-A +A

Overeenkomst kan tot stand komen door een (aanvaarde) pro forma factuur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
vri, 24/03/2017
A.R.: 
152243

Wanneer onontbeerlijke elementen voor het sluiten van het contract niet zijn opgenomen in de wilsuiting of de wil van de aanbieder ontbreekt om zich te verbinden zodra aanvaarding plaatsheeft, gaat het niet om een aanbod doch om een voorstel.

Een factuur kan slechts een al bestaande overeenkomst bevestigen en kan geen overeenkomst in het leven roepen en al evenmin op een overeenkomst kan vooruitlopen.

Op deze onmogelijkheid bestaat één uitzondering: de pro forma-factuur.

De pro forma-factuur moet worden opgevat als een aanbod, waardoor de leverancier alle gegevens betreffende de toekomstige overeenkomst aan de potentiële cliënt (SIC) ter kennis brengt. "

Een overeenkomst komt tot stand door het ontmoeten van wederzijdse wilsuitingen.

Klassiek gebeurt dit door het formuleren van een aanbod waarop een aanvaarding door de tegenpartij volgt, of juist niet.

Dit proces hoeft - behoudens wettelijke uitzondering - niet schriftelijk plaats te vinden maar het opmaken van een geschrift is van belang voor het bewijs van het bestaan en de draagwijdte van de overeenkomst wanneer er een geschil zou rijzen. Een verbintenis met een waarde van méér dan 375,00 EUR kan in beginsel alleen bij geschrift bewezen worden.

Het is niet omdat een wil werd geuit dat een wilsuiting werd waargenomen en omgekeerd is het niet omdat een wilsuiting werd waargenomen dat ook daadwerkelijk een wil werd geuit. Dit laatste stelt de problematiek van de vertrouwensleer als bron van verbintenissen scherp.7

Een contract kan zelfs "geruisloos" tot stand komen, wat inhoudt dat "[ ... ] partijen zonder het uitdrukkelijk te zeggen en zonder er zich steeds rekenschap van te geven, het gebied van de contractuele binding betreden.

Het is niet nodig dat partijen over alle elementen een definitief akkoord hebben om van een volkomen of volwaardige overeenkomst te spreken.

Vervolgens slaan wil en wilsverklaring en het daardoor gewekte vertrouwen niet op alle aspecten van de contractuele relatie die erdoor in het leven wordt geroepen. Vaak zullen partijen, zeker in het dagelijkse ruilverkeer, alleen de hoofdzaken voor ogen hebben en zullen zij heel wat punten bewust of onbewust [ ... ] onbesproken laten. Niettemin komt dan een overeenkomst tot stand waaruit moge blijken dat het uiteindelijk de wet is die de overeenkomst bindende kracht geeft

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017/10
Pagina: 
579
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Il Situering van het geschil: feitelijke voorgaanden en standpunten van partijen

2.1 FENTRIS is fabrikant en aannemer in raam- en deurwerk.

D.-D. hebben FENTRIS gecontacteerd aangaande de plaatsing van raamwerk in het op te trekken gebouw te Erpe-Mere, "(. .. )".1

2.2 Dit contact resulteert in een document dat FENTRIS en D.-D. bespreken.

1. Stukken 1 en 9 bundel FENTRIS; stuk 1 bundel D.-D.

De eerste alinea van dit document luidt als volgt:

"Wij danken u voor uw belangstelling in onze organisatie en onze producten en hebben het genoegen U, vrijblijvend onderstaande aanbieding over te maken:"?

Aan het einde van dit document bevinden zich volgende vermeldingen:

"Betalingsvoorwaarden

40 % voorschot bij ondertekening contract, na ontvangst voorschotfaktuur.

50 % uiterlijk 3 dagen voor plaatsing 10 % na plaatsing

Voor akkoord Voor akkoord

Fentris nv De Klant

Naam: [handgeschreven: B.O.] Naam: .

[handtekening}

[handgeschreven:

Alle bovenvermelde met inbegrip van 3 dubbel glas 0.7 KW/ m2 voor de som: 35 000 €+BTW Opmeten week 22/04/2014 Plaatsen vóór 15 juni 2014

Met inbegrip van opspuiten met silicone buitenzijde [handtekening}"3

2.2 Op 30 april 2014 verzendt FENTRIS haar voorschotfactuur."

D. betwist deze factuur quasi onmiddellijk, na ongeveer een week, stellende dat geen overeenkomst tot stand gekomen is. 5

2.3 D.-D. vertrouwen de werf uiteindelijk toe aan een derde.

2.4 In maart 2015 stelt FENTRIS D.-D. in gebreke bij tussenkomst van haar raadsman. D.-D. volharden in hun protest. FENTRIS legt de zaak voor aan deze rechtbank.

( ... )

In ondergeschikte orde de vordering van eiseres ontvankelijk te verklaren, doch als ongegrond af te wijzen.

In meest ondergeschikte orde de vergoeding te beperken tot 5 % van de offerteprijs. De vordering tot het betalen van BTW op deze offerteprijs (SIC) af te wijzen als ongegrond. Eiseres te vooroordelen (SIC) tot de kosten, langs zijde van concluanten begroot op 1.210,00 euro rechtsplegingsvergoeding."

