-A +A

Onroerende voorheffing kwijtschelding wegens gebrek aan opbrengst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 15/03/2013
A.R.: 
F.12.0067.N

Kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing kan worden verleend wanneer de belastingplichtige het onroerend goed niet in gebruik heeft genomen of wanneer het hem, onafhankelijk van zijn wil, geen opbrengsten heeft opgeleverd. (art. 15, § 1, 1° WIB 92 , met name de Kwijtschelding of proportionele vermindering wegens onproductiviteit)

De rechtbank beschikt over de beoordelingsmacht om te oordelen of de belastingplichtige een onroerend goed in gebruik heeft genomen en of het hem, onafhankelijk van zijn wil, geen opbrengsten heeft opgeleverd.

Zie ook Cassatie 24/03/2017 (supra in de noot onder dit arrest in via juridat)

Valt aldus onder de toepssing van deze bepaling: de aankoop van een onroerend goed door een onderneming  met het oog op verhuring, waarbij dit onroerend goed ondanks een redelijke huurprijs en inspanningen tot verhuur niet kon worden verhuurd, 

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
462
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 AR nr. F.12.0067.N

Vlaams Gewest t/ NV K.A.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 13 december 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 257, § 2, 3o WIB 92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, wordt kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend voor zover het belastbaar inkomen ingevolge art. 15 kan worden verminderd.

Krachtens art. 15, § 1, 1o WIB 92 wordt het kadastraal inkomen proportioneel verminderd naar verhouding tot de duur en de omvang van de onproductiviteit, van het ontbreken van het genot van inkomsten of van het verlies ervan wanneer een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste negentig dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht.

2. Hieruit volgt dat de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing kan worden verleend wanneer de belastingplichtige het onroerend goed niet in gebruik heeft genomen of wanneer het hem, onafhankelijk van zijn wil, geen opbrengsten heeft opgeleverd.

3. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de belastingplichtige het onroerend goed in gebruik heeft genomen en of het hem, onafhankelijk van zijn wil, geen opbrengsten heeft opgeleverd. Het Hof gaat slechts na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat de belastingplichtige het onroerend goed niet in gebruik heeft genomen en of het hem, onafhankelijk van zijn wil, geen opbrengsten heeft opgeleverd.

4. De appelrechters stellen vast dat:

– de in betwisting zijnde kantoorruimte precies werd aangekocht met het oog op verhuring;

– de verweerster inspanningen deed om het onroerend goed te verhuren in 2007 door het geven van een opdracht aan (...) voor het zoeken van een huurder en daarna met ingang van 6 maart 2007 een verhuuropdracht gaf aan (...) waarin werd bedongen dat de eigendom met foto en prijs zou voorkomen in een vastgoedbrochure, op internet en in de etalage;

– met ingang van 6 maart 2007 de aanbieding te huur werd gepubliceerd op vijf websites en er uitwisseling was met andere vastgoedkantoren;

– op een zesde website publiciteit werd gevoerd vanaf 13 maart 2007 en prospectie werd gedaan bij tien potentiële klanten;

– er in 2007 twee bezoeken zijn geweest van potentiële klanten;

– de gevraagde huurprijs van 2.500 euro per maand niet als onredelijk hoog kan worden beschouwd.

5. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat vrijstelling of vermindering van onroerende voorheffing moet worden verleend wegens onproductiviteit van het goed, verantwoorden kun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Voor een onderneming die een pand aankoopt met het oog op de verhuring, is het risico van de niet-verhuring en de onproductiviteit eigen aan de ondernemingsactiviteit. Dit betekent evenwel niet dat de onproductiviteit afhankelijk is van de wil van de onderneming.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Noot: 

conclusie van advocaat-generaal D. Thijs, Arr.Cass. 2013, 746-748.

