-A +A

Ontkentenis proceshandeling na akkoordconclusie ontkracht door stilzwijgende bekrachtiging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 06/04/2017
A.R.: 
2015/ AR/2485

Een advocaat heeft een bijzondere mandaat om de akkoordconclusie te onderschrijven.

Een bijzonder mandaat kan mondeling of stilzwijgend worden verleend of bekrachtigd door uitvoering.

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/4
Pagina: 
167
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 30 juni 2015 in de zaak met AR nummer 2015/0071/ A spreekt de 13de familiekamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de echtscheiding uit tussen enerzijds L.D. (hierna: L.D.) en anderzijds M.M. (hierna: M.M.).

De echtscheidingsprocedure gaat uit van L.D., bij dagvaarding van 22 december 2014.

Bij wijze van tegenvordering beoogt M.M. een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding in de zin van artikel 301 BW.

Beide partijen beogen ook de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de art. 1207 e.v. Ger.W.) van het huwelijksvermogen L.D.-M.M.

Krachtens een akkoordconclusie van 21 mei 2015:

* betaalt L.D. aan M.M. een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding ten bedrage van 800,00 euro, met indexbinding en ontvangstmachtiging, en dit vanaf het in kracht van gewijsde treden van de echtscheidingsuitspraak; * wordt het kapitaal dat bij de vereffening-verdeling aan L.D. zou toekomen, bij voorrang aangewend tot betaling aan MM. van een gekapitaliseerde persoonlijke onderhoudsuitkering;

* zal de financiële situatie van de partijen worden herbekeken en in voorkomend geval een aangepaste onderhoudsuitkering worden bepaald ten behoeve van M.M., ingeval zij niet langer de gewezen gezinswoning te Merelbeke bewoont, waarbij vanzelfsprekend de reeds ontvangen gekapitaliseerde persoonlijke onderhoudsuitkering in rekening wordt gebracht in zoverre zij toekomstige onderhoudsuitkeringen omvat;

* zien de partijen af van een woonstvergoeding dan wel een 'doktersprakti jkruimtevergoeding';

* beogen de partijen de aanwijzing van notaris Jacques HULSBOSCH (met standplaats te De Pinte) als notaris-vereffenaar in de zin van artikel 1210, § 1 Ger.W.

Bij voormeld vonnis van 30 juni 2015 verleent de rechtbank te Gent akte van dit akkoord.

Tot slot veroordeelt de rechtbank beide partijen tot de nader begrote gedingkosten.

2. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 3 augustus 2015 laat M.M. overgaan tot betekening van het vonnis van 30 juni 2015 aan L.D.

ll. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 2 september 2015 stelt L.D. hoger beroep in tegen het vonnis van 30 juni 2015.

Met zijn beperkt hoger beroep hekelt L.D. het akkoord waarvan de eerste rechter overeenkomstig de akkoordconclusie van 21 mei 2015 akte heeft verleend.

Volgens L.D. ontbeerde zijn toenmalige advocaat, mr. H.V., daartoe (het benodigde bijzondere) mandaat, derwijze dat de akkoordconclusie van 'onwaarde' moet worden verklaard met de gevolgen van dien, zo ook de schorsing van de gerechtelijke vereffening-verdeling en gebeurlijke daden van uitvoering/tenuitvoerlegging.

In die optiek beoogt L.D., met hervorming van het beroepen vonnis, dat op de tegenvordering van M.M. slechts wordt ingegaan in die zin dat L.D. (gelet op zijn bereidheid daartoe) aan M.M. een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding ten bedrage van 800,00 euro betaalt gedurende één jaar vanaf het in kracht van gewijsde treden van de echtscheidingsuitspraak.

L.D. maakt voorbehoud om in voorkomend geval verder conclusie te nemen aangaande de litigieuze persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding.

L.D. beoogt tot slot dat de nader begrote gedingkosten bij helften worden verdeeld.

2. Daar waar L.D. de akkoordconclusie van 21 mei 2015 van onwaarde wil doen verklaren en derhalve deze proceshandeling wil doen ontkennen (art. 848-850 Ger.W.), laat hij bij gerechtsdeurwaardersexploot van 19 januari 2016 mr. H.V. dagvaarden tot gedwongen tussenkomst.

