-A +A

Opzettelijke slagen of doden met ander slachtoffer dan beoogde slachtoffer tot gevolg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 22/04/2014

Artikel 392 Strafwetboek bepaalt: “Opzettelijk worden genoemd het doden en het toebrengen van letsel met het oogmerk om een bepaald persoon of een persoon die zal worden aangetroffen of ontmoet, aan te randen, ook al was dit oogmerk afhankelijk van enige omstandigheid of van enige voorwaarde en zelfs al heeft de dader zich vergist omtrent de persoon die het slachtoffer van de aanranding is geworden.”

Uit die bepaling volgt dat hij die beoogt een wel bepaalde persoon te doden of letsel toe te brengen, maar door een externe oorzaak een andere doodt of letsel toebrengt, opzettelijk handelt. De omstandigheid dat hij een andere heeft getroffen dan de persoon die door hem werd beoogd, belet niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld in de zin van artikel 392 Strafwetboek.

De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht een inverdenkinggestelde heeft verwezen naar het hof van assisen om er terecht te staan voor een bepaald feit, terwijl het de rechtspleging niet heeft geregeld voor een andere voor dit feit door de onderzoeksrechter inverdenkinggestelde persoon, levert als dusdanig geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging inclusief het recht op tegenspraak van de burgerlijke partijen, die hun burgerlijke rechtsvordering op dit feit steunen.

Zo het onderzoeksgerecht alsnog mocht beslissen om de inverdenkinggestelde, voor wie de rechtspleging niet werd geregeld, naar het hof van assisen te verwijzen, kunnen de burgerlijke partijen bij die behandeling door het hof van assisen al hun rechten laten gelden. Dit hof van assisen is bij zijn beoordeling niet gebonden door wat een eerder hof van assisen heeft beslist over een andere beschuldigde.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/14
Pagina: 
927
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(H.C., B.C., E.C., D.G., H.S. / S.K., A.K.)

I. Rechtspleging voor het Hof
De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 15 oktober 2013 (hierna arrest I), 22 oktober 2013 (hierna arrest II) en 23 oktober 2013 (hierna arrest III).

De eisers doen in hun memorie afstand van hun cassatieberoepen in zoverre gericht tegen het arrest III dat de verweerders tot straf veroordeelt.

De eisers doen in een op 16 april 2014 ter griffie van het Hof neergelegde akte afstand van hun cassatieberoepen voor zover die cassatieberoepen voorbarig zouden zijn.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Afstand van de cassatieberoepen
1. Het Hof slaat geen acht op de akte van de afstand die op 16 april 2014 ter griffie van het Hof werd neergelegd, dit is nadat de zaak op 1 april 2014 in beraad werd genomen.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
2. De beoordeling van de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen in zoverre gericht tegen het arrest I vergt een onderzoek van het eerste middel van de eisers.

Eerste middel
3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het arrest I verwerpt ten onrechte het verzoek van de eisers om de procedure te schorsen teneinde het onderzoeksgerecht toe te laten alsnog de procedure met betrekking tot de inverdenkingstelling van de verweerder 2 wegens moord op E.C. te regelen; vaststaat dat voor dat feit twee verdachten als daders-mededaders werden in verdenking gesteld, terwijl slechts ten aanzien van één van hen werd beslist over de verwijzing naar het hof van assisen; het hof van assisen is aldus geroepen om te beslissen over de vraag of de verweerder 1 zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt, terwijl zij zich niet mag uitspreken over datzelfde feit wat betreft de verweerder 2, hoewel die daarvoor was in verdenking gesteld en niet uitgesloten is dat over datzelfde feit met betrekking tot hem nog zal moeten worden geoordeeld; die omstandigheid is problematisch omwille van de mogelijkheid van tegenstrijdige beslissingen en een aantasting van het recht van partijen die nog een rechterlijke beslissing moeten vragen over een feit dat reeds werd beoordeeld; de eisers kunnen geen eerlijk proces meer krijgen omtrent het beginsel van aansprakelijkheid van de verweerder 2 voor zijn mogelijk aandeel in de moord op E.C. en omtrent de begroting van de gebeurlijke schade, aangezien reeds werd beslist dat deze moord werd uitgelokt, wat een element is dat een impact heeft op de begroting van de gebeurlijke schadevergoeding.

4. De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht een inverdenkinggestelde heeft verwezen naar het hof van assisen om er terecht te staan voor een bepaald feit, terwijl het de rechtspleging niet heeft geregeld voor een andere voor dit feit door de onderzoeksrechter inverdenkinggestelde persoon, levert als dusdanig geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging inclusief het recht op tegenspraak van de burgerlijke partijen, die hun burgerlijke rechtsvordering op dit feit steunen.

