-A +A

Oplichting bedrieglijke handelingen moeten afgifte niet volledig voorafgaan

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 17/02/2015
A.R.: 
P.14.1526.N

Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak die een ander toebehoort door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, met het oogmerk zich die zaak toe te eigenen; listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak, terwijl het gebruik maken van een valse hoedanigheid ertoe strekt, met hetzelfde oog- merk, een derde te misleiden en hem het vertrouwen in te boezemen dat aan die hoedanigheid is verbonden (1). (1) Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N, AC 2012, nr. 660 (listige kunstgrepen); Cass. 6 februari 2001, AR P.99.0612.N, AC 2001, nr. 69 (valse hoedanigheden).

Aangezien de bedrieglijke middelen determinerend dienen te zijn voor de afgifte of de levering, gaan zij in de regel eraan vooraf, maar dergelijke bedrieglijke middelen kunnen ook worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk volgend op de afgifte of levering van de zaak kunnen plaatsvinden, hetgeen onder meer het geval is wanneer een persoon die een valse hoedanigheid gebruikt of een leugenachtige belofte doet om een derde te overtuigen hem gelden af te geven, volgend op die afgifte aan deze derde een geschrift overhandigt dat aan die hoedanigheid of die belofte bijkomende ge loofwaardigheid verleent, aangezien die gedragingen deel uitmaken van eenzelfde enscenering; daarentegen kunnen middelen die, hoewel bedrieglijk, niet bedoeld zijn om de zaak te doen afgeven of leveren, maar enkel om de reeds afgegeven of geleverde zaak te behouden, niet het misdrijf van oplichting opleveren (1). (1) Cass. 9 december 1997, AR P.95.0610.N, AC 1997, nr. 540; zie L. HUYBRECHTS,‘ Oplichting ‘, Comm.Straf., nrs. 10-16; zie A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2010, nr. 460.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.1526.N
J A M T D,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. L R,
burgerlijke partij,
2. M V,
burgerlijke partij,
3. H V A,
burgerlijke partij,
4. J D R,
burgerlijke partij,
5. B V,
burgerlijke partij,
6. B L,
burgerlijke partij,
7. G V G,
burgerlijke partij,
8. R V G,
burgerlijke partij,
9. M V,
burgerlijke partij,
10. J L,
burgerlijke partij,
11. M K,
burgerlijke partij,
12. R S,
burgerlijke partij,
13. M D M,

burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 18 september 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastlegging C.XIII.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht op een eerlijk proces.

3. Artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering is ingevoerd bij wet van 13 augustus 2011, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2011 en in werking getreden op 1 januari 2012. Bijgevolg is die paragraaf niet van toepas-sing op eisers verhoor van 7 juni 2011. Evenmin blijkt uit het arrest dat enig ver-hoor van de eiser werd afgenomen vanaf 1 januari 2012.

4. In zoverre het middel in zijn beide onderdelen schending aanvoert van arti-kel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, faalt het naar recht.

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters, die eisers eerste verhoor van 7 juni 2011 uit het bewijs weren wegens een gebrek aan bijstand van een advocaat en die weigeren zijn latere verhoren zonder deze bijstand uit het bewijs te weren omdat hij vooraf in de mogelijkheid is geweest een advocaat te raadplegen, deze latere verhoren ten onrechte in aanmerking nemen als bewijs; indien een verhoor dat onwettig is wegens miskenning van het bijstandsrecht ten grondslag ligt aan latere verhoren of andere onderzoekshandelingen, dan zijn deze verhoren of han-delingen door dezelfde onwettigheid aangetast en moeten zij eveneens wegens miskenning van het recht op een eerlijk proces als bewijs worden uitgesloten; de appelrechters die niet nagaan of eisers latere verhoren al dan niet hun oorsprong vonden in zijn eerste verhoor en niet vaststellen dat zulks niet het geval is, kunnen bijgevolg die latere verhoren niet wettig als bewijs in aanmerking nemen; minstens laat het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het aldus niet regelmatig gemotiveerd.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat zijn na 7 juni 2011 afgelegde verkla-ringen hun grondslag vinden in zijn op 7 juni 2011 afgelegde verklaringen.

In zoverre is het onderdeel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.
Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters die eisers eerste verhoor van 7 juni 2011 uit het bewijs weren omdat hij bij dat verhoor niet werd bijgestaan door een advocaat, ingevolge de overname van de redenen van het beroepen vonnis zijn schuld toch beoordelen op grond van zijn geweerde verklaringen; uit dat vonnis, dat uitdrukkelijk stelt de schuld van de eiser af te leiden uit "de stukken van het strafdossier en de overeenstemmende verklaringen van de gedupeerden", blijkt immers dat het rekening houdt met alle stukken van het strafdossier en dus ook met eisers vermelde verklaringen; de appelrechters die eisers belastende verkla-ringen uit het bewijs weren, mogen echter op geen enkele wijze zijn schuld op die verklaringen steunen; aldus is het arrest ook tegenstrijdig gemotiveerd.

