-A +A

Ontslag notaris en gevolgen voor werknemers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
vri, 07/03/2014

Net zo min als de curator treedt de plaatsvervangende notaris op als werkgever wanneer hij het bij het notariaat in dienst zijnde personeel ontslaat.

Het ontslag dat weliswaar feitelijk door de plaatsvervangende notaris als notaris-plaatsvervanger doorgevoerd wordt, wordt juridisch geacht een rechtshandeling te zijn, uitgevoerd door de oorspronkelijke notaris als vervangen notaris, die er dan ook door gebonden is, ongeacht of de plaatsvervangende notaris een fout heeft begaan bij de uitvoering van de opdracht. Het begaan van een fout door de lasthebber bij de uitvoering van zijn opdracht kan overigens niet gelijkgesteld worden met de overschrijding van de grenzen van de gegeven opdracht.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
749
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. in hoedanigheid van plaatsvervangend notaris A. t/ T. en A.

...

IV. Ten gronde

1. De feiten

Mevrouw T. trad op 15 oktober 1977 in dienst van notaris J.A., vader van de heer A.

Naar aanleiding van de pensionering van de heer J.A. werd het ambt op 1 april 1993 overgenomen door zijn zoon. Mevrouw T. bleef verbonden aan het notariaat en wist zich op te werken tot eerste klerk. Haar belangrijkste taak bestond in het voorbereiden, beheren en afwerken van dossiers in de notariële praktijk. Zij stond ook in voor een aantal administratieve taken. Eén van deze taken was het invullen van de prestatiestaten voor het sociaal secretariaat met vermelding van de vakantiedagen van alle werknemers van het notariaat. De gegevens met betrekking tot deze vakantiedagen nam mevrouw T. over uit een agenda waarin elke werknemer voor zich noteerde wanneer hij of zij vakantie zou nemen.

Met een brief van 9 december 2005 verzocht de heer A. om ontslagen te worden uit zijn ambt van notaris. Dit ontslag werd hem door de minister van Justitie verleend op 16 maart 2006.

Met een beschikking van 26 april 2006 stelde de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout de heer S.D. aan als notaris-plaatsvervanger.

Met een beschikking van 29 mei 2007 van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout werd de heer S.D. ontheven van zijn mandaat en werd mevrouw C. aangesteld als notaris-plaatsvervanger van de heer A. Deze aanstelling nam een aanvang op 1 juni 2007. Deze beschikking is als volgt geformuleerd:

“...

“Zeggen voor recht dat de plaatsvervanging door de heer S.D., kandidaat-notaris, aangewezen ingevolge onze beschikking van 26 april 2006, beëindigd zal worden op 31 mei 2007.

“Zeggen voor recht dat jonkvrouw C. ..., Kandidaat-notaris, geboren te ..., wonende te ..., wordt aangewezen als plaatsvervanger van mr. L.A., notaris met standplaats te H. en dit vanaf 1 juli 2007.

“Zeggen voor recht dat de plaatsvervanger recht heeft op een vergoeding van (...) per maand en dat de algemene onkosten ten laste van het kantoor blijven.

“Zegt voor recht dat deze aanwijzing als plaatsvervangend notaris geldt tot de eedaflegging van de opvolger van mr. L.A. voornoemd”.

In de beweegredenen van het verzoekschrift uitgaande van de voorzitter en de secretaris van de Kamer van het Genootschap van Notarissen van de provincie Antwerpen, die door de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg werden bijgevallen en tot de zijne werden gemaakt, staat te lezen: “... dat zowel het openbaar belang als het persoonlijk belang van de ontslagen notaris gediend zijn met een dringende aanstelling van een vervangend notaris, tot de eedaflegging van zijn opvolger, zodat de activiteit van het kantoor, zowel de gerechtelijke als de buitengerechtelijke, in optimale omstandigheden blijven verlopen”.

Op maandag 17 maart 2008 verstuurde mevrouw C. het volgende e-mailbericht, met als onderwerp “dringend ontslag” aan de voorzitter van de Provinciale Kamer van Notarissen:

“Graag had ik uw mening over het verdere personeelsbeleid hier op het kantoor.

“Sedert het ontslag van notaris A., en wellicht reeds voordien, werd dit allemaal geregeld door één van de medewerksters, tevens boekhoudster en akteopsteller (sedert dertig jaar in dienst hier op het kantoor).

...