Zo het onderzoeksgerecht alsnog mocht beslissen om de inverdenkinggestelde, voor wie de rechtspleging niet werd geregeld, naar het hof van assisen te verwijzen, kunnen de burgerlijke partijen bij die behandeling door het hof van assisen al hun rechten laten gelden. Dit hof van assisen is bij zijn beoordeling niet gebonden door wat een eerder hof van assisen heeft beslist over een andere beschuldigde.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

5. Daaruit volgt dat de eisers geen belang hebben bij het aanvechten van het arrest I, dat weigert de procedure voor het hof van assisen te schorsen in afwachting van een regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht gelet op de inverdenkingstelling van de verweerder 2 voor het feit A.

In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest I, zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel
6. Het middel voert schending aan van artikel 392 Strafwetboek: op grond van de reden dat niet kan worden uitgesloten dat de eiser 2 per ongeluk werd geraakt toen de verweerder 1 aan het vuren was in de richting van E.C., zonder dat hij de intentie had daarbij de eiser 2 te raken, kon het hof van assisen met het arrest II de verweerder 1 niet vrijspreken voor poging van moord op de eiser 2, waarvoor de eisers vergoeding wensen te vorderen; de omstandigheid dat hij die een bepaalde persoon wil doden door een element onafhankelijk van zijn wil een andere persoon raakt, doet geen afbreuk aan het strafbare karakter van die handeling; de dader heeft immers wetens en willens de integriteit van een persoon willen schenden en dat hij daarbij buiten zijn wil een andere persoon treft dan deze die hij voor ogen had, doet daaraan geen afbreuk; de leer van de aberratio ictus geldt niet alleen in de hypothese dat de dader niet de beoogde persoon doodt, maar ook indien hij daarbij ook een andere doodt of verwondt; ook dan is de handeling opzettelijk, zelfs al heeft de dader dat specifieke resultaat niet gewild; ook de vrijspraak van de verweerder 2 aan de telastlegging B moet worden vernietigd, aangezien ze op dezelfde motieven is gesteund; het arrest is in elk geval niet naar recht verantwoord omdat het niet heeft onderzocht of de kans dat de eiser 2 zou getroffen worden aanmerkelijk was en of de verweerder 1 dat risico wetens en willens heeft aanvaard; de veroordeling wegens een opzettelijk misdrijf is in elk geval mogelijk indien uit de omstandigheden blijkt dat het treffen van een andere persoon een noodzakelijk of minstens een normaal gevolg was.

7. Artikel 392 Strafwetboek bepaalt: “Opzettelijk worden genoemd het doden en het toebrengen van letsel met het oogmerk om een bepaald persoon of een persoon die zal worden aangetroffen of ontmoet, aan te randen, ook al was dit oogmerk afhankelijk van enige omstandigheid of van enige voorwaarde en zelfs al heeft de dader zich vergist omtrent de persoon die het slachtoffer van de aanranding is geworden.”

8. Uit die bepaling volgt dat hij die beoogt een wel bepaalde persoon te doden of letsel toe te brengen, maar door een externe oorzaak een andere doodt of letsel toebrengt, opzettelijk handelt. De omstandigheid dat hij een andere heeft getroffen dan de persoon die door hem werd beoogd, belet niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld in de zin van artikel 392 Strafwetboek.

