-A +A

Ontslag om dringende reden - Bewijswaarde verslag preventieadviseur - Beroepsgeheim preventieadviseur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 14/12/2015
A.R.: 
S.12.0052.F

Een mededeling van een schriftelijk verslag met de verklaringen van de werknemer die zich tot de vertrouwenspersoon of tot de preventieadviseur heeft gericht en die aan de werkgever wordt medegedeeld om op informele wijze een oplossing voor het probleem te zoeken kan worden aangewend om te beslissen dat de feiten waarvan de werkgever aldus op de hoogte is gebracht een zware fout vormen die de beëindiging zonder opzegging rechtvaardigt van de arbeidsovereenkomst van de persoon aan wie ze worden verweten en ontzeggen hem niet het recht de informatie aan te voeren die hem aldus werd meegedeeld tot staving van die feiten.

Krachtens artikel 32nonies, eerste lid wet welzijn werknemers, dat op het geschil van toepassing is, kan de werknemer die meent het voorwerp te zijn van ongewenst seksueel gedrag op het werk zich richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon en bij deze personen een met redenen omklede klacht indienen volgens de voorwaarden en de nadere regels vastgesteld met toepassing van artikel 32quater, § 2.

Overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, informeren de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur de werknemer die zich tot hem wendt over de mogelijkheid om op informele wijze een oplossing te bekomen via een interventie bij een lid van de hiërarchische lijn of via een verzoening met de aangeklaagde; zij handelen enkel met het akkoord van de werknemer die een met redenen omklede klacht kan indienen wanneer hij zich hiertoe niet wenst te verbinden.

De preventieadviseur en de vertrouwenspersoon zijn, luidens artikel 32quinquiesdecies, eerste lid wet welzijn werknemers, gehouden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

Artikel 32quinquiesdecies, tweede lid bepaalt dat de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon, in afwijking van deze verplichting aan de personen die eraan deelnemen de informatie meedelen die naar hun mening pertinent is voor het goede verloop van een verzoening.

Die bepaling die de mededeling van de door haar bedoelde informatie aan het lid van de hiërarchische lijn toestaat om op informele wijze een oplossing te bereiken sluit niet uit dat die mededeling geschiedt onder de vorm van een geschreven verslag met de verklaringen van de werknemer die zich gewend heeft tot de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur.

Ze beperkt de bevoegdheid van het lid van de hiërarchische lijn niet om te beslissen dat de feiten die hem zijn meegedeeld een dringende reden vormen die de beëindiging zonder opzegging van de arbeidsovereenkomst van de persoon aan wie ze verweten worden en ontzegt hem niet het recht de informatie die hem aldus is meegedeeld aan te voeren om die feiten aan te tonen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/3
Pagina: 
197
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(G.-P.P / D.-B. NV - Rolnr.: S.12.0052.F)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 25 november 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 26 oktober 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddelen
De eiser voert twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek;
artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;
artikel 458 van het Strafwetboek;
artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
de artikelen 32quater, 32sexies, 32nonies, 32tredecies en 32quinquiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, in de versie ingevoegd bij de wet van 10 januari 2007 tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk waaronder deze betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
de artikelen 21 tot 30 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.
Aangevochten beslissingen
Het arrest heeft beslist dat de kennisgeving, op 29 juni 2009, van het ontslag om dringende reden en van de redenen daarvoor, regelmatig was en beslist vervolgens dat dit ontslag gegrond is, wijzigt het beroepen vonnis voor zover het de verweerster veroordeelt tot betaling van een opzeggingsvergoeding en wijst het incidenteel beroep van de eiser af en veroordeelt hem tot de kosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep, met alle redenen die worden geacht hier volledig te zijn overgenomen en inzonderheid op grond dat:

“Gegrondheid van de dringende reden
De verweerster legt de volgende documenten over ter staving van de feiten:

- een verslag van 25 juni 2009, overhandigd door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van de verweerster aan de heer V., na hem die dag zelf te hebben ontmoet […];

