-A +A

Overbelasting van de rechtbank is geen excuus voor onzorgvuldigheid of laksheid van de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 09/12/1994

Door de ernstige impact op de persoon en de levenssfeer, door de weerslag van het faillissement op de activiteiten van een gefailleerde en zijn beroepsloopbaan, moet worden aangenomen dat de staat van faillissement schadeberokkenend is, zelfs als de staat van faillissement na korte tijd wordt opgeheven, derwijze dat het arrest van 31 januari 1990 op zich geen volledig rechtsherstel verschafte of verschaffen kon aan de geïntimeerde.

In de rechterlijke organisatie is het zich vergissen — recht doen is en blijft het werk van de mens, derwijze dat falen onvermijdbaar is — geïnstitutionaliseerd, nu het hoger beroep en de dubbele aanleg (nog steeds) de regel zijn. De enige aanleg is de uitzondering, ingegeven door rechtspraktische noden van het ogenblik, om de rechtsachterstand weg te werken; de uitbreiding van het recht spreken in eerste en laatste aanleg, is aldus de resultante van een pragmatisch denken, veel meer dan een juridische verantwoorde optie.

Een onjuiste of onzorgvuldige rechterlijke beslissing wordt dan ook — in de regel — rechtgezet door de aanwending van een rechtsmiddel en de uitspraak van de appelrechter daaropvolgend.

Deze onzorgvuldigheid van de rechter bij de ambtshalve faillietverklaring kan bestaan uit:

- het niet horen van de gefailleerde of diens zaakvoerder
- de hoedanigheid van handelaar baseert louter op basis van facturen tegen de andere gegevens van het bundel in
- het zich steunen op achterhaalde gegevens waarvan het achterhaald karakter onmiddellijk en eenvoudig kon worden vastgesteld

Feit is echter dat de aanwending van een rechtsmiddel, wat in principe rechtsherstel gerandeert (een waarborg voor een zo juist mogelijke rechterlijke uitspraak), in bepaalde omstandigheden de schade door de eerste foutieve beslissing onverlet laat of niet volledig herstelt.

Beweerde overbelasting zonder bewijs volstaat niet en kan bovendien nooit een excuus zijn tot manifeste onzorgvuldigheid, terwijl overbelasting anderzijds een fout is van de Belgische Staat die de verantwoordelijkheid van de rechter voor fouten van de rechter aldus alleen maar versterkt.

Wanneer de (met succes) bestreden beslissing op een onrechtmatige wijze — door een onzorgvuldige uitoefening van de rechterlijke functie, door een recht spreken zoals door een normaal voorzichtig rechter, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden geen recht zou zijn gedaan — schade heeft berokkend die niet is goedgemaakt door de beslissing in beroep, moet de rechtzoekende de aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen.

De aansprakelijkheidsvordering dient alsdan gericht te worden tegen de Belgische Staat, nu de magistraat een orgaan is van de Staat die aldus instaat voor de fouten van de rechterlijke orde in de uitoefening van het ambt (of in voldoende verband ermee).

Te dezen werd geen volledig schadeherstel toegekend door de aanwending van rechtsmiddel en de daaropvolgende uitspraak die het faillissement ophief.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
567
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De eerste vraag die moet beantwoord worden is derhalve of de voorzitter van de rechtbank van koophandel die destijds het ambtshalve faillissement van L. uitsprak en diens derdenverzet afwees, nalatig is geweest of tekortgeschoten is in de uitoefening van zijn ambt.

1.1. De bewijskracht van het arrest van het Hof (zevende kamer) van 31 januari 1990:

Het gezag van het gewijsde, waarmee de rechterlijke uitspraak (het dispositief en de overwegingen die de rechterlijke beschikkingen noodzakelijk onderbouwen) is bekleed, is betrekkelijk en kan derhalve in principe slechts worden tegengeworpen aan de partijen in het geding; desalniettemin heeft de beslissing bewijswaarde (iuris tantum) ten aanzien van derden, niet-procespartijen (in casu de Belgische Staat).

Geput uit het arrest van 31 januari 1990, dient bij gebreke van tegenbewijs o.m. als juist te worden aangenomen dat de rechter die het faillissementsvonnis uitsprak,

- niet het recht kon ontnemen aan Guido L. om gehoord te worden, voorafgaand de op 8 augustus 1986 ambtshalve faillietverklaring;

- deze tekortkoming (het niet vooraf horen van de betrokkene) — waarvoor geen redelijke verantwoording kan worden gevonden — verklaart volgens de appelrechter de «grove vergissing» het faillissement te baseren op twee schulden die zes maanden voordien voldaan werden;

- tegen het geheel van gegevens (stukken en verklaringen van geloofwaardige derden) in, de hoedanigheid van handelaar «zonder meer» baseerde en bewezen achtte op «het opmaken van facturen, invorderingen voor uitgevoerde werken na de doorhaling, aankoopfacturen in 1985 en 1986, gebruik persoonlijke bankrekening voor handelsdoeleinden, enz...»

