-A +A

Oplichting oogmerk om andermans zaak voor zichzelf of een derde toe te eigenen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 22/03/2016
A.R.: 
P.15.1353.N

Oplichting vereist het oogmerk zich andermans zaak wederrechtelijk of onrechtmatig toe te eigen, wat het betrachten van een persoonlijke onrechtmatige bevoordeling of deze van een derde inhoudt; dit oogmerk is niet te verwarren met de drijfveren of de beweegredenen die aan de strafbare handeling ten grondslag liggen en die geen constitutief bestanddeel van het misdrijf van oplichting zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.1353.N
L V,
burgerlijke partij,
eiser,
tegen
1. D bvba,
inverdenkinggestelde,
2. P D,
inverdenkinggestelde,
3. A D W,
inverdenkinggestelde,
4. G V,
inverdenkinggestelde,
5. M V,
inverdenkinggestelde,
6. M V,
inverdenkinggestelde,
7. G V,
inverdenkinggestelde,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 15 oktober 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 61, eerste lid, 63, eerste lid, en 70 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen be-ginsel van de principiële onderzoeksverplichting van de onderzoeksrechter: het ar-rest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter ondanks zijn principiële onderzoeksverplichting kan beslissen het gerechtelijk onderzoek onmiddellijk af te sluiten wanneer hij van oordeel is dat de aangebrachte feiten onder geen enkele strafrechtelijke kwalificatie kunnen worden gebracht; het is de taak van de onder-zoeksrechter om alle aanduidingen en bewijsmiddelen in te zamelen om uit te ma-ken of de aangeklaagde feiten beantwoorden aan een strafrechtelijke kwalificatie en of er voldoende aanwijzingen van schuld voor bestaan; de beslissing van buitenvervolgingstelling is dan ook niet naar recht verantwoord.

2. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de principiële onderzoeksverplichting van de onderzoeksrechter.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Het gerechtelijk onderzoek wordt niet afgesloten door de onderzoeksrechter, maar wel door een beslissing van het onderzoeksgerecht.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. De artikelen 61, eerste lid, 63, eerste lid en 70 Wetboek van Strafvordering beletten de onderzoeksrechter niet prima facie te oordelen dat de feiten voorwerp van zijn gerechtelijk onderzoek onder geen enkele strafrechtelijke kwalificatie kunnen worden gebracht en op die grond het dossier mee te delen aan het openbaar ministerie met het oog op de regeling van de rechtspleging. Die mededeling van het dossier sluit niet uit dat het openbaar ministerie de onderzoeksrechter als-nog vordert de feiten te onderzoeken of dat de burgerlijke partij hem op grond van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering verzoekt bijkomende onderzoeksdaden te stellen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het arrest beslist dat de onderzoeksrechter die prima facie oordeelt dat er geen aanwijsbare elementen van een misdrijf voorhanden zijn en de bij hem aan-gebrachte feiten derhalve niet onder een strafrechtelijke kwalificatie kunnen wor-den gebracht, bij toepassing van de artikelen 61, eerste lid, en 127, § 1, Wetboek van Strafvordering de zaak mocht meedelen aan het openbaar ministerie. Die be-slissing is naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

6. Voor het overige komt het onderdeel op tegen overtollige redenen en kan het dan ook niet tot cassatie leiden.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 61, eerste lid, 63, eerste lid, en 70 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van de principiële onderzoeksverplichting van de onderzoeksrechter: het ar-rest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter ondanks zijn principiële onderzoeksverplichting kan beslissen het gerechtelijk onderzoek onmiddellijk af te sluiten wanneer hij van oordeel is dat de aangebrachte feiten onder geen enkele strafrechtelijke kwalificatie kunnen worden gebracht; die uitzonderingsregel geldt hoogstens indien in de klacht met burgerlijkepartijstelling de feiten niet onder een strafrechtelijke kwalificatie werden gebracht, wat hier niet het geval is aangezien de eiser de feiten als oplichting had gekwalificeerd; de beslissing van buitenvervolgingstelling is dan ook niet naar recht verantwoord.

8. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.

9. De omstandigheid dat een burgerlijke partij in de akte van burgerlijkepartij-stelling aan de bij de onderzoeksrechter aangebrachte feiten een bepaalde kwalifi-catie heeft gegeven, belet de onderzoeksrechter niet prima facie te oordelen dat deze feiten onder geen enkele strafrechtelijke kwalificatie kunnen worden ge-bracht en er dan ook grond is om het dossier mee te delen aan het openbaar minis-terie met het oog op de regeling van de rechtspleging.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: met het oor-deel dat de feiten geen misdrijf van poging tot oplichting kunnen uitmaken op de grond dat de dagvaarding om uit onverdeeldheid te treden en de uit de dagvaar-ding voortspruitende rechtsgevolgen bezwaarlijk kunnen worden omschreven als handelingen die een door de eiser of een derde vrijwillig gestelde afgifte beogen, beperkt het arrest ten onrechte het oplichtingsmisdrijf tot het bedrieglijk doen afgeven van zaken die aan ander toebehoren; nochtans kan oplichting ook bestaan in het zich iets laten leveren, wat een ruimere draagwijdte en betekenis heeft dan afgeven; de beslissing van buitenvervolgingstelling is niet naar recht verantwoord.

11. Met de redenen die het bevat, geeft het arrest te kennen dat de door het middel bedoelde handelingen geen handelingen zijn die een levering beoogden.
Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag.

Derde middel

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat oplichting een doelgericht oogmerk veronderstelt van het nastreven van een ongeoorloofde winst of een onrechtmatig voordeel voor zichzelf of voor een ander, terwijl het oogmerk zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen volstaat; de beslissing van buitenvervolgingstelling is niet naar recht verantwoord.

13. Oplichting vereist het oogmerk zich andermans zaak wederrechtelijk of on-rechtmatig toe te eigen, wat het betrachten van een persoonlijke onrechtmatige bevoordeling of deze van een derde inhoudt. Dit oogmerk is niet te verwarren met de drijfveren of de beweegredenen die aan de strafbare handeling ten grondslag liggen en die geen constitutief bestanddeel van het misdrijf van oplichting zijn.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. Met de redenen die het arrest bevat, verantwoordt het de beslissing naar recht.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat oplichting een doelgericht oogmerk van benadeling van de eigenaar impliceert; dat is geen bestanddeel van dit misdrijf; de beslissing van buitenvervolgingstelling is niet naar recht verantwoord.

16. Hoewel het misdrijf van oplichting slechts een mogelijk nadeel vereist, zal de onrechtmatige toe-eigening van andermans zaak in de regel een daadwerkelijke benadeling veroorzaken.

17. Met de redenen die het bevat, verantwoordt het arrest naar recht de beslis-sing tot buitenvervolgingstelling.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 94,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer op de openbare rechtszitting van 22 maart 2016

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 08/05/2017 - 17:18
Laatst aangepast op: ma, 08/05/2017 - 17:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.