-A +A

Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden - Vakbondsafgevaardigde - Dubbele hoedanigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 20/04/2015
A.R.: 
2032146

Een werknemer kan zich zowel beroepen op de bescherming als syndicaal afgevaardigde (CAO 19 juni 2003) als artikel 52 welzijnswet van 4 augustus 1996 als de bescherming van de wet van 19 maart 1991 (zonder dat deze kunnen gecumuleerd worden. 

De werknemer heeft bij onrechtmatig beslag de keuze tussen de vergoeding volgens het voor hem gunstigste statuut.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/3
Pagina: 
211
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(B.M. & S. NV / H.A. - Rolnr.: 2014/AB/685)

(…)

Feiten en procedurevoorgaanden
De heer H.A. (hierna afgekort de heer H.) trad in dienst van de NV B.M. & S. (hierna afgekort de NV) op 1 juni 2009 als deeltijds schoonmaker en hij presteerde 17,15 uur per week. De plaats van tewerkstelling was UGC Brouckère en UGC Toison d'Or te Brussel.

Op 25 januari 2010 werd de NV door de permanent syndicaal afgevaardigde bij het ABVV en verantwoordelijk voor de schoonmaaksector in kennis gesteld van de aanwijzing van de heer H. als vakbondsafgevaardigde als volgt:

“Bij onderhavig schrijven wens ik de heer H. aan te stellen als syndicaal afgevaardigde conform de CAO met betrekking tot het statuut van de vakbondsafvaardiging. Ik dank u bij voorbaat mijn afgevaardigde welkom te heten in zijn nieuwe functie. Ik stel voor een afspraak vast te leggen met hem teneinde samen de modaliteiten vast te leggen (…)”

Op 27 januari 2010 ontving de heer H. een schrijven vanwege de NV waarin hem onbeleefd gedrag werd verweten.

Bij schrijven van 2 februari 2010 verzette de NV zich tegen de aanstelling van de heer H. door zijn vakvereniging.

De permanent syndicaal afgevaardigde bij het ABVV antwoordde aangetekend op 4 februari 2010 en betwistte de verwittiging (het gedrag was ingegeven door de eis van de inspectrice om nog bijkomende taken te vervullen in overuren die niet zouden worden betaald). De vakvereniging bevestigde nogmaals de benoeming van de heer H. als vakbondsafgevaardigde.

De NV betwistte nogmaals de aanduiding van de heer H. als vakbondsafgevaardigde bij brief van 24 maart 2010. De vakvereniging antwoordde opnieuw aangetekend dat het niet de werkgever toebehoort om de syndicale afgevaardigde aan te duiden.

Op 14 oktober 2011 vond er een bijeenkomst plaats tussen de heer H. en de NV en de permanent afgevaardigde om een aantal dossiers in moeilijkheden binnen de onderneming te bespreken.

Op 30 november 2010 werd de heer H. opgeroepen voor een vorming georganiseerd door het ABVV voor nieuw aangestelde afgevaardigden.

Bij aangetekend schrijven van 29 december 2011 stelde de NV een einde aan de arbeidsovereenkomst:

“Inderdaad ondanks de verschillende verwittigingen die u ontvangen heeft, heeft U de vrijheid genomen vandaag om onze klant in UGC te contacteren en lastig te vallen om te klagen, wat wij niet kunnen toelaten. Deze laatste is uw werkgever niet en uw klachten dienden bij onze inspectie te worden gemeld.” (vrije vertaling).

Een werkloosheidsattest C4 wordt overhandigd en een verbrekingsvergoeding ten belope van 30 dagen loon wordt betaald.

Bij aangetekend schrijven van 3 januari 2012 werd om de re-integratie van de heer H. verzocht.

Op 25 januari 2012 stuurde de permanent afgevaardigde een herinneringsbrief.

Op 3 februari 2012 antwoordde de NV:

“Cliënte UGC weigert categoriek dat de heer H. door de NV zou worden gereïntegreerd op een van de werven van UGC. Het enige alternatief zou een re-integratie zijn op een van de werven in Wallonië, meer bepaald te Namen Ciney of Fleron, alwaar de NV 1:15 uur prestaties aan de heer H. zou kunnen toevertrouwen en dit tweemaal per week.” (vrije vertaling).

