-A +A

Ouderschapsovereenkomst en toetsing aan het belang van het kind

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
don, 13/07/2017

Artikel 1253ter/3, § 3 Ger.W. bepaalt dat de rechtbank kan weigeren de overeenkomst van partijen met betrekking tot de maatregelen bedoeld in artikel 1253ter/4, § 2, eerste lid, 1 ° tot 4° Ger.W. te homologeren als deze kennelijk strijdig is met het belang van de kinderen.

De gehoudenheid van de procespartijen om loyaal mee te werken aan de bewijsvoering is een algemeen rechtsbeginsel.

Er is sprake van bedrog indien een oneerlijke proceshouding belet dat de rechter kennis kan nemen van feiten die determinerend zouden kunnen zijn voor de beslechting van het geschil

Publicatie
tijdschrift: 
T. Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018/3
Pagina: 
79

I. Rechtspleging

De zaak werd aanhangig gemaakt bij deze rechtbank door een verzoekschrift dat op 18 april 2017 werd neergelegd door eiser.

Partijen werden op regelmatige wijze opgeroepen bij gerechtsbrief van 20 april 2017.

Toepassing werd gemaakt van artikel 757, § 2 Ger.W. Eisende partij werd ingelicht over de mogelijkheid om het geschil te beslechten via verzoening, bemiddeling of elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten (art. 731, vierde lid Ger. W.).

Eiser en zijn raadsman werden in hun middelen gehoord ter zitting in raadkamer van 29 juni 2017. Zij hebben verstek gevorderd tegen verweerster die niet verscheen, noch iemand voor haar.

Op dezelfde zitting verleende het Openbaar Ministerie, in de persoon van eerste substituut Procureur des Konings J. Baervoets, mondeling advies. Het Openbaar Ministerie adviseerde negatief omtrent de homologatie van het akkoord en stelde dat het in strijd is met de openbare orde. Eisende partij heeft mondeling gerepliceerd -op het advies van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en de door eiser neergelegde stukken.

( ... )

II. Gegevens en voorwerp van de vordering

Partijen zijn de gezamenlijke ouders van:

- E.S., geboren te M. op ( ) 2009;

- Z.S., geboren te 0. op( ) 2012.

Eiser heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 18 april 2017, gevorderd om de overeenkomst tussen partijen opgemaakt en ondertekend aangaande het ouderlijk gezag, hoofdverblijf en inschrijving, omgangsregeling, onderhoudsbijdrage en buitengewone kosten van beide kinderen integraal te bekrachtigen.

Eiser legt als stuk 5 vijf bladzijden "overeenkomst" van 3 oktober 2016 voor. Eiser heeft ter zitting van 4 mei 2017 uiteengezet dat de overeenkomst op de laatste bladzijde de handtekening van beide partijen draagt.

De overeenkomst vermeldt onder meer dat: - moeder geen gekende woonplaats heeft;

- moeder geen vaste woonplaats heeft en aldus evenmin ruimte ter beschikking heeft om de kinderen op te vangen; - moeder geen aanstalten maakt om haar leven terug op de rails te zetten;

- moeder niet handelt naar het belang van de kinderen;

- het ouderlijk gezag exclusief aan vader wordt toegekend;

- het hoofdverblijf en de inschrijving van beide dochters op het adres van de vader blijft;

- "het compleet onverantwoord is om de kinderen bij moeder te laten verblijven (waar dan ook??). Partijen zijn dan ook akkoord dat C.I. niet in staat noch in de mogelijkheid is om voor de kinderen E.S. en Z.S. te zorgen. Om die reden komen partijen overeen dat het C.I. is toegestaan om de kinderen om de veertien dagen op zondag bij S.S. op te zoeken telkenmale van 14.00u tot 18.00u";

- moeder gehouden is tot betaling aan vader van een onderhoudsbijdrage van 250,00 EUR per maand per kind, meer de helft van de nader bepaalde buitengewone kosten;

- de kinderbijslag voor de kinderen E.S. na en Z.S. toekomt aan S.S.