Cassatie 24/03/2017 RW 2017-2018, 1610

samenvatting

De vrijstelling van de onroerende voorheffing voor nationale domeingoederen, veronderstelt dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt; het onproductief zijn van het onroerend goed is niets anders dan de ongeschiktheid van het onroerend goed om het voorwerp te zijn van een privatief genot vanwege de openbare dienst die er eigenaar van is, welke ongeschiktheid voort vloeit uit de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven. Opdat een onroerend goed een productief karakter verkrijgt, volstaat het dat het onroerend goed op zichzelf iets opbrengt; de omstandigheid dat de belastingplichtige met betrekking tot het onroerend goed kosten draagt die zijn opbrengst overstijgen, heeft niet tot gevolg dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt

Tekst arrest

AR nr. F.16.0057.N

Regie der gebouwen t/ Vlaams gewest, Vlaamse minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 12 januari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

3. Art. 253, 3o WIB92, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, bepaalt dat het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt, van de onroerende voorheffing wordt vrijgesteld.

4. De toepassing van art. 253, 3o WIB92 veronderstelt dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt. Het onproductief zijn van het onroerend goed is niets anders dan de ongeschiktheid van het onroerend goed om het voorwerp te zijn van een privatief genot door de openbare dienst die er eigenaar van is. Deze ongeschiktheid vloeit voort uit de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven.

Opdat een onroerend goed een productief karakter verkrijgt, volstaat het dat het onroerend goed op zichzelf iets opbrengt. De omstandigheid dat de belastingplichtige met betrekking tot het onroerend goed kosten draagt die zijn opbrengst overschrijden, heeft niet tot gevolg dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

...

F.16.0057.N
Conclusie van de heer procureur-generaal D. Thijs:

1. De eiseres nam bij erfpachtovereenkomst vanwege de stad Leuven het Philipsgebouw op de Philipssite te Leuven in erfpacht. 99,73% van de totale bezette oppervlakte van het gebouw wordt door overheidsdiensten/openbare diensten gebruikt. Voor de overige 0.27% wordt de oppervlakte gebruikt door enkele GSM-operatoren uitsluitend voor de plaatsing van antennes op het dak van het gebouw en van het daaraan ondergeschikt gebruik van een beperkt gedeelte van de technische ruimte met het oog op de plaatsing van het bijhorend materieel van deze GSM-operatoren.

De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de vraag of de eiseres op grond van artikel 253, 3°, WIB92 aanspraak kan maken op de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2007.

Het bezwaar van de eiseres tegen de aanslag werd bij directoriale beslissing van 11 juni 2012 afgewezen als onontvankelijk om reden dat het buiten de bezwaartermijn zou zijn ingediend.

In een vonnis van 8 april 2014 wees de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de vordering van de eiseres af.
In het bestreden arrest verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond. De appelrechters bevestigden het aangevochten vonnis en veroordeelden de eiseres tot de kosten van het geding.

2. Over de vraag tot vrijstelling van de onroerende voorheffing oordeelden de appelrechters als volgt:

"De [verweerster] voert met reden aan dat het voor de toepassing van deze wetsbepaling vereist is dat het gebouw - in zijn geheel (...) voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut wordt gebruik[t]. De [verweerster] toont zelf op overtuigende wijze aan dat de [eiseres] bepaalde gedeelten van het gebouw in het betrokken aanslagjaar verhuurde aan handelsvennootschappen zoals Mobistar, B.Lite Telecom en Belgacom. De bijkomende stukken die de [eiseres] bijbrengt, ontkrachten dat niet, maar leveren daarvan zelfs de bevestiging op. Er is geen wettelijke basis om een vrijstelling toe te kennen in verhouding tot de delen van het kadastraal perceel die wel uitsluitend voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt. Dat het ‘ander' gebruik minimaal is (...) is tegen die achtergrond niet relevant.

Het staat dan ook vast dat niet voldaan is aan de vereiste dat het gebouw in zijn geheel voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut werd gebruikt.

