-A +A

Opnemen van gelden van de huwgemeenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 29/05/2008
A.R.: 
C.06.0636.N

Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, werkt ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering werd ingesteld; tot dat tijdstip wordt het gemeenschappelijk vermogen door de ene of de andere echtgenoot bestuurd onder voorbehoud van ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen, behoudens de mogelijkheid nietigverklaring te vorderen of vergoeding ten bate van het gemeenschappelijk vermogen (1). (1) Zie Cass., 8 nov. 1990, AR 8757, A.C., 1990, nr. 131; zie ook Cass., 21 dec. 1990, AR 7090, A.C., 1990, nr. 217.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.06.0636.N
G.H.,
eiser,
tegen
H. J.,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op 10 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 218, 1315, 1415, 1416, 1422, 1423 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 577bis, §3 en §5, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing voor de wijziging bij de wet van 30 juni 1994 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de mede-eigendom;
- de artikelen 870 en 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 1, 1° en 2°, van artikel 3 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels.

Aangevochten beslissingen

1. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser gedeeltelijk ongegrond, bevestigt het vonnis a quo onder meer in zoverre hierin de bezwaren van de eiser tegen de opname in de staat van vereffening van de opnemingen op rekening BACOB (200.000 frank), opnemingen op rekening Bank Brussel Lambert (6.207.500 frank), en opnemingen rekening-courant Huis G. (1.961.290 frank), worden verworpen, en de staat van vereffening op deze punten wordt gehomologeerd, en dit op volgende gronden:

"2. Afhalen van gemeenschappelijke banktegoeden vóór het inleiden van de echtscheidingsprocedure
(...) dat (de eiser) kort voor het inleiden van de echtscheidingsprocedure op 18 augustus 1992 een bedrag van 4.957.87 euro (200.000 frank) afhaalde van de rekening BACOB en van 153.879,91 euro (6.207.500 frank) van de B.B.L. en (de verweerster) van 1.561,73 euro (63.000 frank) van de ASLK;
(...) dat de boedelnotaris-minuuthouder deze afnames in aanmerking nam als een voorafname op het aandeel in het gemeenschappelijk vermogen; dat (de eiser) dit betwist; dat uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt dat het om eigen gelden van (de eiser) zou gaan zoals deze ten onrechte voorhoudt; dat uit de door (de eiser) dienaangaande voorgelegde stukken niet in het minst blijkt dat de opgenomen gelden geheel of gedeeltelijk afkomstig zouden zijn van (de nalatenschappen van) zijn vader en/of oom pastoor;

(...) dat (de eiser) zich eveneens ten onrechte beroept op het gelijktijdig bestuur van het gemeenschappelijk vermogen om voor te houden dat hij geen rekenschap meer verschuldigd is over deze gelden, nu (de verweerster) niet tijdig een vordering tot nietigverklaring van deze handeling zou ingesteld hebben; dat (de eiser) uit het oog verliest dat de bestuurshandelingen in casu het afhalen van de bankrekeningen betreft, maar niet de besteding van de gelden; dat gelden niet plots verdwijnen door het afhalen van een financiële rekening; dat (de verweerster) inderdaad niet meer de geldigheid van deze afhalingen kan betwisten, maar dit niet wegneemt dat (de eiser) nog steeds rekenschap verschuldigd is van de afgehaalde gelden en de besteding ervan; dat (de eiser) niet in het minst aantoont hoe deze gelden besteed werden, laat staan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen, zodat deze geacht worden nog steeds aanwezig geweest te zijn op het ogenblik van het inleiden van de echtscheidingsprocedure en dus deel uitmaken van de postcommunautaire onverdeeldheid; dat de boedelnotaris-minuuthouder, hierin gevolgd door de eerste rechter, dan ook terecht geoordeeld heeft dat deze afnemingen dienen beschouwd als een voorafname op het aandeel in het gemeenschappelijk vermogen; dat het bestreden vonnis op dit punt dient bevestigd;