Ter zitting van 4 mei 2017 verklaarde meneer dat mevrouw bij een vriendin verblijft te 0. (mevrouw C.S.). Gelet op de inhoud van de overeenkomst en de daarin vermelde bekentenissen van mevrouw, achtte de rechtbank het nuttig om - op advies van het Openbaar Ministerie - in het licht van artikel 1253ter/6 Ger.W. een politioneel onderzoek te bevelen (zie nuttig proces-verbaal van de zitting).

Het verslag van politioneel onderzoek werd neergelegd ter griffie op 6 juni 2017.

Uit het politioneel onderzoek is onder meer gebleken dat:

- eiser zelf aan de verbalisanten verklaard heeft dat verweerster sedert 10 maart 2017 vertrokken is naar Macedonië samen met de beide kinderen en sedertdien niet meer naar België is teruggekomen;

- verweerster niet bij C.S. verblijft.

Ter zitting van 29 juni 2017 verklaarde meneer onder meer dat mevrouw geen enkele vorm van inkomsten heeft. Gelet op de inhoud van het politioneel onderzoek heeft de rechtbank ambtshalve de vraag gesteld in hoeverre de overeenkomst in het belang is van de kinderen en niet in strijd met de openbare orde is (zie nuttig proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2017).

Eiser heeft stukken voorgelegd waaruit blijkt dat hij aan verweerster een reistoelating heeft gegeven om met de kinderen op reis te gaan naar Macedonië van 10 maart 2017 tot en met 20 april 2017.

III. Beoordeling

1. Artikel 1253ter/3, § 3 Ger.W. bepaalt dat de rechtbank kan weigeren de overeenkomst van partijen met betrekking tot de maatregelen bedoeld in artikel 1253ter/4, § 2, eerste lid, 1 ° tot 4° Ger.W. te homologeren als deze kennelijk strijdig is met het belang van de kinderen.

Artikel 6 BW bepaalt bovendien dat aan wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk kan worden gedaan.

2. Gelet op de inhoud van het gedinginleidend verzoekschrift, de verklaringen ter zitting van 4 mei 2017 en de inhoud van het politioneel onderzoek heeft de rechtbank ambtshalve de vraag gesteld in hoeverre de overeenkomst in het belang is van de kinderen en niet in strijd met de openbare orde (zie nuttig proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2017).

De rechtbank stelt vast dat:

- partijen akkoord zijn dat verweerster aan eiser een onderhoudsbijdrage van 250,00 EUR per maand per kind, meer de helft van de nader bepaalde buitengewone kosten verschuldigd is.

De overeenkomst van 3 oktober 2016 is manifest in strijd met de realiteit, nu blijkt dat:

• eiser sedert 10 maart 2017 niet meer in natura in het onderhoud van beide kinderen heeft voorzien (hetgeen manifest in het verzoekschrift en ter zitting van 4 mei 2017 werd verzwegen);

• verweerster geen enkele vorm van inkomsten heeft (zie nuttig proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2017). De homologatie van de overeenkomst van 3 oktober 2016 zou eiser bovendien ten onrechte in de mogelijkheid stellen om overeenkomstig artikel 1321 § 3 Ger.W. aan de Dienst voor alimentatievorderingen (DAVO) bijstand te vragen voor de invordering van verschuldigde onderhoudsbijdragen op de onderhoudsplichtige ouder of voorschotten op onderhoudsbijdragen die manifest niet in overeenstemming zijn met de samengevoegde middelen van verweerster in het licht van artikel 203 BW.

• waar in de overeenkomst van partijen vermeld wordt dat moeder geen gekende woonplaats heeft zij alsdan nog op het adres van eiser was ingeschreven;

• in strijd tot hetgeen eiser heeft voorgehouden in zijn verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 april 2017 en ter zitting van 4 mei 2017, de kinderen geenszins bij vader hoofdverblijf houden.

