-A +A

Opzegging bezetting ter bede vergt instemming van alle eigenaars

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Westerlo
Datum van de uitspraak: 
woe, 16/12/2015
A.R.: 
39/2016

De opzegging van een recht ter bede, is geen daden van louter of voorlopig beheer die door één mede-eigenaar kan worden gesteld, maar een gewone daad van beheer waarvoor de medewerking van alle mede-eigenaars vereist.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
596
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S. t/ Van M.

...

Overwegende dat de gedingvoerende partijen uit de echt zijn gescheiden bij vonnis van de Familierechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout van 2 oktober 2014 waarbij notaris (...) werd aangesteld als notaris-vereffenaar. Er kon nog niet worden overgegaan tot vereffening-verdeling, zodat de huidige gedingvoerende partijen zich thans nog bevinden in een toestand van onverdeeldheid met betrekking tot hun onroerende goederen (in het inleidend exploot worden vermeld de voormalige gezinswoning gelegen te (...) met (...). Meer bepaald betreft het hier een toestand van toevallige mede-eigendom (postcommunautaire onverdeeldheid).

Overwegende dat eisende partij aanvoert dat zijzelf nog steeds woonachtig is in de voormalige gezinswoning te (...) en dat de omringende gronden worden bezet door een vereniging, meer bepaald de vzw A.L. De eiser stelt dat deze vzw zonder zijn medeweten haar maatschappelijke zetel heeft gevestigd op het adres van de gezinswoning, dat deze geen enkele vergoeding betaalt aan de onverdeeldheid, dat deze zonder tegenprestatie gebruik maakt van de door hem betaalde nutsvoorzieningen, dat deze zonder zijn toestemming constructies opricht en zijn privacy schendt. Eisende partij is van oordeel dat vzw A.L. aldaar een bezetter ter bede is.

Overwegende dat eisende partij verklaart een einde te willen maken aan deze beweerde bezetting ter bede, dat daarvoor de medewerking van alle onderverdeelde mede-eigenaars is vereist, maar dat verwerende partij (zijn ex-echtgenote) deze medewerking weigert. Bijgevolg vordert de eiser om verwerende partij te horen veroordelen “tot het meewerken aan de opzegging van de bezetting ter bede door de vzw A.L., dan wel de verbreking van de overeenkomst tussen de vzw A.L. en partijen, of de uitzetting van de vzw A.L. uit het domein en tot het meewerken aan het afdwingen van een vergoeding van de vzw A.L. en tot het meewerken aan het afdwingen van de afbraak van de constructies die door de vzw A.L. werden opgericht, en om verwerende partij te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan het verwijderen van de maatschappelijke zetel van de vzw A.L. van het adres (...)”.

Overwegende dat de vzw A.L. werd opgericht op 25 juli 2011 met als bestuurders onder meer huidige verwerende partij en de dochter van huidige gedingvoerende partijen, namelijk mevrouw N.S. Deze vereniging heeft kennelijk een filantropisch doel, de bevordering en ondersteuning van een harmonieus contact met de natuur en werkt kennelijk vooral met paarden, waardoor er op het terrein een twaalftal zijn gestald. Het blijkt vooral de dochter van partijen te zijn, N.S., die zich met deze activiteiten bezighoudt. Zij is nog op het adres van de gezinswoning gedomicilieerd, maar betoogt naar aanleiding van een oproeping in verzoening op 12 november 2015 dat huidige eisende partij haar de toegang tot het woonhuis heeft ontzegd, dat zij zich genoodzaakt zag om haar onderkomen te zoeken in een woonwagen die op het domein staat en dat huidige eisende partij alle mogelijke daden stelt om de werking van de vzw A.L. te verhinderen, onder meer door het materiaal voor de paarden achter slot en grendel te plaatsen of dit onder de blote hemel te stallen.