“Wat notaris D. echter niet wist, is dat de persoon die de personeelszaken deed, naar aanleiding van de opslag van haar collega’s tevens een opslag heeft verkregen van 200 euro netto. Hierdoor heeft zij momenteel een brutoloon op maandbasis van 5.655 euro (zonder enige vorm van opleiding). Op jaarbasis komt dit overeen met een maandelijks brutoloon van zowat 9.000 à 9.500 euro.

“Net voordat ik werd aangesteld als plaatsvervanger, heeft zij bovendien een overeenkomst ondertekend met L.A., waarin zij haar uurregeling aanpast en vermindert met 1,5 uur per week, zonder enige vorm van loonverlies.

“Tot daar haar personeelsvoorwaarden.

“Bij nazicht van de boekhouding op het einde van het jaar, heb ik ontdekt dat zij bovendien bewust het resultaat van het boekjaar heeft willen beïnvloeden.

...

“Bij dit alles komt dat ik vorige week vrijdag bij de controle van de vakantiedagen heb vastgesteld dat

zij zich ten onrechte acht dagen of meer extra vakantie heeft toegeëigend. Haar werkelijke vakantiedagen corresponderen niet met de vakantiedagen vermeld op de prestatiestaten en de vakantiefiches.

“Bij contactname met dezelfde advocaat meent deze dat dit werkelijk bedrog is van de werkgever (sic) en dat dit een ontslag om dringende reden rechtvaardigt. Dit ontslag moet dan wel gegeven worden

binnen drie werkdagen na het ontdekken van de feiten,

dus ten laatste morgen.
“Bij gebrek aan dringende reden bedraagt haar ontslagvergoeding immers 212.000 euro of een opzegtermijn van 31 maanden.

...”.

In aansluiting op dit bericht mailde mevrouw C. later de dag nog het volgende aan de voorzitter van de Provinciale Kamer: “In bijlage vindt u mijn mailbericht van deze morgen terug. Ondertussen heeft de advocaat mij medegedeeld dat dit ontslag, om niet voor discussie vatbaar te zijn, zou moeten worden ingediend door L.A., in zijn functie van werkgever. Meent u dat ik zijn medewerking hierin kan vragen en verkrijgen?”.

Op dinsdag 18 maart 2008 verstuurde mevrouw C. nogmaals een e-mailbericht aan de voorzitter en aan een bediende van de Kamer, waarvan kopie werd bezorgd aan notaris A.M.:

“Ik contacteer u aangaande een ontslag om dringende reden dat zich opdringt op dit kantoor. Voor de goede orde voeg ik hierbij mijn eerder e-mailbericht (gericht aan de voorzitter van de Kamer van Antwerpen) dat de redenen van het ontslag uiteenzet. Ik meen dat het niet opportuun is de heer A. bij dit ontslag te betrekken. Het betreft immers een werkneemster die dertig jaar in dienst is, en indertijd nog werd aangenomen door zijn vader (erenotaris). Wellicht zal hij om die redenen niet meewerken aan dit ontslag. Bovendien zal hij de werkneemster ongetwijfeld op de hoogte brengen van mijn voornemen.

“Een advocaat gespecialiseerd in arbeidsrecht heeft mij ondertussen meegedeeld dat de termijn van drie dagen begint te lopen vanaf het ogenblik dat ik haar voor het eerst confronteer met de vastgestelde feiten. Daarna kan het ontslag gegeven worden. Blijft enkel nog de vraag wie dit ontslag kan geven: is dit de heer A. als oorspronkelijke werkgever of kan ik dit doen in mijn functie van plaatsvervanger?

“Als ik de bewuste passages nalees in het handboek aangaande de Nieuwe Notariswet (die ik gemakkelijkheidshalve in bijlage voeg), dien ik hierover vooraf verslag uit te brengen en het advies te vragen aan de Provinciale Kamer en aangezien het kantoor ondertussen herschat werd en vacant verklaard tevens aan de Nationale Kamer. Zou ik u daarom mogen vragen uw beider advies in dezen te kennen? (...)”.

...