IV Gronden van het vonnis

IV.1 Ontvankelijkheid van de vorderingen

( ... )6

IV.2 Gegrondheid van de vorderingen IV:2.A Algemene overwegingen

4.10 Een overeenkomst komt tot stand door het ontmoeten van wederzijdse wilsuitingen.

Klassiek gebeurt dit door het formuleren van een aanbod waarop een aanvaarding door de tegenpartij volgt, of juist niet.

Dit proces hoeft - behoudens wettelijke uitzondering - niet schriftelijk plaats te vinden maar het opmaken van een geschrift is van belang voor het bewijs van het bestaan en de draagwijdte van de overeenkomst wanneer er een geschil zou rijzen. Een verbintenis met een waarde van méér dan 375,00 EUR kan in beginsel alleen bij geschrift bewezen worden.

Het is niet omdat een wil werd geuit dat een wilsuiting werd waargenomen en omgekeerd is het niet omdat een wilsuiting werd waargenomen dat ook daadwerkelijk een wil werd geuit. Dit laatste stelt de problematiek van de vertrouwensleer als bron van verbintenissen scherp.7

Een contract kan zelfs "geruisloos" tot stand komen, wat inhoudt dat "[ ... ] partijen zonder het uitdrukkelijk te zeggen en zonder er zich steeds rekenschap van te geven, het gebied van de contractuele binding betreden.

4.11 Het is niet nodig dat partijen over alle elementen een definitief akkoord hebben om van een volkomen of volwaardige overeenkomst te spreken.

"Vervolgens slaan wil en wilsverklaring en het daardoor gewekte vertrouwen niet op alle aspecten van de contractuele relatie die erdoor in het leven wordt geroepen. Vaak zullen partijen, zeker in het dagelijkse ruilverkeer, alleen de hoofdzaken voor ogen hebben en zullen zij heel wat punten bewust of onbewust [ ... ] onbesproken laten. Niettemin komt dan een overeenkomst tot stand waaruit moge blijken dat het uiteindelijk de wet is die de overeenkomst bindende kracht geeft[ ... ] "

Wanneer partijen een basisafspraak maken en afspreken dat voor een aantal onderdelen de uitwerking van een nadere - latere - overeenkomst nodig is, spreekt men van progressief contracteren."

IV.2.8 Aard van het document van 9 april 2014

4.12 D.-D. betwisten dat het document van 9 april 2014 opgesteld werd als een offerte.

Het draagt nochtans alle kenmerken van een offerte:

• het betitelt zichzelf als een "offerte"

• het beschrijft het aanbod van de offerte-gevende partij, FENTRIS

• het duidt de prijs aan onder dewelke de offerte geldt

• het voorziet een bijzondere ruimte voor ondertekening door de bestemmeling, D.-D.

4.13 In besluiten laten D.-D. gelden dat hun - hypothetische - akkoord niet eens bindende werking kan hebben omdat het aanbod "vrijblijvend" werd geformuleerd. Dit wil zeggen dat wat ook zou gebeuren, de overeenkomst niet tot stand zou komen door de aanvaarding van het aanbod.

De aanvaarding van het "vrijblijvende aanbod" is volgens D.D. dan slechts een uitnodiging over te gaan tot het aangaan van besprekingen ter voorbereiding van een overeenkomst. Het kan hierbij niet gaan om het loutere formaliseren van de overeenkomst, omdat in die hypothese uit de aanvaarding van het aanbod moet worden afgeleid dat partijen een akkoord hebben uitgewisseld over de essentiële bestanddelen van de overeenkomst, met andere woorden een overeenkomst hebben gesloten, per hypothese mondeling met een voorafgaande(!) schriftelijke neerslag (te onderscheiden van de schriftelijke overeenkomst waarvan D.-D. stellen dat deze nog moet worden gesloten ... ).

D.-D. stellen met andere woorden dat de offerte geen "aanbod" maar een "voorstel" is.11

De vraag is dan of essentiële elementen ontbreken in het door FENTRIS voorgelegde document, dan wel of FENTRIS aangegeven had zich niet verbonden te achten door haar eigen wilsuiting:

"Wanneer onontbeerlijke elementen voor het sluiten van het contract niet zijn opgenomen in de wilsuiting of de wil van de aanbieder ontbreekt om zich te verbinden zodra aanvaarding plaatsheeft, gaat het niet om een aanbod doch om een voorstel. "12

4.13.a D.-D. beweren niet eens dat het woord "vrijblijvend" inhield dat FENTRIS niet gebonden was door haar eigen schrijven. Zij stellen dit enkel van hun eigen wilsuiting. In die hypothese is evenwel geen sprake van een voorstel maar van een aanbod.

4.13.b Indien D.-D. stellen dat essentiële ofte onontbeerlijke elementen ontbraken in de offerte, moeten zij aangeven welke elementen ontbraken.

