-A +A

Ontslag commisaris in de vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 27/06/2013

Tijdens de duur van zijn mandaat kan een commissaris evenwel enkel om wettige redenen door de algemene vergadering worden ontslagen; de onafhankelijke ingesteldheid van de commissaris noodzaakt immers een rechtszekere en wettelijk beschermde positie binnen de vennootschap. Deze regel vormt dan ook een afwijking op het feit dat een mandaat in de regel steeds herroepbaar is ad nutum (principe dat overigens van openbare orde is inzake bestuurders van een nv) en impliceert een toepassing van het gemene verbintenissenrecht.

Het vereiste van wettige redenen is te beschouwen als een toepassing van art. 1184 BW. Wettige redenen kunnen dan ook worden omschreven als elke aan de commissaris te wijten omstandigheid waardoor men van de vennootschap redelijkerwijze niet meer kan vereisen dat deze in de commissaris haar vertrouwen blijft stellen. Het is de bodemrechter die finaal op onaantastbare wijze de door de vennootschap aangevoerde (wettige) redenen apprecieert.

De wettige redenen moeten gebaseerd zijn op objectief door de rechter verifieerbare feiten (B. Tilleman, Het statuut van de commissaris, Brugge, die Keure, 2007, p. 83, nr. 143).

Een belangrijk vereiste tot ontslag van de commissaris is de voorwaarde dat de ingeroepen wettige reden het gevolg moet zijn van een aan de commissaris zelf toerekenbare of te wijten omstandigheid; deze dient m.a.w. een gedraging te hebben gesteld die een normaal zorgvuldig commissaris in dezelfde omstandigheden geplaatst niet zou hebben gesteld. Behalve in geval van gezondheidsredenen, onverenigbaarheden die zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengen of de schrapping (of schorsing), moet het in de regel gaan om gevallen van het niet-behoorlijk nakomen door de commissaris van zijn essentiële professionele verplichtingen. Er moet bijgevolg sprake zijn van een fout die voldoende zwaarwegend is om als wettige reden in aanmerking te komen. De fout moet meer bepaald van die aard zijn dat de commissaris kennelijk niet (meer) in staat is om zijn functie als onafhankelijk en onpartijdig controleorgaan van de vennootschap uit te oefenen.

Een loutere vertrouwensbreuk op zich vormt geen voldoende reden tot ontslag van de commissaris; dit zou immers impliceren dat de algemene vergadering de facto een ad nutum-ontslagmogelijkheid heeft ten aanzien van de commissaris.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
992
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA De N. & P.B. t/ NV T.A.T.I.B.

Eiseres was commissaris van verweerster.

Eiseres (met de h. X als vaste vertegenwoordiger) werd benoemd als commissaris van verweerster op de algemene vergadering van 22 februari 2005 (retroactief sedert 1 januari 2004).

Dit mandaat werd verlengd voor de boekjaren 2010, 2011 en 2012 bij beslissing van de algemene vergadering van verweerster van 30 december 2009.

Eiseres voert aan dat zij voortijdig ontslagen werd door de algemene vergadering van verweerster van 18 februari 2011.

Eiseres betwist de hiervoor ingeroepen redenen. Volgens eiseres zou de tweede ingeroepen reden zelfs volkomen lasterlijk en onjuist zijn. Volgens eiseres wilde verweerster haar als commissaris “buiten werken” en zocht zij hiervoor naar een aantal drogredenen.

Eiseres maakt aanspraak op een schadevergoeding, uit hoofde waarvan zij een factuur opstelde op 26 februari 2011 ten bedrage van 8.328,96 euro, inclusief btw; eiseres meent immers dat zij gerechtigd is op schadevergoeding wegens onterecht ontslag, zonder wettige redenen, conform art. 135, eerste lid W.Venn. Eiseres heeft deze schadevergoeding gefactureerd en begroot deze op het equivalent aan de normaliter nog resterende duur van haar mandaat als commissaris.

Verweerster betwist de vordering (...).

...

4. Beoordeling

...

4.2. De vraag rijst of eiseres al dan niet terecht ontslagen werd als commissaris.

Krachtens art. 135, § 1 W.Venn. worden commissarissen benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.

Het wordt niet betwist dat de algemene vergadering van verweerster overging tot beëindiging van de opdracht van eiseres lopende haar mandaat.

