-A +A

Onregelmatige factuur aftrekbare BTW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 06/12/2016
A.R.: 
2015/AR/1215

De uitoefening van het recht op btw-aftrek kan niet afhankelijk gesteld van voorwaarden inzake de inhoud van de facturen waarin richtlijn nr. 2006/112 niet uitdrukkelijk voorziet.

In de eerste plaats vereist artikel 226, punt 6 van richtlijn nr. 2006/112 dat de factuur de omvang en de aard van de verrichte diensten vermeldt; het is dus verplicht de omvang en de aard van de verrichte diensten te preciseren, zonder dat evenwel specifiek wordt voorgeschreven dat de specifieke diensten op uitputtende wijze worden omschreven.

In de tweede plaats vereist artikel 226, punt 7 van richtlijn nr. 2006/112 dat de factuur moet vermelden op welke datum de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is. Een factuur met enkel de vermelding “juridische dienstverlening tot op heden” vermeldt niet de begindatum van de betrokken periode en maakt het dus niet mogelijk te bepalen op welke periode de betrokken afrekeningen betrekking hebben. Dergelijke factuur voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 226, punt 7 van de richtlijn nr. 2006/112.

Met betrekking tot de gevolgen van een factuur die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 226, punten 6 en 7 van richtlijn nr. 2006/112, voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek verwijst het Hof van Justitie naar zijn vaste rechtspraak dat het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel is van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel en dat dit recht, in beginsel, niet kan worden beperkt.

Het basisbeginsel van neutraliteit van de btw verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Wanneer de belastingdienst beschikt over de nodige gegevens om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, mag hij voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd. Bijgevolg mag de belastingdienst het recht op btw-aftrek niet weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan de door artikel 226, punten 6 en 7, gestelde voorwaarden indien hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dat recht. De belastingdienst mag er zich in dat verband niet toe beperken de factuur zelf te onderzoeken; hij moet rekening houden met aanvullende informatie die de belastingplichtige verstrekt.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/9
Pagina: 
713
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(G. NV / De Belgische Staat - Rolnr.: 2015/AR/1215)

1. De feiten
(…)

2. De voorafgaande procedure
(…)

3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
(…)

4. Beoordeling
4.1. Inbreuken op de aftrekregeling betreffende de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur
4.1.1. De administratie verwerpt het recht op aftrek met betrekking tot een aantal facturen die door eiseres in hoger beroep werden ontvangen van W.C.H. (9 facturen) en D.B. (3 facturen) wegens inbreuken op de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten mag aftrekken in zijn btw-aangifte moet het recht op aftrek van de belasting ontstaan zijn (art. 2 KB nr. 3) en moeten de voorwaarden om dat recht uit te oefenen nagekomen zijn (art. 3 KB nr. 3 en art. 7 KB nr. 31).

Op grond van artikel 3, § 1, 1° KB nr. 3 van 10 december 1969 moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53octies van het wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Volgens voormeld artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde moet de factuur o.m. vermelden:

“1° de datum waarop ze respectievelijk worden uitgereikt of opgesteld en een opeenvolgend nummer, volgens één of meer reeksen, dat deze stukken op eenduidige wijze identificeert, waaronder ze worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier of de dienstverrichter;

2° de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel en zijn in artikel 50 van het wetboek bedoeld btw-identificatienummer.

(…);

3° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in artikel 50 van het wetboek bedoeld btw-identificatienummer van de medecontractant of, wanneer het in artikel 39bis, eerste lid, 4° van het wetboek bedoelde leveringen betreft, de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer dat in de lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend;

(…);

5° de datum waarop het belastbare feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;

(…).”