Bovendien blijkt dat de [eiseres] uit die verhuringen van bepaalde delen van het onroerend goed ‘opbrengsten', namelijk huurgelden, ontvangt. Ten onrechte stelt de [eiseres] daar tegenover dat zij veel meer kosten heeft dan die opbrengsten en dus geen winst zou maken maar verlies zou lijden. De termen ‘op zichzelf niets opbrengen', kunnen niet worden uitgelegd als zou de vrijstelling afhankelijk zijn van het al dan niet maken van winst.

Daarmee staat vast dat niet voldaan is aan de voorwaarde die erin bestaat dat het onroerend goed ‘op zichzelf' niets mag opbrengen. Verder toont de [verweerster] ook aan dat de [eiseres] aan de stad Leuven als erfpachter van het gebouw jaarlijks een canon betaalt van 396.929,63 euro (bedrag verschuldigd in 1998 en jaarlijks aan te passen aan de index). De tekst van de wet is duidelijk: het is niet relevant te weten wie een opbrengst uit het gebouw haalt; de beoordeling moet gebeuren ‘in hoofde van' het gebouw. Zelfs als de [eiseres] zelf geen inkomsten uit het gebouw zou halen, dan kan dat niet wegnemen dat het betreffende gebouw ‘iets' opbrengt. De canon is ook onbetwistbaar een vergoeding wegens het recht om het onroerend goed te mogen gebruiken.

De [eiseres] kan zich dus op de vrijstelling van artikel 253, 3° WIB92 niet beroepen."

3. In haar enig middel voert de eiseres de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 251 en 253, 3°, WIB92, van de artikelen 58 en 86ter van de Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven en van artikel 9 Erfpachtwet.

4. In het eerste onderdeel voert de eiseres vooreerst de schending aan van artikel 149 van de Grondwet.

In haar syntheseconclusie had zij aangevoerd dat vaststaat dat "99,73% van de totale bezette oppervlakte gebruikt wordt door de overheidsdiensten/openbare diensten waarvan 73% (!) door Financiën. (...) Voor het overige wordt de oppervlakte gebruikt door enkele Gsm-operatoren uitsluitend voor de plaatsing van antennes op het dak van het gebouw en van het daaraan ondergeschikt gebruik van een beperkt gedeelte van de technische ruimtes met het oog op de indoor plaatsing van het bijhorend materieel inzake datagebruik (stukken 17 c-f). Dit zeer beperkt gebruik door (inderdaad) particuliere entiteiten komt overigens - in tegenstelling tot hetgeen [verweerster] aanvoert - wel degelijk de gehele gemeenschap ten goede en niet louter enkele afzonderlijke personen. De installaties zijn immers geplaatst om de dekking van het territorium (zo meer het Federale Administratieve Centrum) te verzekeren door de telefoon- en datanetwerk ten behoeve van elkeen die zich in het bewust territorium bevindt."

In het eerste onderdeel stelt de eiseres dat zij aldus had aangevoerd dat de telecomoperatoren weliswaar "particuliere entiteiten" vormen, maar dat zij in wezen een openbare dienst of een dienst van algemeen nut verzorgen. Door na te laten te antwoorden op dit betoog, schenden de appelrechters volgens de eiseres de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet.

Uit het hierboven aangehaalde uittreksel uit de syntheseconclusie van de eiseres blijkt dat zij aanvoerde dat 99,73% van de totaal bezette oppervlakte gebruikt werd door overheidsdiensten/openbare diensten, en dat voor het overige de oppervlakte werd gebruikt door enkele gsm-operatoren voor de plaatsing van antennes op het dak en van het daaraan ondergeschikt gebruik van een beperkt gedeelte van de technische ruimtes met het oog op de indoor plaatsing van het bijhorend materieel inzake datagebruik. Aldus sluit de eiseres zelf uit dat er sprake was van een openbare dienst in zoverre de oppervlakte door de gsm-operatoren werd aangewend. In haar besluiten plaatst zij tegenover de 99,73% van de totaal bezette oppervlakte die gebruikt wordt door de "overheidsdiensten/openbare diensten" immers de aanwending van de rest van het onroerend goed door de gsm-operatoren.

