-A +A

Ontslag dringende redenen en vroegere feiten ter verduidelijking van de dringende reden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 03/06/1996
A.R.: 
S950140N

Het feit dat het ontslag zonder opzegging rechtvaardigt, is het feit met inachtneming van alle omstandigheden die daarvan een dringende reden kunnen uitmaken.

De rechter moet rekening houden met de omstandigheden die in de ontslagbrief zijn aangevoerd om de erin opgegeven dringende reden toe te lichten.

Vroegere feiten, ongeacht hoe de werkgever deze als toen apprecieerde, kunnen een verduidelijking vormen van de grief die als dringende reden wordt aangevoerd.

Geen wetsbepaling legt enige termijn op binnen welke de ter verduidelijking van de dringende reden aangevoerde vroegere feiten moeten hebben plaatsgehad;

Voor het in aanmerking nemen van de aangevoerde omstandigheden is het niet vereist dat de als dringende redenen ingeroepen feiten op zichzelf reeds «een ernstige tekortkoming» uitmaken aangezien juist aangevoerd wordt dat ze slechts een dringende reden tot onmiddellijk ontslag uitmaken door ze te beschouwen in het licht van de voorheen voorgevallen feiten die als verzwarende omstandigheid zijn aangevoerd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
566
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

HET HOF,

Gelet op het bestreden arrest, op 30 augustus 1995 door het Arbeidshof te Brussel gewezen;

Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikelen 2, § 1, 4 en 12 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden en 35, inzonderheid tweede en derde lid, van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (dat vanaf het vierde lid vervangen werd bij wet van 18 juli 1985),

doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing oordeelt dat "het feit van 27 april 1995 niet als een ernstige professionele tekortkoming in hoofde van (eerste verweerder) (kan) bestempeld worden die zo bezwaarlijk (lees : bezwarend of zwaarwichtig) is dat elke "professionele samenwerking definitief onmogelijk wordt",

dat "samen" met de feiten van 5 april 1995 en 6 april 1995 de ingeroepen feiten "geen dringende reden uit(maken)",

en dat "de verzwarende omstandigheden aangehaald door (eiseres) waaruit moet blijken dat (eerste verweerder) op ernstige en onduldbare wijze haar kwaliteitsimago in het gedrang brengt, door het Hof niet verder uitgediept (worden) gezien de laatste klacht dateert van maart 1994 en (eiseres) in besluiten vermeldt dat na dit incident de maat onherroepelijk vol zou zijn" terwijl "uit de waarschuwingsbrief dd. 14 maart 1994 blijkt dat een herhaling van dergelijke feiten zal leiden tot verdere disciplinaire maatregelen en gezien de feiten die de dringende reden zouden moeten uitmaken bezwaarlijk als een ernstige tekortkoming kunnen worden aanzien" (arrest p. 12) en eiseres' vordering tot het horen erkennen van het bestaan van een dringende reden die het ontslag zou toelaten, afwijst, en eiseres veroordeelt tot de kosten,

terwijl

de dringende reden

op grond waarvan de werkgever overeenkomstig artikel 2, § 1 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde binnen de bij artikel 12 van genoemde wet gestelde termijn mag ontslaan nadat de dringende reden door de arbeidsgerechten werd erkend, overeenstemt met de bij artikel 35, tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 omschreven dringende reden, hetzij de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt;

feiten waarvan de ontslaggevende partij sedert meer dan drie dagen op de hoogte is,

weliswaar niet als dringende reden tot ontslag kunnen worden aangevoerd,

maar eventueel wel als bewijs van het bestaan of tot staving van de zwaarwichtigheid van de als dringende reden ingeroepen feiten mogen worden aangehaald;

