-A +A

Ontslag van chauffeur om dringende redenen wegens herhaald verkeersmisdrijf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 05/10/1999

Een chauffeur kan ontslaan worden om dringende redenen wegens een verkeersmisdrijf na een eerdere minnelijke schikking, waarna hij hiervoor reeds formeel door de werkgever werd gewaarschuwd.

In art. 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt de dringende reden omschreven als “de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt?.

Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn ( art. 35,4? lid W.A.O. ).

Daar de dringende reden aan het soevereine ( J. Steyaert, C. De Ganck, L. Deschrijver, Arbeidsovereenkomst, A.P.R., 1990, nr. 807 ) oordeel van de rechter overgelaten wordt ( art. 35 1E lid W.O.A. ) en de partij, die een dringende reden inroept, hiervan het bewijs dient te leveren, volgt hieruit dat het bewijs dient geleverd te worden van het bestaan van de dringende reden ter rechtvaardiging van het ontslag.

Enkel de redenen van het ontslag vermeld in de brief van 27 november 1992 kunnen ter rechtvaardiging worden ingeroepen, terwijl de erin vermelde redenen voldoende duidelijk moeten gespecificeerd zijn opdat enerzijds de heer C. zou ingelicht zijn betreffende de feiten, die hem ten laste worden gelegd, en opdat anderzijds een controle door de rechter zou worden toegelaten op de ernst van de aangevoerde redenen en of ze dezelfde zijn als die voor de rechter worden ingeroepen ( Cass. 27.2.1978, R.W., 1978 – 1979, 331; H. Buyssens, Ontslag wegens dringende reden, Kroniek van de rechtspraak ( 1991 – 1997 ), R.W., 1998 – 1999, 554 en 555 ).

Van zodra de omschrijving van de aangehaalde redenen dergelijke toetsing mogelijk maakt, kunnen de aangehaalde redenen verder worden onderzocht naar het bestaan en de ernst ervan, die het ontslag om dringende reden rechtvaar- digen ( H. Buyssens, Ontslag wegens dringende reden, Kroniek van de rechtspraak 1988 – 1990, R.W., 1991 – 1992, 667 ).

Het ontslag om dringende reden wordt inderdaad gegeven omdat elke verdere professionele samen- werking onmiddellijk en definitief onmogelijk is (art. 35 1ste lid W.A.O.). Het is met andere woorden een zware sanctie die erin bestaat een werknemer op staande voet te ontslaan zonder enige vergoeding.

Het bewijs van de dringende reden kan door de werkgeefster worden geleverd door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, en door gewichtige, bepaalde en met elkaar overeen- stemmende vermoedens ( art. 870, 915, 916 Ger.W.; art. 1315, 1349 en 1353 B.W. ).

Een eenvoudige verklaring is bijgevolg onvoldoende.

Uit de bovenstaande overwegingen wordt afgeleid dat het ontslag om dringende reden het gevolg is van de vaststelling dat de ernstige tekortkoming elke professionele samenwerking tussen de werkgeefster en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

De rechter beoordeelt op grond van de wettelijk toegekende soevereine beoordelingsmacht, ieder feit afzonderlijk op het karakter van een dringende reden tot ontslag ( Cass. 16.3.1987, R.W., 1987 – 1988, 443; Cass. 7.3.1983, R.W., 1983 – 1984, 1233 ), en zo nodig de feiten samen in hun onderling verband als dringende reden, die aanleiding geeft tot ontslag.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Uitspraak Arbeidshof Brussel op 5 oktober 1999

1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep

1. 1. Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd.

Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet wordt betwist, en is derhalve toelaatbaar en ontvankelijk.

1. 2. Het incidenteel beroep, ingesteld door C. C. bij conclusies en neergelegd op de griffie van dit Arbeidshof op 20 april 1999, is tijdig en geldig neergelegd en derhalve ontvankelijk 2. Voorwerp van de betwisting 2. 1. Op 28 juli 1976 trad de heer C. in dienst van de N.V. S. F. G. als chauffeur – besteller.

Op 19 oktober 1992 werd hij in gebreke gesteld omdat hij op 1 oktober 1992 te snel zou gereden hebben met zijn vrachtwagen.