3. De rekening-courant van partijen bij de BVBA ‘Huis G.'

(...) dat partijen titularis waren van een rekening-courant bij de BVBA ‘Huis G.', waarvan (de eiser) de enige zaakvoerder was; dat deze rekening-courant in de balans van 31 december 1990 een saldo in het voordeel van partijen vertoonde van 85.401,33 euro (3.445.081 frank), in de balans van 31 december 1991 van 48.619,11 euro (1.961.290 frank) en in de balans van 31 december 1992 van 0,00 euro (0 frank); dat de boedelnotaris-minuuthouder herhaalde malen aan (de eiser) verzocht heeft om een verklaring en/of verantwoording te geven voor het verloop van deze rekening, maar daarvan nooit inzage heeft gekregen; dat (de eiser) ook nu geen enkele plausibele verklaring voor dit verloop geeft; dat uit het feit dat hijzelf de enige zaakvoerder van de BVBA was, met zekerheid kan afgeleid worden dat hij de gelden opnam of aanwendde; dat, op grond van dezelfde redenering als hierboven weergegeven inzake de van de bankrekeningen afgehaalde gelden, (de verweerster) wel de bestuurshandeling van (de eiser) tot afname of aanwending van deze gelden moet respecteren, maar dit niet impliceert dat de gelden daardoor plots verdwenen zijn; dat (de eiser) daarover dan ook rekenschap moest en moet geven en, bij gebreke daaraan, dient aangenomen dat deze nog aanwezig zijn en dus dienen ingebracht in het actief; dat het standpunt van de boedelnotaris dienaangaande, hierin bijgetreden door de eerste rechter, dan ook dient gevolgd zodat het bestreden vonnis ook op dit punt dient bevestigd" (arrest pp. 5-7).

2. De eerste rechter oordeelde in het vonnis a quo van 28 mei 2004 dat de litigieuze opgenomen bedragen behoren tot het actief van het gemeenschappelijk vermogen en de post-communautaire onverdeeldheid:

"Het afhalen door partijen van gemeenschappelijke banktegoeden

Partijen hebben belangrijke tegoeden opgenomen van gemeenschappelijke bankrekeningen in de periode voor de inleiding van de vordering tot echtscheiding.

Het betreft volgende transacties:
- opnemingen door (de eiser) van de rekening bij BACOB op 3 december 1991 voor een bedrag van 200.000 frank, thans 4957,87 euro;
- opnemingen door (de eiser) van de rekening bij BBL voor een bedrag van 6.207.500 frank, thans 153.879,90 euro;
- opnemingen door (de verweerster) op de ES rekening bij ASLK op 2 december 1991 voor een bedrag van 63.000 frank, thans 1561,73 euro;

Waar het afhalen van deze tegoeden onder de algemene bestuursvorm van het concurrentieel bestuur valt, zijn partijen wel verantwoording verschuldigd over het beheer van de afgehaalde gelden. Bij gebreke aan een dergelijke verantwoording dienen deze bedragen bij de vereffening-verdeling als een voorafname op het aandeel in het gemeenschappelijk vermogen te worden beschouwd.

Partijen geven geen afdoende verantwoording, (de eiser) stelt dat de gelden op de BBL-rekening afkomstig zijn van wijlen zijn vader en zijn oom pastoor en derhalve eigen gelden zijn doch legt hiervan geen bewijzen voor - de in het vooruitzicht gestelde bijkomende informatie vanwege de Bank BBL werd voor deze rechtbank niet voorgebracht -, (de verweerster) geeft evenmin enige verantwoording zodat deze bedragen door Notaris Coppens terecht werden beschouwd als voorschot op het respectievelijk aandeel van partijen in het gemeenschappelijk vermogen.

Het bezwaar van (de eiser) wordt ongegrond verklaard. De rechtbank volgt het standpunt van Notaris Coppens" (vonnis a quo van 28 mei 2004, pp. 3-4).