8. Het beroepen vonnis oordeelt: "De stukken van het strafdossier en de over-eenstemmende verklaringen van de gedupeerden tonen de bedrieglijke intentie van [de eiser] nochtans genoegzaam aan." De enkele omstandigheid dat het be-roepen vonnis die reden bevat, houdt niet in dat dit vonnis of het arrest dat deze reden overneemt, het oordeel over eisers schuld steunt op zijn verklaringen van 7 juni 2011. Bijgevolg bestaat ook de aangevoerde tegenstrijdigheid niet.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505, eerste lid, 3°, vijfde lid en zesde lid, Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser wegens de telastleggingen B.I tot B.V, dit zijn witwasmisdrijven als bepaald in ar-tikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, en beveelt op die grond de verbeurdverkla-ring van het voorwerp van deze witwasmisdrijven, zonder het voor deze misdrijven vereiste bijzondere opzet te onderzoeken en vast te stellen; minstens laat het arrest aldus het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.

10. Het arrest verklaart de telastleggingen B.I tot B.V bewezen zoals omschre-ven in de bewoordingen van de wet. Het stelt aldus vast dat het constitutief be-standdeel van het vereiste bedrieglijk opzet aanwezig is. Overeenkomstig artikel 149 Grondwet hoeft het, bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, die beslissing niet nader te motiveren. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de in de telastleggingen C.I tot C.V, C.VII tot C.XII en C.XIV vermelde feiten van oplichting op grond van de in de telastleggingen A.I tot A.IV vermelde valse stukken omdat het gebruik van die stukken de listige kunstgrepen voor deze oplichtingen zou uitmaken; die stukken dateren evenwel van na de afgifte van de geldsommen door de verweerders aan de eiser en kunnen bijgevolg niet determinerend zijn geweest voor die afgifte.

12. Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak die een ander toebehoort hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, met het oogmerk zich die zaak toe te eigenen.

13. Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak. Het gebruikmaken van een valse hoedanigheid strekt ertoe, met hetzelfde oogmerk, een derde te misleiden en hem het vertrouwen in te boezemen dat aan die hoedanigheid is verbonden. Aangezien de beide bedrieglijke middelen deter-minerend dienen te zijn voor die afgifte of die levering, gaan zij in de regel eraan vooraf.

14. Dergelijke bedrieglijke middelen kunnen echter ook worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk volgend op de afgifte of de levering van de zaak kunnen plaatsvinden. Dit is on-der meer het geval wanneer een persoon die een valse hoedanigheid gebruikt of een leugenachtige belofte doet om een derde te overtuigen hem gelden af te ge-ven, volgend op die afgifte aan deze derde een geschrift overhandigt dat aan die hoedanigheid of die belofte bijkomende geloofwaardigheid verleent. Die gedra-gingen maken immers deel uit van eenzelfde enscenering.

15. Daarentegen kunnen middelen die, hoewel bedrieglijk, niet bedoeld zijn om de zaak te doen afgeven of leveren, maar enkel om de reeds afgegeven of gelever-de zaak te behouden, niet het misdrijf van oplichting opleveren.

16. De valse stukken vermeld in de telastleggingen A.I hebben betrekking op overzichten ("outprints") van beweerde beleggingsopbrengsten die de eiser liet geworden aan personen die hem reeds gelden ter belegging hadden afgegeven. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest daar-over: "[De eiser] betwist niet (...) dat hij eigenhandig de outprints van beleggingen opstelde met vermelding van verzonnen winstmarges om het vertrouwen van beleg-gers te behouden en vorderingen tot terugbetaling te voorkomen."

17. Over de valse stukken vermeld in de telastleggingen A.III en A.IV oordeelt het arrest met overname van de redenen van het beroepen vonnis: "Aan het straf-dossier werden twee overeenkomsten gevoegd waarin [de eiser] aan beleggers beloofde over te gaan tot terugbetaling van (een deel van) het ontvangen kapitaal, terwijl hij wist dat hij niet bij machte was een dergelijke betaling te doen bij gebrek aan fondsen. [De eiser] had bijgevolg niet de intentie om ook daadwerkelijk tot betaling over te gaan maar poogde met deze overeenkomsten gerechtelijke stappen van de achterdochtige beleggers te voorkomen".

18. Aangezien het gebruik van de stukken vermeld in de telastleggingen A.I, A.III en A.IV aldus niet strekte tot de afgifte van de gelden, maar enkel tot het behoud ervan, maakt dat gebruik geen listige kunstgreep uit in de zin van artikel 496 Strafwetboek.

19. De telastleggingen onder A.II hebben betrekking op het opstellen van brie-ven door de eiser waarin hij vermeldt "chairman" (voorzitter) te zijn van een on-bestaande Luxemburgse investeringsmaatschappij en het richten van die brieven aan beleggers.