Dit voorstel werd bij brief van 8 februari 2012 geweigerd, omdat de contractuele bepalingen van de vorige arbeidsovereenkomst niet in acht werden genomen. Vervolgens werd overgegaan tot dagvaarding.

Met het bestreden vonnis verklaart de arbeidsrechtbank de vordering grotendeels gegrond.

De arbeidsrechtbank stelt vast dat de heer H. de hoedanigheid had van door de vakvereniging aangesteld syndicaal afgevaardigde. Het aanbod van de NV van tewerkstelling van lu15 tweemaal per week (of 14.30 u per week in Wallonië na het verzoek tot re-integratie) wijkt essentieel af van de voorheen geldende arbeidsovereenkomst zodat de NV de arbeidsvoorwaarden eenzijdig heeft gewijzigd en dus niet is ingegaan op de vraag tot re-integratie onder de voor het ontslag vigerende arbeidsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 14 van de wet van 19 maart 1991. De arbeidsrechtbank veroordeelt de NV tot betaling van een bedrag van 25.735,68 EUR ten titel van forfaitaire vergoeding op grond van artikel 16 van de wet van 19 maart 1991, hetzij 2 jaar loon aangezien hij minder dan 10 jaar in dienst was van de NV, te vermeerderen met de moratoire interesten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 29 december 2011 en met de gerechtelijke interesten. De arbeidsrechtbank veroordeelt de NV eveneens tot het betalen van een som van 4.825,44 EUR bruto ten titel van beschermingsvergoeding dit is tot de beëindiging van zijn opdracht als personeelsafgevaardigde in het CPBW, nu bij bedrijfs-CAO van 27 maart 2012 conventioneel een CPBW werd opgericht bij de NV. De eerste rechter concludeerde dat de heer H. bijgevolg nadien niet meer genoot van de beschermingsvergoeding zoals voorzien in artikel 17, § 1 van de wet van 19 maart 1991 evenals van artikel 14 van de CAO van 19 juni 2003.

De NV tekent hoger beroep aan binnen termijn, bij gebrek aan bewijs van betekening van het bestreden vonnis. De heer H. tekent op geldige wijze bij besluiten incidenteel hoger beroep aan stellende dat de variabele vergoeding de volledige termijn van 4 jaar dient te bedragen zijnde tot het einde van de 4-jarige periode van zijn mandaat als vakbondsafgevaardigde.

De heer H. verzoekt het arbeidshof de NV benevens de eerste veroordeling bijkomend te veroordelen tot het betalen van het bedrag van 26.808 EUR ten titel van forfaitaire vergoeding op grond van artikel 14 van de CAO van 19 juni 2003 betreffende het statuut van de syndicale delegaties, te vermeerderen met de moratoire interesten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 29 december 2011 en met de gerechtelijke interesten.

Grieven in hoger beroep
1. Er vond geen rechtsgeldige aanstelling als vakbondsafgevaardigde plaats bij de heer H.

De eerste rechter stelt ten onrechte dat de werkgever geen enkele inspraak heeft bij de aanstelling van een personeelsafgevaardigden door de vakvereniging. Artikel 4 van de CAO van 9 augustus 2005 voorziet zeer duidelijk dat alleen bij het uitblijven van een reactie hieruit een aanvaarding moet worden afgeleid. Hier heeft de werkgever binnen de 8 kalenderdagen gereageerd en zich niet akkoord verklaard met de voordracht van de heer H.

Op grond van artikel 1157 van het Burgerlijk Wetboek dient, wanneer een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, het te worden opgevat in de zin waarin het enig gevolg kan hebben, eerder dan die waarin het geen enkel gevolg kan hebben.

Volgens de NV diende de vakorganisatie van de heer H. de afwezigheid van akkoord door de werkgever voor te leggen aan het paritair comité voor de schoonmaak en ontsmettingsondernemingen.

Er anders over beslissen zou impliceren dat er een impasse ontstaat. De rechter geeft niet aan hoe de toevoeging doorgevoerd door artikel één van de CAO van 9 augustus 2005 bij wijziging van de CAO van 19 juni 2003 te rijmen valt met zijn beslissing. De heer H. werd derhalve niet rechtsgeldig aangesteld als vakbondsafgevaardigde en zijn vorderingen dienen als ongegrond te worden afgewezen.