Zij beroepen zich concreet op de afwezigheid, minstens het niet-definitief vaststaan van maten, openwijze, openingsrichtingen, kleuren, verluchtingsroosters, en andere zaken (wat deze ook mogen zijn).

Dit is evenwel op zijn zachtst nogal kort door de bocht wanneer het document van 9 april 2014 er niet op "initiatief' van FENTRIS is gekomen maar op uitdrukkelijke vraag van de heer L.D.P., "bouwheer (bestuur}", en de maten en openingswijzen en dergelijke meer - op de kleur na - aangegeven werden op basis van de op 26 maart 2014 aan FENTRIS doorgestuurde plannen en metingen.'!

D.-D. beschouwen een antwoord op een vraag om een "prijsaanbieding" aan "aannemersprijs" als een "voorstel" ... Hoeveel voorstellen moeten er wel uitgewisseld worden opdat een "aanbod" aanwezig zou zijn?

4.13.c Het relaas van D.-D. wordt bepaald verwarrend wanneer zij stellen dat de bepaling

"40 % voorschot bij ondertekening contract, na ontvangst voorschotfactu ur"

betekent dat

"Vooraleer een contract getekend zou worden, diende er een voorschot van 40 % betaald te worden. De contracttekening en voorschotbetaling dienden tegelijkertijd uitgevoerd te worden."

Deze twee zinnen, die nochtans in één alinea op elkaar volgen, spreken elkaar manifest tegen: ofwel moet er een voorschot betaald worden "vooraleer" de overeenkomst ondertekend zou worden, ofwel moeten de betaling én de ondertekening "tegelijkertijd" plaatsvinden. "Vooraleer" en "tegelijkertijd" zijn onverzoenbare begrippen ofte elkaar wederzijds uitsluitende categorieën.

Daarenboven betekent het relaas van D.-D. een rasechte uitdaging van de logica in de mate zij inhoudt dat het voorschot

in de beide hypothesen opeisbaar moet worden gesteld vóór de ondertekening - waaronder zij het "aangaan" verstaan - van de overeenkomst, terwijl dit opeisbaarstellen door het uitschrijven van de factuur (zoals gezegd vóórdat de overeenkomst zou zijn ondertekend omdat de betaling van de factuur "tegelijk" met de ondertekening, zelfs "vooraleer" de ondertekening, dient plaats te vinden) slechts kan volgen uit de nog te ondertekenen overeenkomst.

Anders gezegd: D.-D. stellen dat FENTRIS een factuur moest uitschrijven op basis van een overeenkomst die nog niet gesloten zou geweest zijn ...

Dit is a priori niet mogelijk, nu een factuur slechts een al bestaande overeenkomst kan bevestigen, geen overeenkomst in het leven kan roepen en al evenmin op een overeenkomst kan vooruitlopen.

Op deze onmogelijkheid bestaat één uitzondering: de pro forma-factuur.

"De pro forma-factuur moet daarentegen worden opgevat als een aanbod, waardoor de leverancier alle gegevens betreffende de toekomstige overeenkomst aan de potentiële cliënt (SIC) ter kennis brengt. "

FENTRIS heeft haar factuur betiteld als een "PRO FORMA VOORSCHOTF ACTUUR" en lijkt dusdoende het relaas van D.-D. te bevestigen.

Vraag is dan of de factuur die FENTRIS heeft opgemaakt wel een pro forma factuur is. Weliswaar heeft FENTRIS haar factuur zoals gezegd zo betiteld maar de factuur bevat nergens de termen van enige aangeboden overeenkomst: geen maten, geen kleuren, geen leveringstermijnen, ... In wezen is de titel "pro forma voorschotfactuur" een contradictio in terminis, nu

• een "voorschotfactuur" veronderstelt dat slechts een deel van de waardevan een al tot stand gekomen overeenkomst aangegeven wordt, terwijl

• een "pro forma factuur" veronderstelt dat de gehelewaardevan een nog niet tot stand gekomen overeenkomst aangegeven wordt.

De factuur in kwestie is duidelijk: zij betreft een voorschot en houdt een bevestiging in van een - volgens de opsteller - daadwerkelijk bestaande schuldvordering. In dat geval moet de rechtbank de factuur kwalificeren als een definitieve factuur."

De titulatuur "pro forma voorschotfactuur" bevestigt het relaas van D.-D. zelfs niet in schijn, aangezien naar hun relaas op het moment van contracttekening een opeisbare factuur moet voorliggen. Een pro forma-factuur is evenwel niet opeisbaar: zij is slechts een aanbod ... Volgens het relaas van D.-D. moet de definitieve factuur voor het voorschot opgemaakt worden vóór contractssluiting. Dit is zoals al gezegd een contradictie.

4.14 Het door FENTRIS op 9 april 2014 opgemaakte document is een aanbod.

IV.2.C Aanvaarding door D. of niet

4.15 Nu het document van 9 april 2014 werd opgesteld als een aanbod, rijst de vraag of D.-D. dit aanbod aanvaard hebben.

 

4.16 De betwisting die D.-D. voeren bestaat erin dat zij betwisten dat de handtekening een aanvaarding van het aanbod inhield.

