-A +A

Opzegging mondelinge huurcontracten woninghuur door de huurder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
zat, 01/12/2012

Ook mondelinge niet op schrift gestelde en niet geregistreerde huurovereenkomsten kunnen volgens artikel 3 §5 te allen tijde opgezegd met opzeggingstermijn van 3 maand.

Artikel 3 § 5 lid 3 Woninghuurwet is eveneens van toepassing op mondelinge huurovereenkomsten.

De tekst van artikel 3 § 5 lid 3 Woninghuurwet sluit niet uit dat die bepaling wordt toegepast op mondelinge woninghuurovereenkomsten.

Uit de combinatie van artikel 3 § 5 lid 3 Woninghuurwet met de artikels 1bis, 5bis en 12 Woninghuurwet vloeit voort dat de verhuurder verplicht is de mondelinge huurovereenkomst op schrift te doen stellen en dat geschrift ter registratie aan te bieden.

Indien de verhuurder nalaat dit te doen, moet, gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstelling, de sanctie bedoeld in artikel 3 § 5 lid 3 Woninghuurwet ook op hem van toepassing zijn, ook al bestaat er geen geschreven of geregistreerde overeenkomst.
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2012
Pagina: 
103
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[ ... ]

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij vonnis van 5 april 2011 in zake […] waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 april 2011, heeft de Vrederechter van het kanton VeurneNieuwpoort de volgende prejudiciële vragen gesteld:

- “Schendt artikel 3, § 5, derde lid, Woninghuurwet (ingevoegd door artikel 73 van de programmawet (I) van 27 december 2006 (B. S. 28 december 2006, derde uitgave)), in werking vanaf 1 juli 2007, ten overstaan van de huurders die na 15 juni 2007 een woning huren als hoofdverblijfplaats en met wie daaromtrent een mondelinge huurovereenkomst tot stand gekomen is, de artikelen 10, 11 en/of 23 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat in geval er na 15 juni 2007 een mondelinge woninghuurovereenkomst van negen jaar tot stand gekomen is, de regeling van artikel 3, § 5, derde lid, Woninghuurwet niet van toepassing zou zijn, terwijl artikel 3, § 5, derde lid, Woninghuurwet wel toepasselijk is op de huurders die na 15 juni 2007 een woning huren als hoofdverblijfplaats en met wie daaromtrent een niet geregistreerde schriftelijke woninghuurovereenkomst van negen jaar tot stand gekomen is ?”;

- “Schendt artikel 3, § 5, derde lid, Woninghuurwet (ingevoegd door artikel 73 van de programmawet (I) van 27 december 2006 (B. S. 28 december 2006, derde uitgave)), in werking vanaf 1 juli 2007, ten overstaan van de huurders die vóór 15 juni 2007 een woning huren als hoofdverblijfplaats en met wie daaromtrent een mondelinge huurovereenkomst tot stand gekomen is, de artikelen 10, 11 en/of 23 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat in geval er vóór 15 juni 2007 een mondelinge woninghuurovereenkomst van negen jaar tot stand gekomen is, de regeling van artikel 3, § 5, derde lid, Woninghuurwet niet van toepassing zou zijn, terwijl artikel 3, § 5, derde lid, Woninghuurwet wel toepasselijk is op de huurders die vóór 15 juni 2007 een woning huren als hoofdverblijfplaats en met wie daaromtrent een niet geregistreerde schriftelijke woninghuurovereenkomst van negen jaar tot stand gekomen is ?”.

[ ... ]

II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
III.
De eisers en de verweerder in het bodemgeschil sluiten op 1 december 2007 een mondelinge huurovereenkomst voor een woning die de huurder (verweerder) tot hoofdverblijfplaats dient. De verwijzende rechter stelt vast dat de mondelinge woninghuurovereenkomst die tot stand kwam tussen partijen, moet worden geacht te zijn aangegaan voor een periode van negen jaar.

In het derde jaar na het sluiten van de overeenkomst – in maart 2010 – verlaat de huurder voortijdig de woning. Zonder enige opzeggingstermijn in acht te nemen en zonder een opzeggingsvergoeding te betalen, maakt hij een einde aan de overeenkomst.

De verhuurders dagvaarden daarop de huurder voor de vrederechter. Zij eisen de wettelijke opzeggingsvergoeding waarop de verhuurder recht heeft als de huurder de woninghuurovereenkomst beëindigt tijdens de eerste driejarige periode van de duur van de overeenkomst. De verweerder meent evenwel dat hij de woning zonder inachtneming van een opzeggingstermijn en zonder opzeggingsvergoeding kon verlaten, aangezien de woninghuurovereenkomst niet was geregistreerd.