Artikel 226 van de Europese richtlijn nr. 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:

“Onverminderd de bijzondere bepalingen van deze richtlijn zijn voor btw-doeleinden op de overeenkomstig de artikelen 220 en 221 uitgereikte facturen alleen de volgende vermeldingen verplicht:

(…);

4) het in artikel 214 bedoelde btw-identificatienummer van de afnemer waaronder hij een goederenlevering of een dienst heeft afgenomen waarvoor hij tot voldoening van de belasting is gehouden of waaronder hij een in artikel 138 bedoelde goederenlevering heeft afgenomen;

5) de volledige naam en het volledige adres van de belastingplichtige en zijn afnemer;

6) de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten;

7) de datum waarop de goederenlevering of de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is of de datum waarop de in artikel 220, punten 4) en 5) , bedoelde vooruitbetaling is gedaan voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

(…).”

Artikel 178 van de richtlijn nr. 2006/112 bepaalt het volgende:

“Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) voor de in artikel 168, punt a), bedoelde aftrek met betrekking tot goederenleveringen en diensten: in het bezit zijn van een overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236 en de artikelen 238, 239 en 240 opgestelde factuur;

(…).”

4.1.2. In het proces-verbaal van 10 oktober 2013 wordt de aftrek verworpen van de verschuldigde btw met betrekking tot 9 facturen van W.C.H. omdat deze facturen een andere medecontractant vermelden dan eiseres in hoger beroep en met betrekking tot 3 facturen van D.B. omdat deze geen enkele van de volgens artikel 5, § 1, 5° en 6° KB nr. 1 verplichte vermeldingen bevatten.

Eiseres in hoger beroep stelt dat W.C.H. wel degelijk met haar heeft gecontracteerd en dat het dwangbevel geen rekening houdt met de door W.C.H. uitgereikte corrigerende facturen, waardoor de motiveringsplicht werd geschonden. De facturen uitgereikt door D.B. zijn volgens eiseres in hoger beroep wel degelijk regelmatig. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie stelt eiseres in hoger beroep dat zelfs indien de facturen onregelmatig zouden zijn, deze onregelmatigheid geenszins kan leiden tot het ontzeggen van haar recht op aftrek van de op die facturen vermelde btw. De beweerde onregelmatigheden met betrekking tot die facturen hebben de controle op het voldaan zijn van de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek niet verhinderd.

In zijn arrest van 15 september 2016 (HvJ 15 september 2016, C-516/14, Barlis O6, Fisc.Act., nr. 2016/34, p. 1-5, Fiscoloog, nr. 1493, 9, Acc.& Fisc., 13 oktober 2016, 3) oordeelt het Hof van Justitie als volgt:

“Artikel 226 van richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat facturen met enkel de vermelding 'juridische dienstverlening sinds (een bepaalde datum) tot op heden', zoals in het hoofdgeding, op het eerste gezicht niet voldoen aan de in punt 6 van dit artikel gestelde voorwaarden en dat facturen met enkel de vermelding 'Juridische dienstverlening tot op heden' op het eerste gezicht noch aan de voorwaarden van dat punt 6 noch aan de voorwaarden van punt 7 van dit artikel voldoen hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient te verifiëren.

Artikel 178, onder a) van richtlijn nr. 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de nationale belastingautoriteiten het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen weigeren enkel en alleen omdat de belastingplichtige in het bezit is van een factuur die niet voldoet aan de in artikel 226, punten 6 en 7 van deze richtlijn gestelde voorwaarden, ook al beschikken deze autoriteiten over alle informatie die noodzakelijk is om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dit recht.”

Met betrekking tot de naleving van artikel 226, punten 6 en 7 van richtlijn nr. 2006/112 herinnert het Hof van Justitie er aan dat de lidstaten de uitoefening van het recht op btw-aftrek niet afhankelijk kunnen stellen van voorwaarden inzake de inhoud van de facturen waarin richtlijn nr. 2006/112 niet uitdrukkelijk voorziet.

In de eerste plaats vereist artikel 226, punt 6 van richtlijn nr. 2006/112 dat de factuur de omvang en de aard van de verrichte diensten vermeldt; het is dus verplicht de omvang en de aard van de verrichte diensten te preciseren, zonder dat evenwel specifiek wordt voorgeschreven dat de specifieke diensten op uitputtende wijze worden omschreven.