2. Ondergeschikt meent de NV dat zij wel degelijk een re-integratie heeft geformuleerd.

De weigering van de klant UGC is te aanzien als een geval van overmacht en de NV heeft een andere tewerkstelling voorgesteld van 1u15 tweemaal per week, op werven in Wallonië waar de heer H. woonachtig is.

3. Uiterst ondergeschikt de beschermingsvergoeding maximaal kan gelden tot de oprichting van het conventioneel CPBW, alwaar het mandaat van de heer M. belast met de opdracht in het CPBW eindigt.

Beoordeling
Hoedanigheid van syndicaal afgevaardigde.
Artikel 4 van de CAO van 19 juni 2003 betreffende het statuut van de syndicaal afgevaardigden, afgesloten in het paritair comité voor de schoonmaak- en ontsmettingsondernemingen, neergelegd ter griffie op 10 juli 2003, en licht gewijzigd door de CAO van 9 augustus 2005, bepaalt:

“De syndicale afvaardiging wordt ingesteld op initiatief van een der in het paritair comité vertegenwoordigde vakverenigingen.

De in het paritair comité vertegenwoordigde vakverenigingen zullen het onderling eens worden om de syndicale afgevaardigden aan te wijzen, van wie de naam schriftelijk aan het ondernemingshoofd wordt medegedeeld.

Het ondernemingshoofd bericht binnen acht kalenderdagen ontvangst van deze mededeling, waardoor aldus de erkenning van de voorgedragen syndicale afvaardiging wordt bevestigd.

Het uitblijven van reactie binnen acht kalenderdagen moet beschouwd worden als een aanvaarding van de voorgedragen syndicale afvaardiging.

Bij ontstentenis van een akkoord tussen de vakverenigingen, zullen de syndicale afgevaardigden door middel van verkiezingen worden aangewezen.”

Artikel 4 is duidelijk en bijgevolg dient het niet te worden geïnterpreteerd maar toegepast.

Op grond van voormeld artikel blijkt duidelijk dat de vakverenigingen vertegenwoordigd in het paritair comité instaan voor de aanstelling van hun afvaardiging en zij beslissen hierover soeverein.

Indien aan alle vormvereisten is voldaan, kan de werkgever zich niet verzetten (zie “Oprichting en samenstelling van de vakbondsafvaardiging”, Or., februari 2004, 35).

De werknemersorganisatie beslist soeverein over de aanstelling van de afgevaardigden (zie Humblet, o.c., 40 en Arbh. Bergen 17 januari 1984, JTT 1984, 399). Het behoort de vakorganisaties toe te beslissen over de bekwaamheid en de persoon van de syndicale afgevaardigde en niet de werkgever (Arbh. Mons, o.c.).

In deze sectorale CAO is er geen vetorecht voorzien zoals in sommige andere paritaire comités. De toevoeging door de CAO van 2005 van de laatste alinea van de derde paragraaf “Het uitblijven van reactie binnen acht kalenderdagen moet beschouwd worden als een aanvaarding van de voorgedragen syndicale afvaardiging” werd voor de verduidelijking toegevoegd zodat uit de vorige alinea niet a contrario kon worden afgeleid dat bij het uitblijven van reactie door de werkgever er geen geldige syndicale afgevaardigden zou ontstaan.

Artikel 2 van de CAO van 19 juni 2003 heeft betrekking op de samenstelling van de vakbondsafvaardiging, meer bepaald op het aantal afgevaardigden dat wordt bepaald op grond van het aantal werklieden in de onderneming. Bij gebrek aan akkoord wordt een verzoeningsprocedure ingesteld doch dit is niet het geval in deze zaak.

De heer H. werd op regelmatige wijze aangeduid bij aangetekend schrijven van 28 januari 2010 in niet mis te verstane bewoordingen:

“Ik dank U bij voorbaat mijn afgevaardigde welkom te heten in zijn nieuwe functie.” (vertaling).

Het schrijven van 4 februari 2010 van de vakvereniging vermeldt eveneens: “Mijn afgevaardigde betwist de verwittiging. In deze context kan ik uw weigering tot aanstelling van syndicaal afgevaardigde niet aanvaarden.”

Opnieuw bevestigt de vakvereniging haar standpunt bij aangetekend schrijven van 26 maart 2010: “(…) maar het behoort U niet toe te beslissen” (vertaling). Zo werd onder meer op 14 oktober 2011 een vergadering belegd met partijen teneinde moeilijkheden binnen het bedrijf te bespreken. Op 30 november werd de heer H. opgeroepen voor een vorming georganiseerd door het ABVV voor nieuw aangestelde afgevaardigden.

