-A +A

Opnemen gesprek waaraan men deelneemt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 07/06/2016
A.R.: 
P.16.0294.N

Het gebruik van de opname van een gesprek door een deelnemer aan dat gesprek zonder medeweten van de andere deelnemers, buiten het geval van louter gebruik voor zichzelf en anders dan het gebruik bedoeld in artikel 314bis, §2, tweede lid, Strafwetboek, kan een inbreuk zijn op artikel 8 EVRM; bij de beoordeling of dat gebruik een inbreuk oplevert op artikel 8 EVRM betrekt de rechter onder meer het criterium van de redelijke privacyverwachting van de deelnemers aan het gesprek of het doel dat met het gebruik van de opname wordt beoogd en daarbij kunnen onder meer de inhoud van het gesprek, de omstandigheden waaronder het gesprek plaatsvond, de hoedanigheid van de deelnemers aan het gesprek en de hoedanigheid van de bestemmeling van de opname een rol spelen

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/7
Pagina: 
552
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H.V. / L V.G., W.V. G en E.V.W - Rolnr.: P.16.0294.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 februari 2016. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
1. Artikel 429, derde lid Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verweerder in cassatie zijn antwoord slechts kan aanvoeren in een memorie die ondertekend is door een advocaat houder van het door artikel 425, § 1, tweede lid Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift en die hij uiterlijk 8 dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof doet toekomen. Deze memorie moet volgens artikel 429, vierde lid Wetboek van Strafvordering bij aangetekende brief ter kennis van de eiser worden gebracht en het bewijs van verzending moet binnen de vermelde termijn van 8 dagen ter griffie van het Hof worden neergelegd, dit op straffe van onontvankelijkheid.

2. De in deze bepaling bedoelde termijn van 8 dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat 8 volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie en de dag van de rechtszitting. Indien de 9de en de 10de dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag zijn, moet de memorie ervóór zijn neergelegd.

3. De memorie van antwoord van de verweerders en het bewijs van verzending van die memorie aan de eiser werden pas ontvangen ter griffie van het Hof op maandag 30 mei 2016, dit is buiten de voormelde termijn van 8 dagen vóór de rechtszitting van 7 juni 2016.

De memorie van antwoord is niet ontvankelijk.

Eerste middel
4. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en de artikelen 127, 130, 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest beoordeelt ten onrechte niet zelf de aangevoerde regelmatigheid van de door de verweerders als overtuigingsstukken neergelegde telefoongesprekken, maar laat die beoordeling over aan de feitenrechter; de appelrechters oordelen dat een gebruik van een zonder medeweten van de andere deelnemers opgenomen privécommunicatie waaraan men zelf deelneemt, een inbreuk kan uitmaken op artikel 8 EVRM, maar dat het aan de feitenrechter is om dit te beoordelen op grond van de feitelijke gegevens van de zaak, rekening houdend met de redelijke privacyverwachting die de deelnemers konden hebben en die onder meer betrekking heeft op de inhoud en de omstandigheden waaronder het gesprek plaatsvond.

5. Het gebruik van de opname van een gesprek door een deelnemer aan dat gesprek zonder medeweten van de andere deelnemers, buiten het geval van louter gebruik voor zichzelf en anders dan het gebruik bedoeld in artikel 314bis, § 2, tweede lid Strafwetboek, kan een inbreuk zijn op artikel 8 EVRM.

6. Bij de beoordeling of dat gebruik een inbreuk oplevert op artikel 8 EVRM betrekt de rechter onder meer het criterium van de redelijke privacyverwachting van de deelnemers aan het gesprek of het doel dat met het gebruik van de opname wordt beoogd. Daarbij kunnen onder meer de inhoud van het gesprek, de omstandigheden waaronder het gesprek plaatsvond, de hoedanigheid van de deelnemers aan het gesprek en de hoedanigheid van de bestemmeling van de opname een rol spelen.