Overwegende dat eisende partij blijkens de vermeldingen in het inleidend exploot er (terecht) mee akkoord gaat dat de door haar beoogde opzegging en andere oogmerken voormeld, geen daden van louter of voorlopig beheer zijn die door één mede-eigenaar kunnen worden gesteld, maar een gewone daad van beheer waarvoor de medewerking van alle mede-eigenaars vereist is, met inbegrip dus van verwerende partij (Cass. 9 juni 1978, RW 1978-79, 608, Arr.Cass. 1978, 1191; Cass. 5 oktober 1989, Pas. 1990, I, 150; Vred. Westerlo 1 oktober 1999, T.Vred. 2001, 130, noot R. Gotzen; Vred. Westerlo 7 juni 2004, rolnr. 03A653, onuitgegeven, bevestigd door Rb. Turnhout 16 januari 2006, rolnr. 04/1813/A, onuitgegeven).

Overwegende dat eisende partij als “gedwarsboomde” mede-eigenaar derhalve een beroep doet op de mogelijkheid verleend door art. 577-2, § 6 in fine BW waarin wordt bepaald: “evenwel kan één der mede-eigenaars de overige noodzaken deel te nemen aan daden van beheer waarvan de rechter de noodzakelijkheid erkent”. Eisende partij voert aan dat de aanwezigheid van de vzw op het domein duidelijk een minderwaarde creëert en dat verwerende partij derhalve moet worden verplicht deel te nemen aan de beoogde opzegging van de vzw A.L. (waarvan verwerende partij samen met de dochter van de gedingvoerende partijen dus medebestuurder is).

Overwegende dat art. 577-2, § 6 in fine BW een wettelijke toepassing is van de theorie van het (verbod op) rechtsmisbruik (N. Carette en J. Van de Voorde, “Rechtsmisbruik in het zakenrecht. Capita selecta” in J. Rozie, S. Rutten en A. Van Oevelen (eds.), Rechtsmisbruik, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 107, nr. 40; V. Sagaert, B. Tilleman en A. Verbeke, Vermogensrecht in kort bestek, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 72, nr. 136), zodat ter beoordeling van het criterium van de noodzakelijkheid krachtens art. 577-2, § 6 in fine BW aansluiting moet worden gezocht bij de voor rechtsmisbruik geldende criteria. Aldus is er sprake van rechtsmisbruik wanneer de houder zijn recht uitoefent met het uitsluitende oogmerk om te schaden, de houder zijn recht uitoefent zonder een legitiem of redelijk belang, hij tussen de verschillende mogelijke wijzen van rechtsuitoefening opteert voor de uitoefeningswijze die nadelig is voor een ander en ten slotte het (geringe) voordeel dat hij uit de uitoefening van het recht haalt buiten verhouding staat tot het (ernstige) nadeel dat hij de ander berokkent.

Overwegende dat deze toepassingsvoorwaarden in casu niet voorhanden zijn. Door de uitoefening van haar subjectief recht als onverdeelde mede-eigenaar handelt verwerende partij immers niet met het uitsluitende oogmerk om specifiek eisende partij zoveel mogelijk te schaden. Indien het juist zou zijn (zoals eisende partij beweert) dat de aanwezigheid van de vzw een minderwaarde zou creëren, dan doet de weigering van verwerende partij om mee te werken aan de opzegging van deze vzw geen belangenonevenwicht ontstaan: integendeel, de beweerde minderwaarde zou even groot zijn voor haarzelf als voor eisende partij. Evenzo is het voor- of nadeel dat uit de uitoefening van het voormelde recht wordt gehaald gelijk voor zowel eisende als verwerende partij. Ten slotte oefent verwerende partij haar weigeringsrecht niet uit zonder legitiem of redelijk belang: haar belang bestaat erin dat zij de werking van de vzw waarvan zij medebestuurder is en de activiteit daarin van haar eigen dochter, kennelijk niet wenst te belemmeren.

Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van het begrip “noodzakelijkheid” in art. 577-2, § 6 in fine BW, zodat de vordering ongegrond dient te worden verklaard. Deze vordering is trouwens duidelijk slechts een onderdeel van het grote schaakbord van het veel ruimere geschil inzake vereffening-verdeling na echtscheiding.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 04/12/2016 - 12:08
Laatst aangepast op: zo, 04/12/2016 - 12:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.