-A +A

Opzettelijke brandstichting door echtgenoot in gemeenschappelijke woning. Ander echtgenoot heeft recht op vergoding van haar aandeel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 07/10/2002

Alleen bij verzuim met bedrieglijk opzet is de verzekering conform art. 7.6 gerechtigd de dekking te weigeren ten aanzien van de verzekeringsnemer die de overeengekomen verplichtingen niet naleeft.

De verzekering toont niet aan welk verzuim met bedrieglijk opzet aan de mede-eigenaar kan worden toegeschreven. De opzettelijke brandstichting door haar broer kan aan geïntimeerde niet worden toegerekend en zij dient hiervan evenmin de nadelige gevolgen te dragen.

Enige tekortkoming van geïntimeerde bij de uitvoering te goeder trouw wordt niet aangetoond en kan in geen enkele omstandigheid aanleiding zijn om dekking te weigeren.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
509
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV De V. t/ P.

Tegen het bestreden vonnis op tegenspraak uitgesproken door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout op 9 januari 2001, waarvan geen akte van betekening wordt meegedeeld, wordt bij verzoekschrift ingediend ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 1 juni 2001 naar vorm en termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep ingesteld.

Wat voorafgaat

De vordering van geïntimeerde strekt ertoe appellante te veroordelen om aan haar te betalen de met intresten en kosten te vermeerderen som van 38.095,24 euro (= 1.536.758: 40,3399) op grond van een door appellante en haar broer T.P. op 7 april 1992 onderschreven polis type (...) voor het pand gelegen te Mol, (...), dat op 8 februari 1994 door een brandramp werd vernield.

De medeverzekeringnemer, T.P., heeft deze brand opzettelijk gesticht en werd hiervoor veroordeeld door de Correctionele Rechtbank te Turnhout op 13 september 1995, bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 25 juni 1997 waartegen de voorziening tot cassatie werd verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie van 9 maart 1999.

Appellante weigert dekking te verlenen op grond van art. 8 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst dat luidt als volgt: «Niettegenstaande enig andersluidend beding, kan de verzekeraar niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.» Er zou tevens oververzekering zijn.

Volgens appellante heeft geïntimeerde geen rechtmatig belang en is de vordering onontvankelijk. Bovendien worden de gevorderde schadebedragen betwist.

Het bestreden vonnis verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond. De eerste rechter overweegt dat voormeld art. 8 van de wet van 25 juni 1992 geen toepassing vindt, omdat de brand niet door geïntimeerde, maar door haar broer werd veroorzaakt, (...).

Betwisting voor het Hof

Appellante vraagt het bestreden vonnis te hervormen, de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en geïntimeerde te verwijzen in de kosten van beide aanleggen.

Standpunt van appellante

In hoger beroep handhaaft appellante niet langer haar voor de eerste rechter gevoerde verweer tegen de door geïntimeerde ingestelde vordering. Zij baseert thans haar weigering om dekking te verlenen op art. 7.1 en art. 7.6 van de polis, die luiden als volgt:

– art. 7.1: «Waartoe is u verplicht bij schadegeval? U moet altijd de gebruikelijke voorzorgen nemen om schade te voorkomen. Wij verlenen geen dekking indien u de specifieke maatregelen ter voorkoming van schade die in de polis zijn opgelegd niet heeft getroffen of niet heeft gehandhaafd; bedoeld zijn maatregelen met betrekking tot de materiële staat van de verzekerde goederen of de middelen tot beveiliging ervan. Dit geldt niet indien u bewijst dat het verzuim geen verband houdt met het schadegeval.»

– art. 7.6: «Wat gebeurt er bij niet-naleving van een van de voornoemde verplichtingen? Indien de verzekerde een van de voornoemde verplichtingen niet nakomt hebben wij het recht:

– bij verzuim met bedrieglijk opzet, de dekking te weigeren;

– in de andere gevallen, de vergoeding te verminderen of terug te vorderen tot beloop van het door ons geleden nadeel.»

Volgens appellante is art. 7.6 in overeenstemming met art. 11 van de wet van 25 juni 1992 dat een aantal voorwaarden voorziet voor een geldige vervalclausule en weet de verzekerde perfect wat van hem wordt verwacht. Omdat de heer P. voor opzettelijke brandstichting werd veroordeeld, meent appellante niet gehouden te zijn enige vergoeding aan geïntimeerde uit te keren.

Subsidiair, in geval van tegenstrijdigheid tussen art. 7.6 van de brandpolis en art. 11 van de wet van 25 juni 1992, beroept appellante zich op art. 1134 en 1135 B.W., zodat bij uitvoering te goeder trouw de verzekerde verplicht is bepaalde voorkomingsmaatregelen te nemen, met name in geval van onmiddellijk dreigend schadegeval.

Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

Standpunt van geïntimeerde

Volgens geïntimeerde vormen het gebrek aan «de gebruikelijke voorzorgen», het «verzuim met bedrieglijk opzet» en het gebrek aan «uitvoering te goeder trouw» een afgezwakte versie van de opzettelijke brandstichting, kunnen die gebreken uitsluitend worden toegeschreven aan de broer van geïntimeerde, medeverzekerde, en kan het algemeen verval enkel laatstgenoemde treffen tot beloop van zijn onverdeelde helft, zonder aantasting van de rechten van geïntimeerde.

Beoordeling

Na het proces-verbaal van eindelijke toewijzing van 29 mei 1989 worden krachtens notariële akte van 27 juli 1989 geïntimeerde en haar broer, de heer T.P., ieder voor de helft eigenaar van het pand. Laatstgenoemden sluiten in hun hoedanigheid van eigenaar de polis type (...) bij appellante af.

Geïntimeerde claimt enkel vergoeding voor de helft van het pand.

Alleen bij verzuim met bedrieglijk opzet is appellante conform art. 7.6 gerechtigd de dekking te weigeren ten aanzien van de verzekeringsnemer die de overeengekomen verplichtingen niet naleeft. Appellante toont niet aan welk verzuim met bedrieglijk opzet aan geïntimeerde kan worden toegeschreven. De opzettelijke brandstichting door haar broer kan aan geïntimeerde niet worden toegerekend en zij dient hiervan evenmin de nadelige gevolgen te dragen. Enige tekortkoming van geïntimeerde bij de uitvoering te goeder trouw wordt niet aangetoond en kan in geen enkele omstandigheid aanleiding zijn om dekking te weigeren.

Omdat het standpunt van appellante geen steun vindt in de contractuele bepalingen, vergt de geldigheid van die bedingen geen nader onderzoek.

Tegen de omvang van de door de eerste rechter toegekende vergoeding in hoofdsom en intresten voert appellante geen verdere grieven aan. Deze vergoeding is gegrond om redenen in het bestreden vonnis vermeld. De toegekende schadevergoeding is in overeenstemming met de minnelijke bepaling van de schadevergoeding, zoals op 8 maart 1994 tussen appellante en de verzekeringsnemers overeengekomen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 04/05/2016 - 15:07
Laatst aangepast op: wo, 04/05/2016 - 15:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.