De eiser werd vervolgens op 25 juni 2009 gehoord door de vertegenwoordigers van de verweerster […] om zijn versie van de feiten te geven. De eiser heeft tijdens dat onderhoud verklaard 'dat hij uit de lucht viel' , maar ontkent de door de werkneemsters aangevoerde en in dat verslag overgenomen feiten niet;

Hij betwist pas in zijn brief van 6 juli 2009, namelijk een tiental dagen later, zijn ontslag om dringende reden. Er dient te worden vastgesteld dat hij, hoewel hij zegt 'verbaasd en verontwaardigd te zijn' en betoogt dat 'het onjuist is dat hij die feiten niet heeft ontkend', niet uitdrukkelijk de materialiteit van de verwijten betwist aangezien hij zich beperkt tot een betwisting zonder verdere verduidelijking;

- twee verklaringen: enerzijds, die van een getroffene van de eiser, mevrouw H., anderzijds, die van getuigen, de vakbondsafgevaardigden V. en H.;

- […] Het is voldoende bewezen dat de eiser een seksueel getint gedrag heeft gehad dat door de betrokken werkneemsters ongewenst was, zowel in woorden als in daden, wat een intimiderende, vijandige, degraderende, vernederende en beledigende omgeving heeft doen ontstaan;

Als gevolg van dat ongewenst gedrag van de eiser, hebben de betrokken werkneemsters een systeem moeten invoeren om zich tegen laatstgenoemde te beschermen; die bescherming zou uiteraard niet overbodig zijn geweest als de eiser door zijn gedrag niet een op zijn minst vijandige of intimiderende omgeving had doen ontstaan;

Bovendien blijkt die intimiderende en vijandige omgeving ook uit het feit dat de werkneemsters alles in het werk stelden om niet alleen te zijn met de eiser uit vrees voor represailles vanwege hun hiërarchische overste als ze zich verzetten;

Uit het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming blijkt ten slotte dat de werkneemsters de directie verzocht hebben die toestand te doen ophouden;

Bijgevolg heeft de eiser zich schuldig gemaakt aan ongewenst seksueel gedrag ten aanzien van bepaalde werkneemsters;

Dat onaanvaardbare gedrag was des te erger doordat de eiser, als directeur-generaal en afgevaardigd bestuurder van de verweerster, een zekere invloed had op de betrokken werkneemsters en hen onder druk kon zetten;

De vakbondsafgevaardigden van de werknemers van de verweerster verduidelijken: 'ook wij hebben duidelijk begrepen dat hij zich straffeloos waande omwille van zijn hiërarchische status';

Het arbeidshof meent dat het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming, het Centre belge de la médecine du travail, samen met de stukken die het bewijs leveren van antecedenten, volstaat om de realiteit van de feiten aan te tonen.

Het feit dat de werkneemsters anoniem wensten te blijven is volledig verklaarbaar door hun hiërarchische ondergeschiktheid en door de gevoelens die vrouwen die het slachtoffer zijn van ongewenst seksueel gedrag in het algemeen hebben uit vrees voor represailles; de indruk dat de klacht niet voldoende 'ernstig' is om een onderzoek van buitenaf te eisen; een schuldgevoel en een gevoel van schaamte en vernedering;

In het raam van de rechtspleging in hoger beroep bevestigen twee van de vier werkneemsters integraal de inhoud van het verslag van het Centre belge de la médecine du travail en zijn ze bereid gehoord te worden als getuigen voor het arbeidshof;

Het arbeidshof oordeelt dat de feiten voldoende in de ruimte en in de tijd beschreven zijn om ze als handelingen van ongewenst seksueel gedrag aan te merken;

Het betreft ongetwijfeld ondelicate en ongepaste handelingen in het raam van een normale werkrelatie;

Het arbeidshof oordeelt dat die handelingen, onder voorbehoud van het onderzoek van de regelmatigheid van het bewijs, een ontslag om dringende reden ten aanzien van de dader rechtvaardigen.

