-A +A

Opzegging voor eigen exploitatie – Verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet en het daarna verpacht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 23/11/2017
A.R.: 
133/2017

- Artikel 9, tweede lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, van het Burgerlijk Wetboek (« Regels betreffende de pacht in het bijzonder ») schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten, verbiedt de pachtovereenkomst op te zeggen voor de overdracht van de exploitatie aan een van de in artikel 7, 1°, limitatief opgesomde personen.

- Artikel 9, tweede lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, van het Burgerlijk Wetboek (« Regels betreffende de pacht in het bijzonder ») schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten, toestaat de pachtovereenkomst op te zeggen voor de overdracht van de exploitatie aan een van de in artikel 7, 1°, limitatief opgesomde personen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
940
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 133/2017

Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a) Bij vonnis van 17 november 2016 (...), heeft de vrederechter van het eerste kanton Ieper de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schendt art. 9, tweede lid, in fine van de Pachtwet (...) de artt. 10 en 11 Gw. in die zin gelezen dat het ook niet toelaat dat een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet en nadien heeft verpacht, als reden van pachtbeëindiging de exploitatie door zijn afstammelingen en/of aanverwanten inroept, terwijl in de regel conform onder andere de artt. 7, 1o, 8 §§ 1 en 2 en art. 9 Pachtwet steeds deze categorieën tevens mede in aanmerking komen ten voordele van wie de verpachter opzegging van pacht kan geven, onverminderd specifieke uitzonderingen?»

b) Bij vonnis van 21 november 2016 (...) heeft de vrederechter van het kanton Moeskroen-Komen-Waasten de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schendt art. 9, tweede lid, van de wet van 4 november 1969, die afdeling 3 van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt, de artt. 10 en 11 Gw., in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de verpachter die zijn gronden heeft verpacht en de verpachter die zijn exploitatie heeft verpacht na de stopzetting van zijn bedrijf, op basis van criteria die niet relevant zijn en die niet overeenstemmen met het voornemen van de wetgever in verband met de antecedenten van de verpachter?»

...

In rechte

...

Wat de in het geding zijnde bepaling betreft

B.1.1. De wet van 4 november 1969 «tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen», «Pachtwet» genaamd, vormt afdeling 3 («Regels betreffende de pacht in het bijzonder») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 9 van deze wet bepaalt:

«De exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggenomen op grond van bij artikelen 7, 1o, en 8, bepaalde reden, moet een persoonlijke, werkelijke en ten minste negen jaar voortgezette exploitatie zijn door degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen of, indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders en niet alleen door hun aangestelden.

«De opzeggingsreden bestaande in de persoonlijke exploitatie kan evenwel niet worden aangevoerd door personen noch, indien het om rechtspersonen gaat, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders die, op het ogenblik van het verstrijken van de opzeggingstermijn, de leeftijd van 65 jaar zouden hebben bereikt of de leeftijd van 60 jaar wanneer het een persoon betreft die niet gedurende ten minste drie jaar landbouwexploitant is geweest; degene die na de stopzetting van zijn landbouwbedrijf het bedrijf verpacht, kan evenmin die reden aanvoeren.

«De opzegging voor persoonlijke exploitatie kan evenmin als reden worden aangevoerd door de titularis van een vruchtgebruik gevestigd onder de levenden door de wil van de mens.

«Degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen en indien zij rechtspersonen zijn, hun verantwoordelijke organen of bestuurders moeten:

– ofwel houder zijn van een getuigschrift of diploma afgegeven na het volgen met goed gevolg van een landbouwcursus of van onderwijs aan een land- of tuinbouwschool;

– ofwel landbouwexploitant zijn of geweest zijn in de voorbije periode van vijf jaar gedurende ten minste één jaar;

– ofwel reeds effectief gedurende ten minste één jaar aan een landbouwexploitatie hebben deelgenomen.

«De rechtspersonen bedoeld in dit artikel moeten opgericht zijn overeenkomstig de wet van 12 juli 1979 «tot instelling van de landbouwvennootschap» of in de vorm van een personenvennootschap of een eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Daarenboven moeten degenen die als bestuurder of zaakvoerder de leiding hebben van de activiteit die in de vennootschap wordt gevoerd, daadwerkelijke arbeid verrichten op het landbouwbedrijf.»