3. Boedelnotaris Coppens, houder der minuut, adviseerde in de staat van vereffening van het gemeenschappelijke vermogen van partijen van 30 juli 2002, op volgende wijze nopens de "afhaling van gemeenschappelijke banktegoeden voor de inleiding van de vordering tot echtscheiding":

"Uit de voormelde inventaris blijkt dat partijen belangrijke opnemingen hebben gedaan in de periode voor de inleiding van de vordering tot echtscheiding (achttien augustus negentienhonderd tweeënnegentig), zodat zich de vraag stelt naar de geldigheid van de voor de dag van de vordering tot echtscheiding gestelde handelingen. Vermits tot dit tijdstip de bestuursregeling van het wettelijk stelsel onvoorwaardelijk blijft bestaan, zou er principieel geen probleem mogen ontstaan: het afhalen van de financiële tegoeden valt onder de algemene bestuursvorm van het concurrentieel bestuur, zodat iedere echtgenoot deze handelingen alleen kan stellen en de andere echtgenoot in principe gehouden is ze te eerbiedingen.

Nochtans mag uit het concurrentieel bestuur en de eraan gekoppelde gebondenheid van de andere echtgenoot niet afgeleid worden dat alle bestuurshandelingen die door één van de echtgenoten werden gesteld, zonder meer geldig zijn.

Artikel 1415, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat de echtgenoten de hun toegekende bestuursbevoegdheden dienen uit te oefenen in het belang van het gezin.

Bij vonnis van vierentwintig februari negentienhonderd vierennegentig heeft de Rechtbank van Antwerpen aldus gevonnist: de echtgenoot die voor de inleiding gelden heeft afgehaald van gemeenschappelijke rekeningen is aan het gemeenschappelijk vermogen verantwoording verschuldigd over het beheer ervan. Bij gebrek aan verantwoording dienen de afgehaalde tegoeden bij de vereffening-verdeling als een voorafname op het aandeel in het gemeenschappelijk vermogen te worden beschouwd.

Ondergetekende notaris is van mening dat deze regel van toepassing is op volgende bedragen:
- Opnemingen (eiser) op rekening BACOB op drie december negentienhonderdéénennegentig voor een bedrag van tweehonderd duizend frank;
- Opnemingen (eiser) op rekening Bank Brussel Lambert voor een bedrag van zes miljoen tweehonderd en zevenduizend vijfhonderd frank (waarbij alleen de opnamen van meer dan vijftigduizend frank worden weerhouden);
- Opnemingen (verweerster) op ES rekening bij ASLK Bank op twee december negentienhonderd éénennegentig voor een bedrag van drieënzestigduizend frank" (staat van vereffening van 30 juli 2002, pp. 2-3).

Wat betreft de vordering in rekening-courant op de BVBA Huis G., adviseerde de boedelnotaris Coppens, houder der minuut, in de staat van vereffening van 30 juli 2002, onder de hoofding "Aandelen BVBA ‘Huis G.'", op volgende wijze:

"Bovendien was de huwelijksgemeenschap (eiser-verweerster) titularis van een vordering in rekening courant op de vennootschap die volgend verloop kende in de jaren voorafgaand aan de feitelijke scheiding:
- op éénendertig december negentienhonderd negentig: drie miljoen vierhonderd vijfenveertigduizend éénentachtig (3.445.081 frank)
- op éénendertig december negentienhonderd éénennegentig: één miljoen negenhonderd éénenzestigduizend tweehonderd negentig (1.961.290 frank)
- op éénendertig december negentienhonderd tweeënnegentig: nul (0 frank) (De eiser) was enig zaakvoerder van de vennootschap en dus alleen gerechtigd om opnamen te doen op deze rekening-courant. Ondanks herhaalde vragen heeft ondertekende notaris Coppens nooit inzicht gekregen in het verloop van de rekening-courant, zodat gelijk aan wat hiervoor werd gezegd inzake het afhalen van banktegoeden een bedrag wordt weerhouden van één miljoen negenhonderd éénenzestigduizend tweehonderd negentig (1.961.290 frank) als voorafname op het aandeel van (de eiser) in het gemeenschappelijk vermogen" (staat van vereffening van 30 juli 2002, p. 3-4).