Op 27 november 1992 werd hij ontslagen wegens dringende reden, omdat hij op 24 november 1992 betrokken was in een verkeersongeval, terwijl hij voor de werkgeefster reed.
De heer C. meende dat hij op 27 november 1992 op onrechtmatige wijze werd ontslagen wegens dringende reden en dat hij aanspraak kan maken op een verbrekingsvergoeding gelijk aan 16 maanden loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst of op een bedrag van 1 407.268 Fr.

Op 16 juni 1993 dagvaardde hij de N.V. S. F. G. om te verschijnen voor de Arbeidsrechtbank te Brussel.

Hij vorderde haar te veroordelen tot het betalen van een verbrekingsvergoeding ten bedrage van 1.407.268 Fr., te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en met de kosten, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

Hij vorderde het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg.

2. 2. De Arbeidsrechtbank oordeelde in haar vonnis van 20 februari 1998 dat de feiten, met name het verkeersongeval op 24 november 1992, veroorzaakt door inbreuken op het K.B. van 1 december 1975, zijnde snelheid niet aangepast zodanig dat de heer C. tijdig kan stoppen, snelheid niet zodanig aangepast teneinde steeds te kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien, als bewezen voorkwam.

De N.V. S. F. G. bewees echter niet dat de heer C. een gevaarlijk rijgedrag vertoonde met overdreven snelheidsovertreding of een roekeloos rijgedrag en de gevolgen van het ongeval, met name zes zeer licht gewonden, spraken haar bewering tegen.

De Arbeidsrechtbank nam aan dat de heer C. bijgevolg wel een fout pleegde, doch deze fout was niet dermate ernstig, ook niet na de eerdere feiten en ingebrekestelling, dat zij van aard was dat het vertrouwen in de heer C. dermate was geschokt dat zij de verderzetting van de arbeidsrelatie onmiddellijk en definitief onmogelijk maakte, zeker niet tijdens de opzegperiode en dit omwille van de 17 – jarige anciënniteit van de heer C. , zonder noemenswaardige problemen.

De door de N.V. S. F. G. aangehaalde feiten op 20 oktober 1992 en 7 september 1992 lichtten de rechtbank niet in met betrekking tot de ernst van het op ?24 april? verweten rijgedrag.
De feiten waren daarenboven niet van aard dat de professionele arbeidsrelatie erdoor of mede erdoor onmiddellijk en definitief onmogelijk was, zeker niet tijdens de opzegperiode.
Een ontslag in strijd met art. 35 W.A.O. staat gelijk met een onrechtmatig ontslag.

De heer Vermeiren maakte terecht aanspraak op een opzegtermijn van 16 maanden.

De partijen legden geen conclusies neer omtrent het basisloon. De Arbeidsrechtbank berekende het basisloon op een bedrag van 902.368 Fr., zodat de heer C. aanspraak maakte op een opzegvergoeding van 1.203.157 Fr.

De vordering werd ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard:

De N.V. S. F. G. werd veroordeeld tot het betalen van het bedrag van 1.203.157 Fr. ten titel van verbrekingsvergoeding, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten.
De N.V. S. F. G. werd veroordeeld tot de kosten van het geding.
Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, krachtens art. 1398 Ger.W.

3. Beroepsgrieven 3. 1. De N.V. S. F. G. tekende hoger beroep aan tegen het vonnis.

Het ontslag werd niet laattijdig gegeven en ook de materiële voorwaarden van het ontslag om dringende reden waren voldaan.

Ten onrechte stelde de Arbeidsrechtbank dat de zwaarwichtigheid van de feiten niet bewezen is.

Zij werd ten onrechte veroordeeld tot betaling van 1.203.157 Fr. bruto ten titel van verbrekingsvergoeding.

Een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met 12 maanden loon is voldoende. Zij berekent het basisloon op 902.094 Fr.

Zij verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te hervormen, de dringende reden als gegrond te erkennen en de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 1.407.268 Fr. onge- grond te verklaren, de heer C. te ver- oordelen tot de kosten van eerste aanleg en van het hoger beroep.

In ondergeschikte orde verzoekt zij het vonnis te hervormen en haar te veroordelen tot het betalen van een opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met 12 maanden loon, of in nog meer ondergeschikte orde, een opzeggingsvergoe- ding overeenstemmend met 13 maanden loon toe te kennen.

