-A +A

Overgang onderneming bij betwisting dient werknemer onregelmatige beëindiging van arbeidscontract inroepen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 06/05/2014
A.R.: 
18/07/2013

Wanneer een werknemer protesteert  tegen de overgang van de onderneming is hij verplicht om daarbij ook de onregelmatige beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst in te roepen

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/13
Pagina: 
906
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
1. Op basis van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd d.d. 7 oktober 2003 trad mevrouw V.B. op 13 oktober 2003 als secretaresse in dienst van het advocatenkantoor L(1). De anciënniteit die ze sinds 16 april 1982 had verworven bij het advocatenkantoor S. werd overgenomen.

Bij het advocatenkantoor S. verzorgde zij het secretariaat van advocaat M. die dat kantoor in oktober 2003 verliet en overstapte naar L(1). Behalve mevrouw V.B. volgden nog 2 medewerksters en een andere secretaresse mr. M.

In mei 2006 deelde mr. M. mee dat zij L(1) opnieuw zou verlaten om het advocatenkantoor L(2) te gaan vervoegen (nu L(3) en verder als dusdanig aangeduid).

2. Met deurwaardersexploot dat op 30 juni 2006 aan mevrouw V.B. werd betekend, zegde L(1) de arbeidsovereenkomst met mevrouw V.B. op, met een te presteren opzeggingstermijn van 19 maanden die inging op 1 juli 2006.

Mevrouw V.B. liet op 4 juli 2006 weten dat de opzeggingstermijn te kort was en maakte aanspraak op een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon.

Partijen voerden over dit punt een procedure, die beslecht werd door een arrest van het arbeidshof te Brussel van 6 januari 2009, waardoor haar de gevraagde aanvullende opzeggingsvergoeding van 6 maanden werd toegekend. In deze procedure werd tevens vastgesteld dat er geen overgang van onderneming plaats vond tussen L(1) en L(3), zoals door L(1) werd voorgehouden.

3. Vanaf 14 juli 2006 was mevrouw V.B. ziek en ze is dit tot 7 maart 2011 gebleven.

4. Bij brief van 9 oktober 2006 had L(1) aan mevrouw V.B. meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst overgedragen werd aan het advocatenkantoor L(3), gelet op de overgang van het volledige team van mr. M. vanaf 15 oktober 2006; gelet op de beweerde overgang van onderneming werd ze na vrijdag 13 oktober 2006 luidens de brief niet meer beschouwd als werknemer van L(1), maar wel van L(3).

Op dezelfde datum schreef L(1) aan L(3) dat, aangezien mr. M. samen met haar team overging, de 2 secretaresses, mevrouw V.B. en mevrouw B. overgedragen werden in overeenstemming met CAO 32 bis.

Vanaf dan stuurde L(1) de doktersattesten die zij van mevrouw V.B. ontving terug met verzoek deze aan haar nieuwe werkgever L(3) te richten. Uit voorzorg stuurde mevrouw V.B. van dan af haar doktersattesten naar beide advocatenkantoren. Het attest voor de maanden maart en april 2009 werd in overeenstemming met het arrest van het arbeidshof van 6 januari 2009 naar L(1) gezonden en dit werd voort herhaald voor de verder durende periode van arbeidsongeschiktheid.

5. Bij de overmaking van het medisch attest van januari 2011 met brief van 23 december 2010 vroeg de raadsman van mevrouw V.B. aan L(1) om, in de mate dat de arbeidstaken konden hervat worden, aan te geven hoe de resterende opzeggingstermijn kon worden aangezuiverd, ook rekening houdend met de ontmanteling van het kantoor in het kader van de vereffening.

De raadsman van L(1) antwoordde hierop dat het onnodig was om verder dokters­attesten op te zenden, want dat de arbeidsrelaties op 15 oktober 2006 verbroken waren, zodat de opzeggingstermijn op die dag een einde nam.

In een antwoordbrief van 5 januari 2011 wees de raadsman van mevrouw V.B. erop dat L(1) steeds het standpunt had ingenomen dat er een overgang van onderneming was. Gelet op de beslissingen van arbeidsrechtbank en arbeidshof werd bevestiging gevraagd van de beslissing dat er een definitief ontslag zou zijn.

De raadsman van L(1) bevestigde op 6 januari 2011 de beëindiging op 15 oktober 2006.

De raadsman van mevrouw V.B. vroeg dan bij brief van 10 januari 2011 betaling van de compenserende opzeggingsvergoeding van 19 maanden of 51.935,61 EUR, vakantiegeld en overurenloon.

Bij brief van 18 januari 2011 wees de raadsman van L(1) deze vordering af wegens verjaring.

Hiermee werd niet ingestemd, omdat L(1) volgens de raadsman van mevrouw V.B. in 2006 nooit een ontslaghandeling had gesteld en er volgde verder nog briefwisseling over de afgifte van de sociale documenten.

6. Hierdoor kwamen partijen niet tot een oplossing, zodat mevrouw V.B. op 23 maart 2011 L(1) dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding van 51.935,61 EUR, vermeerderd met interesten en in afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

7. Bij vonnis van 22 november 2012 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard wat betreft de gevraagde opzeggingsvergoeding. L(1) werd ook veroordeeld tot afgifte van een C4-formulier met 6 januari 2011 als ontslagdatum. Er werd geen dwangsom toegekend.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 13 februari 2013, tekende L(1) hoger beroep aan en vroeg dat de vordering onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard wegens verjaring.