1.2. Het vorenstaande klemt des te meer, nu in het derdenverzet na het faillissementsvonnis van 8 augustus 1986 en afgezien van het verweer van de geïntimeerde, de eerste rechter de stelling van staking van betaling handhaafde... op grond van schulden die waren gekweten vóór het faillissement! Dit onverkort de omstandigheid dat reeds bij brief van 11 juli 1986 van de toenmalige advocaat voor de geïntimeerde gericht aan de voorzitter, de depistagedienst melding werd gegeven «dat de schulden op naam van Guido L.» t.o.v. de rijksdienst voor sociale zekerheid «volledig zijn vereffend», met medezending van de desbetreffende bewijsstukken. Deze brief was trouwens tevens slechts en ten overvloede de bevestiging van het schrijven van 27 juni 1986 van de rijksdienst voor sociale zekerheid zelve.

Eén en ander, terwijl uit het dossier van de appellant blijkt dat zich in het depistagedossier een kopie bevond van het verzoek van geïntimeerde om doorhaling van zijn inschrijving in het handelsregister, gedateerd van 11 juli 1984; dit is des te treffender nu het ambtshalve faillissement van 8 augustus 1986 van de geïntimeerde niet werd uitgesproken ingevolge vermogensvermenging of wegens vereenzelviging met de P.V.B.A. L., terwijl uit de gegevens in het depistagedossier de eerste rechter niet vermocht af te leiden dat de geïntimeerde — na de oprichting van de P.V.B.A. L. — nog daden van koophandel verrichtte.

Het zich louter baseren op achterhaalde gegevens, waarvan het achterhaald zijn manifest, zonder enige twijfel en zonder moeite kon worden gedetecteerd uit de bescheiden vervat in het depistagedossier, het als bewezen aanvaarden van het geschokt zijn van het krediet en van het verrichten van handelsdaden, zonder enig concreet, laat staan decisief bewijs, terwijl uit het depistagedossier dat overligt blijkt dat Guido L. het laatste werd gehoord op... 25 november 1985, toont aan dat de rechter die de vonnissen van 8 augustus 1986 en 6 april 1987 verleende, niet met de zorgvuldigheid en nauwgezetheid te werk is gegaan die van een zorgzaam magistraat, geplaatst in dezelfde omstandigheden, kon worden verwacht.

Het verweer van de appellant als zou de geïntimeerde ten tijde van de ambtshalve faillietverklaring nog andere schulden hebben gehad, is helemaal niet ter zake; immers, afgezien dat de faillissementsrechter niet deze schulden aanvoerde ter verantwoording van de staking van betaling en de staat van faillissement, bewijst de appellant niet dat deze schulden vervallen en opeisbaar waren, laat staan dat zou blijken dat — zo de geïntimeerde niet de mogelijkheid had zijn (vervallen) schulden te kwijten — hij niet langer kredietwaardig was en geen termijnen van zijn schuldeisers kon krijgen.

De bewering als zouden «de theorieën en interpretaties van het E.V.R.M. nog niet zo lang gelding en ingang hebben gevonden» is als verweer van de Belgische Staat eerder bedroevend... en hoeft geen weerlegging, het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden... ondertekend zijnde op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 11 mei 1955; dit, onverminderd de omstandigheid dat de faillissementsrechter niet alleen nagelaten heeft de geïntimeerde te horen vóór de ambtshalve faillissementsverklaring, doch zich gebaseerd heeft op enerzijds onbewezen en anderzijds verkeerde (achterhaalde) gegevens, waarvan hij de onjuistheid kon detecteren aan de hand van de elementen vervat in het door hem samengesteld depistagedossier!

De beweerde overbelasting door een tekort aan magistraten, is niet bewezen nu aan de hand van het dossier vaststaat dat dezelfde Voorzitter die het ambtshalve faillissement uitsprak, zelfs nog de taak van rechter-commissaris waarnam, terwijl overbelasting — hoe dan ook — niet mag leiden tot manifeste onzorgvuldigheid. Meer nog en louter volledigheidshalve: indien structureel de bezetting van de rechtbanken van koophandel te Ieper en Veurne derwijze zou zijn dat niet op behoorlijke en zorgvuldige wijze recht zou kunnen worden gesproken, dan zou dit een tekortkoming uitmaken die rechtstreeks en bij uitsluiting aan de Belgische Staat zou zijn toe te schrijven.