9. Het arrest II vermeldt als voornaamste redenen voor de beslissingen over de schuld onder meer wat volgt:

uit de behandeling op de rechtszitting is gebleken dat de verweerder 1 steeds heeft verklaard dat hij het was die met het pistool 9 mm heeft geschoten op E.C. en dat dit verenigbaar is met de vaststellingen van de kruitsporendeskundige;
de omstandigheid dat de verweerder 1 in een uitgesproken conflictueuze situatie met het pistool 9 mm heeft gevuurd op E.C. toont aan dat het ontegensprekelijk zijn bedoeling was om hem te doden, wat wordt bevestigd door de vaststelling dat volgens de getuigenissen op de rechtszitting alsook de verklaringen van de verweerders zelf, de verweerder 1 zich onmiddellijk na de schietpartij niet heeft bekommerd om de door hem aangeschoten E.C. en dit niettegenstaande hij na het dodelijk schot nog is toegestapt op de zieltogende E.C., die enkele uren later in het ziekenhuis is overleden;
de jury is dan ook van oordeel dat de verweerder 1 opzettelijk en met het oogmerk om te doden, E.C. heeft gedood;
uit geen enkel zeker en vaststaand gegeven blijkt dat de verweerder 1 opzettelijk de eiser 2 heeft pogen te doden;
er kan niet worden uitgesloten dat de eiser 2 per ongeluk werd geraakt toen de verweerder 1 aan het vuren was in de richting van E.C., zonder dat hij de intentie had daarbij de eiser 2 te raken;
er bestond voor de verweerder 1 ook geen reden om te vuren op de eiser 2, waarvan niet bewezen is dat hij over een vuurwapen beschikte, zodat het onwaarschijnlijk is dat de verweerder 1 opzettelijk in de richting van de eiser 2 zou hebben gevuurd of enige handeling zou hebben gesteld met de bedoeling te pogen diens dood te bewerkstelligen;
om dezelfde redenen is het wat betreft de verweerder 2 niet bewezen dat hij opzettelijk zou hebben gepoogd de eiser 2 te doden, te meer niet bewezen is dat hij ooit het vuurwapen van de verweerder 1 in zijn handen zou hebben gehad tijdens het schietincident;
evenmin is uit de behandeling op de rechtszitting gebleken dat de verweerder 2 enige handeling zou hebben gesteld of enige houding aan de dag zou hebben gelegd waardoor hij als mededader aan de poging tot doodslag op de eiser 2 zou kunnen worden beschouwd;
er blijkt nergens uit dat de verweerder 2 hieraan op enigerlei wijze zou hebben meegewerkt of dat hij hierbij enige hulp zou hebben geboden.
10. Het oordeel dat de verweerder 1 zich niet heeft schuldig gemaakt aan het feit B is aldus gesteund op de onjuiste stelling dat er in hoofde van de verweerder 1 geen opzet is aangetoond omdat niet kan worden uitgesloten dat hij bij het willen doden van E.C. door op hem te vuren, de eiser 2 heeft geraakt, zonder dat hij de bedoeling had die laatste te raken. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

In zoverre het middel betrekking heeft op de met het arrest II verleende vrijspraak van de verweerder 1 voor het feit B in de mate dat die beslissing als grondslag dient voor de door de eisers ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, is het gegrond.

11. Het arrest II grondt de vrijspraak van de verweerder 2 voor het feit B onder meer op de niet door het middel bekritiseerde redenen dat niet bewezen is dat hij ooit het vuurwapen van de verweerder 1 in zijn handen zou hebben gehad tijdens het schiet­incident, dat uit de behandeling op de rechtszitting niet is gebleken dat de verweerder 2 enige handeling zou hebben gesteld of enige houding aan de dag zou hebben gelegd waardoor hij als mededader aan de poging tot doodslag op de eiser 2 zou kunnen worden beschouwd en dat nergens uit blijkt dat de verweerder 2 hieraan op enigerlei wijze zou hebben meegewerkt of dat hij hierbij enige hulp zou hebben geboden. Die redenen schragen de bekritiseerde beslissing.

In zoverre het middel betrekking heeft op de met het arrest II verleende vrijspraak van de verweerder 2 voor het feit B in de mate dat die beslissing als grondslag dient voor de door de eisers ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, kan het niet leiden tot cassatie en is het niet ontvankelijk.

Derde middel
12. Het middel voert schending aan van artikel 259 Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 418 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest II kon gelet op de vaststelling dat de eiser 2 werd geraakt toen de verweerder 1 aan het vuren was in de richting van E.C., maar dat het niet bewezen is dat de verweerder 1 daarbij de bedoeling had om ook de eiser 2 te raken, de verweerder 1 niet zonder meer vrijspreken voor de telastlegging B, op grond waarvan de eiser 2 vergoeding wil vorderen; uit die vaststelling blijkt dat de schade werd veroorzaakt door een onopzettelijke handeling van de verweerder 1, zodat het hof van assisen verplicht was het feit te herkwalificeren naar onopzettelijke slagen of verwondingen.

13. Dit middel, dat uitsluitend betrekking heeft op de aan de verweerder 1 voor het feit B verleende vrijspraak, kan niet leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing. Het behoeft dan ook geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand voor zover de cassatieberoepen gericht zijn tegen het arrest van 23 oktober 2013.

Vernietigt het arrest van 22 oktober 2013 in de mate dat de beslissing de verweerder 1 vrij te spreken voor het feit B als grondslag dient voor de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de verweerder 1 tot 1/4 van de kosten.

Veroordeelt de eisers tot de overige kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen, anders samengesteld, rechtszitting houdend zonder jury.

Bepaalt de kosten op (…)

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 12:20
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 12:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.