In de tweede plaats vereist artikel 226, punt 7 van richtlijn nr. 2006/112 dat de factuur moet vermelden op welke datum de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is. Een factuur met enkel de vermelding “juridische dienstverlening tot op heden” vermeldt niet de begindatum van de betrokken periode en maakt het dus niet mogelijk te bepalen op welke periode de betrokken afrekeningen betrekking hebben. Dergelijke factuur voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 226, punt 7 van de richtlijn nr. 2006/112.

Met betrekking tot de gevolgen van een factuur die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 226, punten 6 en 7 van richtlijn nr. 2006/112, voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek verwijst het Hof van Justitie naar zijn vaste rechtspraak dat het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel is van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel en dat dit recht, in beginsel, niet kan worden beperkt.

Het basisbeginsel van neutraliteit van de btw verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Wanneer de belastingdienst beschikt over de nodige gegevens om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, mag hij voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd. Bijgevolg mag de belastingdienst het recht op btw-aftrek niet weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan de door artikel 226, punten 6 en 7, gestelde voorwaarden indien hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dat recht. De belastingdienst mag er zich in dat verband niet toe beperken de factuur zelf te onderzoeken; hij moet rekening houden met aanvullende informatie die de belastingplichtige verstrekt.

Het Hof van Justitie wijst er op dat de belastingplichtige die op aftrek van de btw aanspraak wil maken, moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden daartoe voldoet en dat de belastingautoriteiten dus van de belastingplichtige zelf alle bewijzen kunnen verlangen die zij noodzakelijk achten om te beoordelen of de gevraagde aftrek al dan niet moet worden toegestaan.

In zijn arrest van 15 september 2016 (HvJ 15 september 2016, C-518/14, Senatex GmbH, Fisc.Act., nr. 2016/34, p. 1-5, Fiscoloog, nr. 1493, 9, Acc.& Fisc., 13 oktober 2016, 3) oordeelt het Hof van Justitie als volgt:

“Artikel 167, artikel 178, onder a), artikel 179 en artikel 226, punt 3 van richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als in het hoofdgeding, volgens welke de correctie van een verplichte vermelding op een factuur, te weten het identificatienummer voor de belasting over de toegevoegde waarde, geen terugwerkende kracht heeft, waardoor het recht op aftrek van deze belasting over de gecorrigeerde factuur geen betrekking heeft op het jaar waarin deze factuur oorspronkelijk is opgesteld, maar op het jaar waarin zij is gecorrigeerd.”

Het Hof van Justitie verwijst naar zijn vaste rechtspraak dat het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel vormt van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel. De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen.

Het Hof van Justitie verwijst naar de materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het recht op aftrek ontstaat (art. 168, a) van de richtlijn) en de formele voorwaarden. Het Hof herinnert eraan dat de richtlijn voorziet in de mogelijkheid om een factuur waarop bepaalde vermeldingen ontbreken, te corrigeren, zoals blijkt uit artikel 219 dat bepaalt dat “(i)eder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur, (…), als factuur (geldt)”.

Het recht op btw-aftrek is een integrerend deel van de btw-regeling en kan in beginsel niet worden beperkt en dit recht wordt onmiddellijk uitgeoefend voor alle belasting die op in eerdere stadia verrichte handelingen hebben gedrukt. Aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Het bezit van een factuur, die de in artikel 226 van de richtlijn bedoelde vermeldingen bevat, is een formele en geen materiële voorwaarde voor het recht op btw-aftrek.

In deze beide arresten bevestigt het Hof van Justitie nogmaals het neutraliteitsbeginsel en de directe werking ervan. Het Hof bevestigt ook het principe dat voorrang moet gegeven worden aan de materiële voorwaarden, wat betekent dat indien de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek voldaan zijn, de aftrek moet worden toegestaan, zelfs indien een formele voorwaarde niet wordt gerespecteerd.