Regelmatigheid van het bewijs
De eiser oordeelt dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming opgemaakte verslag aan de verweerster werd meegedeeld met miskenning van de informele procedure die gevolgd wordt bij een klacht wegens belaging;

Hij leidt daaruit af dat het verslag dus aan de rechter werd overgelegd met schending van het beroepsgeheim bedoeld bij artikel 458 van het Strafwetboek, waartoe preventieadviseurs en vertrouwenspersonen gehouden zijn (art. 32quinquiesdecies van de wet van 4 augustus 1996);

De eiser oordeelt bijgevolg dat het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming uit het debat moet worden geweerd.

Toepasselijke wetsbepalingen (art. 21 tot 24 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk)
Het voornoemde artikel 23 van het koninklijk besluit bepaalt het volgende:

'De vertrouwenspersoon hoort de werknemer die zich tot hem wendt binnen een termijn van acht kalenderdagen na het eerste contact en hij informeert hem over de mogelijkheid om op informele wijze een oplossing te bekomen via een interventie bij een lid van de hiërarchische lijn of via een verzoening met de aangeklaagde.

De vertrouwenspersoon handelt enkel met het akkoord van de werknemer.

Het verzoeningsproces vereist het akkoord van de werknemer.

Indien de werknemer niet wenst dat op informele wijze gezocht wordt naar een oplossing […] of indien de feiten hierna blijven bestaan, kan de werknemer die verklaart het voorwerp te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk een met redenen omklede klacht indienen bij de vertrouwenspersoon, overeenkomstig artikel 25'.

Uitlegging
Er bestaat een tweevoudige procedure:

vooreerst een interne en informele procedure (art. 21 en 24 van het voornoemde koninklijk besluit),
vervolgens, een procedure die volgt op een klacht (art. 25 et seq.).
In de regel 'wordt de werkgever', in het eerste geval, 'niet verwittigd van de procedure die geleid wordt door de vertrouwenspersoon of psychosociale preventieadviseur en krijgt hij geen enkel verslag dienaangaande';

In het tweede geval, brengt de preventieadviseur de werkgever onmiddellijk op de hoogte zodra hij de klacht ontvangen heeft, zonder hem het afschrift van de klacht te bezorgen.

Die informatie vormt het startpunt van de bescherming tegen ontslag (art. 25, vijfde lid van het koninklijk besluit van 17 mei 2007);

De preventieadviseur onderzoekt vervolgens de klacht volledig onpartijdig;

De aangeklaagde persoon ontvangt een afschrift van de klacht. Na onderzoek van de met redenen omklede klacht overhandigt de preventieadviseur een geschreven advies aan de werkgever (art. 28, vierde lid van het koninklijk besluit van 17 mei 2007);

Artikel 32quinquiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 bepaalt dat zowel de preventieadviseur als de vertrouwenspersonen gehouden zijn door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek;

De wet somt vijf gevallen op waarin van die regel kan afgeweken worden;

Onder die gevallen is er 1°) het geval waarin 'de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon aan de personen die eraan deelnemen de informatie meedelen die naar hun mening pertinent is voor het goede verloop van deze interventie';

De parlementaire voorbereiding verduidelijkt: 'de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon zijn gehouden door het beroepsgeheim. Bijgevolg mogen ze hetgeen hen is meegedeeld in het raam van de uitoefening van hun functies niet onthullen, tenzij de wet het toestaat';

In dit geval

Verklaart het verslag van het Centre belge de médecine du travail aan de heer V. het volgende:

'De heer L. en ikzelf hebben een onderhoud met u gevraagd op verzoek van vier werkneemsters van de verweerster die ons respectievelijk aangesproken hadden in onze hoedanigheden van vertrouwenspersoon en van psychosociale preventieadviseur. […] De werkneemsters wensten dat die toestand zou ophouden';

Het arbeidshof oordeelt dat de mededeling van dit verslag geschied is volgens de wettelijke voorschriften;