Grieven

1. Na de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen, ontstaat tussen de echtgenoten een onverdeeldheid die in de regel beheerst wordt door het gemeen recht en de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding tussen de echtgenoten terugwerkt en de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Krachtens artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Tot dan toe wordt, met toepassing van de artikelen 1415 en 1416 van het Burgerlijk Wetboek, het gemeenschappelijk vermogen door de ene of de andere echtgenoot bestuurd die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, dat wil zeggen het beheer, het genot en de beschikking, onder gehoudenheid voor ieder van hen om de bestuurshandelingen van de ander te eerbiedigen.

Luidens artikel 218 van het Burgerlijk Wetboek kan iedere echtgenoot zonder de instemming van de andere, op zijn naam een depositorekening voor geld of effecten doen openen, en wordt hij ten opzichte van de bewaarnemer alleen geacht het bestuur te hebben. Ingevolge dit voorschrift beschikken de echtgenoten over een alleenbestuurrecht van de bankrekeningen waarvan zij titularis zijn, ook al zijn de tegoeden gemeenschappelijk.

Een der echtgenoten die bewijst een wettig belang te hebben, kan, op grond van artikel 1422 van het Burgerlijk Wetboek, de nietigverklaring vorderen van elke handeling die de andere echtgenoot heeft verricht: "1° in strijd met de bepalingen van de artikelen 1417, tweede lid, 1418 en 1419; de nietigverklaring van de handelingen genoemd in artikel 1418, 2. onderstelt bovendien een benadeling;

2° in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter heeft gesteld;

3° met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser".

Overeenkomstig artikel 1423 van het Burgerlijk Wetboek moet de vordering tot nietigverklaring op straffe van verval worden ingediend binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk voor de definitieve vereffening van het stelsel.

2. De regel, neergelegd in artikel 1416 van het Burgerlijk Wetboek, aangaande het gelijktijdig (concurrentieel) bestuur van het gemeenschappelijk vermogen en de gehoudenheid van de echtgenoot tot eerbiediging van de bestuurshandelingen van de andere echtgenoot, brengt met zich dat elke echtgenoot over de macht beschikt om alleen het gemeenschappelijk vermogen te besturen, ervan te genieten, erover te beschikken en aldus de omvang ervan te wijzigen.

Dezelfde bevoegdheid bestaat bij toepassing van het alleenbestuurrecht over de bankrekeningen op grond van artikel 218 van het Burgerlijk Wetboek, ook al zijn de gelden gemeenschappelijk.

Anders dan na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, waar de echtgenoten, overeenkomstig het gemeen recht inzake de onverdeeldheden vervat in het te dezen toepasselijk artikel 577bis, §3 en §5, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 30 juni 1994 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de mede-eigendom, rekenschap verschuldigd zijn voor de onverdeelde gelden waarover zij beschikten, zijn de echtgenoten voor de handelingen gesteld vóór de ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel, geen verantwoording verschuldigd voor de wijze, waarop zij het gemeenschappelijk vermogen bestuurden.

De echtgenoot die deze bestuurshandelingen betwist, dient hiervan overeenkomstig artikel 1422 van het Burgerlijk Wetboek de nietigverklaring te vorderen binnen de vervaltermijn gesteld door artikel 1423 van het Burgerlijk Wetboek, en draagt, overeenkomstig de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, de bewijslast, ongeacht of de handeling werd gesteld op grond van de bevoegdheid tot het gelijktijdig bestuur dan wel het alleenbestuur.

Bij afwezigheid van nietigverklaring gelden de bestuursregels van de artikelen 218, 1415 en 1416 van het Burgerlijk Wetboek onverkort, en dient de bestuurshandeling te worden gerespecteerd door de andere echtgenoot.

3. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat partijen gehuwd zijn op 17 juli 1969 onder het wettelijk stelsel bij gebreke aan huwelijkscontract.
Krachtens de overgangsbepalingen, vervat in artikel 1, 1° en 2°, van artikel 3 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, zijn de echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van deze wet (28 september 1976) gehuwd zijn zonder huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt, en die gedurende een termijn van een jaar te rekenen van de inwerkingtreding van de wet ten overstaan van een notaris geen verklaring van ongewijzigde handhaving van hun wettelijk huwelijksvermogensstelsel hebben afgelegd, bij het verstrijken van die termijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 1398 tot 1450 van het Burgerlijk Wetboek betreffende het wettelijk stelsel.

Artikel 218 van het Burgerlijk Wetboek, behorend tot het primair stelsel, is vanaf de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 op 28 september 1976, van toepassing op alle echtgenoten.

Het bestreden arrest stelt vast dat te dezen de echtscheiding tussen partijen, wat hun goederen betreft, terugwerkt tot de inleiding van de eerste echtscheidingsprocedure op 18 augustus 1992, dat de eiser kort voor het inleiden van deze echtscheidingsprocedure gemeenschappelijke banktegoeden afhaalde, m.n. een bedrag van 4.957,87 euro (200.000 frank) van de rekening BACOB en van 153.879,91 euro (6.207.500 frank) van de BBL, en dat de eiser de gelden van een rekening-courant bij de BVBA Huis G., waarvan partijen titularis waren, "opnam of aanwendde".

Het verwerpt de door de eiser ingeroepen toepassing van de regels van het gelijktijdig bestuur, oordelend dat de omstandigheid dat de verweerster de geldigheid van de litigieuze geldafhalingen niet meer (op grond van de artikelen 1422 en 1423 van het Burgerlijk Wetboek) kan betwisten, niet belet "dat (de eiser) nog steeds rekenschap verschuldigd is van de afgehaalde gelden en de besteding ervan" en dat de eiser "daarover rekenschap moest en moet geven". Bij gebreke aan verantwoording door de eiser -"dat (de eiser) niet in het minst aantoont hoe deze gelden besteed werden, laat staan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen"- besluit het bestreden arrest, wat betreft de rekening Bacob en BBL, "(dat) de (gelden) geacht worden nog steeds aanwezig te zijn op het ogenblik van het inleiden van de echtscheidingsprocedure en dus deel uitmaken van de postcommunautaire onverdeeldheid', en wat betreft de rekening-courant, "(dat) dient aangenomen dat deze (gelden) nog aanwezig zijn en dus dienen ingebracht in het actief".

Door aldus lastens de eiser een verantwoordingsplicht te weerhouden die geen steun vindt in de wet, en op de eiser de bewijslast te leggen van de wijze van besteding van deze gelden, miskent het bestreden arrest de wettelijke regels aangaande de bestuursbevoegdheden van de echtgenoten over het gemeenschappelijk vermogen die de eerbiediging van de bestuurshandelingen van de andere echtgenoot voorschrijven, onder voorbehoud van een vordering in nietigverklaring (schending van de artikelen 218, 1415, 1416, 1422, 1423 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1, 1° en 2°, van artikel 3 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogenstelsels, en, voor zoveel als nodig, artikel 577bis, §3 en §5, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 30 juni 1994 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de mede-eigendom), miskent het de regels aangaande de bewijslastverdeling tussen partijen (schending van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek), doet het afbreuk aan artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de echtscheiding slechts laat terugwerken tot de echtscheidingseis en niet vroeger (schending van artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek), en kon het dienvolgens niet wettig oordelen dat de litigieuze gelden moeten geacht worden nog steeds aanwezig te zijn geweest op het ogenblik van het inleiden van de echtscheidingsprocedure en deel uit te maken van de postcommunautaire onverdeeldheid, en dat de afnemingen moeten worden beschouwd als een voorafname op het aandeel in het gemeenschappelijk vermogen (schending van alle voornoemde wetsbepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Ingevolge artikel 1278 van het Gerechtelijk Wetboek werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering werd ingesteld.

