-A +A

Opzettelijke slagen met dood tot gevolg ingevolge overrijden door het voertuig van een derde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 27/05/2014

Het oorzakelijk verband tussen opzettelijk toegebrachte slagen en de dood van het slachtoffer, zoals bedoeld in het in art. 401 Sw. bedoelde misdrijf, dient naar het oordeel van het hof van beroep te Gent op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd als het oorzakelijk verband tussen onopzettelijk toegebrachte slagen en de dood van een slachtoffer, zoals bedoeld in het in art. 418 en 419 Sw. bedoelde misdrijf. Het zou volgens het hof te Gent overigens ook ongerijmd zijn dat degene die onopzettelijk slagen toebrengt wel strafrechtelijk verantwoordelijk wordt geacht voor de aan deze slagen gerelateerde dood van het slachtoffer, terwijl de dader van opzettelijk toegebrachte slagen hiervoor niet strafrechtelijk verantwoordelijk zou zijn.

Hoewel tegen dit arrest geen casstie werd ingesteld, dient ten deze toch verwezen te worden naar de weliswaar oude afwijkende rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 23 april 1934, Pas. 1934, I, 253).
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1025
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie, NV A.I. e.a. t/ P.J.

...

Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de beklaagde P.J. en het slachtoffer S.P., die reeds verschillende jaren een relatie met elkaar hadden, op zondag 25 september 2011 in de vroege uurtjes te voet in de X-straat te Y. liepen – blijkbaar waren ze voordien op vermaakuitstap geweest – toen ze, op nauwelijks 100 meter van de woning van de beklaagde, ruzie kregen. Het slachtoffer, S.P., viel daarbij op de openbare weg, en werd enkele ogenblikken later, omstreeks 2 u 20 overreden door een voertuig dat vanuit de richting Y-centrum in de X-straat reed, waar de snelheid beperkt is tot 70 km per uur. Kort hierop, omstreeks 2 u 32 verloor het slachtoffer S.P. het bewustzijn, terwijl de hulpdiensten er niet in slaagden haar te reanimeren, waarna zij omstreeks 3 u 09 ter plaatse overleed.

De bestuurder van het voertuig (...), bleek in staat van alcoholintoxicatie te verkeren (0,94 mg/l uitgeademde alveolaire lucht) en verklaarde dat hij op geen enkel ogenblik iets op straat heeft gezien, dat hij plots wel een schok voelde aan de rechterzijde van zijn voertuig en dat hij besefte dat hij ergens was overgereden, zonder te beseffen wat het was. Uit de aan het hof voorgelegde gegevens blijkt niet dat deze bestuurder werd vervolgd wegens het onopzettelijk doden van het slachtoffer, S.P.

Op grond van de gegevens van het strafdossier en de behandeling voor het hof zijn de feiten, voorwerp van de enige telastlegging, zoals omschreven in de initiële dagvaarding, en de schuld van de beklaagde P.J. aan die feiten bewezen.

Uit de door het hof geloofwaardig geachte verklaringen van de buurtbewoners die getuige waren van de feiten en onder eed voor de eerste rechter op de terechtzitting van 9 januari 2013 een getuigenis aflegden, blijkt duidelijk dat de beklaagde P.J. opzettelijk slagen heeft toegebracht aan het slachtoffer S.P. Aldus verklaarde de genaamde V.L. dat hij plots lawaai hoorde op straat, waarna hij door het raam ging kijken en zag hoe een man en een vrouw ruzie aan het maken waren, waarbij hij voorts zag dat de man de vrouw neertrok – waardoor deze op straat terechtkwam, zijnde volledig op de rijbaan en niet in de goot, evenwijdig met de weg – en haar begon te schoppen en haar met haar handtas op het hoofd sloeg. De getuige V.L. verklaarde voorts hoe hij zag dat plots een voertuig kwam aangereden, waarop de man nog net kon wegspringen, maar het voertuig de vrouw aanreed die op straat lag.

Ook de getuige M.V. verklaarde te hebben gezien dat de beklaagde aan het slachtoffer trok en haar schoppen gaf, terwijl ook de getuige D.C. verklaarde dat de beklaagde het slachtoffer van achter vastpakte en naar haar benen schopte.

Het is dan ook bewezen dat de beklaagde P.J. opzettelijk slagen heeft toegebracht aan het slachtoffer S.P. Zo ook acht het hof het, mede gelet op de voormelde verklaringen van de getuigen, bewezen dat het slachtoffer S.P. precies ingevolge deze slagen op de rijbaan is terechtgekomen, waar ze, liggend op straat, door een voertuig werd overreden.