Tijdens de duur van zijn mandaat kan een commissaris evenwel enkel om wettige redenen door de algemene vergadering worden ontslagen; de onafhankelijke ingesteldheid van de commissaris noodzaakt immers een rechtszekere en wettelijk beschermde positie binnen de vennootschap. Deze regel vormt dan ook een afwijking op het feit dat een mandaat in de regel steeds herroepbaar is ad nutum (principe dat overigens van openbare orde is inzake bestuurders van een nv) en impliceert een toepassing van het gemene verbintenissenrecht.

Het vereiste van wettige redenen is te beschouwen als een toepassing van art. 1184 BW. Wettige redenen kunnen dan ook worden omschreven als elke aan de commissaris te wijten omstandigheid waardoor men van de vennootschap redelijkerwijze niet meer kan vereisen dat deze in de commissaris haar vertrouwen blijft stellen. Het is de bodemrechter die finaal op onaantastbare wijze de door de vennootschap aangevoerde (wettige) redenen apprecieert.

De wettige redenen moeten gebaseerd zijn op objectief door de rechter verifieerbare feiten (B. Tilleman, Het statuut van de commissaris, Brugge, die Keure, 2007, p. 83, nr. 143).

Een belangrijk vereiste tot ontslag van de commissaris is de voorwaarde dat de ingeroepen wettige reden het gevolg moet zijn van een aan de commissaris zelf toerekenbare of te wijten omstandigheid; deze dient m.a.w. een gedraging te hebben gesteld die een normaal zorgvuldig commissaris in dezelfde omstandigheden geplaatst niet zou hebben gesteld. Behalve in geval van gezondheidsredenen, onverenigbaarheden die zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengen of de schrapping (of schorsing), moet het in de regel gaan om gevallen van het niet-behoorlijk nakomen door de commissaris van zijn essentiële professionele verplichtingen. Er moet bijgevolg sprake zijn van een fout die voldoende zwaarwegend is om als wettige reden in aanmerking te komen. De fout moet meer bepaald van die aard zijn dat de commissaris kennelijk niet (meer) in staat is om zijn functie als onafhankelijk en onpartijdig controleorgaan van de vennootschap uit te oefenen.

Een loutere vertrouwensbreuk op zich vormt geen voldoende reden tot ontslag van de commissaris; dit zou immers impliceren dat de algemene vergadering de facto een ad nutum-ontslagmogelijkheid heeft ten aanzien van de commissaris.

In essentie voert verweerster aan dat eiseres weigerde een onthoudende verklaring aan te vullen of te preciseren.

Dit meningsverschil moet worden gekwalificeerd als een dispuut nopens een controleprocedure en bijgevolg nopens de inhoud van de taak van de commissaris. Een verschil van mening over de boekhoudkundige verwerking of een bepaalde controleprocedure is op zich evenwel niet voldoende als wettige reden voor ontslag; dit algemeen aanvaard principe is overigens ook expliciet opgenomen in art. 135, § 1, tweede lid W.Venn. Bovendien is de commissaris voor zijn controleopdracht en verslaggeving gebonden aan bepaalde controlenormen en standaarden, die hij niet zomaar naast zich kan neerleggen. Benevolente verslaggeving of gekleurde rapportering op verzoek van de vennootschap (bv. met het oog op window-dressing) is uit den boze en staat haaks op de taak van de commissaris.

Hierbij zij overigens nog opgemerkt dat de beoordelingsruimte van de commissaris in de verwoording van zijn oordeel sterk beperkt wordt en dat hem relatief weinig ruimte voor persoonlijke interpretatie gelaten wordt. Hij mag ook geen toevoegingen inlassen die van aard zijn de waarde of de draagwijdte van zijn beoordeling teniet te doen (K. Aerts, Taken en aansprakelijkheden van commissarissen en bedrijfsrevisoren, Brussel, Larcier, 2002, p. 20, nr. 20). Bijgevolg kan verweerster geen dienende argumenten putten uit het feit dat haar suggesties inzake de aanvulling van het verslag door eiseres niet zouden zijn gevolgd.