Immers,

de werkneemsters hebben gekozen voor de informele procedure;
ze hebben beslist de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur te machtigen om op te treden bij de hiërarchische overste teneinde de door hen aangeklaagde toestand van ongewenst seksueel gedrag te doen ophouden;
wegens de hoedanigheid van de eiser, kon het Centre belge de médecine du travail enkel contact opnemen met de heer V., bestuurder van de verweerster en afgevaardigde van HDS binnen de raad van bestuur van de verweerster, om die toestand te doen ophouden. Die mededeling is conform artikel 23 van het voornoemde koninklijk besluit;
het beroepsgeheim werd niet geschonden aangezien de heer V. op de hoogte was van de feiten in zijn hoedanigheid van hiërarchische overste, als rechtstreekse partij in de informele procedure. Hoe zou de heer V. kunnen optreden in het raam van een verzoening zonder op de hoogte te zijn van de reële feiten die de eiser verweten worden?
Voorts moet worden nagegaan of de heer V. de overdracht van de informatie niet heeft afgewend van de doelstelling van de informele procedure;

Enerzijds was de heer V., in zijn tweevoudige hoedanigheid van bestuurder en vertegenwoordiger van bestuurder, de hiërarchische overste van de eiser en dus wettelijk betrokken bij de informele procedure (art. 23 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007);

Anderzijds was enkel hij bevoegd een beslissing te nemen omtrent het ontslag van de eiser;

Er kan hem niet verweten worden dat hij als werkgever geoordeeld heeft dat het zijn plicht was niet alleen de werkneemsters die bij het litigieuze verslag betrokken zijn te beschermen maar ook al het vrouwelijk personeel dat in de toekomst mogelijk lastig gevallen kan worden door de herhaaldelijke en gewoonlijke handelingen van de eiser zodat de beoogde verzoeningsprocedure niet hoefde te worden aangevat;

Wanneer een verzoeningsprocedure aangevat wordt, bestaat hoe dan ook de kans dat ze mislukt

hetzij omdat de partijen niet tot een verzoening kunnen komen;
hetzij omdat een partij, de hiërarchische overste, oordeelt dat ze niet aan de orde is omdat de feiten dermate ernstig zijn dat de enige manier om het gelaakte gedrag te doen ophouden erin bestaat de contractuele relatie van de werknemer die schuldig is aan de aangeklaagde feiten te beëindigen;
Die laatste hypothese past volledig in de procedure bedoeld in de artikelen 21 tot 24 van het voornoemde koninklijk besluit;

Het arbeidshof oordeelt bijgevolg dat de heer V. de voornoemde wettelijke bepalingen niet geschonden heeft;

Hij heeft zijn kennis van de feiten die in het verslag van de preventieadviseur onthuld zijn niet afgewend met een onrechtmatige bedoeling.

Besluiten
De dringende redenen die het ontslag om dringende reden van de eiser gerechtvaardigd hebben, zijn aangetoond zowel door het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming dat door twee van de vier werkneemsters bevestigd is, als door de verklaringen van de eiser tijdens het onderhoud van 25 juni 2009, maar ze worden eveneens versterkt door de verklaringen van mevrouw H. en des te meer door die van de vakbondsafgevaardigden van de werknemers van de verweerster.”

Grieven
De eiser heeft in zijn appelconclusie betoogd

“Dat de regelgeving vooreerst voorziet in een interne of informele procedure (art. 21 tot 24 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk); dat de informele procedure volstrekt vertrouwelijk verloopt en de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur de werkgever niet mogen verwittigen; dat krachtens artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 1° van de wet van 4 augustus 1996 de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon aan de personen die eraan deelnemen immers enkel de informatie mogen meedelen die hij pertinent acht voor het goede verloop van een verzoening; dat er in dit geval geen enkele poging tot verzoening is geweest;

Dat de preventieadviseurs of de vertrouwenspersonen gehouden zijn door het beroepsgeheim bedoeld bij artikel 458 van het Strafwetboek en dat artikel 32quinquiesdecies slechts 5 gevallen bepaalt waarin van die regel kan worden afgeweken;

Als het verslag is overhandigd, zoals de verweerster betoogt, overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit, dan heeft de werkgever de procedure afgewend van zijn doelstelling, namelijk tot een informele oplossing te komen door onmiddellijk en zonder onderzoek over te gaan tot een ontslag om dringende reden, en dat de tussenkomst bij een lid van de hiërarchie bovendien niet onder een van de 5 gevallen valt waarin de wet de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon ontslaat van zijn verplichting tot het beroepsgeheim.”