2. De vraag rijst derhalve of L. die ten onrechte door de Ieperse rechtbank van koophandel in staat van faillissement werd verklaard, bij een rechterlijke uitspraak die niet met de vereiste zorgvuldigheid werd gewezen (zoals uit de bewoordingen van het arrest van 31 januari 1990 van de zevende kamer van dit Hof ontegenzeglijk blijkt en ten overvloede wordt bevestigd door het depistagedossier betreffende Guido L. dat ons — in tegenstelling tot het depistagedossier betreffende de P.V.B.A. Guido L. — werd overgelegd), door het tenietdoen van het bestreden vonnis bij het arrest van 31 januari 1990 rechtsherstel bekwam.

Door de ernstige impact op de persoon en de levenssfeer, door de weerslag van het faillissement op de activiteiten van een gefailleerde en zijn beroepsloopbaan, moet worden aangenomen dat de staat van faillissement schadeberokkenend is, zelfs als de staat van faillissement na korte tijd wordt opgeheven, derwijze dat het arrest van 31 januari 1990 op zich geen volledig rechtsherstel verschafte of verschaffen kon aan de geïntimeerde.

In casu moet evenwel worden nagegaan in welke mate de schade en haar omvang verband houdt met de vrij lange procedure (het ambtshalve faillissement werd uitgesproken op 8 augustus 1986, het verzet werd (pas) afgewezen bij beslissing van 6 april 1987, terwijl eerst bij arrest van 31 januari 1990 het faillissement werd opgeheven, met ontlasting van de curatoren).

Aansluitend bij het voorgaande, moet worden achterhaald of en in welke mate de geïntimeerde zelf (voldoende) diligent handelde, ten einde de afloop van het proces te vervolgen; in concreto dient derhalve nagegaan te worden of de geïntimeerde zelf geen fout heeft in de trage afwikkeling van het geding en, in voorkomend geval, in welke mate zijn inactiviteit alsdan zou hebben bijgedragen in zijn beweerde schade.

De appellant heeft een fotokopie neergelegd van verschillende gerechtsdossiers. In de eerste plaats komt het gepast voor dat de originele (en volledige) gerechtsdossiers (o.m. ambtshalve faillissement, derderverzet en hoger beroep faillissement) zelf en inzonderheid de P.V.‘s der terechtzittingen (de fotokopies onleesbaar zijnde) ons worden overgelegd.

3. Gelet op het voorgaande en afgezien van de mogelijke impact op de schade door het onvoldoende activeren van de procedure door de geïntimeerde zelf, komt het passend voor het bestreden vonnis waarbij een voorschot op vergoeding van materiële en morele schade ten bedrage van 750.000 fr. werd toegekend, te bevestigen, in afwachting van het hierna bevolen deskundigenonderzoek en overlegging van de gerechtsdossiers.

Een onderzoeksmaatregel is immers vereist, ten einde de schade van de geïntimeerde door de faillissementsverklaring en de handhaving van deze toestand tot 31 januari 1990 te ramen.

Noot: 

Rechtspraak:

• Cass., 19 december 1991, Arr. Cass., 1991-92, 364, Pas., 1992, I, 316, met conclusie van de eerste advocaat-generaal Velu, J., R.W., 1992-93, 396, R.C.J.B., 1993, 285, met noot Rigaux, F. en Van Compernolle, J., evenals de commentaren bij dit arrest van Dalcq, R.O., «La responsabilité de l‘Etat du fait des magistrats. A propos de l‘arrêt de la Cour de cassation du 19 décembre 1991», J.T., 1992, 449 e.v.;

• Dony, M., «Responsabilité de l‘Etat pour faute du pouvoir judiciaire après l‘arrêt du 19 décembre 1991», J.B.H., 1993, 804 e.v.;

• Van Oevelen, A., «De aansprakelijkheid van de Staat voor ambtsfouten van magistraten en de orgaantheorie na het Anca-arrest van het Hof van Cassatie van 19 december 1991», R.W., 1992-93, 377 e.v.

• S. Guiliams, Overheidsaansprakelijkheid wegens fouten van magistraten in de uitoefening van hun rechtsprekende functie verfijnd, NJW 2014/314, p.889

• Cass. 8 december 1994, RW 1995-96, 180, noot A. Van Oevelen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 15/10/2017 - 13:34
Laatst aangepast op: zo, 15/10/2017 - 13:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.