Volgens artikel 3, § 5, eerste en tweede lid, van de Woninghuurwet kan de huurder de woninghuurovereenkomst te allen tijde beëindigen. Hij moet daarbij een opzeggingstermijn van drie maanden in acht nemen. Bij beëindiging tijdens de eerste driejarige periode van de duur van de overeenkomst, is hij bovendien een vergoeding verschuldigd. Volgens het derde lid van dezelfde bepaling gelden de verplichte opzeggingstermijn en de eventuele opzeggingsvergoeding evenwel niet zolang de verhuurder de huurovereenkomst niet heeft geregistreerd.

Voor de huurder die gebonden is door een schriftelijke huurovereenkomst, betekent zulks dat hij, zolang de verhuurder de huurovereenkomst niet heeft laten registreren, de huurovereenkomst zonder opzeggingstermijn en zonder opzeggingsvergoeding kan beëindigen. In zijn vonnis merkt de verwijzende rechter evenwel op dat een mondelinge huurovereenkomst als zodanig niet ter registratie kan worden aangeboden. Wanneer dat betekent dat het derde lid van artikel 3, § 5, van de Woninghuurwet geen toepassing vindt op mondelinge huurovereenkomsten, kan de huurder de overeenkomst nooit beëindigen zonder een opzeggingstermijn te respecteren en zonder in voorkomend geval een opzeggingsvergoeding te betalen.

De verplichte opzeggingstermijn en eventuele opzeggingsvergoeding zouden dus gelden voor de huurder die gebonden is door een niet-geregistreerde mondelinge huurovereenkomst, terwijl zij niet gelden voor de huurder die gebonden is door een niet-geregistreerde schriftelijke huurovereenkomst. De verwijzende rechter vraagt zich af of die rechtssituatie bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet.

IV. In rechte [ ... ]
V.
B.1.1. Artikel 3, § 5, eerste tot derde lid, van van het Burgerlijk Wetboek (hierna: de Woninghuurwet) luidt sinds de wijziging ervan bij artikel 73 van de programmawet (I) van 27 december 2006 als volgt:

“De huurder kan de huurovereenkomst op ieder tijdstip beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.

Indien de huurder de huurovereenkomst evenwel beëindigt tijdens de eerste driejarige periode, heeft de verhuurder recht op een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan drie maanden, twee maanden of één maand huur naargelang de huurovereenkomst een einde neemt gedurende het eerste, het tweede of het derde jaar.

Zolang het huurcontract niet geregistreerd is na de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 32, 5°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zijn zowel de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn als de in het tweede lid bedoelde vergoeding niet van toepassing”.

B.1.2. Het derde lid van artikel 3, § 5, van de Woninghuurwet is de in het geding zijnde bepaling. De ratio legis van die bepaling is het voorzien in een effectievere bescherming van de huurder bij de verkoop van het gehuurde goed (Parl. St., Kamer, 2006- 2007, DOC 51-2773/001, pp. 53 en 56). Door de registratie verkrijgt de huurovereenkomst immers vaste dagtekening in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Woninghuurwet, zodat de verkrijger om niet of onder bezwarende titel in de rechten en verplichtingen van de verhuurder op de datum van het verlijden van de authentieke akte treedt, zelfs indien de huurovereenkomst het recht van uitzetting in geval van vervreemding bedingt.

B.1.3. Krachtens artikel 5bis van de Woninghuurwet rust de verplichting van de registratie van de huurovereenkomst op de verhuurder. De kosten verbonden aan een eventueel laattijdige registratie zijn krachtens die bepaling volledig te zijnen laste.
Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2. In de interpretatie van de verwijzende rechter is de in het geding zijnde bepaling slechts van toepassing op niet-geregistreerde schriftelijke huurovereenkomsten, en niet op mondelinge huurovereenkomsten, die niet geregistreerd zijn.

Die interpretatie heeft als gevolg dat in geval van een mondelinge huurovereenkomst de huurder steeds de opzeggingstermijn van drie maanden in acht dient te nemen en dat hij in voorkomend geval zal zijn gehouden tot betaling van de opzeggingsvergoeding, terwijl in het geval van een schriftelijke huurovereenkomst de huurder is ontslagen van de opzeggingstermijn en de opzeggingsvergoeding indien de verhuurder ze niet registreert. Bovendien is in die interpretatie de huurder in het geval van een mondelinge huurovereenkomst evenmin beschermd bij verkoop van het gehuurde goed, hoewel dit de bedoeling van de wetgever was.

