-A +A

Ontslag om dringende redenen feiten bewezen door interne audit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 23/02/1995

Enkel een gerechtelijk onderzoek biedt bij de waarheidsvinding de nodige grondwettelijke waarborgen aan de ondervraagden en aan diegenen die verdacht worden van enige malafide praktijk. Een werkgever is geen onderzoeksrechter en een interne audit heeft niet de bewijswaarde van een gerechtelijk onderzoek.

Met verklaringen afgelegd door de personeelsleden tijdens hun ondervraging door de interne auditor kan geen rekening gehouden, omdat deze onvoldoende zekerheid bieden inzake objectiviteit.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
94
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

N.V. G. t/ M.

...

3. Feiten

Geïntimeerde was sedert 1 juni 1970 in dienst als bediende, met de rang van agentschapsdirecteur, op het ogenblik van het ontslag op 15 april 1992. Dit ontslag volgde na een intern onderzoek naar aanleiding van een zaak waarbij, door onvoorzichtige kredietverlening, appellante een zware schadepost opliep. Na de hoofdverantwoordelijke voor deze beleidsfout, een kaderlid, ontslagen te hebben met een opzeggingsvergoeding, werd geïntimeerde, die min of meer als betrokkene beschouwd werd, disciplinair overgeplaatst van het agentschap G. naar een ander agentschap. Het reilen en zeilen van het agentschap G. werd daarop onder de loupe genomen door interne auditors die een verslag opmaakten dat de aanleiding zou worden tot een onmiddellijk ontslag wegens zwaarwegende tekortkomingen van geïntimeerde;

...

4.2. Bewijslevering

Overwegende dat appellante zich beroept op volgende stukken om de feiten en hun zwaarwegend karakter aan te tonen:

a) een verslag, genoemd P.V. van ondervraging van geïntimeerde van 13 april 1992 en opgesteld door interne auditors;

b) een vertrouwelijk rapport van de hoofd- en adjunct-auditor naar aanleiding van een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden in de uitoefening van de vroegere functie van geïntimeerde in het agentschap G., namelijk:

— veelvuldig overschrijden van de hem toegelaten machten;

- uitschakelen van controlemechanismen op overschrijdingen door het toestaan van persoonlijke leningen en/of financieringen;

— ongeoorloofde klantenbinding;

c) diverse verslagen van ondervragingen van personeelsleden, alsmede een relaas van een onderhoud met cliënte I.;

d) een verwijzing naar twee brieven uit het verleden (die geciteerd worden in de ontslagbrief, maar waarvan geen kopij wordt voorgebracht) en een verwijzing naar een sanctiedossier van 18 november 1991 inzake C., waarin de naam van geïntimeerde vernoemd wordt om reden dat de fatale kredietverlening (faillissement M.) via zijn kantoor werd aangebracht maar uiteindelijk op hoger echelon werd toegestaan;

4.3. Toelaatbaarheid van de door appellante gevolgde procedures van onderzoek

A. Ondervraging van personeelsleden

Overwegende dat een intern onderzoek geen onwettig middel is om bepaalde toestanden aan het licht te brengen, in zoverre dit onderzoek het privé-leven van het personeel en het bankgeheim niet schendt;

dat de auditors blijkbaar zonder voorafgaande toestemming de privé-rekeningen van diverse personeelsleden hebben opgevraagd en onderzocht;

dat zij bij de ondervraging duidelijk de privacy van deze personeelsleden hebben geschonden, in zoverre directe vragen gesteld werden omtrent hun onderlinge verhoudingen en gedragingen in hun persoonlijke levenssfeer;

dat uit de vragen gesteld aan en de antwoorden van deze personeelsleden, zoals deze weergegeven zijn in de verslagen van hun ondervragingen, duidelijk de mogelijkheid blijkt dat er een vorm van morele druk werd uitgeoefend om een al te verregaande medewerking in het onderzoek te verkrijgen; dat de personeelsleden mogelijk, terecht of ten onrechte, bevreesd waren een slechte beurt te maken t.o.v. de auditor, die zeker uitging van een duidelijk bevooroordeeld standpunt en toch wel tot een zeer suggestieve vraagstelling overging;

dat, in zoverre malafide en/of strafbare praktijken het voorwerp van het onderzoek tegen geïntimeerde uitmaakten of konden uitmaken, een gerechtelijk onderzoek aangewezen was;