eiseres te dezen, zoals door het arbeidshof overigens expliciet weergegeven, in haar overeenkomstig artikel 4,§ 1 van genoemde wet van 19 maart 1991 aan de beschermde werknemer en aan de representatieve werknemersorganisatie die hem had voorgedragen, verstuurd aangetekend schrijven waarin haar voornemen om verweerder te ontslaan wegens dringende reden werd kenbaar gemaakt, gewezen had op de onbehoorlijke houding van verweerder die haar kwaliteitsimago schade toebracht en bovendien had vastgesteld dat het niet de eerste maal is dat Dhr. Vandermotten zich onbeleefd gedraagt jegens klanten en zodoende het kwaliteitsimago van FedEx op ernstige en onduldbare "wijze in het gedrang brengt" en daartoe, met verwijzing naar stavingsstukken, had gewezen op "de volgende verzwarende omstandigheden" : "- 4 september 1990 : klacht vanwege de firm(a) FMC wegens onbeleefd gedrag, met als gevolg dat FMC Dhr. Vandermotten de toegang tot haar bedrijf ontzegde (...); - oktober 1990 : klacht vanwege de veiligheidschef van de firma UCB die ruwe antwoorden kreeg nadat hij Dhr. Vandermotten erop gewezen had dat hij te snel reed, met als gevolg dat UCB hem de toegang tot haar bedrijf ontzegde (...); - 30 november 1990 : klacht vanwege de firma VEL wegens overdreven snelheid op haar terreinen (70 km/uur in plaats van de voorgeschreven 20 km/uur) en onbeleefd gedrag jegens de veiligheidschef toen die Dhr. Vandermotten daarop wees, met als gevolg dat VEL hem de toegang tot haar bedrijf ontzegde (...); - 15 februari 1993 : klacht vanwege de firma WHITE & CASE wegens het feit dat Dhr. Vandermotten weigerde te wachten tot een pakket klaar was en nadien weigerde de zending alsnog op te halen en zelfs een collega die de opdracht kreeg dit in zijn plaats te doen, aanzette tot werkweigering (...); - 15 juli 1993 : klacht vanwege Baron MERLIN wegens onbehoorlijk rijgedrag (tegen richting inrijden in een eenrichtingsstraat, te snel rijden, op een grasperk rijden) en onbeleefd gedrag toen die Dhr. Vandermotten daarop wees (...); - periode 12 augustus 1993 - eind februari 1994 : gelet op de herhaalde klachten van klanten werd Dhr. Vandermotten op de "Luxemburgroute" gezet, waardoor hij praktisch niet meer met klanten in contact kwam; - 3 maart 1994 : klacht wegens gevaarlijk rijgedrag met een FedEx bestelwagen waardoor de andere weggebruikers in gevaar gebracht werden (...); - 4 maart 1994 : klacht vanwege de firma MAZDA wegens het feit dat Dhr. Vandermotten, met een FedEx-bestelwagen en in FedEx-uniform, deelnam aan een stakingspikket op de terreinen van Mazda, met als gevolg dat Mazda hem de toegang tot haar bedrijf ontzegde (...)"; eiseres hieruit besloot dat "heel wat van de klanten van (haar), en niet bepaald de minste, zich beklagen over het gedrag van Dhr. Vandermotten en weigeren nog langer paketten aan hem toe te "vertro(uw)en en/of door hem te laten afhalen en dat het voor zich spreekt dat deze opeenstapeling van klachten (i) de samenwerking tussen Dhr. Vandermotten en FedEx definitief onmogelijk maakt vermits hij niet langer in de mogelijkheid is de hem opgelegde taken naar behoren te vervullen en (ii) het vertrouwen dat (eiseres) in hem gesteld heeft definitief doet verdwijnen vermits hij de kwaliteitsvereisten van (eiseres) zonder meer, en ondanks herhaalde waarschuwingen en terechtwijzigingen, naast zich neer legt"; eiseres aldus wees op een hele reeks voorgaande feiten om het zwaarwichtig karakter van de in de brief van 2 mei 1995 aangehaalde feiten van 5, 6 en 27 april 1995 te staven; In zoverre het arbeidshof weigert deze als "verzwarende omstandigheden" aangehaalde feiten "verder uit te diepen" om reden dat "de laatste klacht dateert van maart 1994", dient te worden opgemerkt dat geenszins wordt vereist dat deze verzwarende omstandigheden zich zouden situeren in een zeer nabij verleden, laat staan binnen de drie werkdagen voorafgaand aan de dag waarop de kennisgeving geschiedt van het voornemen om te ontslaan wegens dringende reden; in zoverre het arbeidshof weigert deze als "verzwarende omstandigheden" aangehaalde feiten "verder uit te diepen" om reden dat "(eiseres) in besluiten vermeldt dat na dit incident de maat onherroepelijk vol zou zijn" terwijl uit de waarschuwingsbrief dd. 14 maart 1994 blijkt dat een herhaling van dergelijke feiten zal leiden tot verdere disciplinaire maatregelen, weze opgemerkt dat de rechter het bestaan en de zwaarwichtigheid van de als dringende reden ingeroepen feiten dient te beoordelen in het licht van de aanvoeringen in het bij artikel 4 van de genoemde wet van 19 maart 1991 bedoeld aangetekend schrijven ongeacht een eventueel verschillende appreciatie van de feiten in een "waarschuwingsbrief" en in een conclusie; te dezen eiseres in haar aangetekende brieven van 2 mei 1995 welbepaalde feiten als dringende reden wenste te zien erkennen, in het licht van nader gepreciseerde verzwarende omstandigheden; het arbeidshof deze feiten in het licht van deze verzwarende omstandigheden diende te beoordelen, zoals overigens in conclusie werd gevraagd (verzoekschrift tot hoger beroep pp. 25-26; zie ook p. 18 punt 4; appelconclusie pp. 15 tot en met 21 en p. 26, punt H), ongeacht de aan sommige feiten voorheen in een "waarschuwingsbrief" verbonden gevolgen; in zoverre het arbeidshof weigert deze als "verzwarende omstandigheden" aangehaalde feiten "verder uit te diepen" om reden dat "de feiten die de dringende reden zouden moeten uitmaken bezwaarlijk als een ernstige tekortkoming kunnen worden aanzien", weze opgemerkt dat niet vereist wordt dat de als dringende reden ingeroepen feiten, op zichzelf genomen, reeds "een ernstige tekortkoming" zouden uitmaken; deze feiten het karakter van ernstige tekortkoming die elke verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt slechts verwerven precies door ze te beschouwen in het licht van de voorheen reeds tussengekomen feiten, die door eiseres als verzwarende omstandigheden werden aangevoerd; het Arbeidshof bijgevolg ten onrechte weigert de door eiseres in haar aangetekende brieven van 2 mei 1995 aangevoerde "verzwarende omstandigheden" in acht te nemen bij de beoordeling van de zwaarwichtigheid van de als dringende reden ingeroepen feiten, zodat het arbeidshof niet wettig kon oordelen dat eiseres' vordering tot het horen erkennen van het bestaan van een dringende reden die het ontslag van verweerder moest toelaten, ongegrond was :