Bij wijze van tussenvordering beoogt L.D. zodoende de ontkentenis van de akkoordconclusie als proceshandeling.

L.D. beoogt daarbij een provisioneel op 1,00 euro begrote schadevergoeding ten laste van mr. H.V., zo ook diens veroordeling tot de nader begrote gedingkosten.

3. M.M. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van L.D. als hetzij onontvankelijk hetzij ongegrond.

In ondergeschikte orde, voor zover het hof de door L.D. beoogde ontkentenis van proceshandeling zou inwilligen, richt MM. zich (bij wijze van tussenvordering) eveneens tegen mr. H.V. met het oog op een provisioneel op 1,00 euro begrote schadevergoeding.

M.M. maakt verder voorbehoud om in voorkomend geval verder conclusie te nemen aangaande de litigieuze persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding.

M.M. beoogt tot slot de veroordeling van L.D. dan wel mr. H.V. tot de nader begrote gedingkosten.

4. Mr. H.V. neemt conclusie tot afwijzing van de tussenvordering van L.D. tot ontkentenis van de akkoordconclusie van 21 mei 2015 als proceshandeling. Mr. H.V. beoogt de afwijzing van deze tussenvordering als hetzij onontvankelijk hetzij ongegrond, met veroordeling van L.D. tot de nader begrote gedingkosten.

In ondergeschikte orde, voor zover de akkoordconclusie van onwaarde wordt verklaard, wat mr. H.V. zo nodig aanvaardt, wil hij de door L.D. bijkomend beoogde schadevergoeding en hoe dan ook de door M.M. beoogde schadevergoeding doen afwijzen (als ongegrond). met (bijkomende) veroordeling van M.M. tot de nader begrote gedingkosten.

5. Het hof heeft de partijen in hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 30 maart 2017. M.M. was daarbij ook in persoon aanwezig.

Nadien heeft het hof het debat gesloten en de zaak in beraad heeft genomen.

Mededeling aan het openbaar ministerie is, ondanks de tekst van artikel 849, vierde lid Ger.W., niet vereist (P. Depuydt, "Art. 849 Ger.W.", Comm.Ger. 2016, 9-10, nr. 11; J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 542, nr. 1250).

Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

Het hof aanziet (1) de conclusie van L.D. van 30 november 2016, (2) de conclusie van M.M. van 23 december 2016 en (3) de conclusie van mr. H.V. van 14 december 2016 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, in het debat te houden.

III. Beoordeling

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep van L.D. is ontvankelijk (art. 1051, 1056, sub 2° en 1057 Ger.W.). Anders dan (inz.) M.M. aanvoert (aan de hand van een beweerde discrepantie tussen het voorwerp van het beperkte hoger beroep en de beoogde ontkentenis van proceshandeling), ziet het hof geen grond tot onontvankelijkheid van het hoger beroep.

Het beperkte hoger beroep van L.D. staat of valt met de gehekelde akkoordconclusie van 21 mei 2015 en het erop steunende beroepen (akkoord)vonnis van 30 juni 2015.

Op die manier vormt artikel 1043, tweede lid Ger.W. geen struikelblok.

2. Ten gronde rijst prealabele discussie omtrent het mandaat van mr. H.V. bij het onderschrijven van de akkoordconclusie van 21 mei 2015, waarop de eerste rechter akte verleende van het akkoord.

3. L.D. en M.M. zijn gehuwd op 27 januari 1973 onder een vooraf huwelijkscontractueel bedongen gemeenschapsstelsel. Het huwelijkscontract dateert van 24 januari 1973.

Zij hebben twee (intussen meerderjarige) kinderen: T.D. ( ... ) enK.D. ( ... ).

Zoals reeds aangegeven, zijn zij definitief uit de echt gescheiden bij voormeld op 16 september 2015 in kracht van gewijsde getreden echtscheidingsvonnis van 30 juni 2015. Zoals eveneens reeds aangegeven, heeft de eerste rechter daarbij akte verleend van het akkoord van de partijen blijkens een akkoordconclusie van 21 mei 2015. Dientengevolge dient L.D. aan M.M. een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding te betalen ten bedrage van 800,00 euro, met indexbinding en ontvangstmachtiging, en dit vanaf het in kracht van gewijsde treden van de echtscheidingsuitspraak. Het kapitaal dat bij de vereffening-verdeling aan L.D. zou toekomen, wordt bij voorrang aangewend tot betaling aan M.M. van een gekapitaliseerde persoonlijke onderhoudsuitkering. De financiële situatie van de partijen wordt herbekeken met in voorkomend geval bepaling van een aangepaste onderhoudsuitkering ten behoeve van M.M., ingeval zij niet langer de gewezen gezinswoning bewoont, waarbij vanzelfsprekend de reeds ontvangen gekapitaliseerde persoonlijke onderhoudsuitkering in rekening wordt gebracht in zoverre zij toekomstige onderhoudsuitkeringen omvat.