De rechtbank merkt op dat D.-D. geen valsheidsvordering instellen.

4.17 Het document dat FENTRIS als contract inroept bevat aan het einde volgende vermelding:

( ... )

FENTRIS beweert dat de figuur rechtsonder de handtekening van de heer D., eerste verweerder, is. Op zich betwist D. dit niet in besluiten.

De identiteitskaart van D. toont volgende handtekening:

( ... )

Waar de beiden niet identiek zijn, gaat het kennelijk om telkens hetzelfde identificatieteken. De beide tekens zijn gekenmerkt door hun drieledigheid, omvattende

• een prefix "De"

• een centrale "R" en een "p"

• een afwerkende krul.

"Volgens Van Dale kan een paraaf zowel een deel van een handtekening zijn ("een pennentrek, een gekruld toevoegsel bij de handtekening ter voorkoming van nabootsing"}, als een soort handtekening op zichzelf ("handtekening die alleen bestaat uit de beginletters van de naam, o.a. ter waarmerking van inlassingen of bijvoegingen in akten, als teken dat een stuk gelezen is"). In het juridisch jargon verwijst het woord paraaf, of korttekening, traditioneel naar de tweede betekenis: handtekening door middel van de beginletters van de naam en voornaam van de steller. [noot] Daarmee is echter nog niet gezegd dat een paraaf op zich zou volstaan als geldige handtekening die een geschrift de bewijskracht van een akte verleent. "18

"Een paraaf bestaat in de regel uit een enkel teken (de zgn. korttekening}, een verkorte naam of de eerste letters (initialen) van een naam. Meestal wordt een paraaf gebruikt naast een handtekening. ln de hier besproken zaak rees echter de vraag of een paraaf ook in plaats van een handtekening kan komen.

In de regel heet een paraaf een specifieke functie, die complementair is aan de functie van de handtekening. Een paraaf is in beginsel voorbehouden om te dienen als bewijs van kennisname van kleine wijzigingen of aanpassingen in de tekst van een overeenkomst of bestemd voor het viseren van bepaalde documenten (handelsboeken, repertoria, ... ). Ook in notariële context vervult de paraaf een belangrijke rol (zie o.a. art. 13 en 15 Organieke Wet Notariaat). Vaak is de paraaf ook bedoeld als een beveiliging of waarborg tegen ex post manipulaties aan een akte of geschrift. Door, o.a. in de gevallen waarin het ondertekende stuk onderscheiden bladzijden beslaat, op iedere pagina van de akte een paraaf te plaatsen, wordt vermeden dat later onopgemerkt een pagina zou worden toegevoegd of vervangen. "19

Het op het aanbod geplaatste teken is geen paraaf maar een volwaardige handtekening. De schrijver heeft er zich immers niet toe beperkt zijn initialen aan te brengen maar heeft een volledig exemplaar van het als zijn handtekening vastgelegde teken aangebracht.

Trouwens, de vraag of het gaat om een handtekening of een paraaf is in se irrelevant voor de vraag of het aangebrachte teken geacht moet worden een wilsuiting te bevatten. Wanneer er slechts een paraaf staat, moet de rechtbank onderzoeken of deze met een handtekening kan/moet worden gelijkgesteld. 20

4.18 D.-D. stellen dat hun handtekening slechts een ontvangstbevestiging inhoudt van het met de hand gepreciseerde aanbod vanwege FENTRIS.21

De vraag rijst dan waarom zij nooit een ondertekend exemplaar van het oorspronkelijke bod van FENTRIS hebben terugbezorgd om er de ontvangst van te bevestigen.

De interpretatie die D.-D. aan hun handtekening geven is ongebruikelijk en contra-intuïtief.

In het gewone rechtsverkeer wordt een aanbod, laat staan - naar de theorie van D.-D - een voorstel, niet ondertekend teruggestuurd ter bevestiging van de ontvangst ervan. Wel integendeel: het terugsturen van een ondertekend exemplaar impliceert

• in het geval van een "aanbod", de aanvaarding ervan waardoor een volkomen overeenkomst tot stand gekomen is. • in het geval van een "voorstel", het opnemen van een precontractuele22 verbintenis de beoogde onderhandelingen tot een overeenkomst alleszins en minstens op te starten en te goeder trouw te voeren, alleszins niet zomaar te beëindigen."

Het ondertekend terugsturen van een op een contract lijkend document, of het nu een aanbod of een voorstel is, is dus nooit een vrijblijvend gegeven.

Naar de stelling van D.-D. zelf stellen zij zichzelf bloot aan extracontractuele aansprakelijkheden ...

4.19 Waar D.-D. zich beroepen op art. 40 WMPC, maakt de rechtbank een onderscheid tussen "twijfel rijzen" en "twijfel zaaien".

Het is niet omdat D.-D. "twijfel zaaien" aangaande de inhoud van het document van 9 april 2014, dat bij deze rechtbank enige "twijfel rijst" aangaande de gezegde inhoud.