De wetgever heeft bij de wet van 4 augustus 1996, inzonderheid in de bij de wet van 10 januari 2007 ingevoerde versie, voorrang willen geven aan de procedure binnen het bedrijf zelf om de conflictueuze toestanden tussen werknemers inzake geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk op te lossen.

Artikel 32sexies van de wet bepaalt aldus de maatregelen die de werkgever moet nemen zodat de werknemers zich, overeenkomstig artikel 32nonies, tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon kunnen wenden. De wetgever heeft de werkgever eveneens verplicht de maatregelen te nemen die een “volledig onpartijdig” optreden van die personen mogelijk maken (art. 32quater, tweede lid van die wet).

De wetgever heeft bij artikel 32quinquiesdecies, eerste lid van de wet bepaald dat de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon gehouden zijn door het beroepsgeheim bedoeld bij artikel 458 van het Strafwetboek, dat verbiedt de geheimen bekend te maken waarvan zij uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen.

De uitzonderingen bepaald bij artikel 32quinquiesdecies, tweede lid op de regel van het geheim zijn beperkend en verschillen naar gelang het verloop van de interne procedure geregeld bij de artikelen 21 tot 30 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007.

De werknemer die meent het voorwerp te zijn van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk kan, na een persoonlijk onderhoud met de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur, onmiddellijk ervoor kiezen een “met redenen omklede klacht” in te dienen bij een van die personen en die klacht wordt bepaald en ingericht bij de artikelen 32quater en 32nonies van de wet en de artikelen 25, 27 en 30 van het koninklijk besluit.

Wanneer een met redenen omklede klacht is ingediend, heeft de wetgever, bij artikel 32quinquiesdecies, tweede lid strikt het tijdstip en de wijze geregeld waarop de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon, bij uitzondering op de regel van het beroepsgeheim, informatie aan de werkgever mogen geven. Artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 3° staat slechts toe, wanneer het onpartijdige onderzoek van de met redenen omklede klacht is afgerond, dat een geschreven advies over de resultaten van het onpartijdige onderzoek van die klacht aan de werkgever wordt overgelegd en dat advies bevat, krachtens artikel 28 van het koninklijk besluit, onder meer “de samenvatting van de feiten”.

Vóór de beëindiging van dat onpartijdige onderzoek van de met redenen omklede klacht mag de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon de werkgever louter informeren over het bestaan van die klacht, over de identiteit van de betrokken persoon en over de identiteit van de eventuele getuigen, ter bescherming tegen ontslag (art. 32tredecies, § 6 van de wet en 25, laatste lid van het koninklijk besluit).

Krachtens artikel 29 van het koninklijk besluit informeert de werkgever, na ontvangst van dat geschreven advies, de klager en de aangeklaagde over de individuele maatregelen die hij overweegt te nemen.

De werknemer kan ook kiezen voor de procedure geregeld bij de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit. In het raam daarvan kan een oplossing op informele wijze worden gezocht via een interventie bij een lid van de hiërarchische lijn. Er is slechts een uitzondering op het opheffen van het beroepsgeheim tijdens die informele procedure, namelijk, krachtens artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 1° van de wet, wanneer “de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon aan de personen die eraan deelnemen de informatie meedelen die naar hun mening pertinent is voor het goede verloop van een verzoening”.

Die uitzondering is dus strikt beperkt door de doelstelling ervan, namelijk het bereiken van een akkoord om dwingende maatregelen te vermijden die de werkgever desnoods zou moeten nemen ten aanzien van een werknemer als geen informele oplossing gevonden wordt of als de feiten voortduren.

Eerste onderdeel
Uit al die bepalingen volgt dat de hiërarchische lijn, bij het zoeken naar een informele oplossing bepaald bij de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit, optreedt als goede personen. Zelfs in de veronderstelling dat de hiërarchische overste ook bevoegd is de overeenkomst te verbreken, treedt hij niet als houder van die bevoegdheid op in het kader van de informele procedure. Wanneer de hiërarchische lijn oordeelt dat een verzoening niet aan de orde is, kan de informatie, die de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon haar heeft overgelegd met de uitsluitende bedoeling tot een akkoord te komen, niet gebruikt worden om de overeenkomst om dringende reden te verbreken.