Ten overvloede voegde de eiseres daaraan toe dat dit zeer beperkte gebruik door die gsm-operatoren "wel degelijk de gehele gemeenschap ten goede [komt] en niet louter enkele afzonderlijke personen". Zij stelde evenwel niet dat hier sprake was van een openbare dienst of een dienst van algemeen nut zoals bedoeld in artikel 251, eerste lid, 3°, WIB92. Deze gevolgtrekking, die de eiseres in haar cassatiemiddel maakt, werd als zodanig niet voorgelegd aan de appelrechters.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters artikel 149 van de Grondwet schenden door niet te antwoorden op het verweer van de eiseres dat de gsm-operatoren in wezen een openbare dienst of een dienst van algemeen nut verzorgen, mist het m.i. feitelijke grondslag.

5. Overeenkomstig artikel 253, 3°, WIB92 is het kadastraal inkomen van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt, vrijgesteld van de onroerende voorheffing.

In het eerste onderdeel voert de eiseres verder aan dat de appelrechters deze bepaling schenden door na te laten te onderzoeken of de gsm-operatoren al dan niet het bedoelde gedeelte van het onroerend goed gebruiken voor het verstrekken van een openbare dienst of een dienst van algemeen nut.

De toepassing van artikel 253, 3°, WIB92 vereist dat het onroerend goed wordt gebruikt voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut.

Te dezen oordeelden de appelrechters in feite dat het goed niet uitsluitend voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut werd gebruikt.
In zoverre het onderdeel de schending van artikel 253, 3°, WIB92 aanvoert, kan het m.i. niet worden aangenomen.

6. Ten slotte voert de eiseres onder het eerste onderdeel aan dat uit de samenlezing van de artikelen 58 en 86ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven voortvloeit dat de telecomoperatoren zoals Belgacom (thans Proximus) wel degelijk belast zijn met een openbare dienst of dienst van algemeen nut. In zoverre het arrest aldus dient te worden gelezen dat de appelrechters oordelen dat deze handelsvennootschappen geen openbare dienst of dienst van algemeen nut verzekeren, schenden zij volgens de eiseres de artikelen 58 en 86ter van genoemde wet.

Artikel 58 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bepaalt dat de opdrachten van openbare dienst van Belgacom bestaan in de levering van de openbare telecommunicatiedienst, bedoeld in artikel 82 van die wet en dat het beheerscontract tussen de Staat en Belgacom, in afwijking van artikel 3, enkel betrekking heeft op de opdrachten van openbare dienst bepaald in artikel 82, 3°.

Artikel 86ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven omschrijft bepaalde verplichte taken van Belgacom. Overeenkomstig deze bepaling kunnen andere operatoren alleen of gezamenlijk, binnen de voorwaarden bepaald door de Koning en op advies van het Instituut, onder gelijkwaardige voorwaarden deelnemen aan diensten van algemeen belang zoals in deze paragraaf vermeld.

Uit de mogelijkheid dat een telecomoperator (andere dan Belgacom/Proximus) onder bepaalde voorwaarden een dienst van algemeen belang vervult, kan uiteraard niet worden afgeleid dat alle diensten, verstrekt door eender welke telecomoperator, als diensten van algemeen belang moeten worden beschouwd.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat eender welke telecomoperator belast is met een openbare dienst of dienst van algemeen nut, berust het op een verkeerde rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht.

Uit het arrest blijkt dat niet alleen Belgacom, maar ook niet-exhaustief opgesomde handelsvennootschappen ("handelsvennootschappen zoals Mobistar, B.Lite Telecom en Belgacom") een deel van het gebouw huurden. De appelrechters stellen niet vast dat die andere handelsvennootschappen ook taken in de zin van artikel 86ter vervullen en dat zij daarvoor het gebouw in kwestie gebruiken.

In zoverre het onderdeel van deze veronderstelling uitgaat, nodigt het het Hof uit tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel bijgevolg niet ontvankelijk.

7. In het tweede onderdeel komt de eiseres op tegen het oordeel van de appelrechters dat niet voldaan is aan de voorwaarde dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt.