In die interpretatie bestaat er bijgevolg een verschil in behandeling tussen de huurder die een schriftelijke maar door de verhuurder niet geregistreerde huurovereenkomst heeft gesloten en de huurder die een mondelinge huurovereenkomst heeft gesloten.

B.3. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, te weten het al dan niet schriftelijke karakter van de woninghuurovereenkomst.

Het verschil in behandeling is evenwel niet pertinent in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. De huurder die is gebonden door een mondelinge woninghuurovereenkomst, heeft immers evenzeer belang bij de bescherming waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet.

In die interpretatie is artikel 3, § 5, derde lid,van de Woninghuurwet niet bestaanbaa rmet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4. De in het geding zijnde bepaling is echter voor een andere interpretatie vatbaar. De tekst van artikel 3, § 5, derde lid, van de Woninghuurwet sluit niet uit dat die bepaling wordt toegepast op mondelinge woninghuurovereenkomsten. Uit de combinatie van die bepaling met de artikelen 1bis, 5bis en 12 van de Woninghuurwet vloeit bovendien voort dat de verhuurder verplicht is de mondelinge huurovereenkomst op schrift te doen stellen en dat geschrift ter registratie aan te bieden.

Krachtens artikel 1bis van de Woninghuurwet dient van elke huurovereenkomst die betrekking heeft op de hoofdverblijfplaats van de huurder, een geschrift te worden gesteld. De meest gerede contracterende partij kan bij gebreke van uitvoering binnen acht dagen na een ingebrekestelling die wordt betekend bij een ter post aangetekende brief of bij deurwaardersexploot, de andere partij in voorkomend geval via gerechtelijke weg verplichten om een schriftelijke overeenkomst op te stellen. Indien nodig, kan zij krachtens dezelfde bepaling verzoeken dat het vonnis de waarde zou hebben van een schriftelijke huurovereenkomst.

Nu de registratieplicht krachtens artikel 5bis van de Woninghuurwet op de verhuurder rust, dient hij, zelfs bij weigering van de huurder, artikel 1bis toe te passen. Krachtens artikel 12 van de Woninghuurwet zijn die bepalingen immers van dwingend recht.
Indien de verhuurder nalaat dit te doen dient, gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstelling, de sanctie bedoeld in de in het geding zijnde bepaling ook op hem van toepassing te zijn, ook al bestaat er geen geschreven, laat staan een geregistreerde, overeenkomst.

In die interpretatie bestaat het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling niet, draagt de in het geding zijnde bepaling bij tot het waarborgen van het recht op behoorlijke huisvesting beoogd in artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet, en is bijgevolg artikel 3, § 5, derde lid, van de Woninghuurwet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.5.1. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het verschil in behandeling dat ingevolge artikel 3, § 5, derde lid, van de Woninghuurwet bestaat tussen huurovereenkomsten die werden gesloten vóór de inwerkingtreding van die bepaling, al naargelang het een mondelinge huurovereenkomst of een schriftelijke huurovereenkomst betreft, al dan niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.5.2. De in het geding zijnde bepaling werd ingevoerd bij artikel 73 van de programmawet (I) van 27 december 2006. Zij trad, overeenkomstig artikel 75 van diezelfde wet, in werking op 1 juli 2007.

Artikel 1bis van de Woninghuurwet werd ingevoerd door artikel 2 van de wet van 26 april 2007 houdende bepalingen inzake de woninghuur en trad in werking op 15 juni 2007.
B.5.3. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de mondelinge huurovereenkomst tot stand kwam op 1 december 2007.

Een antwoord op de tweede prejudiciële vraag is bijgevolg niet onontbeerlijk voor de oplossing van het geschil voor de verwijzende rechter.
De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

zegt voor recht:

1. – In de interpretatie dat het niet van toepassing is op mondelinge huurovereenkomsten, schendt artikel 3, § 5, derde lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek (“Regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder”) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- In de interpretatie dat zij wel van toepassing is op mondelinge huurovereenkomsten, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet.

2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
 

 

Noot: 

Noot onder dit arrest in het NJW: Mogelijkheid tot beëindiging van een mondelinge woninghuur zonder opzeggingstermijn of vergoeding: Grondwettelijk Hofzet deur open.

Zie ook RW 2011-2012, 1713

Zie ook: Vred Antwerpen, 11/05/2016, RW 2016-2017, 793

Samenvatting

Zelfs al zou de h. V. een huurovereenkomst ondertekend hebben, dan betekent dit nog niet dat er werkelijk een geschreven overeenkomst werd opgesteld in de zin van het BW.