De vraag is dan nog of de door D.-D. ingeroepen interpretatie überhaupt voor hen voordeliger is: indien geen overeenkomst tot stand was gekomen, bevonden partijen zich in een geformaliseerde precontractuele fase24 waardoor zij zich blootstellen aan aansprakelijkheid voor voorzienbare én onvoorzienbare schade.25 D.-D. bewijzen dus niet eens dat hun lezing voor hen voordeliger is en falen dus in hun stelplicht.

4.20 D. heeft het aanbod aanvaard.

IV.2.D Algemene voorwaarden

4.21 D.-D. stellen dat de algemene voorwaarden waarop FENTRIS zich beroept niet aan hen tegenwerpelijk zijn omdat zij deze niet voor akkoord ondertekend hebben.

4.22 Waar het op zich niet nodig is deze algemene voorwaarden apart voor akkoord te ondertekenen opdat zij deel zouden uitmaken van de contractuele relatie, moet FENTRIS als partij die zich op deze voorwaarden beroept aantonen dat D.-D. bij het geven van hun akkoord met de overeenkomst die in het document van 9 april 2014 vervat zit deze algemene voorwaarden kenden en aanvaard hebben.

FENTRIS doet zelfs geen poging hiertoe ...

4.23 De overeenkomst tussen partijen is niet aan de algemene voorwaarden van FENTRIS onderworpen.

IV.2.E Einde samenwerking

4.24 Nu vast staat dat de overeenkomst daadwerkelijk tot stand gekomen is, staat tegelijk vast dat zij ook door D.-D. werd beëindigd zonder opzegging uit te spreken.

Zij betwisten immers überhaupt een overeenkomst gesloten te hebben. Wie betwist een overeenkomst gesloten te hebben kan deze overeenkomst logischerwijze niet op regelmatige wijze opzeggen.

IV.2.F Aanvaarding door FENTRIS

4.25 Vraag is dan of FENTRIS geacht kan worden zonder meer aanvaard te hebben dat de overeenkomst waarop zij zich beroept, en die door D.-D. ontkend wordt, op zijn minst beëindigd werd.

In dat geval immers, wordt de overeenkomst

• in geval van aanvaarding van de ontkenning, retroactief ontbonden, en

• in geval van aanvaarding van beëindiging, bij onderlinge toestemming opgezegd.

4.26 D.-D. stellen dat FENTRIS hun ontkenning, desgevallend geherkwalificeerd tot opzegging, aanvaard heeft door"- als handelaar-" 10 maanden niet te reageren op het bericht van 11 mei 2014.

Deze aanvaarding moet ofwel uitdrukkelijk, ofwel stilzwijgend hebben plaatsgevonden.

4.27 Door te verwijzen naar een gebrek aan reactie, erkennen D.-D. dat FENTRIS het einde van de samenwerking niet uitdrukkelijk aanvaard heeft.

4.28 In tegenstelling tot wat D.-D. bepleiten mag uit het stilzwijgen van een handelaar niet zomaar een aanvaarding van de hem toegestuurde briefwisseling afgeleid worden.

De regel van art. 25 WKh geldt slechts in de strikte hypothese die zij voorziet, te weten

• wanneer het te aanvaarden document een factuur is

• welke als voorwerp een koop/verkoopovereenkomst heeft.26

Buiten deze hypothese kan niet worden uitgegaan van de aanvaarding door louter stilzwijgen. Hooguit kan van een feitelijk vermoeden sprake zijn. Een feitelijk vermoeden moet bevestigd worden door correlerende omstandigheden ...

Het loutere stilzwijgen is immers geen bron van verbintenissen, ook niet voor handelaars.27 Hiertoe is een omstandig stilzwijgen vereist en het is aan D.-D. om aan te tonen dat het stilzwijgen van FENTRIS "omstandig" was.

D.-D. gaan evenwel niet op de rechtsvraag naar de aard van dit stilzwijgen in. Zij poneren hun besluit zonder rechtens relevante argumenten aan te brengen.

4.29 Om een erkenning in te houden van de afwezigheid van enige relatie, moet de boodschap van 11 mei 2014 ook aangeven dat er geen contractuele relatie bestaat.

Het bericht van 11 mei 2014 rept evenwel met geen woord over de precieze status van de overeenkomst van een maand eerder.

Het stelt niet eens dat er geen overeenkomst zou zijn of, anders geformuleerd, stelt het bericht nergens dat de voorschotfactuur geen contractuele grondslag zou hebben.

Het bericht stelt enkel dat geen voorschot betaald moet worden omdat een (andere) aannemer de werken zou uitvoeren en er geen beroep gedaan wordt op de diensten van FENTRIS.

FENTRIS heeft deze mededeling niet als een ontkenning van een overeenkomst gekwalificeerd, maar als een opzegging van een bestaande overeenkomst.

Een opzegging van een aannemingsovereenkomst kan als dusdanig niet eens betwist worden.28

4.30 FENTRIS heeft de mededeling van D.-D. van 11 mei 2014 niet aanvaard als een bevestiging van afwezigheid van overeenkomst.

Als opzegging kon FENTRIS het gezegde bericht niet eens aanvaarden, nu opzegging van een aannemingsovereenkomst een wettelijk recht uitmaakt.