Art. 7 van dezelfde wet bepaalt:

«De verpachter kan bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde maken aan de pacht, indien hij van een ernstige reden doet blijken. Ongeacht de in artikel 6 bedoelde redenen kunnen als ernstige redenen uitsluitend worden aanvaard:

1° het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen.

«Ingeval het pachtgoed medeëigendom is of wordt van verscheidene personen, kan aan de pachtovereenkomst slechts een einde worden gemaakt voor de persoonlijke exploitatie ten behoeve van een medeëigenaar, zijn echtgenoot, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen, of die van zijn echtgenoot of van de echtgenoot van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen, voor zover die medeëigenaar ten minste de onverdeelde helft van het pachtgoed bezit of zijn deel heeft verkregen door erfopvolging of legaat;

[...]»

Art. 8, § 1, van dezelfde wet bepaalt:

«Gedurende elk van de opeenvolgende pachtperiodes, met uitsluiting van de eerste en de tweede, kan de verpachter, in afwijking van artikel 4, een einde maken aan de pacht om zelf het verpachte goed geheel te exploiteren of de exploitatie ervan geheel over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad.

«De bepalingen van artikel 7, 1o, tweede lid, zijn van toepassing.»

B.1.2. In zijn oorspronkelijke versie bepaalde art. 9 van de Pachtwet:

«De exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggenomen op grond van de bij artikels 7, 1o, en 8 bepaalde reden, moet een persoonlijke, werkelijke en ten minste negen jaar voortgezette exploitatie zijn door degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen en, indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of beheerders en niet alleen door hun aangestelden.»

De artt. 7, 1o, en 8 van de Pachtwet bepaalden reeds dat de reden van de persoonlijke exploitatie eveneens betrekking had op de overdracht van de exploitatie aan de echtgenoot, de afstammelingen van de verpachter of zijn aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot. Art. 9 verzekerde een minimum aan waarborgen voor de uitgezette pachter door een persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie door de begunstigde van de opzegging te vereisen.

B.1.3. De wet van 7 november 1988 «tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen» heeft enerzijds de lijst uitgebreid van de bloedverwanten die het voordeel van de door de verpachter aangevoerde reden van persoonlijke exploitatie kunnen genieten en, anderzijds, de terugnemingsvoorwaarden verstrengd voor de persoonlijke exploitatie door de verpachter.

Uit de parlementaire voorbereiding van deze wet blijkt dat de wetgever, met behoud van «een evenwicht [...] tussen enerzijds de belangen van de pachter met het oog op zijn bedrijfszekerheid en anderzijds die van de verpachter die in landeigendommen geïnvesteerd heeft», de positie van de pachter heeft willen verstevigen ten aanzien van de eigenaar die de pacht wil opzeggen (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 171/40, p. 7, 8, 11, 47 en 133).

...

B.3.1. Uit de feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen blijkt dat de verwijzende rechters het Hof vragen of art. 9, tweede lid in fine van de Pachtwet de artt. 10 en 11 Gw. schendt, in zoverre het een verschil in behandeling zou doen ontstaan onder kandidaten die dezelfde kwalificaties hebben voor de terugneming van een landbouwbedrijf wanneer dat artikel in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet en nadien heeft verpacht, verbiedt de pachtovereenkomst te beëindigen teneinde die over te dragen aan een persoon die voldoet aan alle voorwaarden inzake leeftijd, verwantschapsband en beroepsbekwaamheid vereist bij de artt. 7, 1o, 8 en 9 van dezelfde wet.

B.3.2. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een regeling, de pachtwetgeving, die er in essentie toe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de verpachters en de belangen van de pachters. Teneinde de bedrijfszekerheid van de pachter te waarborgen, is de mogelijkheid om de pachtovereenkomst eenzijdig op te zeggen aan strikte voorwaarden onderworpen.

De wil om de pachters meer bedrijfszekerheid te bieden door stabiliteit te waarborgen voor hun investeringen op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de pachtovereenkomst, vormt over het algemeen het doel van de pachtwetgeving.

B.3.3. Wanneer de wetgever de wet van 4 november 1969 heeft gewijzigd, heeft hij uitdrukkelijk aangegeven dat hij de mogelijkheden van opzegging voor persoonlijke exploitatie wilde beperken en dat die opzegging «voortaan alleen mogelijk [is] ten voordele van personen beneden de pensioenleeftijd [...] of met voldoende beroepservaring» (Parl.St. Kamer 1988, nr. 531/3, p. 3 en 8, Parl.St. Senaat 1986-1987, nr. 586-2, p. 3).

