-A +A

Opzegging krediet en rechtsmisbruik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 13/12/2012

Rechtsmisbruik bestaat in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon; dat is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft; bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Krediet kunnen opgezegd wanneer de terugbetaling van de kredieten op lange termijn niet meer kan gedekt worden, wanneeer zulks contractueel is voorzien. De uitoefening van dit recht maakt geen rechtsmisbruik uit.

Het verweer dat gebaseerd is op de bewering dat die toestand reeds eerder bestond kan niet worden aangenomen wanneer de financiële toestand stelselmatig verslechterde en een verbetering niet in zicht was nu de toestand dermate was geworden dat sprake was van een procedure van gerechtelijke reorganisatie.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/16
Pagina: 
1152
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(KBC Bank NV / J.V.)

1. De antecedenten en de vorderingen
NV KBC Bank (hierna: KBC) heeft een krediet verleend aan NV A.

De heer J.V. heeft zich borg gesteld voor verbintenissen van A. voor een bedrag van 400.000 EUR.

KBC heeft het krediet opgezegd op 12 augustus 2009.

A. werd failliet verklaard op 10 september 2009 en het faillissement werd afgesloten op 17 januari 2012.

KBC ontving geen dividend uit het faillissement.

KBC heeft J.V. laten dagvaarden en vorderde diens veroordeling tot betaling van 351.496,55 EUR, te vermeerderen met de interesten aan 13,5%, vordering die zij in conclusies voor de eerste rechter heeft herleid tot provisioneel 12.500 EUR.

J.V. weigert betaling omdat het krediet onrechtmatig werd opgezegd. Hij heeft daarom ook een tegeneis gesteld en vordert een schadevergoeding van provisioneel 12.000 EUR.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft in het bestreden vonnis van 20 januari 2011 een deskundigenonderzoek bevolen omtrent de motieven van de opzegging van het krediet in kwestie.

Met een verzoekschrift neergelegd op 15 maart 2011 tekende KBC hoger beroep aan. Zij handhaaft haar eis.

J.V. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en handhaaft ondergeschikt zijn tegeneis.

2. Beoordeling
(…)

2. In conclusies erkent J.V. dat A. zich in ernstige financiële moeilijkheden bevond vooraleer KBC het krediet opzegde. Zelfs indien KBC vernomen had dat A. een schuldbemiddelaar wou laten tussenkomen en overwoog om een procedure van gerechtelijke reorganisatie op te starten belette dit KBC niet om de kredieten om de ingeroepen redenen op te zeggen overeenkomstig de contractuele bepalingen die het krediet beheersten.

3. Voor het overige is niet aangetoond dat KBC onrechtmatig heeft gehandeld door na de beëindiging van de kredieten niet bereid geweest te zijn medewerking te verlenen aan de procedure van gerechtelijke reorganisatie. Uit hetgeen J.V. in conclusies citeert (nr. 3.1.3., p. 13 en 14) met betrekking tot de vaststellingen van de gedelegeerd rechter volgt dat er op dat ogenblik “quasi geen financiële middelen meer voorhanden” waren bij A. en dat een voortzetting van de activiteiten maar mogelijk was indien KBC nieuwe kredieten zou willen verstrekken, minstens “zich flexibel” zou willen opstellen met betrekking tot de lopende kredieten, hetgeen betekent dat KBC de inspanningen zou moeten dragen voor die voortzetting. De concrete gegevens ontbreken om te besluiten dat de houding die KBC daarover heeft aangenomen foutief was. De bewering dat A. in het verleden steeds een betrouwbare klant is gebleven van KBC, indien al bewezen, volstaat ter zake niet. Overigens erkent J.V. in conclusies dat eerdere vragen om het krediet uit te breiden door KBC werden afgewezen omdat de gevraagde bijkomende (naast de bestaande borgstelling) zekerheid geweigerd werd door hem zodat de bestaande krediettoestand van A. niet aan KBC kan verweten worden.

4. Het krediet dat KBC aan A. verschafte was een commercieel krediet. Daarin mochten uitdrukkelijk ontbindende bedingen worden opgenomen. KBC heeft zich op die bedingen beroepen om de overeenkomst buiten gerechtelijk ontbonden te verklaren.

Deze contractuele bepalingen druisen niet in tegen de rechtsregels inzake beëindiging van overeenkomsten en algemene rechtsbeginselen zoals J.V. beweert.

5. Volgens J.V. heeft KBC met miskenning van de goede trouw uitvoering gegeven aan haar contractuele rechten.

KBC heeft zich bij haar opzegging van het krediet beroepen op de toepassing van artikel 7.3 van de algemene voorwaarden waaronder de overeenkomst werd afgesloten.

6. De eerste rechter heeft terecht besloten dat een overschrijding van het kaskrediet is bewezen. Het hof neemt de motieven van de eerste rechter ter zake over (vonnis, p. 7 en 8).

J.V. heeft die motieven in hoger beroep niet weerlegd. Het beweerd toestaan van de overschrijding of het gedoog van de overschrijding zijn niet aangetoond. J.V. kan niet gevolgd worden in zijn argumentatie dat KBC A. niet de kans heeft gegeven om de overschrijding aan te zuiveren door het krediet op te zeggen. Geen voorafgaande ingebrekestelling was daartoe krachtens de contractuele voorwaarden vereist.

7. Het is bewezen dat A. ernstige verliezen leed (47.673 EUR volgens de tussentijdse balans), dat de omzet daalde en de brutomarge verminderde en dat de vennootschap een negatief eigen vermogen vertoonde.

Deze gegevens samen vermochten KBC ertoe brengen te besluiten dat de terugbetaling van de kredieten op lange termijn niet meer kon gedekt worden zodat deze gegevens wel degelijk vallen onder de toepassing van artikel 7.3.13 van de algemene voorwaarden, geciteerd in het bestreden vonnis.

Het verweer dat gebaseerd is op de bewering dat die toestand reeds eerder bestond kan niet worden aangenomen nu de financiële toestand van A. blijkbaar stelselmatig verslechterde en een verbetering niet in zicht was nu de toestand dermate was geworden dat sprake was van een procedure van gerechtelijke reorganisatie.

8. De hiervoor aangehaalde motieven zijn de voldoende redenen ter verantwoording van de opzegging van de kredieten met onmiddellijke ingang zoals contractueel overeengekomen.

(…)

3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond,

Het hof verklaart de vordering van NV KBC Bank gegrond,

Het hof veroordeelt de heer J.V. tot betaling van provisioneel 12.500 EUR,

Het hof verklaart de tegeneis ongegrond,

Het hof verwijst de heer J.V. in de kosten van beide aanleggen en begroot deze aan de zijde van de NV KBC Bank op 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep + 186 EUR rolrecht hoger beroep = 2.386 EUR.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/07/2017 - 08:10
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 08:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.