IV.2.G Schadevergoeding IV.2.G.I Bedrag

4.31 D.-D hebben hun overeenkomst met FENTRIS op onregelmatige wijze beëindigd, dit wil zeggen verbroken.

Zij zijn dus gehouden tot schadevergoeding.

4.32 De algemene voorwaarden van FENTRIS hebben D.-D. niet aanvaard, zodat deze voor de bepaling van de schadevergoeding irrelevant zijn.

4.33 D.-D. hadden sowieso het recht de overeenkomst te beeindigen - weze het op behoorlijke wijze.

FENTRIS kwalificeert het bericht van D.-D. van 11 mei 2014 trouwens als een in se regelmatige opzegging zoals bedoeld in art. 1794 BW. Zij berekent ook de in dit artikel bedoelde schade, te weten

• ontstane kosten: de commissie aan 0.

• de gederfde winst: het verlies op de commissie van P.

4.34 Op zich betwisten D.-D. de berekening van FENTRIS niet. Zij betwisten enkel het resultaat ervan door erop te wijzen dat de schade hooguit 5 % van de contractwaarde kan zijn omdat de ramen nog niet in productie waren gegeven. Dit is correct maar FENTRIS laat geeneens productiekosten gelden.

Daarenboven kan maar van forfaitaire regeling sprake zijn wanneer partijen een forfaitaire afspraak gemaakt hebben. Het zijn D.-D. die dit - met succes - betwistten ...

4.35 Bij gebrek aan betwisting aangaande de cijfers kan de rechtbank deze bevestigen.

IX Uitspraak IV.2.G.II BTW

4.36 Op de kwestie van de BTW hoeft in se niet meer te worden ingegaan.

Deze is immers maar aan de orde in de mate zou uitgegaan worden van de forfaitaire regeling van de schade conform de algemene voorwaarden.

Onder titel D.iv.b vordert FENTRIS 10.500,00 EUR. Onder titel D.vi laat FENTRIS weten zich naar de wijsheid van de rechtbank te zullen gedragen ...

4.37 Ten overvloede: een schadevergoeding is geen tegenwaarde voor een levering of een prestatie en kan dus geen BTW dragen.

De rechtbank

• doet uitspraak op tegenspraak

• verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk en in de hierna aangegeven mate gegrond

• veroordeelt verweerders op hoofdelijke wijze tot betaling aan eiseres van 10.500,00 EUR, te vermeerderen met verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet sedert de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling en verstaat dat deze intresten tevens van gerechtelijke aard zijn

( ... )
 

Noot: 
Rechtsleer:

• Joke BAECK en Ignace CLAEYS , Verkoop van een onroerend goed per e-mail? – De ene vormvereiste is de andere niet, RW 2017-2018, 763

Samenvatting

Volgens recente rechtspraak van het Antwerpse Hof van Beroep zouden e-mails niet volstaan opdat een verkoop van een onroerend goed tot stand zou komen of kan worden bewezen. De verkoop van een onroerend goed zou een «veeleer» plechtig karakter hebben gekregen doordat zowel het Bodemdecreet als de VCRO op straffe van nietigheid vormvoorschriften (onderhandse akte met bepaalde vermeldingen) opleggen.
Deze rechtspraak wordt in deze bijdrage onderzocht vanuit het bredere kader van formaliteiten die bij het sluiten van een overeenkomst moeten worden nageleefd. 

De auteurs maken een onderscheid tussen formaliteiten die vereist zijn voor de totstandkoming van de overeenkomst (totstandkomingsformaliteiten) en die welke vereist zijn voor de geldigheid van de overeenkomst (geldigheidsformaliteiten).

Aangezien de formaliteiten van het Bodemdecreet en de VCRO als geldigheidsvereisten zijn te kwalificeren, kan de verkoop van een onroerend goed in de lijn van de traditie nog steeds als een consensueel contract worden beschouwd. De verkoop van een onroerend goed kan dus wel nog per e-mail tot stand komen en ook per e-mail worden bewezen. Alleen kan de koper (maar niet de verkoper) de nietigheid van de verkoop inroepen indien de formaliteiten van het Bodemdecreet of de VCRO niet zijn vervuld.
Een e-mailbericht kan als bewijsmiddel onder bepaalde voorwaarden met een onderhandse akte worden gelijkgesteld. Dit veronderstelt dan wel dat de e-mail voorzien is van een elektronische handtekening in de juridische betekenis (zie de artt. 1322 BW en 25.2 eIDAS-Verordening.
Heeft de koopovereenkomst in de persoon van de wederpartij een handelsrechtelijk karakter, dan is de bewijsregeling soepeler en kan de rechter ook andere bewijsmiddelen toestaan (art. 25, eerste lid W.Kh.), met dien verstande dat ook in dat geval de akte als bewijsmiddel de facto een belangrijke plaats inneemt.
Hoewel de verkoop van een onroerend goed in de huidige rechtsleer in de lijn van de traditie meestal nog als een consensuele overeenkomst wordt gepresenteerd, is er recentelijk twijfel gerezen of dit type van overeenkomst niet veeleer een plechtig of formeel contract is geworden. Die twijfel is ontstaan doordat de Vlaamse decreetgever diverse
Aan die formaliteit van een onderhandse akte is niet voldaan wanneer tussen partijen enkel e-mails werden uitgewisseld, zo oordeelde de eerste kamer van het Antwerpse Hof van Beroep al in diverse arresten.