Notaris A.M. beantwoordde dit e-mailbericht op dinsdagavond 18 maart 2008 als volgt: “Het is in de eerste plaats van belang na te gaan of het kantoor A. al dan niet in vennootschap uitgebaat wordt. Is dit het geval, dan is de vraag wie de vennootschap bestuurt: een bewindvoerder of nog altijd de ex-notaris. Is dit niet het geval, dan is er het probleem van de draagwijdte van de bevoegdheden van de plaatsvervanger. Naar mijn gevoelen zijn die zeer omvangrijk, omdat de plaatsvervanging in het leven werd geroepen om de continuïteit van de openbare dienst die het notariaat is, te verzekeren. Dit impliceert het volledig bestuur van het kantoor, inbegrepen zowel ontslag als aanwerving van personeel, aankoop materieel etc. Als we hierop toegeven, heeft de plaatsvervanging geen zin. Ik zou het toejuichen als de instanties Kamer en Nationale Kamer de plaatsvervanger in dezen zouden steunen. Het is evident dat het advies waarvan sprake in de geciteerde literatuur niet tot stand kan komen zoals bij de gebruikelijke adviesprocedures bij betwistingen tussen confraters. Het komt er hier zonder meer op neer dat de voorzitters à la minute optreden. Indien de werknemer in de verdere procedure zou aanvoeren dat de plaatsvervanger niet de bevoegdheid zou hebben om ontslag te geven, al dan niet om dringende redenen, dan moet er desnoods tot in cassatie gepleit worden om de plaatsvervanging te redden. Dus ... er is volgens mij geen twijfel over de draagwijdte van de bevoegdheden en de actiemiddelen”.

De vragen van mevrouw C. werden behandeld op de zitting van 20 maart 2008 van de Provinciale Kamer. Het verslag van deze vergadering vermeldt:

“Enig punt: Vraag tot dringend advies van plaatsvervangend notaris C. (plaatsvervangend notaris van ontslagnemend notaris L.A.). Op dit kantoor rijst een acuut probleem met een medewerker die reeds een behoorlijke anciënniteit heeft. Plaatsvervangend notaris C. vraagt een dringend advies i.v.m. de opzeg van deze medewerker om dringende redenen, en met name vraagt zij of zij in haar hoedanigheid van plaatsvervangend notaris bevoegd is ter zake.

“De Kamer,

– In toepassing van Titel III – Beroepsorganisatie – Onderafdeling 3 – Adviesprocedure – artikelen 86, 87 en 88 van de organieke wet notariaat,

– Na kennis genomen te hebben van de feiten,

– Gelet op de ter zake geldende regels, (...),

is van mening dat de plaatsvervanger in de plaats treedt van de vroegere notaris voor alles wat noodzakelijk is om de werking van dat notariaat te garanderen”.

Op 20 maart 2008 deelde de secretaris van het Genootschap van Notarissen van de provincie Antwerpen het volgende mee aan mevrouw C.: “U bent benoemd als notaris-plaatsvervanger voor notaris L.A., die zijn ambt voorheen in persoonlijke naam (lees: niet in vennootschapsvorm) uitoefende. Door de plaatsvervanging treedt u in de plaats van de collega en kan u, volgens de Kamer, alles doen wat noodzakelijk is om de werking van het notariaat te garanderen. De Kamer is van oordeel dat het ontslag om dringende redenen, zoals door u gemeld, daartoe behoort. U kan dus zelf de opzeg conform de wettelijke voorschriften doen en hoeft de notaris die u vervangt hierin niet te kennen (...)”.

Met een e-mailbericht van 21 maart 2008 werd mevrouw T. door mevrouw C. uitgenodigd voor een gesprek over de opname van vakantiedagen: “Nadat ik hier verschillende keren om gevraagd had, heb je eind vorige week gevolg gegeven aan mijn verzoek om de agenda bevattende vakantiedagen 2007 van alle medewerkers te overhandigen. Ik heb deze documenten inmiddels aan een grondig onderzoek onderworpen. Bij nazicht van jouw verlofdagen vind ik een grote divergentie tussen de door jou genoteerde vakantiedagen in de agenda, de werkelijk opgenomen vakantiedagen en de door jou ingevulde prestatiestaten. Kan je mij daar na het lange paasweekend, dinsdagmorgen enige uitleg over verschaffen? Ik zou voorstellen dit direct ’s morgens te doen, vooraleer ik naar het Genootschap te Antwerpen vertrek”.

Met een aangetekende brief van 25 maart 2008 werd de arbeidsovereenkomst van mevrouw T. door mevrouw C. in haar hoedanigheid van plaatsvervangend notaris beëindigd. De inhoud van deze brief luidt:

“Geachte mevrouw,

“Verwijzend naar ons onderhoud van vandaag, deel ik u bij huidig schrijven mee dat ik besloten heb om de arbeidsovereenkomst die ons bindt om een dringende reden te beëindigen. De redenen die mij tot deze beslissing benoopt hebben, zullen u binnen de wettelijke termijn worden meegedeeld”.

