-A +A

Ontoelaatbaar hoger beroep tegen tussenvonnis waarbij deskundige werd aangesteld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 23/03/2016
A.R.: 
2016/AR/93

Hoger beroep tegen een tussenvonnis alvorens recht te doen waarbij een gerechtsdeskundige werd aangesteld, is ontoelaatbaar wanneer dit hoger beroep niet samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis werd ingesteld. 

(artikel 1050, tweede lid Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 31 wet 19 oktober 2015, dat van toepassing is op beslissingen gewezen vanaf 1 november 2015).

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
111
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(A. NV / J.M., S.V.A. - Rolnr.: 2016/AR/93)

De antecedenten
1. J.M. en zijn echtgenote S.V.A. (hierna M.-V.A.) voeren aan dat hun woning, gelegen (…), in 2014 beschadigd werd door rioleringswerken (meer concreet: door trillingen bij het plaatsen van een beschoeide sleuf) die in de straat werden uitgevoerd door DCA NV in opdracht van A. NV.

Nu zij geen minnelijke regeling konden bereiken m.b.t. de omvang van de schade (er werd 1.000 EUR aangeboden door een inspecteur van de verzekeraar van A. NV, daar waar zij een bestek voorbrengen van 17.870 EUR (24.710 EUR) exclusief btw), zijn M.-V.A. op 1 oktober 2015 tot dagvaarding overgegaan van A. NV voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, en dit op grond van de artikelen 544, 1382, 1383 en 1384 BW.

De zaak werd op de inleidingszitting van 12 oktober 2015 behandeld met het oog op de aanstelling van een gerechtsdeskundige.

2. Het bestreden tussenvonnis van 9 november 2015 heeft, “alvorens nader ten gronde te oordelen”, op vraag van partijen een deskundige aangesteld: architect G.R.

De deskundige heeft zijn opdracht aanvaard en hield zijn installatievergadering op 26 januari 2016.

3. A. NV heeft bij een ter griffie van dit hof op 15 januari 2016 neergelegd verzoekschrift hoger beroep ingesteld nu zij van oordeel is dat haar rechten van verdediging in het gedrang worden gebracht door de aanstelling van G.R. als deskundige: hij zou het schadegeval (en zijn oorzaak) niet meer onbevangen en onbevooroordeeld kunnen bekijken omdat hij reeds in een quasi identiek dossier, betreffende (…), werd aangesteld én hij in dat dossier reeds blijk zou gegeven hebben van een vooringenomen houding.

A. NV verzoekt haar hoger beroep gegrond te verklaren, een andere deskundige aan te stellen en de zaak vervolgens terug naar de eerste rechter te verzenden bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger.W. met aanhouding van de kosten.

M.-V.A. verzochten ter terechtzitting van 24 februari 2016 mondeling het hoger beroep ongegrond te verklaren nu er geen redenen zouden zijn om te twijfelen aan de deskundigheid en objectiviteit van architect G.R.

Bovendien achtten zij het proces-economisch niet verantwoord, nu de deskundige reeds een voorverslag opstelde, om alsnog een andere deskundige aan te stellen.

Beoordeling
1. Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van A. NV onontvankelijk is gelet op het nieuwe artikel 1050 Ger.W., ingevoerd bij artikel 31 van de wet van 19 oktober 2015 en van toepassing op beslissingen die vanaf 1 november 2015 worden gewezen.

Het bestreden tussenvonnis dateert immers van 9 november 2015, is enkel een beslissing alvorens recht te doen en de eerste rechter heeft niet uitdrukkelijk geoordeeld dat zijn beslissing afzonderlijk (i.e. los van het hoger beroep tegen het eindvonnis) het voorwerp mocht uitmaken van een hoger beroep.

2. A. NV beweert wel dat het om een “gemengd tussenvonnis” zou gaan waarin de eerste rechter zijn rechtsmacht over een bepaald geschilpunt uitputte (concreet: “omdat de onderzoeksmaatregel betwist was en zij (A.) zich verzette tegen de aanstelling van G.R.”), zodat hoger beroep wel mogelijk is, maar zij bewijst haar beweringen dienaangaande niet.

Het hof kan immers alleen vaststellen dat:

in de dagvaarding uitdrukkelijk om de aanstelling van een gerechtsdeskundige werd verzocht (zelfs niet in ondergeschikte orde);
de raadsman van A. NV in zijn brief aan de rechtbank waarbij hij zijn tussenkomst meldde geenszins schreef dat de vordering betwist werd maar enkel vroeg met zijn tussenkomst rekening te willen houden en “de zaak te willen weerhouden tot mijn komst ter zitting”;
namens A. NV geen conclusie werd neergelegd;
noch uit het bestreden vonnis noch uit het proces-verbaal van de inleidingszitting van 12 oktober 2015 blijkt dat (1) de aanstelling van een deskundige betwist werd, (2) dat A. NV zich verzette tegen de aanstelling van G.R. en (3) dat namens A. NV een lijst met 3 andere namen van kandidaat-deskundigen aan de rechtbank werd bezorgd;
in het bestreden vonnis uitdrukkelijk staat dat enkel voor eisers M.-V.A. stukken werden neergelegd en: “De partijen zijn het thans eens om onder voorbehoud van al hun rechten een gerechtelijk deskundig onderzoek te doen bevelen.”;
de eerste rechter ten slotte uitdrukkelijk motiveerde waarom hij G.R. als deskundige aanstelde: “aangezien hij op de hoogte (is) van de bestaande problematiek aldaar”.
Dit laatste element toont aan dat de naam van G.R. op de inleidingszitting ter sprake kwam als deskundige, mogelijks gesuggereerd werd door M.-V.A., maar levert geen bewijs i.v.m. de bewering van A. NV dat zij zich tegen zijn aanstelling verzette en dat de eerste rechter bijgevolg een geschilpunt zou beslecht hebben met een uitspraak die zijn rechtsmacht desbetreffend uitputte.

A. NV toont dan ook niet ten genoege van recht aan dat het bestreden vonnis van 9 november 2015 op enigerlei wijze een eindvonnis/eindbeslissing (in de zin van de art. 19, eerste lid en 1050, tweede lid Ger.W.) zou zijn, zodat hoger beroep ingevolge het nieuwe artikel 1050 Ger.W. hiertegen niet langer mogelijk is.

Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van A. NV tegen J.M. en S.V.A. onontvankelijk.

Het hof veroordeelt A.n NV tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van J.M. en S.V.A. niet vereffend bij gebrek aan begroting.

 

Noot: 

“Het deskundigenonderzoek na Potpourri I: enkele tendensen” van de hand van Jachin Van Donink, verder in dit nummer.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 18/07/2017 - 15:03
Laatst aangepast op: di, 18/07/2017 - 15:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.