Inhoudstafel
I. De bredere context van formaliteiten
A. Een wereld vol uiteenlopende formaliteiten met diverse doelstellingen en sancties
B. Formaliteiten bij elektronische contracten
C. Formaliteiten bij de verkoop van een onroerend goed
II. Een nadere analyse van de recente rechtspraak
A. De eerste kamer van het Antwerpse Hof van Beroep
B. De vijfde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen
C. Het Gentse Hof van Beroep
III. Ad solemnitatem? Ad validitatem! Bestaansformaliteiten versus geldigheidsformaliteiten
A. Totstandkoming van de verkoop van een onroerend goed via e-mail?
B. Bewijs van de verkoop van een onroerend goed via e-mail?
IV. Besluit

Bronverwijzingen

• B. Tilleman, Totstandkoming en kwalificatie van de koop in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Kluwer, 2001, nr. 12
• W. Van Gerven en A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 60
• P. Wéry, Droit des obligations, I, Théorie générale du contrat, Brussel, Larcier, 2010, 120.
• A. Clabots, «Commentaar bij art. 25 W.Kh.» in Commentaar Handels- en economisch recht, Mechelen, Kluwer, 2008, nrs. 7-8.
• W. Vandenbussche, «Bewijs van de verkoop van een onroerend goed: jurisprudentiële ontwikkelingen», TBO 2017, (236), p. 237, nr. 4.
• Verordening (EU) 910/2014 van 23 juli 2014 «betreffende identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG», Pb.L. 28 augustus 2014, afl. 257, 73 (in deze bijdrage «eIDAS-Verordening» genoemd).
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn, Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 2014, 326, voetnoot 124
• G. Somers en B. Fiten, «Veel heisa om niets», Juristenkrant 2017, afl. 346, 12-13
• R. De Koninck, «Verkoop via e-mail niet mogelijk», http://cibweb.be/nieuws/verkoop-e-mail-niet-mogelijk.
• J. Callebaut, «Verkoop woning via e-mail. Het Antwerpse e-mailarrest van 19 december 2016», NJW 2017, 210-215.
• H. Jacquemin, Le formalisme contractuel. Mécanisme de protection de la partie faible, Brussel, Larcier, 2010, p. 435, nr. 321.
• M.-A. Guerriero, L’acte juridique solennel, Parijs, LGDJ, 1975, 45)
• oprichting van vennootschappen (art. 66 W.Venn.).
• J. De Coninck, «Classificatie van contracten» in E. Dirix en A. Van Oevelen (eds.), Comm. Bijz. Ov., Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 6
• M. Fabre-Magnan, Droit des obligations, I, Contrat et engagement unilatéral, Parijs, PUF, 2008, nr. 92.
• P. Malaurie, L. Aynès en P. Stoffel-Munck, Droit des obligations, Parijs, LGDJ, 2016, nr. 536.
• J. Callebaut, «Totstandkoming van de verkoop van onroerend goed: recente ontwikkelingen», TBO 2017, (223), p. 232, nr. 33
• B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, nr. 458
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn, Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 324, nr. 44
• Storme De invoering van de elektronische handtekening in ons bewijsrecht – Een inkadering van en commentaar bij de nieuwe wetsbepalingen», RW 2000-01, (1505), p. 1514
• D. Mougenot, La preuve, Brussel, Larcier, 2002, 190-191
• P. Van Eecke, De handtekening in het recht. Van pennentrek tot elektronische handtekening, Brussel, Larcier, 2004, p. 491-492, nr. 607
• P. Van Eecke, «Juridische aspecten van de elektronische handtekening» in CBR (ed.), CBR Jaarboek 2010-2011, Antwerpen, Intersentia, p. 132, nr. 19 (p. 141, nr. 28: (zij het, in navolging van M.E. Storme, met een breder toepassingsgebied voor het voormalige art. 4, § 4 Wet Elektronische Handtekeningen)
• E. Jacobs, «Authenticatie en elektronische handtekening in elektronisch bankieren» in Juridische aspecten van de elektronische betaling, I, Mechelen, Kluwer, 2004, 194-195.
• J. Del Corral, «Nietigheid als sanctie wegens miskenning van de informatieplicht van art. 101 Bodemdecreet: te pas en te onpas» (noot onder Cass. 24 juni 2010), RW 2010-11, (1521), p. 1523, nr. 7.
• J. Callebaut, «Een subjectief plechtige verkoop is nietig als de stedenbouwkundige informatie ontbreekt» (noot onder Antwerpen 14 oktober 2013), TBBR 2014, p. 500-501, nr. 24
• L. Voet en A. Keirse, «Hoe de koop van een woning te reguleren
• zeker weten?!», TPR 2011, p. 211-213, nrs. 49-51 (facultatieve nietigheid). 