Op 26 maart 2008 bevestigde mevrouw C. dit ontslag met volgende verklaring: “Ondergetekende, C., notaris-plaatsvervanger te ..., bevestigt bij deze aan mevrouw T., dat haar arbeidsovereenkomst beëindigd werd per aangetekend schrijven van 25 maart 2008”.

Met een aangetekende brief van 28 maart 2008 deelde mevrouw C. aan mevrouw T. de redenen voor het ontslag mee. Deze brief van vijf pagina’s bevat een overzicht van een aantal vaststellingen die werden gedaan aan de hand van de vermeldingen in de agenda en de vakantiestaten voor de loonverwerking en de digitale agenda. De tekortkoming die mevrouw T. zou hebben begaan, wordt samengevat als volgt: (...).

Met een brief van 8 april 2008 gericht aan de heer A. en mevrouw C. betwistte de vakorganisatie van mevrouw T. het ontslag wegens dringende redenen en werd de betaling van een verbrekingsvergoeding, het vakantiegeld einde dienst, de pro rata eindejaarspremie en loon voor overuren opgeëist.

Met brieven van respectievelijk 15 april 2008 en 25 april 2008 betwistten de raadslieden van mevrouw C. en de heer A. de aanspraken van mevrouw T.

Op 23 mei 2008 legde mevrouw C. als plaatsvervangend notaris klacht met burgerlijke partijstelling tegen mevrouw T. neer in handen van de onderzoeksrechter te Turnhout wegens valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken en oplichting.

Met een beschikking van 19 december 2008 werd er een einde gemaakt aan de plaatsvervanging van mevrouw C. en werd notaris D. aangesteld als voorlopig bewaarder van het archief van het notariskantoor.

Met beschikking van 8 december 2009 werd mevrouw T. door de raadkamer te Turnhout buiten vervolging besteld.

Op 29 april 2010 werd notaris (...) benoemd als overnemer van het notariskantoor van de heer A.

2. De beoordeling

2.1 Toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering van mevrouw T.

De heer A. en mevrouw C. voeren beiden aan dat de vordering van mevrouw T. niet toelaatbaar is omdat tussen hen geen (contractuele) rechtsverhouding voorhanden zou zijn.

Het arbeidshof oordeelt daarover als volgt.

Krachtens art. 17 en 18 Ger.W. kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang en hoedanigheid heeft om ze in te dienen. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht heeft, ook al wordt het betwist, belang en hoedanigheid om een vordering in rechte in te stellen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het aangevoerde subjectieve recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering. (Cass. 28 september 2007, C.06.0180.F, Arr.Cass . 2007, 1798; Cass. 26 februari 2004, C.01.0402.N, RW 2006-07, 133).

De door mevrouw T. ten laste van de heer A. en mevrouw C. ingestelde vordering is dus op grond van art. 17 en 18 Ger.W. toelaatbaar.

2.2 Wie is de werkgever van mevrouw T.

Mevrouw T. baseert haar aanspraken op het bestaan van die arbeidsovereenkomst met de heer A. én mevrouw C.

Anders dan de eerste rechters is dit arbeidshof van oordeel dat de heer A. de werkgever van mevrouw T. is gebleven, ook na de aanvaarding van zijn ontslag als notaris. Het ontslag van de heer A. uit zijn ambt, met als gevolg het vacant vallen van zijn standplaats, heeft aanleiding gegeven tot zijn plaatsvervanging met toepassing van art. 63 van de Notariswet.

De diverse vervangingsoorzaken (schorsing, ontzetting, ontslag, ...), ongeacht hun vrijwillig of onvrijwillig karakter, hebben één gemeenschappelijk kenmerk: zij beletten, tijdelijk of definitief dat de betrokken notaris nog het ambt van notaris uitoefent. Dit beroepsuitoefeningsverbod op zich ontlast de betrokken notaris evenwel niet van zijn gebeurlijke positie van werkgever.

Overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 februari 1989, gesloten in het paritair comité voor de notarisbedienden en algemeen verbindend verklaard bij KB van 8 april 1989 (BS 12 mei 1989) brengt het ontslag van de titularis van het notaris-kantoor immers geen enkele verandering mee in het statuut of de rechten van het bediendenpersoneel. Het ontslag van de notaris uit zijn ambt maakt derhalve geen einde aan de arbeidsovereenkomst en heeft ook niet de staking van de activiteit van het kantoor tot gevolg.

De omstandigheid dat de notaris, wegens het hem opgelegde beroepsuitoefeningsverbod, zijn gezag niet kan laten gelden betreffende de opdrachten die hij wettelijk niet verder kan aannemen of uitvoeren, doet derhalve niets af aan zijn hoedanigheid van werkgever (zie: Cass. 5 december 1994, JTT 1995, 80, RW 1995-96, 259; M. De Vos, “Vernieuwde Notariswet en sociaal recht” in P. Van Den Eynde, C. Hollanders De Ouderaen en P. Buisseret (eds.), De vernieuwde notariswet, Brussel, Larcier, 2005, X, p. 701 e.v.).

Het argument dat de heer A. na zijn ontslag als notaris in werkelijkheid geen gezag, leiding of toezicht meer heeft uitgeoefend over mevrouw T., is bijgevolg niet relevant (zie Arbh. Gent, afd. Brugge, 19 oktober 2011). Meer in het algemeen is het trouwens zo dat externe gebeurtenissen die het de werkgever onmogelijk maken om zijn ondernemingsactiviteit verder uit te oefenen, de werkgever niet als bij toverslag de hoedanigheid van werkgever doen verliezen. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het faillissement, de vereffening of de sluiting van de onderneming die het gevolg is van leefmilieumaatregelen. Ook de definitieve overmacht leidt niet tot het verlies van de hoedanigheid van werkgever, maar alleen voor zover één van de contractpartijen zich erop beroepen heeft, tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nochtans belet overmacht de werkgever evenzeer om verder nog enig gezag uit te oefenen met betrekking tot de overeengekomen arbeid, aangezien die arbeid door de overmacht onmogelijk nog kan worden uitgevoerd. De werkgever is en blijft dus telkens de werkgever en het cassatiearrest van 5 december 1994 bevestigt dit voor het beroepsuitoefeningsverbod voor een notaris-werkgever, dat het gevolg is van een schorsing of afzetting (M. De Vos, “Schorsing en afzetting van een notaris: impact op de arbeidsovereenkomst van de notarisbedienden en verplichtingen van de voorlopige bewaarder van de minuten en van de notaris die in de openstaande plaats wordt benoemd”, NFM 1996, 142).

Overigens kan uit de stukken worden afgeleid dat de heer A. zich nog wel degelijk als werkgever heeft gedragen na zijn ontslag. Zo tekende de heer A. in augustus 2007 nog een prestatiestaat van mevrouw T. af. Ook op de sociale documenten afgeleverd naar aanleiding van het ontslag van mevrouw T. werd de heer A. als werkgever vermeld.

Het arbeidshof besluit dan ook dat de heer A. ook na het ontslag uit zijn ambt onverkort kan worden aangesproken als werkgever van mevrouw T.

Mevrouw C. kan daarentegen naar het oordeel van het arbeidshof door mevrouw T. niet worden aangesproken als werkgever. In dit kader dient eraan herinnerd te worden dat de hoedanigheid van werkgever uitsluitend toekomt aan degene die in eigen naam gezag uitoefent over de werknemer. Mevrouw T. blijft in gebreke aan te tonen dat mevrouw C. in eigen naam het werkgeversgezag over haar heeft uitgeoefend. Mevrouw C. is als plaatsvervanger immers te beschouwen als een gerechtelijk mandataris belast met een wettelijke opdracht. Zij werd door de rechtbank aangewezen om in het notariskantoor, met het oog op de continuïteit van de notarisdiensten en in afwachting van de benoeming van een nieuwe titularis, tijdelijk de opdrachten voor te zetten van de vervangen notaris, de heer A., die zelf het notarisberoep niet meer mocht uitoefenen. Meer bepaald werd mevrouw C. als notaris-plaatsvervanger door de rechtbank ermee belast om ervoor te zorgen dat de gerechtelijke en de buitengerechtelijke activiteiten van het gevestigde notariaat in optimale omstandigheden verder konden lopen.