Bescherming van de syndicaal afgevaardigde eveneens belast met de opdrachten van het CPBW
De syndicaal afgevaardigde beschikt over een eigen bescherming inherent aan zijn mandaat waardoor hij is blootgesteld aan de “wrevel” van de werkgever en hiervoor moet hij worden beschermd. Deze bescherming is een andere bescherming dan deze van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en CPBW (zie L. Cappellini, La protection prévue par la loi du 19 mars 1991 et le délégué syndical exerçant les missions du comité pour la prévention et la protection du travail, Anthémis, 2011, p. 359).

In de ondernemingen waar geen CPBW is opgericht zoals bij de NV (tot 2012) vervult de syndicaal afgevaardigde van rechtswege de opdrachten van het CPBW. Wanneer zij deze opdracht vervullen worden zij geen personeelsafgevaardigden; zij blijven syndicaal afgevaardigden en hun opdracht is van rechtswege uitgebreid met deze van het CPBW (L. Cappellini, o.c., p. 375). Wegens hun opdracht voor het CPBW bekomen zij dezelfde bescherming zoals voorzien door de wet van 19 maart 1991.

Het wordt niet betwist tussen partijen dat er geen CPBW was in de onderneming van de NV en dat bijgevolg de heer H. belast was met de opdrachten van het preventiecomité.

De heer H. kan zich dus zowel beroepen op de bescherming als syndicaal afgevaardigde (CAO 19 juni 2003) als artikel 52 welzijnswet van 4 augustus 1996 als de bescherming van de wet van 19 maart 1991 (zonder dat deze kunnen gecumuleerd worden, zie infra). CAO nr. 5 (art. 20, laatste paragraaf) bepaalt dat de vergoeding van syndicaal afgevaardigde niet verschuldigd is als er een beschermingsvergoeding op grond van de wet van 19 maart 1991 toegekend wordt.

Dit artikel wordt overgenomen in de sectorale CAO (art. 11) van 19 juni 2003.

De sectorale CAO van 19 juni 2003 voorziet in haar artikel 7 dat het mandaat van de syndicaal afgevaardigde in principe 4 jaar duurt en het is stilzwijgend hernieuwbaar, telkens voor een nieuwe periode van 4 jaar. Het is duidelijk dat het mandaat ingevolge de CAO van 19 juni 2003 4 jaar duurt, te rekenen vanaf de aanstelling dit is 25 januari 2010.

De sectorale CAO voorziet duidelijk, onverminderd de toepassing van artikelen 39 en 40 van de wet van 3 juli 1978 in een forfaitaire vergoeding gelijk aan de brutobezoldiging van 2 jaar zo de afgevaardigde minder dan 10 dienstjaren in de onderneming telt, indien de werkgever een syndicaal afgevaardigde afdankt zonder de in artikel 9 bepaalde procedure na te leven.

De wet van 19 maart 1991, waarvan de bepalingen inzake de vergoedingen van dwingend recht zijn en niet van openbare orde (zie V. Vannes, La protection prévue par la loi du 19 mars 1991 et le délégué syndical exerçant les missions du comité pour la prévention et la protection du travail, Anthémis, 2011, p. 91) laten toe dat de betrokkene kiest welke vergoeding hij wenst te vorderen hetzij op de sectorale CAO (als syndicaal afgevaardigde en zijn sectorale specifieke bescherming) hetzij op de opdracht CPBW en via artikel 52 van de welzijnswet van 4 augustus 1996 op de wet van 19 maart 1991.

Het vermelde in artikel 11, laatste alinea van de CAO van 19 juni 2003 dat, wanneer de syndicaal afgevaardigde de vergoeding, bepaald in artikel 16 van de wet van 19 maart 1991, ontvangt, de vergoeding van artikel 11 van de CAO niet verschuldigd is, is de grondslag voor een verbod van cumul van beide vergoedingen, maar doet aan het voorgaande niets af.

De heer H. is bijgevolg gerechtigd op betaling van het bedrag van 25.735,68 EUR t.t.v. forfaitaire vergoeding op grond van artikel 11 van de CAO van 19 juni 2003, meer de moratoire interesten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 29 december 2011 en de gerechtelijke interesten.