dat enkel een dergelijk gerechtelijk onderzoek de nodige grondwettelijke waarborgen biedt aan de ondervraagden en aan diegenen die verdacht worden van enige malafide praktijk;

dat welke opportunistische overwegingen appellante ook ertoe aanspoorden om af te zien van het onrechtstreeks of rechtstreeks aankaarten bij de gerechtelijke instanties van bepaalde verrichtingen en gedragingen van haar aangestelde in samenwerking met cliënten, een dergelijke overweging niet ten nadele mag spelen van het recht op privacy van het eigen personeel of van de mogelijkheid van een personeelslid om zich te verdedigen tegen iedere aantijging, zowel uitgaande van collega‘s als van cliënten;

dat, zonder dat een aanbod tot aanvullend getuigenverhoor gedaan wordt, dan ook niet zonder meer rekening kan gehouden worden met de verklaringen die onder de vernoemde omstandigheden werden «afgelegd» door personeelsleden naar aanleiding van een zeer gerichte zoektocht naar mogelijke onregelmatigheden, waarbij bepaalde feiten en toestanden zeer eenzijdig werden toegelicht of zelfs een mogelijke verklaring werd gesuggereerd door de ondervragers, verklaring die hun thesis moest dienen en steeds ten nadele van de geviseerde werknemer werd uitgelegd;

dat het Hof te dezen, om de vermelde redenen, dan ook geen rekening houdt met de diverse verklaringen afgelegd door de personeelsleden tijdens hun ondervraging door de interne auditor, omdat deze onvoldoende zekerheid bieden inzake objectiviteit;

B. Relaas ondervraging van cliënte

dat met een verwijzing naar een verklaring van een cliënte I., waarvan evenwel geen door haar ondertekende en gedateerde verklaring voorhanden is, evenmin rekening kan gehouden worden, vermits het uiteindelijk slechts om een hic et nunc oncontroleerbaar relaas gaat van dit onderhoud opgesteld door een intern auditor;

dat ook hier geen aanbod tot aanvullend getuigenverhoor wordt gedaan door appellante;

C. Proces-verbaal van ondervraging van geïntimeerde zelf

Overwegende dat appellante zich thans in hoofdzaak beroept op het P.V. van de ondervraging van geïntimeerde zelf; dat zij in deze geen objectief feit aantoont dat op zich een grove tekortkoming of schadeberokkenend element vormt waardoor de werkgever schade leed ingevolge het risicogedrag van de werknemer;

dat derhalve de beoordeling van de ingeroepen zwaarwegende redenen — in zoverre het bewijs aanvaardbaar is van enkel dezer feiten — dient gedaan te worden in het licht van hetgeen appellante beschouwd als «deontologische tekortkomingen» van haar kantoordirecteur die onmiddellijk en definitief iedere verdere samenwerking onmogelijk maakten;

Noot: 

Patrick, Humblet, Interne audit en ontslag om dringende reden: quis custodiet ipsos custodes? (publicatie onder deze uitspraak in het RW)

Rechtsleer:

• Buyssens, H., «Bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht», in Actuele problemen van het arbeidsrecht, IV, Rigaux, M. (ed.), Antwerpen, Maklu, 1993, 229

• Delarue, R., «Bescherming van de privacy in de onderneming en de begrenzing van de patronale prerogatieven», Soc. Kron., 1992, 135;

• Humblet, P., De gezagsuitoefening door de werkgever, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1994, 269-270

• Dorssemont, J., «Arbeidshof tikt interne auditors op de vingers. Terecht of niet terecht?», The Institute of Internal Auditors Benelux, december 1995, 10-13

• Jamoulle, M. en Jadot, F., Licenciement et démission pour motif grave, Luik, Faculté de droit, 1977, 170 e.v.;

• Delooz, P. en Manette, R., «Le congé pour motif grave», in Chroniques de droit à l‘usage du Palais, Brussel, Story-Scientia, 1986, 150;

• Steyaert, J., De Ganck, C. en De Schrijver, L. Arbeidsovereenkomst in A.P.R., Brussel, Story-Scientia, 1990, nr. 831.2;

• Engels, C., «Ontslag wegens dringende reden», in A.T.O., Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, O 102 889).

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 04/07/2017 - 17:06
Laatst aangepast op: di, 04/07/2017 - 17:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.