Dit in aanmerking genomen, moet worden aanvaard dat mevrouw C. alle maatregelen kon treffen die de goede werking van het kantoor verzekerden, inclusief het personeelsbeleid. Omdat mevrouw C. niet geacht werd het beheer van het kantoor in eigen naam of voor eigen rekening waar te nemen, is zij hiermee evenwel niet de persoonlijke werkgever van het in dienst zijnde personeel geworden. Als autonoom gerechtelijk mandataris is zij een derde ten aanzien van de bestaande arbeids- maar ook andere overeenkomsten in het notariaat waarvan het beheer haar tijdelijk door de rechtbank werd toebedeeld. Mevrouw C. is met andere woorden voor de duur van haar gerechtelijk mandaat niet toegetreden tot de reeds bestaande arbeidsovereenkomsten van het notariaat van de heer A.

De positie van de notaris-plaatsvervanger kan worden vergeleken met die van de curator van een faillissement, namelijk een gerechtelijk lasthebber die onderscheiden is van de werkgever, hem niet vertegenwoordigt en die niet op zijn beurt werkgever wordt van het personeel dat hij verder tewerkstelt. Ingevolge het faillissement is de curator het orgaan dat voortaan exclusief bevoegd is om op te treden voor de gefailleerde, maar het is de gefailleerde die partij blijft bij deze arbeidsovereenkomsten. De werkgever blijft, zoals hierboven werd aangegeven, dus de vervangen notaris, ook al betaalt die niet langer de lonen. Loonbetaling door een derde, in casu de notaris-plaatsvervanger, doet de werkgever zijn hoedanigheid van werkgever niet verliezen, doet de arbeidsovereenkomst met die werkgever niet verdwijnen en leidt evenmin tot het ontstaan van een arbeidsovereenkomst met de betalende derde (M. De Vos, Loon naar Belgisch recht, Antwerpen, Maklu, 2000, p. 87-88, nr. 55).

De heer A. voert tevergeefs aan dat uit een aantal feitelijke elementen kan worden afgeleid dat mevrouw C. tijdens haar plaatsvervanging wel degelijk de hoedanigheid van werkgever van mevrouw T. heeft verworven. Het spreekt vanzelf dat de verschillende aspecten van de samenwerking met het personeel van de vervangen notaris in het kader van de uitvoering van het gerechtelijk mandaat door de notaris-plaatsvervanger niet volstaan om het ontstaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst met de notaris-plaatsvervanger aan te tonen.

In zoverre mevrouw C. de arbeidstijd, de vakantie en het opnemen van overuren regelde en prestatiebladen aftekende, gebeurde dit in uitvoering van haar gerechtelijke aanstelling als plaatsvervanger met het oog op de voortzetting van het notariskantoor in afwachting van de benoeming van de nieuwe titularis.

Het is bovendien onjuist te beweren dat mevrouw T. arbeidsprestaties leverde voor mevrouw C. Mevrouw T. was in dienst van de heer A. en leverde arbeidsprestaties voor het notariaat dat op dat ogenblik de eigendom van de heer A. was. De geleverde arbeidsprestaties kwamen ten goede aan het notariaat en dus aan het vermogen van de heer A., terwijl mevrouw C. slechts een door de rechtbank vastgestelde vergoeding ontving voor de uitoefening van haar mandaat, waarbij uitdrukkelijk werd bepaald dat de algemene kosten ten laste van het kantoor bleven.

De vaststelling dat mevrouw C. tijdens haar plaatsvervanging nieuwe werknemers heeft aangeworven en de arbeidsovereenkomsten desbetreffend mede heeft ondertekend, kan evenmin als een feitelijk element worden beschouwd dat erop wijst dat mevrouw C. de hoedanigheid van werkgever ten aanzien van mevrouw T. heeft verworven.

Anders dan de heer A. beweert, wordt het werkgeverschap van mevrouw C. ook niet aangetoond door het stellen van de ontslaghandeling ten aanzien van mevrouw T. Net zo min als de curator treedt de plaatsvervangende notaris op als werkgever wanneer hij het bij het notariaat in dienst zijnde personeel ontslaat. Er kan overigens niet worden getwijfeld aan het feit dat mevrouw C. zich bij het ontslag van mevrouw T. als gerechtelijk mandataris heeft gedragen, omdat zij het voorafgaand advies van de Kamer van Notarissen van de provincie Antwerpen heeft gevraagd en het ontslag ook uitdrukkelijk heeft betekend in haar hoedanigheid van “notaris-plaatsvervanger”.