Tot dat tijdstip wordt, met toepassing van de artikelen 1415 en 1416 van het Burgerlijk Wetboek, het gemeenschappelijk vermogen door de ene of de andere echtgenoot bestuurd onder voorbehoud van ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen, behoudens de mogelijkheid de nietigverklaring te vorderen op grond van artikel 1422, 3°, van het Burgerlijk Wetboek of vergoeding te vorderen ten bate van het gemeenschappelijk vermogen op grond van artikel 1433 van hetzelfde wetboek.

2. Het arrest stelt vast dat:
- de eiser kort voor het inleiden van de echtscheidingsprocedure op 18 augustus 1992 een bedrag van 4.957,87 euro afhaalde van de rekening BACOB en van 153.879,91 euro van de rekening BBL;
- hij tevens de gelden opnam of aanwendde van de rekening-courant bij de BVBA waarvan de beide partijen titularis waren.

3. Het arrest oordeelt dat de verweerster niet meer de geldigheid van deze geldopnemingen kan betwisten, maar dit niet wegneemt dat de eiser nog steeds rekenschap verschuldigd is van de afgehaalde gelden en de besteding ervan en dat de eiser niet aantoont hoe deze gelden besteed werden, laat staan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen, zodat deze gelden geacht worden nog steeds aanwezig geweest te zijn op het ogenblik van het inleiden van de echtscheidingsprocedure en dus deel uitmaken van de post-communautaire onverdeeldheid.

4. Door op die gronden te oordelen dat deze geldopnemingen als een voorafname dienen te worden beschouwd op het aandeel in het gemeenschappelijk vermogen, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit uitspraak doet over het "afhalen van gemeenschappelijke banktegoeden voor het inleiden van de echtscheidingsprocedure", het verloop van "de rekening courant van de partijen bij de bvba Huis G." en de weerslag hiervan op de vereffening en uitspraak doet over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare terechtzitting van 29 mei 2008 uitgesproken 

Noot: 

Sarah Demey, Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen , Masterproef Ugent

I. Inleiding . 4
II. Het bestuur van het gemeenschappelijke vermogen . 4
A. Inleiding . 4
B. Het alleen bestuur (art. 1417 B.W) . 5
1. Principe . 5
2. Toepassingsgebied . 6
C. Het gezamenlijk bestuur . 7
1. Principe . 7
2. Toepassingsgebied . 9
D. De algemene bestuursvorm : Het concurrentieel bestuur. . 10
1. Principe . 10
2. Historisch overzicht van dit principe . 11
3. Omvang van het begrip ‘bestuur’ . 12
4. Gehoudenheid van de andere echtgenoot . 14
E. Doelgebondenheid van het concurrentieel bestuur . 15
1. Betekenis van het doelgebondenheidsprincipe . 15
2. Terugblik op het oude recht . 16
3. Bevoegdheidsafwending . 17
III. Sanctioneringmiddelen . 18
A. Rechterlijke machtiging . 19
B. Rechterlijk verbod . 20
C. Ontneming van bestuursbevoegdheden. 21
D. De nietigverklaring . 22
1. algemeen . 22
2. Toepassingsgebied . 23
3. Aard van de nietigheid . 24
4. Rechten van derden te goeder trouw . 25
5. Termijn . 26
E. De vergoeding . 26
F. Conclusie . 28
IV. Rechtsvergelijkend onderzoek . 29
A. Frankrijk. 29
1. Algemene regel . 29
2. Uitzonderingen . 30
B. Nederland . 32
1. Algemeen . 32
2. Begrip ‘bestuur’ . 33
3. Sanctieregeling . 34
V. Cassatie 29 mei 2008 . 35
A. De eerste vraag die we dieper gaan bekijken is de vraag : onder welke bestuurshandeling valt het afhalen van gemeenschappelijke gelden? . 36
B. Is deze handeling gesteld in het belang van het gezin? . 37
C. Wie draagt de bewijslast? . 41
D. Is de benadeelde echtgenoot in dit geval kansloos? . 43
E. Conclusie . 44
VI. Bibliografie . 45

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/01/2018 - 22:58
Laatst aangepast op: za, 13/01/2018 - 22:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.