-A +A

Ontvankelijkheid van tegenvorderingen en uitgebreide vorderingen bij niet ontvankelijke oorspronkelijke vorderingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 25/11/2016
A.R.: 
C.16.0109.N

De niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering staat er niet aan in de weg dat de rechter voor wie een gewijzigde of uitgebreide vordering aanhangig is, zich over alle punten van die vordering dient uit te spreken.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/5
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(C.V.M. BVBA / B.L. - Rolnr.: C.16.0109.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 september 2015.

Sectievoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddelen
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het “tussengekomen vonnis” van de eerste rechter waartegen de verweerder bij conclusie hoger beroep heeft ingesteld, verwijst naar het tussenvonnis van 11 mei 2012.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de verweerder bij conclusie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het tussenvonnis van 11 mei 2012 en dat de appelrechters door het tegendeel te beslissen de bewijskracht van die conclusie miskennen, mist het feitelijke grondslag.

2. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de overtollige verwijzing door de appelrechters naar het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2015 waarop de verweerder, na de neerlegging van voormelde conclusie, nog eens akte vroeg van het feit dat het incidenteel beroep ook als hoofdberoep tegen het vonnis van 11 mei 2012 wordt ingesteld, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel
3. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het hoofdberoep eerst ter zitting van 12 juni 2015 werd ingesteld, mist feitelijke grondslag.

Tweede middel
Eerste onderdeel
4. Artikel 807 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

5. Krachtens artikel 1138, 3° Gerechtelijk Wetboek moet de rechter uitspraak doen over alle punten van de vordering die bij hem aanhangig is.

6. De niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering staat er niet aan in de weg dat de rechter voor wie een gewijzigde of uitgebreide vordering aanhangig is, zich over alle punten van die vordering dient uit te spreken.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de oorspronkelijke vordering van de eiseres ertoe strekte de verweerder te horen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens verborgen gebreken en dat de eiseres haar vordering in de loop van het geding heeft uitgebreid tot de betaling van een contractueel voorziene schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst.

8. De appelrechters oordelen dat gelet op de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van de eiseres, alle andersluidende conclusies en vorderingen alsook middelen worden verworpen.

9. Door aldus te oordelen, hebben de appelrechters nagelaten uitspraak te doen over de vordering van de eiseres die ertoe strekte de verweerder te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven
10. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

eenparig beslissend,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het nalaat uitspraak te doen over de door de eiseres geformuleerde vordering tot betaling van schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst en het uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Voorziening in Cassatie

(…)

Tweede middel tot cassatie
Geschonden bepalingen en algemeen rechtsbeginsel
- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,

- artikelen 13, 702, 3°, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 19 oktober 2015, 807, 809 en 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek,

- artikelen 1134, 1142, 1146, 1147, 1149, 1150, 1151, 1226, 1304, 1319, 1320, 1322 en 2262bis, § 1, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek,

- algemeen rechtsbeginsel genaamd beschikkingsbeginsel.

(…)

Grief
Eerste onderdeel
A contrario volgt uit artikel 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek dat het de rechter toekomt uitspraak te doen over al hetgeen door de procespartij wordt gevorderd, zulks op straffe van miskenning van het beschikkingsbeginsel.

Overeenkomstig artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 19 oktober 2015, bepaalt de partij het voorwerp van haar vordering.

Bij toepassing van de artikelen 13, 807 en 809 van het Gerechtelijk Wetboek kan zij die vordering bij conclusie uitbreiden of wijzigen in de loop van het geding.

Indien eiseres in de oorspronkelijke dagvaarding aanspraak maakte op een vergoeding voor de gebreken, die het in het te (…) gelegen bedrijfsgebouw geplaatste schrijnwerk vertoonde, breidde zij naderhand bij syntheseconclusie na expertise, haar vordering uit en maakte tevens aanspraak op een contractueel voorziene vertragingsboete van 46.000 EUR.

Meer bepaald liet zij voor de eerste rechter gelden dat verweerder als aannemer ertoe gehouden was en bleef om de werken uit te voeren binnen de daarvoor overeengekomen termijn, hetgeen een resultaatsverbintenis is. Het feit dat de vooropgestelde uitvoeringstermijn niet werd nageleefd volstond opdat de aannemer aansprakelijk zou zijn zonder dat een bijkomende fout moet worden aangetoond (p. 6 en 7).

Eiseres' hoofdberoep strekte ertoe het eerste vonnis, dat de vordering ter zake afwees, gedeeltelijk te horen vernietigen en verweerder te horen veroordelen tot betaling van een vertragingsboete van 46.000 EUR, meer de rente vanaf de dagvaarding tot de volledige betaling.

Eiseres handhaafde die vordering die was gestoeld op de niet-nakoming door verweerder van zijn verplichting om de werken af te werken binnen de voorziene termijn in haar conclusie van 22 september 2014.

Anders dan het hof van beroep in het bestreden arrest suggereert betrof het hier geen ondergeschikte vordering. Deze vordering was niet gestoeld op de aangehaalde gebreken, maar op de niet-naleving van de oorspronkelijk overeengekomen leveringstermijn, en vond steun in de tussen partijen aangegane aannemingsovereenkomst die hen overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek tot wet strekt.

Besluit

Het hof van beroep dat in het bestreden arrest oordeelt geen uitspraak te moeten doen over eiseres' bij conclusie uitgebreide en in hoger beroep gehandhaafde vordering, strekkende tot de veroordeling van verweerder tot betaling van een contractueel overeengekomen vertragingsboete wegens vertraging in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst, gelet op de niet-ontvankelijkverklaring van de oorspronkelijke vordering, gestoeld op verborgen gebreken, beslist aldus op onwettige wijze geen uitspraak te moeten doen over een onderscheiden punt van eiseres' vordering, zoals gewijzigd in de loop van het geding (schending van art. 13, 702, 3°, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 19 oktober 2015, 807, 809 en 1138, 3° Ger.W. evenals van het algemene rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel). Evenmin verantwoordt het zijn beslissing naar recht in zoverre het de bewuste vordering, strekkende tot de betaling van een contractuele vertragingsboete, omschrijft als een in ondergeschikte orde aangevoerde vordering (schending van diezelfde bepalingen en hetzelfde beginsel). Ten slotte miskent het de bewijskracht van eiseres' conclusie in hoger beroep in zoverre het de bewuste vordering, strekkende tot de betaling van een contractuele vertragingsboete omschrijft als een in ondergeschikte orde aangevoerde vordering, nu in deze conclusie geen sprake is van enige in ondergeschikte orde ingestelde vordering, aldus hierin iets lezende dat er niet staat vermeld (schending van art. 1319, 1320 en 1322 BW).

(…)

Noot: 

Van Schel, S., « Over de invloed van een onontvankelijke oorspronkelijke vordering op de uitgebreide of gewijzigde vordering », R.A.B.G., 2017/6, p. 456-459

Rechtsleer:

• Rudy Verbeke, Autonome tussenvorderingen ontsnappen wat hun lot betreft, aan het lot van de hoofdvordering, RABG, 2012/11, 739.

• S. Cnudde, “Tussengeschillen voortvloeiende uit de wijziging van de aanspraken van de partijen en uit de creatie van nieuwe procesverhoudingen” in X, Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Mechelen, Kluwer, 2007, VII.3-15

• S. Mosselmans, “Art. 807 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 28.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/07/2017 - 16:13
Laatst aangepast op: do, 20/07/2017 - 16:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.