Gelet op haar gerechtelijk mandaat diende mevrouw C. de heer A. niet te kennen bij het ontslag van mevrouw T., zodat ook hierin geen aanwijzing kan worden gezien voor het feit dat zij als werkgever in persoonlijke naam handelde.

Anders dan de heer A. aanvoert, heeft mevrouw C. ook niet in eigen naam gehandeld toen zij naar aanleiding van het ontslag klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter neerlegde tegen mevrouw T. De klacht werd neergelegd in haar hoedanigheid van notaris-plaatsvervanger.

Gelet op de bijzondere opdracht van mevrouw C., toegekend bij rechterlijke beslissing, om alle activiteiten van het notariaat tijdens de duur van de gegeven mandaat in optimale omstandigheden te laten functioneren, dient bovendien geoordeeld te worden dat het doorvoeren van het ontslag van mevrouw T. binnen de perken van het mandaat van mevrouw C. als notaris-plaatsvervanger viel.

Aangezien mevrouw C. het ontslag van mevrouw T. doorgevoerd heeft in uitvoering van haar opdracht als notaris-plaatsvervanger, zal niet mevrouw C. als gerechtelijk mandataris maar wel de heer A. als vervangen notaris de gevolgen van dit ontslag dienen te dragen. Het ontslag dat weliswaar feitelijk door mevrouw C. als notaris-plaatsvervanger doorgevoerd werd, wordt juridisch geacht een rechtshandeling te zijn, uitgevoerd door de heer A. als vervangen notaris, die er dan ook door gebonden is, ongeacht of mevrouw C. een fout heeft begaan bij de uitvoering van haar opdracht. Het begaan van een fout door de lasthebber bij de uitvoering van zijn opdracht kan overigens niet gelijkgesteld worden met de overschrijding van de grenzen van de gegeven opdracht.

Met zelfs als aanvaard zou worden dat mevrouw C. met het ontslag wegens dringende reden buiten de perken van haar mandaat zou hebben gehandeld, moet worden vastgesteld dat de heer A. dit ontslag nadien minstens stilzwijgend bekrachtigd heeft. De bekrachtiging is een eenzijdige, onherroepelijke, niet mededelingsplichtige, vormvrije rechtshandeling waarbij retroactief de ontbrekende bevoegdheid wordt gegeven. Op grond van art. 1998, tweede lid BW kan de bekrachtiging hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend zijn. Een stilzwijgende bekrachtiging kan onder meer afgeleid worden uit het feit dat een bepaalde handeling geen reactie uitlokt van de lastgever, terwijl een normaal zorgvuldige lastgever in dezelfde omstandigheden uitdrukkelijk zou reageren tegen een dergelijk onbevoegd optreden van de lasthebber (B. Tilleman, Lastgever in APR, Gent, Story-Scientia, 1997, 209). Zo wordt een belangrijk contract gesloten door de dagelijks bestuurder van een NV geacht bekrachtigd te zijn door het feit dat de vennootschap de waarde van de aangegane verbintenissen had betwist, zonder in te roepen dat het contract diende gesloten te worden door twee bestuurders (Kh. Brussel 15 december 1933 Jur.Comm.Brux. 1934, 384; B. Tilleman, o.c., 216).

In casu moet worden vastgesteld dat de heer A. in een antwoordschrijven van 25 april 2008 op een aanmaning van de vakvereniging zonder enig voorbehoud te kennen heeft gegeven dat er, gelet op het ontslag wegens dringende reden, geen verbrekingsvergoeding noch eindejaarspremie verschuldigd is. Bovendien stelde de heer A. de betaling van het vakantiegeld bij uitdiensttreding en de aflevering van de sociale documenten einde dienst in het vooruitzicht. De heer A. nam daarenboven het initiatief om een dadingovereenkomst op te stellen met mevrouw T.

Dergelijke handelingen zou de heer A. niet hebben gesteld indien hij zich van de ontslaghandeling had willen distantiëren. Het arbeidshof aanvaardt dan ook dat deze handelingen met zekerheid wijzen op de bedoeling van de heer A. om het ontslag te bekrachtigen.

Door de bekrachtiging wordt mevrouw C. geacht retroactief over de vereiste vertegenwoordigingsmacht te beschikken voor de bekrachtigde ontslaghandeling en wordt de bekrachtigde handeling retroactief rechtstreeks toegerekend aan de heer A., zodat alleen deze laatste kan worden aangesproken voor de contractuele schade die mevrouw T. naar aanleiding van haar ontslag meent te hebben geleden.