Onder meer de controlenormen spelen een essentiële rol. Art. 18bis van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren bepaalt in die context: “De Raad van het Instituut kan de gebruikelijke controlenormen bepalen voor het vervullen van de controleopdrachten”. In België zijn de door de Raad van het Instituut der Bedrijfsrevisoren uitgevaardigde normen van toepassing op de leden van het Instituut. Overeenkomstig art. 2 van het KB van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren moet de bedrijfsrevisor de wettelijke en reglementaire bepalingen naleven evenals de gebruikelijke controlenormen. Voorts kan inzake de gewraakte onthoudende verklaring opgesteld door eiseres nog verwezen worden naar art. 144, 4o en 148, 3o W.Venn., die ter zake bepalen: “(...) De verklaring kan de vorm aannemen van een verklaring zonder voorbehoud, een verklaring met voorbehoud, een afkeurende verklaring, of indien de commissarissen geen oordeel kunnen uitspreken, een onthoudende verklaring”.

De term “verklaring” die in het Wetboek van Vennootschappen wordt gebruikt, verwijst naar het oordeel over het getrouw beeld van de (geconsolideerde) jaarrekening dat door de commissaris tot uitdrukking wordt gebracht in de zgn. “oordeelsparagraaf”, op te nemen in zijn verslag over de (geconsolideerde) jaarrekening. Paragraaf 3.9.1. van de Algemene controlenormen bepaalt ten slotte de twee gevallen waarin een onthoudende verklaring mogelijk is. Kennelijk beriep eiseres zich op deze gronden, zoals ook blijkt uit de voorgelegde stukken (aangetekende brief van eiseres aan verweerster, gedateerd op 12 mei 2010, en het e-mailbericht van eiseres aan de interne boekhouder van verweerster, gedateerd op 6 december 2010).

Conclusie is dat eiseres gehandeld heeft binnen het wettelijke en reglementaire kader dat de contouren uittekent van de wijze waarop de vereiste verslaggeving betreffende de vennootschap dient te geschieden. De rechtbank is van oordeel dat geen wettige redenen tot het ontslag van eiseres voorliggen, minstens niet bewezen zijn, hoewel verweerster dienaangaande ontegensprekelijk de bewijslast heeft.

Er wordt weliswaar beweerd dat eiseres in de persoon van de heer X “chantage” zou hebben gepleegd, maar concrete en objectieve bewijzen hiervan liggen niet voor. Verweerster kan zich niet beroepen op haar aangetekende brieven van 14 december 2010 en 17 januari 2011, die enkel louter eenzijdige beweringen en gezegdes bevatten. Hetzelfde dient te worden gezegd van de notulen van de algemene vergadering van verweerster, gehouden op 18 februari 2011. Naar de inhoud behoren notulen trouwens alleen juridisch relevante informatie te bevatten, zoals het aanwezigheidsquorum, de genomen beslissingen en de uitgebrachte stemmen; het spreekt voor zich dat al hetgeen daarbuiten vermeld zou staan in de notulen, niet enkel niet thuishoort in deze vennootschapsrechtelijke verslaggeving, maar bovendien ook geen enkele (meer)waarde heeft, laat staan bijzondere bewijswaarde.

Van een erkenning door eiseres van de juistheid van deze beweringen is er hoe dan ook geen sprake. Overigens zij vastgesteld dat eisers bij aangetekende brief van 28 januari 2011 deze beweringen heeft ontkend en tegengesproken (... “met een overzicht van onjuiste gegevens en valse beschuldigingen welke ik volkomen afwijs”).

Bewezen deugdelijke gronden van vertrouwensverlies tussen eiseres en verweerster ontbreken dan ook.

Hoewel er ongetwijfeld enige animositeit bestond tussen partijen tegen het einde van de samenwerking (...), blijkt alleszins niet dat eiseres zich onbehoorlijk zou hebben gedragen in de uitvoering van haar mandaat dan wel misbruik zou hebben gemaakt van haar bevoegdheden met de bedoeling voor zichzelf bepaalde voordelen te realiseren. Overigens werd door verweerster reeds in mei 2010 medegedeeld aan eiseres dat de h. H. van mening was dat er op die manier niet verder gewerkt kon worden. In hetzelfde e-mailbericht wordt een einde van de samenwerking in het vooruitzicht gesteld “wegens onverzoenbare standpunten”.

Voormelde vaststelling noopt dan ook tot de conclusie dat eiseres onrechtmatig “ontslagen” werd door verweerster.