De drie toepassingsvoorwaarden van artikel 253, 3° WIB92 (het onroerend goed heeft de aard van een nationaal domeingoed, brengt op zichzelf niets op en wordt gebruikt voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut) zijn cumulatief. Dit blijkt uit de tekst van de wet en werd door uw Hof bevestigd in een arrest van 12 september 2008 (F.07.0034.N).

Uit de beantwoording van het eerste onderdeel blijkt dat de appelrechters wettig hebben geoordeeld "dat niet voldaan is aan de vereiste dat het gebouw in zijn geheel voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut werd gebruikt."

Deze vaststelling volstaat voor de verwerping van het verzoek tot vrijstelling van onroerende voorheffing.

De verweerder werpt dan ook terecht op dat het tweede onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Het tweede onderdeel, dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechters m.b.t. de voorwaarde dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt, kan immers niet leiden tot de vernietiging van het bestreden arrest, ook al ware het gegrond.

8. Ten overvloede kan hoe dan ook worden opgemerkt dat het onderdeel feitelijke grondslag mist in zoverre het de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet. De eiseres voert aan dat de appelrechters hebben nagelaten te antwoorden op het verweermiddel dat zij voor maar liefst 99,10% van de totale bezette oppervlakte geen enkel bedrag ontving en dat zij voor het saldo van de oppervlakte een "(niet-dekkende), gedeeltelijke) onkostenvergoeding of de retributie (cfr.Nr. 253/90 COMM. WIB 1992)" ontving.

De appelrechters oordelen dat "[de eiseres] uit die verhuringen van bepaalde delen van het onroerend goed ‘opbrengsten', namelijk huurgelden ontvangt".

Aldus stellen de appelrechters in feite vast dat het onroerend goed wel degelijk iets opbrengt, met name huurgelden. Door aldus te oordelen beantwoorden en verwerpen de appelrechters iedere daarmee strijdige aanvoering in de besluiten.
In zoverre mist het onderdeel bijgevolg feitelijke grondslag.

9. Verder voert de eiseres aan dat in zoverre het arrest aldus dient te worden gelezen dat de appelrechters oordelen dat dergelijke onkostenvergoeding of retributie wel dient beschouwd te worden als een opbrengst in de zin van artikel 253, 3°, WIB92, zij deze wetsbepaling schenden aangezien een vergoeding of retributie voor gemaakte kosten zoals inzake onderhoud niet kan worden beschouwd als een opbrengst in de zin van voormelde wetsbepaling.

De verweerder voert terecht aan dat het onderdeel het Hof uitnodigt tot een herkwalificatie van de opbrengst en bijgevolg tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel bijgevolg niet ontvankelijk.

10. Ten slotte voert de eiseres aan dat de voorwaarde in artikel 253, 3°, WIB92 dat het onroerend goed op zichzelf niets mag opbrengen, beoordeeld dient te worden in hoofde van de belastingplichtige. Uit de samenlezing van artikel 251 WIB92 en artikel 9 Erfpachtwet vloeit volgens eiseres voort dat zij als erfpachter te dezen de belastingplichtige is.
In zoverre de appelrechters hun oordeel mede laten steunen op de vaststelling dat zij aan de eigenares van het gebouw, de stad Leuven, een canon betaalt van 396.921,63 euro en zij oordelen dat het niet relevant is te weten wie een opbrengst uit het gebouw haalt, dat de beoordeling moet gebeuren in hoofde van het gebouw en dat zelfs als eiseres zelf geen inkomsten uit het gebouw zou halen dit niet kan wegnemen dat het betreffende gebouw iets opbrengt, schenden zij, aldus de eiseres, artikel 251 WIB92 juncto artikel 253, 3°, WIB92.