Het recht op aftrek van de belastingplichtige moet niet enkel beoordeeld worden aan de hand van het vervuld zijn van formaliteiten, maar op basis van de materiële voorwaarden.

Wanneer de belastingplichtige de verplichte formaliteiten niet heeft nageleefd, is het belangrijk dat hij andere documenten (bv. e-mails, bestelbonnen, offertes, …) heeft op basis waarvan de administratie kan controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek van btw voldaan zijn. Indien dit het geval is, kan het recht op aftrek niet geweigerd worden en kan hoogstens een niet-proportionele boete opgelegd worden.

4.1.3. De kwestieuze facturen van W.C.H. werden uitgereikt aan een andere geadresseerde dan eiseres in hoger beroep, meer bepaald aan S.H.R., (…), met vermelding van het btw-nummer BE (…). Zij verwijzen naar “onze overeenkomst van 29 juni 2010” en bevatten volgende omschrijving “studies, advies & begeleiding ten behoeve van het management met het oog op het aantrekken van een bijkomende financiële partner voor S.H.R.”.

De voorgelegde overeenkomst van 29 juni 2010 werd afgesloten tussen W.C.H. enerzijds en S.H.R. anderzijds. Eiseres in hoger beroep houdt weliswaar voor dat zij nadien partij geworden is bij deze overeenkomst, doch zulks blijkt hoegenaamd niet uit de voorgelegde stukken.

De brief van 29 juni 2010, inhoudende de overeenkomst tussen W.C.H. en S.H.R. werd op 14 september 2010 voor akkoord ondertekend door de heer B.G., gedelegeerd bestuurder van S.H.R.

Naar aanleiding van de controle heeft eiseres in hoger beroep “gecorrigeerde” facturen voorgelegd, uitgaande van W.C.H. en gericht aan G. NV, (…), alsook twee creditnota's met betrekking tot de voordien aan S.H.R. uitgereikte facturen.

De creditnota's en de gecorrigeerde facturen dateren allemaal van 27 mei 2011. De gecorrigeerde facturen vermelden nog steeds het btw-nummer (…), zijnde niet het btw-nummer van eiseres in hoger beroep, en verwijzen nog altijd naar dezelfde overeenkomst van 29 juni 2010 waarin eiseres in hoger beroep geen partij is.

Op het ogenblik van de controle had eiseres in hoger beroep deze gecorrigeerde facturen, die dateren van 2011, nog niet opgenomen in haar boekhouding.

Eiseres in hoger beroep voert thans aan ervan uitgegaan te zijn dat de initieel foutieve facturen en de nadien ontvangen verbeterende stukken samen één factuur vormden en dat geen bijkomende aanpassing in de boekhouding vereist was. Het betreft evenwel geen onvolledige factuur of een factuur met een verkeerde vermelding van de geleverde goederen of diensten, in welk geval niet betwist wordt dat een verbeterend stuk wordt uitgereikt dat dan één geheel vormt met de oorspronkelijke factuur. In casu is er evenwel sprake van een factuur die aan een verkeerde geadresseerde zou zijn gericht. Dergelijke onvolkomenheid kan enkel gecorrigeerd worden door de oorspronkelijke factuur volledig te annuleren (via een creditnota) en te vervangen door een nieuwe factuur. De oorspronkelijke factuur en de creditnota dienen opgenomen te worden in de boekhouding van de oorspronkelijke geadresseerde (in deze S.H.R.) en in diens btw-aangifte verwerkt te worden, terwijl de nieuwe factuur dient opgenomen te worden in de boekhouding van de nieuwe geadresseerde (in deze eiseres in hoger beroep) en in haar btw-aangifte moet verwerkt worden.