3. 2. De heer C. werpt op dat hij geen fout heeft gemaakt die definitief en onmiddellijk elke verdere samenwerking onmogelijk maakt. Hij heeft zeker geen beroepsfout gemaakt.
Het éénmalig veroorzaken van een ongeval, dat niet te wijten was aan zijn toedoen, in een 17 jaar durende tewerkstelling kan niet als een zware fout in de zin van art. 35 W.A.O. worden beschouwd.

Er kan geen enkel ernstig feit worden weerhouden ten zijne laste, zodat het ontslag om dringende reden ongegrond dient te worden verklaard.

Er is een opzeggingsvergoeding verschuldigd van 1.470.268 Fr.

Hij verzoekt de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, het ontslag om dringende reden ongegrond te verklaren en de N.V. S. F. G. te veroordelen tot de betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 16 maanden, zijnde een bedrag van 1.470.268 Fr., te vermeerderen met de kosten van de procedure.

4. Beoordeling In art. 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt de dringende reden omschreven als “de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt?.

Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn ( art. 35,4? lid W.A.O. ).

Daar de dringende reden aan het soevereine ( J. Steyaert, C. De Ganck, L. Deschrijver, Arbeidsovereenkomst, A.P.R., 1990, nr. 807 ) oordeel van de rechter overgelaten wordt ( art. 35 1E lid W.O.A. ) en de partij, die een dringende reden inroept, hiervan het bewijs dient te leveren, volgt hieruit dat het bewijs dient geleverd te worden van het bestaan van de dringende reden ter rechtvaardiging van het ontslag.

Enkel de redenen van het ontslag vermeld in de brief van 27 november 1992 kunnen ter rechtvaardiging worden ingeroepen, terwijl de erin vermelde redenen voldoende duidelijk moeten gespecificeerd zijn opdat enerzijds de heer C. zou ingelicht zijn betreffende de feiten, die hem ten laste worden gelegd, en opdat anderzijds een controle door de rechter zou worden toegelaten op de ernst van de aangevoerde redenen en of ze dezelfde zijn als die voor de rechter worden ingeroepen ( Cass. 27.2.1978, R.W., 1978 – 1979, 331; H. Buyssens, Ontslag wegens dringende reden, Kroniek van de rechtspraak ( 1991 – 1997 ), R.W., 1998 – 1999, 554 en 555 ).

Van zodra de omschrijving van de aangehaalde redenen dergelijke toetsing mogelijk maakt, kunnen de aangehaalde redenen verder worden onderzocht naar het bestaan en de ernst ervan, die het ontslag om dringende reden rechtvaar- digen ( H. Buyssens, Ontslag wegens dringende reden, Kroniek van de rechtspraak 1988 – 1990, R.W., 1991 – 1992, 667 ).

Het ontslag om dringende reden wordt inderdaad gegeven omdat elke verdere professionele samen- werking onmiddellijk en definitief onmogelijk is (art. 35 1ste lid W.A.O.). Het is met andere woorden een zware sanctie die erin bestaat een werknemer op staande voet te ontslaan zonder enige vergoeding.

Het bewijs van de dringende reden kan door de werkgeefster worden geleverd door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, en door gewichtige, bepaalde en met elkaar overeen- stemmende vermoedens ( art. 870, 915, 916 Ger.W.; art. 1315, 1349 en 1353 B.W. ).

Een eenvoudige verklaring is bijgevolg onvoldoende.

Uit de bovenstaande overwegingen wordt afgeleid dat het ontslag om dringende reden het gevolg is van de vaststelling dat de ernstige tekort- koming elke professionele samenwerking tussen de werkgeefster en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

In de ontslagbrief van 27 november 1992 werden de feiten opgesomd die aanleiding gaven tot de vaststelling dat de heer C. door zijn houding en gedrag elke professionele samen- werking onmiddellijk en definitief onmogelijk heeft gemaakt.

Aldus beoordeelt de rechter, op grond van de wettelijk toegekende soevereine beoordelings- macht, ieder feit afzonderlijk op het karakter van een dringende reden tot ontslag ( Cass. 16.3.1987, R.W., 1987 – 1988, 443; Cass. 7.3.1983, R.W., 1983 – 1984, 1233 ), en zo nodig de feiten samen in hun onderling verband als dringende reden, die aanleiding geeft tot ontslag.
Weliswaar wordt door de N.V. S. F. G. niet bewezen dat de heer C. zich gedurende de 17 – jarige periode van tewerkstelling als chauffeur besteller zou kenbaar hebben ge- maakt door een overdreven overmoedig en/of gevaarlijk rijgedrag.