Het arrest stelt vast dat de werkneemsters de informele procedure hebben verkozen, beslist hebben de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur te machtigen op te treden bij de hiërarchische overste, namelijk de heer V., om de toestand van ongewenst seksueel gedrag die ze aanklaagden te doen ophouden; dat de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur de heer V. ontmoet hebben op 25 juni 2009 en aan de hiërarchische overste een verslag hebben overhandigd met de bevestiging van het onderhoud en met de woorden van de werkneemsters over het gedrag van de eiser; dat de eiser “als gevolg van dat verslag” diezelfde dag opgeroepen werd en dat verslag aangevoerd werd in de ontslagbrief om dringende reden van 29 juni en in de brief van diezelfde dag ter kennisgeving van de dringende redenen.

Het arrest dat beslist dat het aanwenden van dat verslag door de heer V. in zijn hoedanigheid van werkgever, met het oog op het ontslag van de eiser, het beroepsgeheim niet miskent en “volledig verliep volgens de procedure bedoeld bij de artikelen 21 tot 24 van het voornoemde koninklijk besluit” en laatstgenoemde “zijn kennis van de feiten niet aangewend heeft met een onwettige bedoeling”, schendt bijgevolg de artikelen 458 van het Strafwetboek, 32quater, 32sexies, 32nonies, 32tredecies, 32quinquiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 en 21 tot 29 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007.

Tweede onderdeel
Krachtens de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 35 van de wet van 3 juli 1978, moet de werkgever het bewijs leveren van de feiten die hij als dringende reden aanvoert en dat bewijs moet geleverd worden volgens de wettelijke bewijsmiddelen.

Uit alle bepalingen die in de aanhef van het middel zijn uiteengezet kan worden afgeleid dat de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon, bij een informele procedure, geen verslag mag opstellen dat betrekking heeft op de inhoud van de feiten waarover een werknemer zich beklaagt en dat dit verslag, mochten ze het toch mogen opstellen uitsluitend met de bedoeling om tot een overeenkomst te komen, gedekt is door het beroepsgeheim wanneer de hiërarchische overste oordeelt dat verzoening niet aan de orde is. Een dergelijk verslag kan immers, zonder schending van het beroepsgeheim, slechts schriftelijk aan de werkgever gestuurd worden na een met redenen omklede klacht en een onpartijdig onderzoek van die klacht.

Daaruit volgt dat het verslag van de vertrouwenspersoon en van de preventieadviseur in het raam van de informele procedure niet mag gebruikt worden als wettelijk bewijsmiddel van de feiten die het ontslag om dringende reden kunnen rechtvaardigen wanneer de hiërarchische overste meent dat die informele procedure niet aan de orde is.

Het arrest stelt vast dat de werkneemsters voor de informele procedure gekozen hebben, beslist hebben de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur te machtigen om op te treden bij de hiërarchische overste, namelijk de heer V., om de door hen aangeklaagde toestand van ongewenst seksueel gedrag te doen ophouden; dat de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur de heer V. op 25 juni 2009 ontmoet hebben en aan de hiërarchische overste een verslag hebben overhandigd met de bevestiging van het onderhoud en de woorden van de werkneemsters over het gedrag van de eiser.

Het arrest dat oordeelt dat “het arbeidshof oordeelt dat het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming, met de stukken die het bewijs leveren van antecedenten, volstaat om de realiteit van de feiten aan te tonen” en derhalve steunt op dat verslag, schendt bijgevolg de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 35 van de wet van 3 juli 1978, 458 van het Strafwetboek, 32quater, 32sexies, 32nonies, 32tredecies, 32quinquiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 en 21 tot 29 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007.

(…)

III. Beslissing van het Hof
Eerste middel
Eerste en tweede onderdeel
Krachtens artikel 32nonies, eerste lid wet welzijn werknemers, dat op het geschil van toepassing is, kan de werknemer die meent het voorwerp te zijn van ongewenst seksueel gedrag op het werk zich richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon en bij deze personen een met redenen omklede klacht indienen volgens de voorwaarden en de nadere regels vastgesteld met toepassing van artikel 32quater, § 2.

Overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, informeren de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur de werknemer die zich tot hem wendt over de mogelijkheid om op informele wijze een oplossing te bekomen via een interventie bij een lid van de hiërarchische lijn of via een verzoening met de aangeklaagde; zij handelen enkel met het akkoord van de werknemer die een met redenen omklede klacht kan indienen wanneer hij zich hiertoe niet wenst te verbinden.

De preventieadviseur en de vertrouwenspersoon zijn, luidens artikel 32quinquiesdecies, eerste lid wet welzijn werknemers, gehouden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

Artikel 32quinquiesdecies, tweede lid bepaalt dat de preventieadviseur en de vertrouwenspersoon, in afwijking van deze verplichting aan de personen die eraan deelnemen de informatie meedelen die naar hun mening pertinent is voor het goede verloop van een verzoening.

Die bepaling die de mededeling van de door haar bedoelde informatie aan het lid van de hiërarchische lijn toestaat om op informele wijze een oplossing te bereiken sluit niet uit dat die mededeling geschiedt onder de vorm van een geschreven verslag met de verklaringen van de werknemer die zich gewend heeft tot de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur.

Ze beperkt de bevoegdheid van het lid van de hiërarchische lijn niet om te beslissen dat de feiten die hem zijn meegedeeld een dringende reden vormen die de beëindiging zonder opzegging van de arbeidsovereenkomst van de persoon aan wie ze verweten worden en ontzegt hem niet het recht de informatie die hem aldus is meegedeeld aan te voeren om die feiten aan te tonen.

Het arrest stelt vast dat 4 werkneemsters van de dienst van de verweerster die oordelen dat ze het slachtoffer zijn van ongewenst seksueel gedrag door de eiser, “gekozen hebben voor de informele procedure” en “de vertrouwenspersoon en preventieadviseur gemachtigd hebben om op te treden bij de hiërarchische overste teneinde de aangeklaagde toestand van ongewenst seksueel gedrag te doen ophouden”, dat laatstgenoemden vervolgens die hiërarchische overste hebben ontmoet en hem een geschreven verslag van de feiten die hen werden meegedeeld hebben overhandigd en dat de eiser, nadat hij door zijn overste gehoord werd, op grond van die feiten ontslagen werd om dringende reden.

Het arrest beslist dat “het beroepsgeheim niet geschonden werd aangezien de hiërarchische overste van de eiser in die hoedanigheid op de hoogte was van de feiten, terwijl hij “rechtstreeks bij de informele procedure betrokken was”, dat hij “de overdracht van de informatie niet heeft afgewend van de doelstelling van de informele procedure” aangezien “alleen hij bevoegd was om een beslissing te nemen over het ontslag van de eiser” en hij kon oordelen dat “de feite dermate ernstig [waren] dat de enige manier om het gelaakte gedrag te doen ophouden erin bestond de contractuele relatie van [de verweerster en] de werknemer die schuldig is aan de aangeklaagde feiten te beëindigen” en dat die feiten zijn aangetoond door het verslag dat de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur aan de hiërarchische overste overhandigd hebben en schendt bijgevolg geen enkele van de in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen.

Het middel kan in geen enkel onderdeel aangenomen worden.

(…)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten

S.12.0052.F
Conclusions de l'avocat général Genicot:

Quant au premier moyen en ses deux branches réunies, pris de la violation des articles 458 du Code pénal, 1315 du Code civil, 870 du Code judiciaire, des articles 32quater et suivants de la loi du 4 août 1996 relative au bien être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail telle que modifiée par la loi du 10 janvier 2007, ainsi que des articles 21 à 29 de l'arrêté royal du 17 mai 2007 relatif à la prévention de la charge de psychosociale occasionnée par le travail dont la violence, le harcèlement moral ou sexuel au travail.