Het hof oordeelt dat uit de voorliggende stukken niet blijkt dat de door W.C.H. gefactureerde diensten werden verricht ten behoeve van eiseres in hoger beroep en/of bestemd waren voor de economische activiteit van eiseres in hoger beroep. Deze stukken maken het niet mogelijk voor de administratie om te controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek voldaan zijn.

De administratie heeft dan ook terecht het recht op aftrek met betrekking tot deze facturen verworpen en het dwangbevel en het bijgevoegde proces-verbaal zijn op dat punt voldoende gemotiveerd.

4.1.4. De kwestieuze facturen van D.B. vermelden als omschrijving: “erelonen: … euro; onkosten: … euro” zonder enig verder detail.

Eiseres in hoger beroep is van oordeel dat de tijdens de controle voorgelegde details alsnog de factuur vervolledigen en zij verwijst hiervoor naar twee “brieven” met als aanhef “Gelieve ingesloten onze ereloonnota te willen vinden met betrekking tot onze prestaties verleend gedurende de periode eindigend op 17 februari 2010 (brief 12 maart 2010)/12 maart 2010 (brief 27 april 2010)” en één stuk “detail”.

Het hof dient vast te stellen dat, zoals de eerste rechter terecht geoordeeld heeft, geen verband kan gelegd worden tussen de facturen en de door eiseres in hoger beroep voorgelegde brieven wegens geen overeenstemming van datums, referenties, prestatieperiodes en becijfering van het bedrag van de facturen:

het referentienummer op de door eiseres in hoger beroep voorgelegde brieven is niet terug te vinden op de facturen;
de facturen bevatten geen verwijzing naar de door eiseres in hoger beroep voorgelegde brieven;
het is niet mogelijk om vast te stellen of de brieven van 12 maart 2010 en 27 april 2010 volledig worden voorgelegd;
volgens de brief van 12 maart 2010 heeft de bijgevoegde ereloonnota betrekking op prestaties gedurende de periode eindigend op 17 februari 2010, doch in de brief wordt verwezen naar prestaties van een latere datum, meer bepaald naar een vergadering van 23 februari 2010 en naar een e-mail van 25 februari 2010;
volgens de brief van 27 april 2010 heeft de bijgevoegde ereloonnota betrekking op prestaties gedurende de periode eindigend op 12 maart 2010, doch in de brief is er sprake van een vergadering van 14 december 2010 (indien zou bedoeld worden december 2009 dient opgemerkt te worden dat hiervan reeds sprake was in de brief van 12 maart 2010);
in het “detail” dat volgens eiseres in hoger beroep betrekking zou hebben op de factuur van 30 april 2010 is er sprake van “advies fusie Q.E.S. NV - S.H.R. NV” en wordt een opsomming gegeven van op bepaalde data geleverde prestaties, zonder enige specificering wat het aantal gepresteerde uren betreft en zonder enig detail met betrekking tot het gefactureerde bedrag.
Uit de voorliggende stukken blijkt dat de prestaties van D.B. onder meer betrekking hebben op de voorgenomen fusie tussen Q.E.S. NV en S.H.R. NV, doch het is niet duidelijk wat de rol van eiseres in hoger beroep was in deze voorgenomen fusie.

Het is aan de hand van de voorliggende stukken evenmin aangetoond dat de diensten waarvoor eiseres in hoger beroep aanspraak maakt op recht op aftrek door haar in een later stadium zijn gebruikt voor haar eigen belaste handelingen.

Aan de hand van de voorliggende stukken kan de administratie niet controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek voldaan zijn.

De administratie heeft dan ook met betrekking tot deze facturen terecht het recht op aftrek verworpen en het dwangbevel en het bijgevoegde proces-verbaal zijn ook op dit punt afdoende gemotiveerd.

(…)

Noot: 

Sas, T., « Btw-aftrek in geval van een onregelmatige factuur », R.A.B.G., 2017/9, p. 720-724

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 12:41
Laatst aangepast op: za, 26/05/2018 - 15:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.