Geen aanvaarding van de vraag tot re-integratie en de vergoeding van artikel 14 van de CAO van 19 juni 2003 - Voorwerp van het incidenteel hoger beroep
Het wordt niet betwist dat de heer H. bij aangetekend schrijven van 3 januari 2012 en 25 januari 2012, dit is binnen de wettelijk voorziene termijn van 30 dagen een vraag tot re-integratie indiende bij de NV.

Overeenkomstig artikel 12 van de CAO van 19 juni 2003 vraagt de heer H. om zijn re-integratie, hierin begrepen onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst genoot.

De NV meent ten onrechte dat zij zich kan baseren op overmacht, door in te roepen dat UGC Brussel dit weigert en door een tewerkstelling aan te bieden op werven in Wallonië van amper 1u15 tweemaal per week hetzij wekelijks een totaal van 2u30. Dit aanbod is 14u30 per week minder arbeid dan de in de arbeidsovereenkomst en de vóór het ontslag genoten arbeidsvoorwaarden van 17.15u per week en dan nog op verschillende werven die uit elkaar in Wallonië liggen i.p.v. Brussel.

Om dezelfde motieven als de eerste rechter en dewelke het hof hier overneemt, kan het voorstel van de NV niet als een aanvaarding tot re-integratie worden aanzien.

Aan de vereiste aanvaarding van re-integratie is alleen voldaan wanneer de werkgever zich binnen de gestelde termijn onvoorwaardelijk (quod non in casu) ertoe verbindt de werknemer onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als voorheen (quod non in casu) opnieuw tewerk te stellen (Cass. 1 december 1997, S.97.0054.N en Cass. 20 februari 2012, S.11.10.0048.F; zie www.cass.be).

De vakvereniging van de heer H. betwist bij schrijven van 8 februari 2012 duidelijk de weigering van UGC, evenals aantal werven van de NV in Brussel.

Tot op heden levert de NV dit bewijs niet en is de overmacht niet bewezen.

Gelet op de keuze van de syndicaal afgevaardigde (zie hierboven) dient de beschermingsvergoeding variabel deel van artikel 14 van de voormelde CAO te worden toegekend wegens de niet-aanvaarding van de vraag tot re-integratie nl. “de bij artikel 11 bedoelde vergoeding te betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van 4 jaar”.

Hiermede wordt bedoeld het mandaat van 4 jaar van vakbondsafgevaardigde, dit is voor de heer H. tot 25 januari 2014.

De oprichting van een conventioneel CPBW in 2012, dit is na het onregelmatig ontslag, verandert hieraan niets nu de vakbondsafgevaardigde met uitoefening van de taken CPBW vakbondsafgevaardigde blijft met overeenkomstige bescherming maar hierdoor geen personeelsafgevaardigde wordt (zie o.c.).

Het incidenteel beroep komt voor als ontvankelijk en gegrond en de NV dient veroordeeld tot het betalen van het bedrag van 26.808 EUR ten titel van vergoeding op grond van artikel 14 van de CAO van 19 juni 2003 betreffende het statuut van de syndicale delegaties, te vermeerderen met de moratoire interesten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 29 december 2011 en met de gerechtelijke interesten.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond;

Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt veiligheidshalve het bestreden vonnis en opnieuw wijzend;

Verklaart de oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk en gegrond;

Bijgevolg veroordeelt de NV B.M. & S. tot betaling aan de heer A.H. van:

het bedrag van 25.735,68 EUR t.t.v. forfaitaire vergoeding op grond van artikel 11 van de CAO van 19 juni 2003, meer de moratoire interesten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 29 december 2011 en de gerechtelijke interesten;
het bedrag van 26.808 EUR ten titel van vergoeding op grond van artikel 14 van de CAO van 19 juni 2003 betreffende het statuut van de syndicale delegaties, te vermeerderen met de moratoire interesten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 29 december 2011 en met de gerechtelijke interesten;
Veroordeelt de NV B.M. & S. tot de kosten van de beide aanleggen, aan de zijde van de heer A.H. vereffend op 193 EUR dagvaardingskosten, 2.750 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 2.750 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Noot: 

Herman, J., « De ontslagvergoeding van een vakbondsafgevaardigde met een dubbele hoedanigheid. Kijken en vergelijken », R.A.B.G., 2016/3, p. 218-224

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 11:00
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 11:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.