Overwegende dat het feit dat het ontslag zonder opzegging rechtvaardigt, het feit is met inachtneming van alle omstandigheden die daarvan een dringende reden kunnen maken;

Dat de rechter rekening moet houden met de omstandigheden die in de ontslagbrief zijn aangevoerd om de erin opgegeven dringende reden toe te lichten; dat vroegere feiten, ongeacht hoe de werkgever deze alsdan apprecieerde, een verduidelijking kunnen vormen van de grief die als dringende reden wordt aangevoerd; dat geen wetsbepaling enige termijn oplegt binnen welke de ter verduidelijking van de dringende reden aangevoerde vroegere feiten moeten hebben plaatsgehad;

Dat voor het in aanmerking nemen van de aangevoerde omstandigheden het niet vereist is dat de als dringende redenen ingeroepen feiten op zichzelf reeds "een ernstige tekortkoming" zouden uitmaken vermits juist aangevoerd wordt dat ze slechts een dringende reden tot onmiddellijk ontslag uitmaken door ze te beschouwen in het licht van de voorheen tussengekomen feiten die als verzwarende omstandigheid zijn aangevoerd;

Overwegende dat het arrest niet nagaat of de vroegere in de ontslagbrief vermelde feiten het dringend karakter hebben beïnvloed van de als dusdanig aangevoerde feiten van 5, 6 en 27 april 1995 op grond dat het laatste van de vroegere feiten dateert van 14 maart 1994 en geleid heeft tot een waarschuwingsbrief van dezelfde datum, waarin gesteld werd dat een herhaling van dergelijke feiten tot verdere disciplinaire maatregelen zou leiden en op grond dat "de feiten die de dringende reden zouden moeten uitmaken bezwaarlijk als een ernstige tekortkoming kunnen worden aanzien";

Dat het arrest dat op grond hiervan de vordering tot het horen erkennen van een dringende reden die het ontslag van verweerder moet toelaten, ongegrond verklaart, de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt;

Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen.

Noot: 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 15/10/2017 - 12:07
Laatst aangepast op: zo, 15/10/2017 - 12:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.