4. Volgens L.D. ontbeerde mr. H.V. als zijn toenmalige advocaat (het benodigde bijzondere) mandaat om de akkoordconclusie te onderschrijven, derwijze dat zij van 'onwaarde' moet worden verklaard met de gevolgen van dien (zie ook P. Depuydt, "Art. 848 Ger.W.", Comm.Ger. 2016, 23-24, nr. 18). L.D. stelt dat de ondertekening van de akkoordconclusie niet valt onder het mandaat ad litem (in de zin van art. 440, tweede lid Ger.W.) van mr. H.V"

L.D. preciseert dat hij, gelet op een eertijdse vrederechterlijke beslissing van 25 februari 1997 (gewezen in het raam van het oude art. 223 BW, waarbij de feitelijke scheiding tussen L.D. en M.M. is ingetreden), reeds sinds 1 maart 1997 onderhoudsuitkeringen betaalt ten behoeve van M.M., die (mede dientengevolge) sinds jaar en dag op haar lauweren rust zonder enige werk(zoek)inspanning. Volgens L.D. kan/ moet de lange periode van betaling van onderhoudsuitkeringen rijkelijk volstaan.

5. M.M. en mr. H.V. (als toenmalige advocaat van L.D.) geven een context en illustreren het akkoord in het licht van een prealabele vergadering ten kantore van de advocaat van M.M. op 8 mei 2015.

L.D. en M.M. waren daarbij aanwezig. Ook hun zoon T.D. was daarbij aanwezig, aangezien hij (in de lijn met onderhandelingen van bij het begin van de echtscheidingsprocedure) de gewezen gezinswoning zou inkopen. Om die reden zou ook zijn afgesproken dat 'het kapitaal dat bij de vereffening-verdeling aan L.D. zou toekomen, bij voorrang wordt aangewend tot betaling aan M.M. van een gekapitaliseerde persoonlijke onderhoudsuitkering', met gebeurlijke herziening ingeval M.M. niet langer de gewezen gezinswoning bewoont. De reeds ontvangen gekapitaliseerde persoonlijke onderhoudsuitkering zou vanzelfsprekend in rekening worden gebracht in zoverre zij toekomstige onderhoudsuitkeringen omvat.

Blijkbaar werd in de lijn met het mondelinge akkoord van 8 mei 2015 door de advocaat van M.M. (per faxbericht van 11 mei 2015) een ontwerp-akkoordconclusie overgemaakt aan mr. H.V. Die ontwerp-akkoordconclusie verwordt tot de akkoordconclusie van 21 mei 2015.

M.M. en mr. H.V. vervolgen dat:

* notaris HULSBOSCH de ontwerp-verkoopakte van de gewezen gezinswoning aanpaste tegen de terechtzitting van 21 mei 2015, waarna de authentieke verkoopakte (zoals aangekondigd na het vonnis van 30 juni 2015 en meer precies op 8 juli 2015) werd verleden op 7 augustus 2015;

* de advocaat van M.M. in de lijn met het akkoord van 8 mei 2015 (op 22 juli 2015) aan notaris HULSBOSCH en mr. H.V. heeft laten weten dat de netto-verkoopprijs op een notariële rubriekrekening geblokkeerd mocht blijven in afwachting van de vereffening-verdeling (wat ook is gebeurd) zodat deze prijs (mede) zou kunnen dienen voor de gekapitaliseerde persoonlijke onderhoudsuitkering;

* L.D. intussen niet reageert, laat staan protesteert tegen het tussengekomen vonnis van 30 juni 2015;

* de met akkoord aangewezen notaris-vereffenaar HULSBOSCH de notariële werkzaamheden (1) opent bij proces-verbaal van 3 februari 2016 en (2) verderzet bij processen-verbaal van 25 mei 2016, 28 september 2016 en 22 november 2016;

* L.D. na het akkoord (onverkort) onderhoudsuitkeringen is blijven betalen.