Wat meer in het bijzonder de wil om misbruiken te voorkomen betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding: «Het gebeurt maar al te vaak dat een eigenaar-niet-landbouwer, die de opzegging betekent zogezegd met het oog op «eigen exploitatie», gelijk haalt. Het volstaat soms dat hij zelf zou kunnen exploiteren en allerhande, op het eerste gezicht aanvaardbare redenen opgeeft waarvan de appreciatie volledig in de handen ligt van de vrederechter, die niet altijd een deskundige is ter zake. Vele hectaren landbouwgrond worden zo aan hun bestemming onttrokken» (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 156/1, p. 4).

B.3.4. Door in art. 9, tweede lid Pachtwet twee specifieke uitsluitingsgronden toe te voegen aan de algemene voorwaarden waarin tot dan toe was voorzien om de opzegging van een pachtovereenkomst met het oog op de persoonlijke exploitatie te verantwoorden, wilde de wetgever voorkomen dat een te oude verpachter of een verpachter die reeds een einde heeft gemaakt aan zijn loopbaan als landbouwer, een opzegging zou kunnen doen voor zichzelf.

In beide gevallen is het de bedoeling van de wetgever dat er een grote bescherming wordt geboden aan de actieve landbouwbevolking (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 171/40, p. 179), door de opzegging met het oog op de persoonlijke exploitatie door de verpachter zelf, uit te sluiten wanneer vaststaat dat de verpachter zijn loopbaan als landbouwer reeds heeft beëindigd, of wanneer de leeftijd van de verpachter het mogelijk maakt redelijkerwijs te veronderstellen dat de verpachter zijn loopbaan als landbouwer zou kunnen beëindigen (art. 9, eerste lid Pachtwet).

B.3.5. In het licht van die doelstelling is het redelijk verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling de opzegging voor persoonlijke exploitatie door de verpachter zelf, uitsluit wanneer die verpachter eerder zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten.

B.4.1. Die doelstelling zou echter niet verantwoorden dat voor de verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten, de opzegging van de pacht ten voordele van zijn afstammelingen en bloedverwanten eveneens is uitgesloten.

Een interpretatie van de in het geding zijnde bepaling luidens welke de verpachter die zijn exploitatie heeft stopgezet en ze na die stopzetting heeft verpacht, de pachtovereenkomst niet kan beëindigen op grond van persoonlijke exploitatie door hemzelf of door een van de in de artt. 7, 1o, en 8, § 1 Pachtwet bedoelde personen, is dus in tegenspraak met de wil van de wetgever om de opzegging voor persoonlijke exploitatie beter te definiëren teneinde de misbruiken door de verpachters te voorkomen, waarbij een billijk evenwicht wordt behouden tussen de belangen van de verpachters en die van de pachters.

In die interpretatie is art. 9, tweede lid Pachtwet niet verenigbaar met artt. 10 en 11 Gw.

B.4.2. Een andere interpretatie van art. 9, tweede lid, in fine Pachtwet in overeenstemming met de door de wetgever nagestreefde doelstelling, is evenwel mogelijk. Zij is gebaseerd op een lezing van die bepaling in samenhang met de artt. 7, eerste lid, 1o, en 8, § 1, van dezelfde wet en geeft aan de in het geding zijnde bepaling een nuttige werking in overeenstemming met de artt. 10 en 11 Gw.

De opzegging gedaan door een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het nadien te verpachten, om reden van persoonlijk gebruik ten voordele van zijn afstammelingen of bloedverwanten die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in art. 9 Pachtwet, handhaaft uitdrukkelijk de landbouwbestemming van de gronden en verzekert het familiale karakter van de exploitatie, welke doelstelling door de wetgever werd nagestreefd.

In die zin begrepen is de voorwaarde van art. 9, tweede lid, in fine Pachtwet slechts van toepassing wanneer de verpachter een opzegging doet met de bedoeling zijn goed zelf uit te baten en maakt zij het aldus mogelijk te voorkomen dat gronden aan hun landbouwbestemming worden onttrokken.

In die interpretatie is de in art. 9, tweede lid, in fine Pachtwet vastgestelde voorwaarde niet onverenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/02/2018 - 12:04
Laatst aangepast op: di, 20/02/2018 - 20:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.