Mevrouw V.B. tekende incidenteel beroep aan en ze hernam haar vorderingen m.b.t. de sociale documenten, waarbij ze aandrong op een dwangsom.

II. BEOORDELING
1. Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. Dit wordt overigens niet betwist. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

Het einde van de arbeidsovereenkomst en de verjaring
2. Het ontslag is de handeling waarbij een partij aan de andere partij ter kennis brengt dat ze besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen (Cass. 11 mei 1981, RW 1981-82, 2837; Cass. 18 december 1989, TSR 1990, 22; Cass. 14 oktober 2002, JTT 2003, 109; Cass. 19 mei 2008, JTT 2008, 394, RABG 2009, 157 met noot V. Dooms).

Opdat er sprake kan zijn van ontslag, is het essentieel dat de gedraging of de rechtshandeling getuigt van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen (W. Van Eeckhoutte, A. Taghon en S. Vanoverbeke, “Overzicht van rechtspraak. Arbeidsovereenkomsten (1988-2005)”, TPR, 2006/1, 379, nr. 258; W. Rauws, “De nietigheid in het arbeidsovereenkomstenrecht” in M. Rigaux (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht, 2, Antwerpen, Kluwer, 1987, 404, nr. 524; Arbh. Brussel 19 mei 2008, JTT 2008, 394, met noot K. Salomez, bevestigd door Cass. 19 mei 2008).

In het cassatiearrest van 19 mei 2008 werd de situatie beoordeeld van een werkgever die zich ten onrechte op overmacht had beroepen. Geoordeeld werd dat zijn vaststelling dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens overmacht niet gelijk te stellen is met een ontslag, maar dat bij betwisting van de overmacht het aan de werknemer staat om de eenzijdige onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst vast te stellen, bij gebrek waaraan de arbeidsovereenkomst in beginsel blijft voortbestaan.

3. L(1) beroept zich ten onrechte op haar brief van 9 oktober 2006 als expliciete ontslaghandeling.

In deze brief werd verkeerdelijk de overgang van onderneming naar L(3) voorgewend om te poneren dat de arbeidsovereenkomst automatisch omgezet werd in een contractuele arbeidsrelatie met L(2) (L(3)). Slechts in die zin werd vermeld dat mevrouw V.B. vanaf 13 oktober 2006 geen werknemer meer was van L(1), maar van de beweerde overnemer, wat volgt uit de bewoordingen “(...) gelet op het voorgaande- bijgevolg (...)”.

4. In het definitieve arrest van het arbeidshof te Brussel van 6 januari 2009 werd de thesis van de overgang verworpen en werd aan mevrouw V.B. een aanvullende opzeggingsvergoeding toegekend.

Indien er geen wijziging is van de werkgever op grond van de CAO 32 bis, dan treedt er in de relatie met de bestaande werkgever geen enkele verandering op (C. Engels, “Outsourcing, de individuele en collectieve rechten van de werknemers bij overgang van onderneming”, JTT 1999, 130, nr. 2.1.1).

5. Mevrouw V.B. heeft de overgang van onderneming betwist en heeft daarbij de eenzijdige onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door L(1) nooit ingeroepen, waardoor de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan.

Ze is zich consequent als dusdanig blijven gedragen door stipt de medische attesten aan L(1) over te maken en bij haar nakende terugkeer te informeren naar de wijze van uitoefenen van de opzegging.

6. Vervolgens heeft L(1) bij brieven van 4 en 6 januari 2011 ondubbelzinnig en uitdrukkelijk de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en van de lopende opzegging bevestigd; mevrouw V.B. beroept zich op dit ontslag.

Hierdoor heeft L(1) de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigd, zodat mevrouw V.B. terecht aanspraak maakt op de compenserende opzeggingsvergoeding, waarvan de becijfering niet wordt betwist.

Gelet op de dagvaarding van 23 maart 2011 binnen het jaar na deze beëindiging, is de vordering dan ook niet verjaard.

De overige argumenten van L(1) kunnen daaraan geen afbreuk doen.

Het hoger beroep is ongegrond.

De sociale documenten
7. Zoals de eerste rechter terecht aanstipt, heeft mevrouw V.B. recht op de overeenstemmende sociale en fiscale documenten, wat echter niet in het beschikkende gedeelte van het vonnis werd opgenomen. Voor dit onderdeel is het incidenteel beroep gegrond.

Tevens heeft de eerste rechter terecht gepreciseerd dat op het C4-formulier de juiste ontslagdatum van 6 januari 2011 diende te worden vermeld.

Uit de briefwisseling tussen de raadslieden blijkt dat L(1) zich bereid verklaarde om het C4-formulier af te leveren, zodat kan aangenomen worden dat de sociale administratie op correcte wijze wordt afgehandeld.

In die zin heeft de eerste rechter terecht gesteld dat geen veroordeling onder een verbeurte van een dwangsom diende te worden uitgesproken.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis met volgende toevoeging.

Veroordeelt de CVBA L(1) in vereffening om aan mevrouw V.B. de met de toegekende opzeggingsvergoeding overeenstemmende sociale en fiscale documenten af te leveren.

Veroordeelt de CVBA L(1) tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze belopend aan de zijde van mevrouw V.B.:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 2.750 EUR.

Noot: 

De Ganck C. "Begrip Overgang van een onderneming RABG 2014/13 p.910

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/11/2016 - 15:43
Laatst aangepast op: vr, 25/11/2016 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.