Ondanks het feit dat de overeenkomst waarvan de homologatie gevraagd wordt, vermeldt dat "het compleet onverantwoord is om de kinderen bij moeder te laten verblijven (waar dan ook??). Partijen zijn dan ook akkoord dat C.I. niet in staat noch in de mogelijkheid is om voor de kinderen E.S. en Z.S. te zorgen. Om die reden komen partijen overeen dat het C.I. Is toegestaan om de kinderen om de veertien dogen op zondag bij S.S. op te zoeken telkenmale van 14.00u tot 18.00u" gaf eiser verweerster de toestemming om voor de periode van 10 maart 2017 tot en met 20 april 2017 met beide kinderen naar Macedonië te reizen.

Uit het politioneel onderzoek is gebleken dat de kinderen sedert 10 maart 2017 met moeder onafgebroken in Macedonië verblijven.

In de mate eiser voorhoudt dat hij daaromtrent enkel toestemming heeft gegeven voor de periode van 10 maart 2017 tot en met 20 april 2017, stelt de rechtbank vast dat:

• E.S. (0( ••• ) 2009) schoolplichtig is en derhalve - met uitzondering van officiële vakantiedagen - op school aanwezig moest zijn in de periode van 10 maart tot en met 20 april 2017;

• eiser daarvan geenszins melding heeft gemaakt in zijn gedinginleidend verzoekschrift, noch ter zitting van 4 mei 2017 waar de rechtbank hem daaromtrent nochtans uitdrukkelijk heeft bevraagd;

• eiser na 20 april 2017 nergens melding heeft gemaakt van het feit dat de kinderen niet naar België waren teruggekeerd.

3. De rechtbank is van oordeel dat de feiten het vertrekpunt zijn voor de toepassing van het recht. Van een partij mag verwacht worden dat wanneer zij feiten aanhaalt, zij daarvan de volledige context schetst, inclusief de voor hem/haar nadelige feiten.

De gehoudenheid van de procespartijen om loyaal mee te werken aan de bewijsvoering is een algemeen rechtsbeginsel (zie Cass., 14 november 2013, T.Fam. 2014/9, 208).

Er is sprake van bedrog indien een oneerlijke proceshouding belet dat de rechter kennis kan nemen van feiten die determinerend zouden kunnen zijn voor de beslechting van het geschil (zie nuttig Cass. 11 mei 2001, RW2001-02, 737, noot P. SCHOLLEN).

De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst - in tegenstelling tot wat eiser in zijn verzoekschrift en ter zitting van 4 mei 2017 heeft voorgehouden - geenszins overeenstemt met de realiteit. In de gegeven concrete omstandigheden is het geenszins in het belang van de kinderen tot homologatie van de overeenkomst over te gaan.

De vordering van eiser wordt afgewezen als ongegrond.

4. Eiser wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de kosten van het geding.

 

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Recht doende in eerste aanleg en bij verstek ten aanzien van I.G.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, in zijn hoofde niet te begroten nu ze hem ten laste blijven en in hoofde van verweerster begroot op 0,00 EUR.

Zegt voor recht dat huidig vonnis in toepassing van artikel 1397 en 1398/1 Ger.W. uitvoerbaar is bij voorraad, niettegenstaande verzet, hoger beroep en zonder borgstelling.

( ... )

 

Noot: 

Tom Wynant,, Van onderhandse ouderschapsovereenkomst naar uitvoerbare titel: rechtsgronden en toetsing voor homologatie; T.Fam. 2018/3, 81

I. Feiten

II. Uitvoerbare kracht verlenen aan onderhandse familiale overeenkomsten zonder aanhangig geding: taak van de rechter of de notaris?

A. Homologatie van overeenkomsten betreffende spoedeisend geachte geschillen – artikel 1253ter/3, § 3 Ger.W.

B. Alternatieve rechtsgrond: de homologatie van ouderschapsovereenkomsten tussen niet-samenlevende ouders – artikel 374, § 2 BW

C. Tussenconclusie: monopolie van de notaris om een onderhandse familierechtelijke overeenkomst zonder aanhangig geding met uitvoerbaarheid te bekleden

III. Discrepantie tussen de inhoud van de overeenkomst en de feitelijke toestand versus het belang van het kind: over de bomen en het bos

IV. De impact van de deloyale houding van een procespartij op de homologatie

V. Besluit

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 19/04/2018 - 15:43
Laatst aangepast op: do, 19/04/2018 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.