7. De kamer van inbeschuldigingstelling is er krachtens artikel 235bis Wetboek van Strafvordering toe gehouden om indien zij daartoe op regelmatige wijze door een partij werd aangezocht, te onderzoeken of de handelingen van het onderzoek en de bewijsverkrijging niet door een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid zijn aangetast.

8. Door een mede-inverdenkinggstelde, waarmee de eiser een gelijklopend belang heeft, werd voor de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerd dat de door de verweerders buiten medeweten van de correspondent opgenomen telefoongesprekken een onwettige bewijsgaring uitmaken.

9. Het arrest oordeelt dat:

elk gebruik van zonder medeweten van de andere deelnemers opgenomen privécommunicatie waaraan men zelf niet deelneemt, buiten het geval van het gebruik voor zichzelf en buiten het geval bedoeld in artikel 314bis, § 2, tweede lid Strafwetboek, een inbreuk kan zijn op artikel 8 EVRM;
het aan de rechter staat dit te beoordelen op grond van de feitelijke gegevens van de zaak, rekening houdend met de redelijke privacyverwachting die de deelnemers konden hebben en die onder meer betrekking heeft op de inhoud en de omstandigheden waaronder het gesprek plaatsvond;
de verweerders de telefoonopnames of een uitgetikte versie ervan in het geding mogen aanwenden indien zij ter kennis van de inverdenkinggstelden werden gebracht en die de mogelijkheid hebben gehad om een adequaat verweer te voeren, wat hier het geval is;
het aan de bodemrechter staat de bewijskracht van de voorgelegde stukken te beoordelen.
10. Aldus laat het arrest de beoordeling van de ingeroepen onrechtmatigheid van de bewijsverkrijging over aan de feitenrechter. Het arrest kon dan ook niet naar recht oordelen dat er bij bewijsgaring geen onrechtmatigheid of onregelmatigheid is vast te stellen.

Het middel is gegrond.

Tweede middel
11. Het middel voert schending aan van artikel 21bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de voeging van stukken afkomstig uit het te Kortrijk gevoerde gerechtelijk onderzoek in het te Brussel gevoerde gerechtelijk onderzoek regelmatig is; deze stukken werden gevoegd zonder toelating van het Openbaar Ministerie tot inzage en afschrift; de loutere omstandigheid dat het Openbaar Ministerie de voeging alsnog heeft bevestigd doet niets af aan de begane onrechtmatigheid.

12. Artikel 21bis, derde lid Wetboek van Strafvordering bepaalt dat behoudens in hier niet toepasselijke gevallen de beslissing over het verlenen van inzage of het verkrijgen van een afschrift wordt genomen door het Openbaar Ministerie, zelfs tijdens het gerechtelijk onderzoek.

13. Uit die bepaling en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat indien een onderzoeksrechter met het oog op de waarheidsvinding over feiten waarmee hij is gelast, inzage wil in een ander gerechtelijk onderzoek en afschrift wil van tot dat dossier behorende stukken, het bevoegde Openbaar Ministerie daartoe voorafgaandelijk toelating moet geven.

14. Het arrest dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie
15. De vernietiging van de beslissing dat bij de bewijsgaring geen onrechtmatigheid of onregelmatigheid werd vastgesteld, leidt tot de vernietiging van de beslissingen dat er in hoofde van de eiser ernstige en voldoende bezwaren bestaan om hem naar de correctionele rechtbank te verwijzen en dat het onderzoek volledig is daar alle onderzoekshandelingen dienstig om de waarheid aan het licht te brengen, werden verricht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eisers hoger beroep ongegrond verklaart en het de beroepen beschikking bevestigt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot 1/10 van de kosten van zijn cassatieberoep.

Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de verwijzingsrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 187,99 EUR.

Noot: 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/07/2017 - 19:08
Laatst aangepast op: do, 20/07/2017 - 19:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.