Anderzijds wordt de heer C. op 6 mei 1992 te Hoeilaert op de Ring O, richting Zaventem, door de Rijkswacht geverbaliseerd wegens het inhalen met de sleep, vrachtauto met aanhang- wagen, van een andere vrachtauto, ondanks een duidelijk aangebracht inhaalverbod.

Uit het voorstel tot minnelijke schikking uit- gaande van het parket van de Procureur des Konings kan enkel worden afgeleid dat het niet opportuun werd gevonden de heer C. voor het plegen van deze overtreding strafrechterlijk te vervolgen. Daar dergelijke beslissing niet dient te worden gemotiveerd kunnen er geen andere conclusies worden uit getrokken.

De tachograafschijf van 1 oktober 1992 toonde aan dat de heer C. een gedeelte van de dag tussen de 100 km/u. en 120 km/u. had gereden, terwijl de maximum snelheid van de vrachtwagen 90 km/u. bedraagt.

Door de N.V. S. F. G. werd de heer C. er niet alleen op gewezen dat dergelijke snelheid schadelijk is voor de vrachtwagen, doch tevens dat zij vond dat dergelijk rijge- drag onverantwoord was. De minste hindernis kon een ongeval veroorzaken.

Zij beschouwde deze inbreuk als een zware fout.

De heer C. werd er in de brief van 19 oktober 1992 van verwittigd dat indien dit zich in de toekomst nogmaals zou voordoen, zij zich verplicht zag maatregelen te nemen.

Op 24 november 1992 veroorzaakte de heer C. een verkeersongeval.

Uit de stukken van het strafdossier blijkt dat het ongeval zich omstreeks 12.30 u. voordeed op een tweevaksbaan in de bebouwde kom, ter hoogte van een lichte bocht. De rijbaan was vochtig.

Uit de tachograafschijf valt af te leiden dat de snelheid van de vrachtwagen tot onmiddellijk voor de aanrijding 83 km/u. naar 75 km/u. bedroeg.

Volgens de verklaring van de heer C. , onmiddellijk na het ongeval aan de verbalisan- ten, heeft hij geremd toen hij een stilstaande Golf met werkend linkerrichtingslicht voor zich zag. De wielen blokkeerden op de witte doorlo- pende lijn. De vrachtwagen heeft niet afgeremd. Hij is verder gegleden over het natte wegdek en heeft de achterzijde van de Golf geraakt.

Bij vonnis van de Politierechtbank te Namen van 11 mei 1993, dat erga omnes geldt, werd de heer C. wegens eenheid van opzet veroordeeld tot één geldboete wegens het onopzettelijk toebren- gen van slagen en verwondingen, het besturen van een voertuig op de openbare weg zonder het voortdurend goed in handen te hebben gehad, zijn snelheid niet zodanig te hebben aangepast teneinde tijdig te kunnen stoppen, zijn snel- heid niet zodanig te hebben aangepast teneinde steeds te kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien.

Rekening houdend met de voorgaanden in mei en oktober 1992 én de uitdrukkelijke verwittiging van de N.V. S. F. G. op 19 oktober 1992, is het Arbeidshof van oordeel dat deze feiten samen met de feiten van 24 november 1992 de ernstige tekortkoming betreffen die het verderzetten van de arbeidsrelatie onmiddellijk en definitief onmogelijk hebben gemaakt.

Deze feiten zijn op zich voldoende om de dringende reden te rechtvaardigen, zodat de overige feiten niet aan een nader onderzoek dienen te worden onderworpen.

De heer C. werd op 27 november 1992 terecht wegens een dringende reden ontslagen, zodat hij ten onrechte aanspraak maakt op een verbrekingsvergoeding.

Het hoger beroep is niet gegrond.

Om deze redenen Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;
Recht doende op tegenspraak;

Alle andere middelen en conclusies van de hand wijzende;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis;

Hervormend en opnieuw wijzend;

Verklaart de vordering van de heer C. tot het ongegrond verklaren van de dringende reden en tot betaling van een verbrekingsvergoeding ontvankelijk, doch niet gegrond;
De vordering van de heer C. wordt afgewezen;

Veroordeelt de heer C. tot het betalen van de gerechtskosten in eerste aanleg en in graad van hoger beroep

Noot: 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 07/02/2018 - 18:07
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 18:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.