Tevergeefs voert de heer A. aan dat mevrouw T. zich kan richten tot mevrouw C. op grond van art. 63 van de Notariswet. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op de aansprakelijkheid van de notaris-plaatsvervanger ten aanzien van derden voor fouten verbonden aan de uitoefening van het notarisambt, wat in dezen niet aan de orde is.

Uit het bovenstaande volgt dat een rechtstreekse vordering van mevrouw T. tegen mevrouw C. uitgesloten is, zodat alleen de heer A. als werkgever kan worden aangesproken.

Het hoger beroep aan mevrouw C. en het (impliciet) incidenteel beroep van mevrouw T. zijn derhalve gegrond.

...

2.6. De tusseneis van de heer A. tegen mevrouw C.

Krachtens art. 1991 BW is de lasthebber aansprakelijk voor zijn schuld in de uitvoering van zijn opdracht, waarbij deze aansprakelijkheid minder streng toegepast wordt ten aanzien van degene die de lastgeving om niet op zich neemt, dan ten aanzien van hem die daarvoor een loon ontvangt.

Anders dan de heer A. aanvoert, was mevrouw C. bij het doorvoeren van het ontslag van mevrouw T. niet tot een resultaatsverbintenis gehouden. De vraag of die driedagentermijn van art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet werd nageleefd houdt steeds een beoordeling in over feiten, namelijk de kwestie op welk tijdstip de ontslaggevende partij voldoende kennis had van de redenen voor het ontslag.

De eventuele fout van mevrouw C. als lasthebber moet in abstracto worden beoordeeld, volgens het criterium van de goede huisvader, rekening houdend met de aard van de handeling en de omstandigheden eigen aan de zaak.

Het arbeidshof is van oordeel dat de heer A. niet bewijst dat mevrouw C. niet heeft gehandeld zoals dit van een normaal voorzichtig en vooruitziend lasthebber geplaatst in dezelfde omstandigheden mag worden verwacht. Zoals hierboven reeds werd overwogen, diende mevrouw C. de heer A. niet te kennen vooraleer zij tot ontslag overging, omdat zij hiertoe over een gerechtelijk mandaat beschikte. Hierbij moet er bovendien aan worden herinnerd dat de heer A. de ontslaghandeling ten aanzien van mevrouw T. minstens stilzwijgend bekrachtigd heeft, waardoor de heer A. tegelijk afstand van enige aansprakelijkheidsvordering tegen mevrouw C. deed op grond van een onbevoegd optreden.

Tevens moet worden opgemerkt dat uit geen enkel objectief element van het dossier blijkt dat mevrouw C. bij het ontslag van mevrouw T. haar eigen belang nastreefde en alleen het oogmerk had om het sociaal passief te verlagen, zodat zij het notariskantoor aan een lagere prijs kon overnemen.

Ten slotte moet worden genoteerd dat in de beschikking van de rechtbank waarbij mevrouw C. als plaatsvervanger werd aangesteld uitdrukkelijk werd bedongen dat mevrouw C. tegen een vaste maandelijkse vergoeding zou werken en dat de algemene kosten ten laste zouden blijven van het kantoor. De kosten die het gevolg zijn van het ontslag van het personeel van het notariskantoor behoren ongetwijfeld tot deze algemene kosten.

Ten onrechte verwijst de heer A. naar art. 1999, tweede lid BW. Deze bepaling stelt dat indien aan de lasthebber geen schuld te wijten is, de lastgever zich niet aan de betaling van de kosten kan onttrekken, al mocht de zaak ook mislukt zijn. Men mag deze bepaling niet a contrario interpreteren in die zin dat wanneer de lasthebber een fout begaat, hij geen recht heeft op terugbetaling van de kosten (B. Tilleman, o.c., p. 124, nr. 225). Zelfs indien aangenomen wordt dat mevrouw C. een fout in de uitvoering van haar mandaat zou hebben begaan, quod non, dan heeft deze bepaling dus niet tot gevolg dat de heer A. de ontslagkosten op mevrouw C. kan verhalen.

De vordering in vrijwaring van de heer A. tegen mevrouw C. dient derhalve te worden afgewezen als ongegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 14/02/2017 - 13:54
Laatst aangepast op: di, 14/02/2017 - 13:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.