• F. Haentjens, «Informatieverplichtingen in het Bodemdecreet 2006 en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: duiding bij enkele recente arresten van het Hof van Cassatie», RW 2012-13, 202-210.
• Cass. 3 november 2011, RW 2012-13, 220, noot F. Haentjens
• S. Verbist, R. Jansen en C. Bimbenet, «Enkele administratiefrechtelijke aandachtspunten bij de overdracht van onroerende goederen: stedenbouw en bodem» in G. Verschelden (ed.), Rechtskroniek voor het Notariaat, Brugge, die Keure, 2017, p. 20, nr. 41.
• G. Somers en B. Fiten, «Geen e-mail om huis te (ver)kopen? Veel heisa om niets», Juristenkrant 2017, afl. 346, (12) 12.
• Antwerpen (1e k.) 24 juni 2013, T.Not. 2014, 345.
• Antwerpen (1e k.) 5 september 2016, TBO 2017, 257.
• H. Graux, «De eIDAS-Verordening en de bevoegde Belgische wetgeving: nieuwe marsorders voor elektronische handtekeningen en andere vertrouwensdiensten», Cah.Jur. 2016, (53) 60.
• Gent 26 september 2013, RW 2014-15, 258, noot S. Meys. 
• Rb. Gent 10 april 2012, T.App. 2012, 26.
• E. Terryn, «Wet elektronische handel zou geen argument mogen zijn om een e-mail volledig te verwerpen als bewijs bij een verkoop van onroerende goederen» (noot onder Antwerpen 19 december 2016), DCCR 2017, (83) 85. 
• I. Samoy en A.-S. Houtmeyers, «Over de verkoop van een onroerend goed via e-mail of sms: bewijs en precontractuele aansprakelijkheid», T.Not. 2014, (327), p. 335, nr. 6
• E. Terryn en J. Goddaer, «Boek XII. Recht van de elektronische economie» in B. Keirsbilck en E. Terryn (ed.), Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, Antwerpen, Intersentia, 
• R. Dekkers, Handboek burgerlijk recht, II, Brussel, Bruylant, 1971, nr. 15
• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, II, Brussel, Bruylant, 1964, nr. 454A
• A. Kluyskens, Beginselen van burgerlijk recht, I, De verbintenissen, Antwerpen, Standaard, 1948, nr. 25
• R. Vandeputte, De overeenkomst. Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs, Brussel, Larcier, 1977, 15 en voetnoot 8 op p. 15 (minstens impliciet)
• P. Van Ommeslaghe, Droit des obligations, I, Sources des obligations (première partie), Brussel, Bruylant, 2010, nr. 67
• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, I, Brussel, Bruylant, 1962, nr. 28
• S. Stijns, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, p. 23, nr. 28
• J. Callebaut, «Actualia inzake de totstandkoming van de verkoop van onroerend goed» in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen Vermogensrecht 2016, Antwerpen, Intersentia, 2016, p. 108, nr. 3 
• J. Callebaut noot onder Antwerpen 14 oktober 2013), TBBR 2014, (497), p. 497, nr. 4
• R. Japiot, Des nullités en matière d’actes juridiques. Essai d’une théorie nouvelle, Paris, Librairie nouvelle de droit et de jurisprudence, 1909, 964 p.). 
• W. Van Gerven, Algemeen deel in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Brussel, Story-Scientia, 1987, nrs. 127-128.
• H. Willekens en T. Wuyts, «Commentaar bij art. 191 BW» (ed.) in Comm. Pers., Mechelen, Kluwer, 2004, 10.
• R. Jansen, «Subrogatie» in E. Dirix en A. Van Oevelen (ed.), Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 2010, nr. 81 
• R. Barbaix, Het contractuele statuut van de schenking, Antwerpen, Intersentia, 2008, nrs. 319 e.v.
• R. Barbaix, «Tijdelijke actualiseringsfiche art. 931 BW» in Comm.Erfr., Mechelen, Kluwer, 2016, 0.2.
• D. Petosa, «De Antwerpse «e-mailgate». Koop van een onroerend goed langs elektronische weg» (noot onder Antwerpen 19 december 2016), Not. Fisc. M. 2017, (129), p. 130, nr. 6
• D. Ryckbost, «De weerslag van het Vlaamse bodemsaneringsdecreet op het contractenrecht» in Overeenkomstenrecht, Antwerpen, Kluwer, 2000, 64
• B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs, Gent, Story, 2012, nr. 361), mag hetzelfde worden aangenomen voor uitgewisselde e-mails (anders: W. Vandenbussche, o.c., TBO 2017, p. 240, nr. 10).
• P. Van Eecke, De handtekening in het recht. Van pennentrek tot elektronische handtekening, Brussel, Larcier, 2004, p. 461, nr. 575. 
• Antwerpen (1e k.) 5 september 2016, TBO 2017, 257.
• Antwerpen (1e k.) 24 juni 2013, T.Not. 2014, 345
Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 28/05/2018 - 22:24
Laatst aangepast op: di, 05/06/2018 - 21:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.