6. M.M. en mr. H.V. stellen en stofferen met recht en reden dat L.D. zich naar het akkoord (zoals neergelegd in de akkoordconclusie) heeft gedragen en het bijgevolg bezwaarlijk a posteriori kan tegenspreken/betwisten.

De geïllustreerde context en de geboden stoffering van M.M. en mr. H.V. leren dat L.D. bevestiging heeft gegeven van het akkoord en de akkoordconclusie, zodat het erop steunende (akkoord)vonnis van 30 juni 2015 terecht is tussengekomen. De gegeven omstandigheden leren afdoende dat L.D. de akkoordconclusie als proceshandeling (stilzwijgend) heeft 'gelast, toegelaten of bekrachtigd' in de zin van artikel 848, eerste lid Ger.W., zodat zijn vordering om de akkoordconclusie van onwaarde te doen verklaren (met de gevolgen van dien) faalt (P. Depuydt, "Art. 848 Ger.W.", Comm.Ger. 2016, 12-16, ms. 11-12).

7. Een niet-gemandateerd of foutief optreden/handelen van mr. H.V. is onbewezen.

8. Verdere (ondergeschikte) discussie over (1) een schadevergoeding (in de zin van art. 849, vijfde lid Ger.W.; P. Depuydt, "Art. 849 Ger.W.", Comm.Ger. 2016, 10-11, nr. 12) en (2) een gebeurlijk schijnmandaat (zie dienaangaande ook P. Depuydt, "Art. 848 Ger.W.", Comm.Ger. 2016, 20-23, nr. 17) is overbodig.

9. Daar waar L.D. wijst op een wilsgebrek als zou hij (de draagwijdte van) de akkoordconclusie niet (goed) hebben begrepen, ligt niet het minste bewijs voor.

10. Het hof acht zich in de gegeven omstandigheden voldoende voorgelicht, zodat bijkomende onderzoeksmaatregelen, zoals getuigenbewijs van T.D., inopportuun overkomen.

11. De door L.D. beoogde schorsing van de gerechtelijke vereffening-verdeling en gebeurlijke daden van uitvoering/ tenuitvoerlegging, voor zover op een ontvankelijke wijze gevraagd, is niet aan de orde.

Notaris HULSBOSCH kan/mag zijn werkzaamheden vervolgen.

Hij zou intussen doende zijn met de redactie van een staat van vereffening-verdeling.

12. Het hoger beroep van L.D. faalt, met inbegrip van zijn tussenvordering tot ontkentenis van proceshandeling, met de gevolgen van dien, ook wat betreft de tussenvordering van M.M., die zonder voorwerp wordt.

Het vonnis van 30 juni 2015, in zoverre beroepen, verdient bevestiging.

IV. Gedingkosten

1. Het hof beaamt de beoordeling en beslissing van de eerste rechter aangaande de gedingkosten in eerste aanleg.

2. L.D. dient, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, te worden verwezen in de gedingkosten in hoger beroep (art. 1017, eerste en vierde lid Ger.W.).

3. Deze kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. (art. 1018, sub 6° Ger.W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de (hoofdzakelijk) advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.).

De hoofdzakelijk in het gelijk gestelde partijen (met een advocaat) zijn in dit geval M.M. en mr. H.V., zodat alleen voor deze partijen een rechtsplegingsvergoeding kan worden bepaald (terwijl M.M. t.a.v. mr. V.H. niet tot een rechtsplegingsvergoeding is gehouden).

Het bedoelde geschil is niet in geld waardeerbaar.

In dat geval is het in hoger beroep (vanaf 1 juni 2016) toepasselijke (geïndexeerde) basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.440,00 euro (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.).

Het hof richt zich naar dit basisbedrag zonder redenen te zien in de zin van artikel 1022, derde lid Ger.W. om ervan af te wijken.

( ... )

 

Noot: 

NOOT onder dit arrest in het RW – Bart Van den bergh, Bezint eer ge begint? Over de professionele aansprakelijkheid van een advocaat wegens een gestrande actio mandati

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 24/06/2018 - 14:51
Laatst aangepast op: zo, 24/06/2018 - 14:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.