4.3. Een commissaris die op een onwettige wijze wordt afgezet, heeft recht op een schadevergoeding. Dit wordt met zoveel woorden ook bepaald in art. 135, § 1 W.Venn.

Re-integratie wordt niet mogelijk geacht (in afwijking van het gemene recht), aangezien er sprake is van een eenzijdig buitengerechtelijk ontbindingsrecht (inherent aan contractuele rechtsbetrekkingen die een vertrouwensrelatie impliceren) en wordt in casu overigens ook niet gevorderd door eiseres.

De schadevergoeding waarop de commissaris recht heeft in het geval van onwettig ontslag, kan niet voorafgaandelijk contractueel bedongen worden. Het dwingend karakter van art. 135 W.Venn. verhindert dit.

Ter zake rijst de vraag naar de omvang van de schadevergoeding.

In dat verband zij opgemerkt dat eiseres haar schadevergoeding niet kon factureren. Een factuur wordt immers opgesteld voor primaire verbintenissen uit hoofde van levering van goederen en diensten, maar kan niet worden opgesteld voor secundaire verbintenissen uit hoofde van schade, zodat vorderingen tot betaling van een contractuele schadevergoeding buiten het toepassingsgebied van de factuur vallen (zie o.a.: E. Dirix en G.L. Ballon, De factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, p. 7, nr. 10; B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs. Een diepgaand en praktisch overzicht, Gent, Story Publishers, 2012, p. 317, nr. 401; Antwerpen 27 november 2006, RW 2008-09, 1772). Aan facturen die een schadevergoeding beogen wegens contractuele wanprestatie of onrechtmatige daad komt om die reden ook de bewijswaarde van art. 25 W.Kh. niet toe (G. Ballon en I. Samoy, De factuur en verwante documenten, Brugge, Vanden Broele, 2008, p. 12, nr. 5). Rechtspraak en rechtsleer zijn unaniem van oordeel dat art. 25, tweede lid W.Kh. niet van toepassing is op facturen uitgeschreven door de schadelijder zelf voor zijn schade, ongeacht of deze schade nu veroorzaakt werd door een onrechtmatige daad, een oneigenlijk contract of de niet-uitvoering van een overeenkomst (zie o.a.: L. Fredericq, Handboek van Belgisch Handelsrecht, I, Brussel, Bruylant, 1976, p 251, nr. 220; A. Cloquet, La facture, Brussel, Larcier, 1959, nrs. 36-42).

Het bovenstaande doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen, los van enige facturatie: de vaststelling dat er oneigenlijk gebruik werd gemaakt van de rechtsfiguur van de factuur volstaat dus geenszins om de vordering van eiseres te doen stranden. Wel kan er geen btw verschuldigd zijn op een schadevergoeding, die immers niet correspondeert met effectief geleverde prestaties.

Teneinde de hoegrootheid van deze schadevergoeding te bepalen rijst de vraag naar de nog resterende duur van het mandaat van eiseres; deze (bepaalde) duur beïnvloedt immers rechtstreeks de gederfde winst (het zgn. lucrum cessans).

Het door eiseres gefactureerde bedrag stemt in casu overeen met wat zij zou hebben genoten aan inkomsten mocht haar mandaat tot het einde uitgeoefend geweest zijn: dit gegeven wordt door verweerster overigens ook niet betwist.

In de regel wordt aangenomen dat de commissaris recht heeft op een schadevergoeding die minstens gelijk is aan de honoraria voor zijn controleopdracht die hij nog tegoed had indien hij niet ontslagen was. Hierbij wordt verwezen naar het principe volgens welk de schadelijder, in de mate van het mogelijke, via de schadevergoeding in de toestand moet worden geplaatst waarin hij zich zou hebben bevonden inden de beloofde prestatie correct was uitgevoerd. De rechtspraak waarnaar eiseres verwijst in conclusies, getuigt ook van een dergelijke visie.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat een begroting van de schadevergoeding naar billijkheid nodig is; de derving aan inkomsten wordt immers enigszins getemperd door de mogelijkheid van eiseres om meer tijd te spenderen aan andere controleopdrachten, ingevolge de beëindiging van haar mandaat bij verweerster. Daartegenover staat dat eiseres ook geen enkele kost meer moet maken op grond van haar mandaat bij verweerster. Er is bijgevolg onmiskenbaar sprake van een zekere voordeelstoerekening doordat eiseres geen diensten meer hoefde te presteren voor de desbetreffende periode (vgl. Cass.fr. 22 november 1977, Bull.civ. 1977, 235; zie voorts ook nog: Kh. Dendermonde, 16 juni 2011, TRV 2013, 274, noot).