Er is slechts sprake van een schriftelijke huurovereenkomst als de huurder, die door ondertekening van de overeenkomst een geschreven aanbod uitbrengt jegens de verhuurder, deze huurovereenkomst nadien, ondertekend door de verhuurder, terug ontvangt. Op dat ogenblik is er het samentreffen van het geschreven aanbod en de geschreven aanvaarding en vanaf dan bestaat er een geschreven huurovereenkomst.

Dat er geen geschreven huurovereenkomst werd opgesteld, neemt niet weg dat elk van de partijen op grond van art. 1bis Woninghuurwet voor de vrederechter kan eisen dat er alsnog een geschreven huurovereenkomst wordt opgesteld, maar enkel als neerslag van de tussen partijen gesloten mondelinge huurovereenkomst (zie art. 1bis, derde lid Woninghuurwet).

De geschreven huurovereenkomst kan bijgevolg enkel die elementen bevatten waarover de partijen het eens zijn of waarvan wordt bewezen dat de partijen het erover eens waren.

Tekst vonnis

Van R. t/ V.

I. Feiten

Er bestaat tussen partijen, L.-M. V. (hierna: “de h. V.”), de huurder, en P. Van R. (hierna: de h. Van R.), de verhuurder, geen betwisting dat in de periode mei-juni 2015 tussen partijen een woninghuurovereenkomst werd gesloten met betrekking tot de studio 1.2 gelegen aan de (...)straat (...) te 2018 Antwerpen.

Waar evenmin discussie over bestaat, is dat deze huurovereenkomst een aanvang nam op 1 juli 2015, dat de huurprijs 400 euro bedroeg, dat een waarborg van 800 euro werd overeengekomen en ook werd betaald en dat voor de maandelijkse lasten een provisie van 50 euro verschuldigd was.

Waar wel betwisting over bestaat, is of de overeenkomst op schrift werd gesteld. Volgens de h. V. heeft hij alleszins een geschreven huurovereenkomst ondertekend, maar heeft hij die nooit ondertekend teruggekregen van de h. Van R. Volgens deze laatste werd er geen geschreven huurovereenkomst opgesteld. De vrederechter komt hierop terug bij haar beoordeling van de zaak.

...

II. Vorderingen

1. De h. Van R. ging op 18 november 2015 over tot dagvaarding van de h. V. en op dat ogenblik was zijn vordering erop gericht: (...).

Thans, volgens de conclusie van 16 maart 2016, vordert de h. Van R.: (...) bij gebreke van vrijwillige ondertekening van het voorgelegde ontwerp van huurovereenkomst ingevolge art. 1bis Woninghuurwet, te horen zeggen voor recht dat de huurovereenkomst als bijlage, waarover een aanvankelijk akkoord bestond, partijen tot wet strekt.

2. Bij conclusies stelde de h. V. een tegeneis in die ertoe strekt de h. Van R. te horen veroordelen tot overlegging van de ondertekende huurovereenkomst en dit op straffe van een dwangsom van 25 euro per dag.

III. Beoordeling

...

1. Zoals reeds vermeld, werd er volgens de h. V. een schriftelijke huurovereenkomst opgesteld, aangezien hij bij de makelaar van de h. Van R. een huurovereenkomst zou hebben ondertekend. Op tegeneis vordert hij de voorlegging van deze overeenkomst.

Zelfs al zou de h. V. een huurovereenkomst ondertekend hebben, dan betekent dit nog niet dat er werkelijk een geschreven overeenkomst werd opgesteld in de zin van het BW.

Er is slechts sprake van een schriftelijke huurovereenkomst als de huurder, die door ondertekening van de overeenkomst een geschreven aanbod uitbrengt jegens de verhuurder, deze huurovereenkomst nadien, ondertekend door de verhuurder, terug ontvangt. Op dat ogenblik is er het samentreffen van het geschreven aanbod en de geschreven aanvaarding en vanaf dan bestaat er een geschreven huurovereenkomst.

De verhuurder is evenwel niet verplicht een geschreven aanbod van de huurder te ondertekenen als hij het bijvoorbeeld niet eens is met bepaalde modaliteiten van de door de huurder ondertekende overeenkomst of om welke andere reden dan ook.

Dit is hier kennelijk gebeurd. De h. Van R. heeft, in de uitoefening van zijn contractvrijheid, het geschreven aanbod van de h. V. nooit schriftelijk aanvaard. Om die reden is het niet zinvol de h. Van R. te verplichten de door de h. V. ondertekende huurovereenkomst, voor zover bestaande, voor te leggen. Deze voorlegging kan het bestaan van een geschreven huurovereenkomst nooit bewijzen, omdat niet betwist wordt dat de h. Van R. het geschreven aanbod nooit ondertekend heeft teruggestuurd naar de h. V. en dus nooit aanvaard heeft.