De omstandigheid dat de slagen die de beklaagde aan het slachtoffer toediende moeten worden gesitueerd tegen de achtergrond van een ruzie, waarbij beiden duidelijk te veel alcohol hadden gedronken – uit het verslag van dr. C. blijkt immers dat het slachtoffer S.P. op het ogenblik van de feiten 2,61 g alcohol per liter bloed in haar lichaam had, terwijl de op 25 september 2011 om 4 u 07 op de beklaagde P.J. uitgevoerde ademanalyse een resultaat vertoonde van 0,80 mg/l uitgeademde alveolaire lucht – doet aan het bovenstaande geen afbreuk.

Gelet op het verslag van de uitwendige lijkschouwing van dr. De L., die verklaarde dat de vastgestelde letsels bij het slachtoffer verklaard kunnen worden als het gevolg van een overrijding, staat het voorts vast dat het overlijden van het slachtoffer geen onmiddellijk gevolg is van de fysieke gevolgen van de door de beklaagde toegebrachte slagen als zodanig, maar van het feit dat zij navolgend door het voertuig van een derde werd overreden.

Desondanks acht het hof het bewezen dat de bovenvermelde slagen die de beklaagde het slachtoffer S.P. heeft toegebracht, de dood van deze laatste hebben veroorzaakt in de zin van art. 401 Sw. Hoewel het vaststaat dat de beklaagde P.J. niet het oogmerk had om het slachtoffer S.P. te doden, werd de dood van het slachtoffer veroorzaakt door de omstandigheid dat zij, ingevolge de haar door de beklaagde toegebrachte slagen, op de rijbaan is terechtgekomen, aangezien zij daar vrijwel onmiddellijk werd overreden door een voertuig. Zonder de haar door de beklaagde toegebrachte slagen zou het slachtoffer dan ook niet de dood hebben gevonden.

De bedenking dat het slachtoffer ook niet de dood zou hebben gevonden mocht de bestuurder van dat voertuig haar niet hebben overreden, is vanuit feitelijk oogpunt weliswaar correct, maar in deze context irrelevant, daar het overrijden van het slachtoffer door het voertuig van een derde slechts mogelijk was omdat het slachtoffer ingevolge de slagen van de beklaagde op de rijbaan is terechtgekomen, waar zij slechts luttele ogenblikken later werd overreden.

Het hof merkt vanuit een theoretisch standpunt in dit verband nog op dat, mocht een slachtoffer ingevolge hem onopzettelijk toegebrachte slagen op een rijbaan zijn terechtgekomen en daar worden overreden en de dood vinden, de dader van de desbetreffende onopzettelijk toegebrachte slagen in beginsel evenzeer schuldig zou zijn aan onopzettelijke doodslag. Het oorzakelijk verband tussen opzettelijk toegebrachte slagen en de dood van het slachtoffer, zoals bedoeld in het in art. 401 Sw. bedoelde misdrijf, dient naar het oordeel van het hof aldus op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd als het oorzakelijk verband tussen onopzettelijk toegebrachte slagen en de dood van een slachtoffer, zoals bedoeld in het in art. 418 en 419 Sw. bedoelde misdrijf. Het zou overigens ook ongerijmd zijn dat degene die onopzettelijk slagen toebrengt wel strafrechtelijk verantwoordelijk wordt geacht voor de aan deze slagen gerelateerde dood van het slachtoffer, terwijl de dader van opzettelijk toegebrachte slagen hiervoor niet strafrechtelijk verantwoordelijk zou zijn.

Het hof volgt het standpunt van de eerste rechter dan ook niet in zoverre in het bestreden vonnis wordt geoordeeld dat de dood van het slachtoffer in dezen te wijten is aan een toevallige oorzaak.

De beklaagde P.J. is aldus schuldig aan het opzettelijk, maar zonder het oogmerk om te doden, toebrengen van slagen of verwondingen aan S.P., waarbij die slagen of verwondingen toch de dood van deze laatste hebben veroorzaakt (art. 401 Sw.).

Ook de verzwarende omstandigheid dat de beklaagde P.J. het misdrijf pleegde tegen een persoon met wie hij heeft samengeleefd en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft gehad (art. 410 Sw.), is bewezen en wordt door de beklaagde ook niet betwist. De beklaagde verklaarde overigens zelf dat het slachtoffer zijn vriendin was en dat hij reeds sinds zes jaar een relatie met haar had.

...

Noot: 

• A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 208, nr. 256;

• R. Charles, E. Marcelis en C. Florival, “Coups et blessures” in RPDB, Compl. VIII, p. 262-264, nrs. 266-280.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 28/02/2015 - 18:05
Laatst aangepast op: za, 28/02/2015 - 18:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.