20. Uit de data van de telastleggingen A.II.a, A.II.b, A.II.c, A.II.e en A.II.g blijkt niet dat de daar vermelde brieven pas aan de daar bedoelde beleggers zou-den gericht zijn na de feiten van oplichting, vervat in de corresponderende telast-leggingen C.V, C.II, C.I, C.XIV en C.XII.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

21. Met betrekking tot de bedoelde brieven oordeelt het arrest met van het be-roepen vonnis overgenomen redenen en met eigen redenen onder meer:

- "[De eiser] wordt ten laste gelegd dat hij zich valselijk voordeed als (...) chairman van een onbestaande Luxemburgse vennootschap, door het gebruik van brieven met de hoofding van deze onbestaande vennootschap (tenlasteleg-ging A.II), met de bedoeling om gelden aan te trekken van particulieren om deze te beleggen (tenlastelegging C) en eigenhandig documenten te hebben opgesteld die een onbestaand rendement voorhielden om het vertrouwen van deze beleggers te winnen en te behouden (tenlastelegging A.I)";

- "Het hof verwijst naar de verklaring van dhr. S (...) die verklaart dat hij bij zijn eerste belegging een bewijs van de firma Askarovo heeft ontvangen, onder-tekend door [de eiser]. (...) Dhr. S ging er van uit dat zijn gelden via een Luxemburgse beleggingsvennootschap Askarovo werden belegd, waarvan ach-teraf bleek dat deze vennootschap niet bestond en de naam Askarovo in feite de naam was van een in Luxemburg beheerde rekening";

- "Het hof verwijst naar de overeenstemmende verklaringen van de andere beleggers (...) waaruit blijkt dat [de eiser] op dezelfde wijze tewerk ging";

- "Met betrekking tot de feiten sub A.II erkent [de eiser] dat hij deze brieven schreef als chairman van de Luxemburgse vennootschap Askarovo (die niet bestond) om de beleggers een bewijsstuk te verschaffen dat zij gelden aan hem hadden overhandigd. Het bedrieglijk opzet bestaat erin dat [de eiser] in deze brieven voorhield dat hij deze gelden zou gaan beleggen via een niet bestaande Luxemburgse vennootschap Askarovo waarvan hij de verantwoordelijke was."

Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing waarbij het de eiser veroor-deelt wegens de in de telastleggingen C.I, C.II, C.V, C.XII en C.XIV vermelde feiten van oplichting met gebruik van de in de telastleggingen A.II.a), A.II.b), A.II.c), A.II.e) en A.II.g) vermelde stukken.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

22. In zoverre het middel met betrekking tot die telastleggingen opkomt tegen overtollige redenen die de beslissing niet schragen en die de vermelde redenen onverlet laten, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.

23. De uitgesproken straf is naar recht verantwoord wegens de schuldigverkla-ring aan de andere telastleggingen dan de telastleggingen C.IV en C.VIII. De on-wettigheid van de schuldigverklaring aan die laatste feiten kan bijgevolg niet lei-den tot vernietiging van de beslissing op de strafvordering.

In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

24. Uit de data van de telastleggingen A.II.d en A.II.f blijkt dat de daar vermelde brieven aan de verweerders 5, 8 en 9 werden gericht na de misdrijfperiodes vermeld in de telastleggingen C.IV en C.VIII en dat het gebruik van die brieven bijgevolg niet determinerend kan zijn geweest voor de afgifte van de in die laatste telastleggingen vermelde bedragen door die verweerders. In zoverre het arrest de eiser veroordeelt wegens oplichting met als listige kunstgreep het gebruik van die brieven, verantwoordt het de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen gesteund op die tenlasteleggingen niet naar recht.

In zoverre is het middel gegrond.

Vierde middel

25. Het middel voert schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: met betrek-king tot de verweerders 4 tot 13 oordeelt het arrest ten onrechte dat er een oorza-kelijk verband bestaat tussen eensdeels de feiten van valsheid in geschrifte en ge-bruik van valse stukken (telastleggingen A) en oplichting (telastleggingen C) en anderdeels hun schade als gevolg van de afgifte van de gelden; die schade kan echter slechts het gevolg zijn van de oplichting die volgens het derde middel niet bewezen is, maar niet van de valsheid; de vals bevonden geschriften dateren im-mers van na de afgifte van de gelden, zodat niet kan beslist worden dat de schade zich zonder de valsheden niet of niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan.

26. Uit het antwoord op het derde middel blijkt dat het arrest de eiser terecht veroordeelt voor de telastleggingen C.I, C.II, C.V, C.XII en C.XIV met betrek-king tot de verweerders 4, 6, 7, 10, 11, 12 en 13. Bijgevolg kan het arrest de eiser veroordelen tot schadevergoeding aan die verweerders op grond van de in die te-lastleggingen vermelde feiten van oplichting.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

27. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging van de beslissingen op de bur-gerlijke rechtsvorderingen ingesteld door de verweerders 5, 8 en 9, behoeft het middel voor het overige geen antwoord.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot schadever-goeding aan de verweerders 5, 8 en 9.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot drie vierden van de kosten van het cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de verweerders 5, 8 en 9.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Bepaalt de kosten op 385,66 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 13/04/2016 - 11:08
Laatst aangepast op: wo, 22/03/2017 - 16:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.