nr. 338). Aldus zijn eisers gerechtigd het snoeien van de boom te vorderen, zelfs al brengt dat mee dat een deel van de kruin van de boom flink moet worden ingekort en dit tot tegen de grensscheiding.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 12/03/2015 - 13:01
Laatst aangepast op: di, 12/09/2017 - 08:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.