Il est fait grief aux juges d'appel d'une part, première branche, d'avoir autorisé la défenderesse à utiliser le rapport établi par le service externe de prévention et de protection dans le cadre de la procédure spécifiquement ouverte par les plaintes pour harcèlement à charge du demandeur et ce, afin de fonder le motif grave du congé qui lui fut notifié et d'autre part, seconde branche, de s'être basé sur les éléments de ce même rapport pour admettre la preuve de ce motif grave.

Pour la doctrine, il se déduit de l'accord-cadre européen sur le harcèlement et plus précisément de l'article 5-9 de la directive 89/391 CEE, selon lequel "l'employeur est obligé d'assurer la sécurité et la santé des salariés dans tous les aspects liés au travail", que "le lieu de travail est sous la responsabilité de l'employeur et les obligations qui pèsent sur lui sont des obligations de résultat. En échange de la subordination et de la loyauté du salarié à son égard, ce dernier a le droit de pouvoir, chaque jour, retourner chez lui en bonne santé mentale et physique" (G. ZORBAS, "Le harcèlement. Droit européen, belge, français et luxembourgeois" Larcier, 2010, p. 342).

Il ne ressort cependant pas clairement de la loi du 4 août 1996 qui transpose en droit interne la directive précitée, que l'obligation de l'employeur de prendre les mesures pour prévenir la violence le harcèlement moral ou sexuel au travail, soit bien reprise comme obligation de résultat (G. ZORBAS., op. cit., p. 354).

Il n'en reste pas moins que, dans ce contexte, l'obligation de l'employeur, fût-elle de moyen, de prendre les mesures adéquates pour mettre fin au harcèlement fait peser sur lui une responsabilité dont il doit donc assumer la charge et les conséquences.

C'est dans ce contexte qu'il faut examiner la portée de la loi du 11 juin 2002 qui a inséré dans la loi du 4 août 1996, comme le rappelle la défenderesse, un chapitre Vbis intitulé "Dispositions spécifique concernant la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail", et dont ressort l'existence d'un volet répressif à côté d'un volet préventif.

En outre, suivant l'article 23 de l'arrêté royal d'exécution du 17 mai 2007 la personne de confiance est, avec l'accord du travailleur, habilitée à envisager une solution informelle par le biais d'une intervention auprès "d'un membre de la ligne hiérarchique".

Ce dernier, même dans ce cadre n'en perd pas moins sa qualité d'employeur, tenu à ce titre et sous sa responsabilité, de prendre les mesures adéquates afin de mettre fin à la situation dénoncée.

L'écartement par licenciement pour motif grave du travailleur concerné peut s'avérer être la seule solution adéquate.

Aucune disposition de la loi du 4 août 1996 ni de l'arrêté royal d'exécution ne prive l'employeur de ce droit qui pourrait même devenir un devoir s'il apparaissait, toujours sous sa responsabilité, que seul le licenciement pour motif grave serait susceptible de mettre fin au harcèlement et d'assurer le bien-être au travail, d'autant plus que la loi du 4 août 1996 ne le dispense aucunement des exigences strictes imposées par l'article 35 de la loi du 3 juillet 1978.

Il n'est par ailleurs pas lui-même tenu au secret professionnel comme le sont en vertu de l'article 32quiquiesdecies de la loi du 4 août 1996 la personne de confiance et le conseiller en prévention.

Par dérogation à cet article ces derniers sont d'ailleurs notamment autorisés à transmettre "... à l'employeur un avis écrit portant sur les résultats de l'examen impartial de la plainte motivée dont le contenu est fixé par le Roi".

Il ressort enfin des travaux parlementaires que cite la défenderesse au 13ème feuillet que cette confidentialité tend à créer un climat propre à inspirer la confiance du plaignant dans un souci de transparence envers des faits parfois délicats à révéler, bien plus qu'à garantir l'auteur éventuel d'un quelconque secret protecteur.

Le premier moyen ne peut être accueilli.
(...)

Conclusion.
Je conclus au rejet.
 

Noot: 

Dooms, V., « Over het vertrouwelijk karakter van de informatie bij een vertrouwenspersoon en preventieadviseur bij feiten tot staving van een dringende reden », R.A.B.G., 2017/3, p. 208-212

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 18/07/2017 - 19:24
Laatst aangepast op: di, 18/07/2017 - 19:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.