2. Dat er geen geschreven huurovereenkomst werd opgesteld, neemt niet weg dat elk van de partijen, nu niet ter betwisting staat dat de huurovereenkomst een woninghuurovereenkomst betreft, op grond van art. 1bis Woninghuurwet voor de vrederechter kan eisen dat er alsnog een geschreven huurovereenkomst wordt opgesteld, maar enkel als neerslag van de tussen partijen gesloten mondelinge huurovereenkomst (zie art. 1bis, derde lid Woninghuurwet). De geschreven huurovereenkomst kan bijgevolg enkel die elementen bevatten waarover de partijen het eens zijn of waarvan wordt bewezen dat de partijen het erover eens waren.

Uit het debat is gebleken dat de h. V. geen enkele opmerking heeft bij de inhoud van de door de h. Van R. voorgestelde geschreven huurovereenkomst, met uitzondering van de duur daarvan. De h. voert aan dat niet was overeengekomen dat de huur een duur zou hebben van dertien maanden, wat in de ontwerp-huurovereenkomst van de h. Van R. vermeld is. De vrederechter kan bijgevolg niet beslissen dat de h. V. de door de h. Van R. voorgestelde overeenkomst, waarin een duur van dertien maanden is vermeld, moet ondertekenen, aangezien de h. V. deze duur betwist en de h. Van R. een akkoord over deze duur niet bewijst.

Wel kan de vrederechter de h. Van R. verzoeken om het ontwerp van huurovereenkomst aan te passen door ofwel geen duur te vermelden ofwel de duur te vermelden waarvan de h. V. aanvoert dat deze was overeengekomen, waarna de h. V. de overeenkomst kan ondertekenen.

Als er geen akkoord zou zijn over deze duur en partijen er daarom niet toe zouden komen een geschreven huurovereenkomst te ondertekenen, kan de vrederechter een vonnis vellen ter vervanging van de geschreven overeenkomst waarin zij evenwel enkel die vier elementen kan vermelden waarvan art. 1bis Woninghuurwet spreekt voor zover daarover een akkoord bestaat, wat in deze zaak het geval is (vgl. GwH 26 juni 2008, TBO 2009, 74), namelijk: de identiteit van de contracterende partijen, de begindatum van de overeenkomst, de omschrijving van de verhuurde ruimte en de huurprijs.

De duur van de huurovereenkomst valt hier niet onder, zodat de vrederechter deze duur nooit kan opnemen in het vonnis ter vervanging van de geschreven overeenkomst. Dit geldt des te meer als over deze duur geen akkoord bestaat; het staat niet aan de rechter om zijn wil in de plaats te stellen van die van de contracterende partijen (vgl. GwH 26 juni 2008, TBO 2009, 74).

Om de h. Van R. in de mogelijkheid te stellen de huurovereenkomst aan te passen zoals gevraagd en, als dit gebeurd is, de h. V. de mogelijkheid te geven de aangepaste huurovereenkomst te ondertekenen, heropent de vrederechter het debat.

Als bij de verdere behandeling van de zaak zou blijken dat partijen er niet in geslaagd zijn om een geschreven huurovereenkomst op te stellen, zal de vrederechter een vonnis vellen geldend als woninghuurovereenkomst overeenkomstig art. 1bis Woninghuurwet.

• Vred. Antwerpen, 8 september 2016, RW 2016-2017, 1637

samenvatting

Een huurovereenkomst die weliswaar schriftelijk wordt voorgelegd maar door gee van de partijen ondertekend werd, is een mondeling huurcontract. die onderworpen is aan het gemene recht van het Burgerlijk Wetboek en de Woninghuurwet.

Een van de gevolgen daarvan is dat de huurovereenkomst van bij de aanvang als een overeenkomst van negen jaar wordt aanzien die door de huurders steeds kan worden opgezegd overeenkomstig de bepalingen van de Woninghuurwet. Voorts brengt dit met zich mee dat de verplichtingen van de huurders ten aanzien van de verhuurders niet hoofdelijk zijn, aangezien het gemene recht niet in een hoofdelijke gehoudenheid van de huurders voorziet.

De wet schrijft niet voor dat een opzegging van een woninghuurovereenkomst schriftelijk of bij aangetekende brief moet gebeuren. Een opzegging kan ook mondeling gebeuren of stilzwijgend, d.w.z. dat de opzegging blijkt uit een gedrag waaruit ondubbelzinnig de wil tot opzegging voortvloeit.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 18/02/2012 - 16:39
Laatst aangepast op: ma, 12/06/2017 - 14:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.