11. Voor wat betreft de voorwaarde dat het onroerend goed op zichzelf niets mag opbrengen, kan worden verwezen naar de conclusie van toenmalig eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ in zijn conclusie voor het arrest van uw Hof van 18 januari 2001 in de zaak gekend onder het rolnummer F.99.0140.F:

"Art. 157, 3°, W.I.B. (1964), vindt zijn oorsprong in de artt. 105 en 110 van de wet van 3 frimaire van het jaar VII die bepaalde dat er vrijstelling van belasting was voor niets opbrengende nationale onroerende goederen die voorbehouden waren voor een nationale dienst en die een lange opsomming geeft van de gebouwen die voor een openbare dienst bestemd waren, zoals keizerlijke en ministeriele gebouwen, tempels, opvoedingstehuizen, bejaardentehuizen, enz., alsook gebouwen waarvan de bestemming van openbaar nut is.

In een keizerlijk decreet van 11 augustus 1808 werd art. 105 van de wet van 3 frimaire van het jaar VII uitgelegd, maar omdat het nooit werd gepubliceerd, werd algemeen aangenomen dat het geen enkele verbindende kracht had.

Daarentegen werden de voorwaarden die de voornoemde wet oplegt, nader om- schreven in een arrest van het Hof van 29 januari 1868 betreffende de gemeentelijke pandjeshuizen.

Het Hof beslist dat gebouwen die "sont utilises dans l'interet des operations generalement lucratives auxquelles se livrent (les) institutions (concernees)" en dat onroerende goederen die "rapportent des benefices" geenszins kunnen worden aangemerkt als gebouwen die niets opleveren.

Het Hof leidt eruit af dat de pandjeshuizen niet van grondbelasting zijn vrijgesteld, ook al moeten ze, na de ontvangst van de toelagen om hun opdracht te vervullen, hun jaarlijkse winst in de kas van de weldadigheidsadministraties storten.

Uit die uitlegging door het Hof blijkt dat er onder niets opbrengende onroerende goederen in de zin van art. 157, so, W.I.B. (1964) moet worden verstaan dat er geen enkele winst, geen enkele enige baat, hoe gering ook, mag worden behaald."

Hieruit blijkt dat geen enkele winst, geen enkele enige baat, hoe gering ook, mag worden behaald.

Het onroerend goed mag op zichzelf niets opbrengen. Volgens de administratieve commentaar is het onproductief zijn niets anders dan de ongeschiktheid van het onroerend goed om het voorwerp te zijn van een privatief genot vanwege de openbare dienst die er eigenaar van is. Deze ongeschiktheid vloeit niet voort uit de innerlijke aard van het onroerend goed, maar uit de bestemming die eraan wordt gegeven, namelijk de aanwending voor een openbare dienst of een dienst van algemeen nut (Comm.IB, 253/88).

Wordt een onroerend goed tegen betaling aan een derde ter beschikking gesteld, ongeacht of deze derde een particulier is die het goed op lucratieve wijze wenst te exploiteren of een overheid die het goed zelf bestemt voor een openbare dienst of een dienst van algemeen nut, dan verliest dit onroerend goed zijn improductief karakter (zie ook K. DESMET, "Dient de vervulling van de wettelijke vrijstellingsvoorwaarden in artikel 253, 3° WIB per kadastraal perceel te worden beoordeeld?", TFR 2009, p. 373). De som, verkregen uit de terbeschikkingstelling van het onroerend goed, leidt er immers toe dat het goed op zichzelf iets opbrengt en derhalve een productief karakter krijgt (K. DESMET, ibid, p. 373).

Opdat een onroerend goed een productief karakter verkrijgt, volstaat het dat het onroerend goed zelf iets opbrengt. Irrelevant is het antwoord op de vraag wie deze opbrengst ten goede komt. De omstandigheid dat de belastingplichtige kosten draagt die zijn opbrengst overstijgen, is evenmin irrelevant.
Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de voorwaarde dat het onroerend goed op zichzelf niets mag opbrengen, beoordeeld dient te worden in hoofde van de belastingplichtige, faalt bijgevolg hoe dan ook naar recht.

Besluit: VERWERPING.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/11/2014 - 13:06
Laatst aangepast op: za, 02/06/2018 - 18:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.