De rechterlijke schatting ex aequo et bono is een bijzondere wijze van schaderaming. Een beroep op deze schattingstechniek heeft tot doel tegemoet te komen aan lacunes in de bewijsvoering van de benadeelde, wat de juiste omvang van de schade betreft, mits echter wel het zeker bestaan van deze schade bewezen is. Wanneer de door de schadelijder voorgestelde berekeningswijze van de schade niet kan worden aangenomen en voorts ook vast staat dat de schade niet op een andere wijze kan worden bepaald, mag de feitenrechter de schade naar billijkheid ramen (zie o.a. Cass. 30 maart 1994, Arr.Cass. 1994, 340). Bijkomend gegeven is dat een deskundigenonderzoek luidens het wettelijk verankerd subsidiariteitsbeginsel niet lukraak bevolen kan worden, terwijl een dergelijke onderzoeksmaatregel ook weinig proceseconomisch is (vaak staan de kosten niet of nauwelijks in verhouding tot de inzet van het geschil) en bovendien als één van de oorzaken in de gerechtelijke achterstand aangewezen wordt. De rechter die in dergelijke omstandigheden de schadevergoeding forfaitair raamt, geeft dus geen blijk van intellectuele luiheid. Forfaitaire raming is dus geen “natte ingerbegroting”, ook al wordt dit vaak – begrijpelijk, maar ten onrechte – als zodanig aangevoeld en gepercipieerd door de rechtzoekende.

Aangezien de schade van eiseres bewezen wordt geacht, maar de rechtbank zich wel geconfronteerd ziet met problemen in de bewijsvoering voor wat de omvang van deze schade betreft, is de billijkheidsraming de enige (wenselijke) oplossing. In de gegeven omstandigheden komt een schadevergoeding, die ex aequo et bono begroot wordt op 7.000 euro voor als zijnde een passende en billijke schadevergoeding.

Het door verweerster aangetekende protest op de factuur doet aan het bovenstaande geen afbreuk.

...

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de vergoedende interesten (er is immers sprake van een fout of contractuele wanprestatie, aangezien het ontslag als onrechtmatig beschouwd wordt) geacht worden begrepen te zijn in voornoemde schadevergoeding. Het is overigens een feit dat de schade, met inbegrip van de vergoedende interesten, ex aequo et bono geraamd kan worden, ook bij schade uit contractuele wanprestatie (Cass. 3 februari 1978, Arr.Cass. 1978, 663; J. Petit, Intresten in APR, nr. 135; Bestendig Handboek verbintenissen, Kluwer, V-2bis – 12, nr. 4280), zodat de rechter niet verplicht is om afzonderlijk een bedrag aan interesten te bepalen en toe te kennen en deze kan verrekenen of verdisconteren in het totale bedrag van de toegekende schadevergoeding.

De rechtbank heeft bij de begroting van deze schade evenzeer rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de datum van de feiten en de datum van deze uitspraak en stelt zich op deze laatste datum om de schade te begroten.

Aangezien het schade betreft ingevolge een contractuele wanprestatie – onderscheiden van de betalingsvertraging van een vooraf vaststaande en bepaalde geldsom – is er sprake van een waardeschuld, zijnde een verbintenis tot betaling van een schadevergoeding, waarvan het bedrag door de rechter wordt bepaald. Deze verbintenis behoudt ook het karakter van een waardeschuld totdat de rechter deze (na de grootte van de schadevergoeding te hebben vastgesteld) in zijn beslissing omgezet heeft in een numerieke geldschuld ten laste van de schuldenaar, zodat pas vanaf de dag van de uitspraak moratoire interesten zijn verschuldigd. Moratoire interesten zijn bijgevolg slechts verschuldigd vanaf heden.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 15/02/2015 - 13:08
Laatst aangepast op: zo, 15/02/2015 - 13:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.